Psalm 51-59

PSALM 51

 51.1. UITLEG

Psalm 51 staat van oudsher in de kerk bekend als een van de zeven boetepsalmen (6; 32; 38; 51; 102; 130; 143). Deze aanduiding is niet voor alle zeven even overtuigend. Zie reeds onder 6.5 over de eerste boetepsalm. Zowel voor Ps. 6 als voor Ps. 38 is de typering ‘klaaglied’ meer geschikt. Ps. 32 bevat elementen van boetedoening (evenals 6 en 38), maar de psalm in haar geheel kunnen we toch het beste een dankpsalm noemen.
Zonder twijfel is Ps. 51 veruit de duidelijkste boetepsalm. Hier klaagt een man uitsluitend over zijn eigen zonde. Vijanden die hem het leven bemoeilijken (zoals in 6; 38,102; 143), komen niet in beeld. Hij klaagt slechts over zichzelf en peilt zowel zijn zonde als Gods  redding en vernieuwing van zijn leven dieper dan welke psalm ook. Vandaar dat het mij juist lijkt de psalm niet als klaaglied, maar zonder meer als boetepsalm te typeren.
Tegen de achtergrond van deze psalm plaatst de dichter zijn overspel met Batseba en zijn (daaruit) voorvloeiende uitschakeling van haar man Uria.
Met Ps. 51 begint weer een serie ‘psalmen van David’, Het valt op dat deze serie, evenals de eerste reeks vanaf Ps. 3, begint met een gebeurtenis uit het leven van David. In deze nieuwe serie zullen opvallend veel psalmen op een historische gebeurtenis uit Davids leven wijzen (Ps. 52; 54; 56 e.a.).
Er is geen reden om het auteurschap van David met betrekking tot Ps. 51 te ontkennen. Wel zijn velen van mening, m.i. terecht, dat de slotverzen 51,20v later aan deze psalm zijn toegevoegd.

 We kunnen Ps. 51 als volgt indelen:

 1) De inleiding op de psalm (1-2);
2) De dichter belijdt voor God zijn schuld en vraagt om vernieuwing van zijn leven (3-15);
3) Hij wil tegenover anderen God loven met het offer van zijn gebroken geest (16-19);
4) De afsluiting van de psalm (20v).

 ad 1) In de inleiding op deze psalm wordt gewezen op de profeet Natan die bij David kwam na diens overspel met Batseba (2 Sam. 12,1vv). Natan veroordeelde zowel Davids doden van Uria als ook wat hij misdaan had door Uria’s vrouw als het enige lammetje (‘ ooilam’ , SV,NBG) van de arme Uria af te pakken. Het opschrift in Ps. 51 vermeldt alleen Davids overspel. Wel is er reden om in 51,16 aan Uria te denken. David heeft bloedschuld op zich geladen door de dood van Uria.
Zowel voor het ‘komen’ van Natan naar David als voor het ‘komen’ of ‘ingaan’ van David bij Batseba wordt eenzelfde werkwoord gebruikt. NBG geeft deze woordspeling ook in de vertaling weer.
Vaak is ontkend dat het opschrift boven deze psalm historisch klopt. 2 Sam. 12,13 zegt dat David tegenover Natan zijn schuld beleed en Jahwe hem zijn zonde had vergeven. Waarom dan later nog een psalm waarin David nog om vergeving smeekt en waarin het lijkt alsof genade, vergeving en reiniging in Davids geval nog moeten plaatsvinden?
Wie 2 Sam. 12 op zich laat inwerken, weet wat de gevolgen waren van de zware schuld die de koning op zich had geladen. Hij weet hoe zwaar David heeft geleden voor en onder de dood van het kind dat hij bij Batseba verwekt had, 2 Sam. 12,15vv. We weten ook dat David een jaar lang zijn zonde had verzwegen. Is het dan zo opvallend dat hij in een psalm deze diepe crisis in zijn leven beschrijft? Hij voldoet in feite daarmee aan wat hij in vs. 15 zegt: ‘Dan zal ik overtreders uw wegen leren’! Dit onderwijs hoeft dan niet in alles stap voor stap de historie te volgen, maar vertelt ons wat David noodzakelijk vond voor zijn onderricht aan anderen. Vanuit zijn ervaring heeft hij anderen, die in soortgelijke crises geraken, onderwijs gegeven. Zie reeds wat ik onder 3.2 (Algemeen thema) over de vaak algemeen beschreven omstandigheden heb gezegd.

 ad 2) De dichter beroept zich op Gods genade en barmhartigheid die groot zijn. God kan zonden uitwissen, zoals gegevens zijn wet te spoelen of af te krabben van perkament, een kleitablet of een blad papyrus. In de vss. 3 en 4 gebruikt hij de drie bekendste woorden voor zonde, die we ook al aantroffen in 32,1v. Scherpe onderscheidingen tussen de drie woorden voor ‘zonde’ kunnen we niet maken. David vindt ze alle drie toepasbaar op wat hij misdaan heeft. Hij vraagt om een grondige reiniging, waarbij aan schoonwassen met gebruik van loog kan zijn gedacht, vgl. Mal. 3,2. Als over ‘reinigen’ gesproken wordt, wordt niet gedacht aan een cultische reiniging (zoals in Lev. 11,32 e.a.). Het is een reiniging door God, die meer doet dan zonden afspoelen, zoals o.a. uit vs. 9 blijkt, waar opnieuw over ‘reinigen’ gesproken wordt.
Om duidelijk te maken dat de dichter zich van zijn kwaad zeer bewust is, zegt hij dat hij zijn zonden kent en ze hem voortdurend voor ogen staan, vs. 5. De dichter belijdt dat hij tegen God gezondigd heeft, ja tegen God alleen. In vs. 16 weer de dichter dat hij ook van bloedschuld bevrijd moet worden. Daarmee geeft hij aan dat hij niet alleen tegen God, maar ook tegen zijn naaste gezondigd heeft.
Hij belijdt zijn schuld om te bevestigen dat God rechtvaardig was in het vonnis dat over hem door de profeet Natan was uitgesproken. We kunnen vs. 6a en b aanvullen met de woorden: ‘Ik zeg dit om Gods rechtvaardigheid te bevestigen en zijn zuiver oordeel te erkennen.’ Tegelijk zal de dichter, door dit royaal toe te geven, ook een beroep willen doen op God die niet alleen straft, maar ook zijn barmhartigheid kan tonen (vs. 3).
In de vss. 7 en 8 gaat de dichter nog een stap verder in het nadenken over het kwaad dat hij bedreven heeft. Hij heeft zwaar gezondigd en is er zich van bewust hoe diep dat kwaad in hem geworteld is. Daarmee is hij besmet geweest vanaf, ja zelfs al vóór zijn geboorte. De vertalingen van vs. 7 luiden vaak ongeveer als volgt: ‘In ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen’. Maar we kunnen letterlijker vertalen:  ‘Onder krijsende barensweeën ben ik geboren, en mijn moeder heeft mij ontvangen in een staat van seksuele opwinding’.
Door op deze omstandigheden te wijzen zegt David nog niet dat de seksuele lust een kwaad is en de zonde als een soort smetstof van moeder op kind  wordt overgedragen. David klaagt over zijn eigen zonde, niet over die van zijn moeder. Er is echter niets op tegen om ook bij verwekking en geboorte te wijzen op omstandigheden, die met de gevolgen en de macht van de zonde te maken hebben. De geboorteweeën zijn al een indicatie. Waarom niet ook de seksuele opwinding, die een goede, maar tegelijk een zo vaak misbruikte gave van God is? Zie Gen. 3,16, waarin eveneens de beide zojuist genoemde aspecten van Ps. 51,7 worden vermeld! Wie gaat er met seksualiteit zondeloos om? Daarmee zijn geboorte en seksualiteit nog niet als zondig te kwalificeren.
De vss. 7 en 8 beginnen met hetzelfde woordje: ‘Zie…’ (NBG). Vs. 7 peilde de diepte van een mensenleven vanaf z’n verwekking en geboorte. Vs. 8 gaat daar verder op door. ‘ Zie, U verlangt waarheid in het verborgene’ , erkent de dichter. D.w.z. God wil dat zijn volgelingen trouw en waarachtig zijn tot in de schuilhoeken van hun leven, 8a. De dichter vraagt of God zelf hem daarvoor de nodige wijsheid wil laten kennen, vs. 8b. De dichter verontschuldigt zich niet over wat hij in het verborgene heeft gedacht en gedaan. Hij wil ook dat verborgen leven onder het licht van Gods wijsheid plaatsen.
Onder de indruk van zijn zonden vraagt de dichter opnieuw (zie reeds vs. 4) of God hem  wil reinigen. Het beeld is duidelijk cultisch. Het reinigen (‘ontzondigen’, NBV) gebeurt met hysop, de ‘wijwaterkwast’ (Böhl) bij de rituele reiniging. Van de hysopplant (NBV spreekt van majoraan) waren de bladeren geschikt om er een kwast van te maken, die in water of bloed gedompeld werd voor het reinigen van mensen (bv. met huidvraat) en hun huizen, Lev. 14,6,49vv; Num. 19,6,18v. Als God hem zal wassen, zal hij witter dan sneeuw worden, vgl. Jes. 1,18. De dichter spoedt zich niet naar de priester om cultisch rein te worden, maar hij hoopt een complete reiniging van God zelf te ontvangen.
Niet alleen bidt de dichter om reiniging. Hij vraagt ook of God hem vreugde en blijdschap wil laten horen, vs. 10a. Als hij vergeving ontvangt en weer voor God aanvaardbaar is, zal de vreugde in zijn leven terugkeren. Zijn gebeente, d.w.z. hijzelf, is gebroken. Maar hij vraagt om herstel, zodat hij weer kan juichen, vs. 10b.
Op grond van dit vers hebben velen gedacht dat de dichter door een ziekte getroffen zou zijn en nu bidt om genezing. Maar het is niet nodig aan een ziekte te denken. Het is zijn zonde die hem in alles kwelt, geestelijk en lichamelijk. Maar daarvoor moet God zijn ogen willen sluiten voor de zonden van de dichter en het kwaad willen uitwissen, dat hij bedreven heeft, vs. 11. Weer gebruikt de dichter het woord ‘uitwissen’, dat we ook in vs. 3 vinden.
Zijn vergrijp tegen God is voor de dichter niet een enkele daad, maar typeert zijn totale situatie. Wat er moet plaatsvinden, is een omwenteling. Hij vraagt in vs. 12 dat God hem een rein (zuiver) hart zal scheppen. Scheppen kan alleen God (vgl. Gen. 1). Scheppen – in de zin van geheel vernieuwen – is alleen van Hem te verwachten (Ps. 102,19; Jes. 41,20; 43,1; 45,7; 48,7 e.a.). Hij bidt om een zuiver hart, omdat hij walgt van de onreinheid waarin hij verkeerd heeft, al vanaf zijn geboorte.
Naast een zuiver hart vraagt de dichter om een vaste geest, vs. 12b. Hij wil niet meer wankelen, maar voortaan een besliste koers volgen, vol vertrouwen op God en zijn gebod. Het moet niet gaan als met Gods volk in de woestijn, dat geen vast hart had, ontrouw als het was aan Gods verbond (Ps. 78,37).
Opnieuw vraagt de dichter of God hem niet wil verstoten, zodat Hij hem niet meer zou willen zien. Enerzijds wil de dichter dat God zijn zonden niet meer (voor zich) ziet, vs. 11; anderzijds vraagt hij of God hem niet wil verstoten, maar wil blijven zien, vs. 13a. Dat is heel begrijpelijk. Als God zijn gezicht verbergt voor mensen, is dat een bewijs van zijn toorn (13,2; 22,25; 27,9; 30,8; 44,25 e.a.). Als Hij zijn gezicht laat lichten over mensen, is dat een bewijs van zijn genade (4,7; 31,17; 44,4; 67,2; 80,4, e.a.).
Als de dichter vraagt of God met hem contact wil onderhouden, kan hij dat met vs. 13b ook als volgt onder woorden brengen: ‘Neem uw Heilige Geest niet van mij weg’. Behalve in Jes.63,10 komt de vermelding van Gods Heilige Geest alleen hier voor.
Hoe zwaar David ook gezondigd heeft, het betekent niet dat God hem helemaal in de steek heeft gelaten. Zijn eigen geest is onheilig (vs. 12b), maar Gods geest heeft hem nog niet verlaten. Hoe het een (Davids zware zonde) met het ander (David nog geleid door Gods Geest) kan samengaan, bespreek ik onder 51.2 (Algemeen thema).
Opnieuw vraagt de dichter om redding door God. Dan kan hij weer blij zijn en (andere) overtreders in de wegen van God kan onderwijzen, zodat ook zij zich tot Hem bekeren, vss. 14v.
In 51,12-14 is driemaal sprake van ‘geest’. In vs. 12 en vs. 14 gaat het over de geest van de mens (David), in vs. 13 over de Geest van God. Wat David wil bereiken is een vaste en gewillige geest, die zich weer richt op wat Gods Geest wil.
Er is op gewezen dat de dichter alles van God verwacht: zijn reiniging, het uitwissen van zijn zonden, zijn nieuwe hart, zijn nieuwe blijdschap en zijn nieuwe willige geest en de daaruit voortvloeiende bereidheid anderen tot bekering op te roepen.

 ad 3) In vs. 16 vraagt de dichter om gered te worden van bloedschuld. Niet ieder vertaalt het Hebr. woord zo. NBV spreekt over bevrijding van ‘de dreigende dood’. Het is waar dat onschuldig vergoten bloed aangegrepen mag worden om de schuldige te doden. Maar het is natuurlijker hier te denken aan de bloedschuld die op David rust door het doden van Uria. Hij bidt dat God hem daarvan wil redden. Zijn handen moeten gereinigd zijn van bloedschuld (vgl. 1 Sam. 25,26;  Kron. 22,8;  Jes.1,15) en God moet zelfs zijn mond openen om de dichter in staat te stellen te juichen over Gods gerechtigheid . Dat wil hier zeggen: te juichen over Gods reddende gerechtigheid, want de dichter denkt aan ‘ de God van mijn heil’, die hem voor de dood bewaart en hem in de gelegenheid zal stellen God te prijzen, vss. 16v.
De dichter laat duidelijk uitkomen dat God van hem geen slachtoffers (dus offers van dieren) wil. Hij blijft, in de lijn van Ps. 50,8vv, zeggen dat God de offeraar zelf als offer wil. Dat omschrijft de dichter door kernachtig te wijzen op het door God gewenste offer: ‘een gebroken en verbrijzeld hart’. De ootmoedige mens, die beseft dat zijn leven zonder God een puinhoop is geworden, brengt het ware offer. In zijn hulpeloosheid strekt hij naar God zijn handen uit. Die handen zijn leeg en hij bidt dat God hem wil geven wat hij verbeurd heeft: reinheid, vergeving van zonden en een nieuw leven. Zelfs over het lofoffer, dat centraal stond in Ps. 50, wordt hier niet gesproken! 

ad 4) Het slot van de psalm, vss. 20v, is met recht door veel verklaarders, reeds vanaf de Middeleeuwen, als een latere toevoeging aan Ps. 51 opgevat. In de slotverzen wordt gebeden of God Sion voorspoed wil geven en de muren van Jeruzalem wil opbouwen. Dat past in een tijd dat de muren herbouwd moesten worden, dus in de ballingschapsperiode, waarin Jeruzalem  verwoest was. Hetzelfde woord voor (op)bouwen treffen we ook aan in o.a. Ps. 69,36; 102,17; 147,2; Ez. 36,36, waar duidelijk sprake is van herbouw van Jeruzalem. Ook David heeft gebouwd aan de muren van Jeruzalem (2 Sam. 5,9). Maar de geschiedenis met Batseba speelde zich later in zijn leven af.
Waarom zijn de slotverzen toegevoegd aan Ps. 51? Het kan zijn om de indruk weg te nemen alsof Ps. 51 zonder de slotverzen de indruk zou kunnen geven, dat het brengen van offers te veroordelen zou zijn. Vs. 21 zegt nu dat God behagen heeft in juiste offers, ‘offers naar de eis’, waarover ook in Ps. 4,6 en Deut. 33,19 gesproken wordt. Zij voldoen aan wat God aan offers wil en van de offeraars eist. Dat laatste heeft Ps. 51 heel duidelijk gemaakt. Maar zou vs. 18 de indruk kunnen wekken dat God in (dieren)offers géén behagen meer in heeft, dan wijst vs. 21 erop dat het anders ligt. De offerdienst behoort (nog) niet tot het verleden! 

 51.2. ALGEMEEN THEMA

 De boetepsalm bij uitstek

 Wie enigszins thuis is in het boek Psalmen, zal instemmen met het oordeel dat Ps. 51 een heel eigen plaats inneemt. Het doen van boete komt in Psalmen vaker voor. In verschillende klaagpsalmen belijdt de dichter dat hij voor God schuldig is (6,2v; 25,7vv; 27,7vv; 30,9; 31,11,15vv; 32,1vv, e.a.). Maar vrijwel altijd wordt dan ook melding gemaakt van vijanden die hem het leven zuur maken. Hij roept God aan in de verwachting dat Hij die vijanden zal uitschakelen (vgl. bv. 6,2v met 6,9vv).
Het is waar dat we het ‘verbroken en verbrijzeld hart’ (51,19) ook aantreffen in 34,19. Maar wie Ps. 51 met Ps. 34 vergelijkt, moet constateren dat Ps. 34 een danklied is van iemand die aan de nabijheid van zijn God niet twijfelt. Hij durft zich een rechtvaardige te noemen, die door Jahwe uit al zijn benauwdheden gered wordt. De toon is daar anders gezet.
Ps. 51 is echter de boetepsalm bij uitstek. Nergens is het besef van schuldig te staan tegenover God zo op zichzelf gericht als hier. Nergens ook komt de noodzaak van een complete wedergeboorte – een nieuw hart en een nieuwe geest – duidelijker uit dan in deze psalm.
Augustinus heeft er in een preek over Ps. 51 op gewezen dat David in zijn leven vaak en lang met zijn grote zonde bezig is geweest. Had Natan niet de rampen voorspeld, die op zijn zonde zouden volgen (2 Sam. 12,10vv)? Ging David, diep vernederd, niet huilend zijn weg, toen Absalom een bloedige oorlog tegen hem begon (2 Sam. 15,30)? Verdroeg hij niet, zonder rancune en in alle nederigheid, de vloek die Simi over hem uitsprak (2 Sam. 16,10)? David erkende daarin, aldus Augustinus, zijn schuld en verdiende straf. Hij zag dat in de vervloeking van Simi Jahwe zelf bezig was. Hij prees God over het goede dat hij ontving, maar ook over wat hij moest lijden.
Het uitzonderlijke van Ps. 51 ligt overigens niet in wat wij dogmatisch de leer van de erfzonde, de leer van onze wedergeboorte, de leer van onze rechtvaardiging en heiliging, etc. noemen. Wel is het onmogelijk om aan bij zulke onderwerpen ook aan Ps. 51 te denken. Men kan zeggen dat nergens duidelijker dan in Ps. 51,7v de zonde de daden van de enkeling overstijgt. Deze verzen vormen, aldus F.M. Th. Böhl, historisch gezien een van de grondslagen van het dogma van de erfzonde. Dezelfde verklaarder mag ook vrijmoedig zeggen dat het seksuele leven met z’n wellusten en hartstochten in bijzondere mate aan de zonde is onderworpen.
Toch is het goed niet verder te gaan dan op te merken dat we in Ps. 51 bouwstenen kunnen vinden voor allerlei dogmatische beschouwingen. Zulke beschouwingen dragen altijd een algemeen karakter, terwijl Ps. 51 over Davids persoonlijke worsteling met schuld, reiniging en de noodzaak van een nieuw leven gaat. Hier legt iemand geen getuigenis af over de zonde, maar over zijn zonde. Zonde was niet iets van hem, maar doortrok zijn hele leven, waarover hij nadacht na zijn misdaden van overspel en moord. Hij wees de kracht van dat kwaad al aan in de omstandigheden van zijn geboorte en verwekking. Maar hij schoof de rekening van het kwaad dat hij bedreven had, niet door naar zijn ouders.
Met de exegese van deze boetepsalm en onze overwegingen daarbij proberen we te leren van Davids zondebelijdenis en zijn volstrekte afhankelijkheid van Gods redding. Wat betekent déze psalm voor onze boetedoening, eventueel in onderscheid van andere boetepsalmen? De dogmaticus voegt gegevens uit Ps. 51 met tal van andere gegevens samen om te bestuderen wat de leer van de Schriften is over de zonde. Hij denkt na over wat het wil zeggen dat ‘alles wat de mens uitdenkt, van zijn jeugd af aan, nu eenmaal slecht is (Gen. 8,21).  

Zie reeds voor het verschil tussen exegese en dogmatiek onder 32.2 (Algemeen thema).

 51.3. VAN OT NAAR NT 

De gedachten van Ps. 51 raken een hoogte, die door Paulus in zijn brief aan de Romeinen ‘slechts door de nauwkeurigheid van uitwerking worden overtroffen’ (Böhl). Alles, tot het loflied toe, kan de boeteling niet uit eigen kracht tot stand brengen. God zelf moet hem daarvoor nog de lippen openen!
Dit komt in het NT ook scherp uit als Paulus Ps. 51,6b citeert in Rom. 3,4: ‘U blijkt rechtvaardig wanneer u rechtspreekt en overwint wanneer u vonnist’ (NBV). De ontrouw van sommigen (zoals die van David) doet de trouw van God niet teniet, Rom. 3,3. Ook David heeft dit bevestigd, toen hij boog onder Gods oordeel. Wat Paulus doet, is het oordeel over David doortrekken tot alle mensen. Alle mensen verdienen het door God te worden gevonnist, omdat zij leugenachtig zijn, terwijl God in zijn veroordeling betrouwbaar blijkt.
Toch loopt er niet zomaar een rechte lijn van Ps. 51 naar Paulus. God blijft trouw aan zichzelf als hij vonnis velt over de zonde van alle mensen. Maar Hij blijft ook trouw aan zichzelf als Hij genade bewijst. Om dat buiten (het volbrengen van) de wet mogelijk te maken verscheen de reddende gerechtigheid voor Jood en heiden in Jezus Christus, Rom. 3,21vv. Daarvan is in de wet en de profeten reeds getuigenis gegeven. De verschijning van Gods gerechtigheid in de Messias is op veel plaatsen in het OT aangekondigd. Maar het wonder daarvan – geen oog had het gezien, geen oor had het gehoord en in geen mensenhart was het opgekomen, Jes. 64,4; 1 Cor. 2,9; Kol. 11,26 – heeft God bestemd voor wie Hem liefheeft. Dat is ons geopenbaard door de Geest, 1 Cor. 2,10.
Ps. 51 brengt nog geen afschaffing van de offerdienst. De psalm eindigt immers met vs. 21, waarin na de herbouw van Jeruzalem opnieuw juiste brandoffers van stieren op het altaar, zullen worden gebracht. De uitdrukking ‘juiste offers’ zal hier zeker ook wijzen op de goede geestelijk instelling van de offeraar, die niet alleen dieren, maar ook zichzelf aan Jahwe komt offeren. Maar daarom loopt de lijn van Ps. 51 nog niet ‘gewoon’ door naar de nieuwtestamentische bedeling en naar wat Paulus in de brief aan de Romeinen over onze redding te melden heeft. 2 Cor. 3 bevestigt dat er over de voorlezing van het OT een sluier blijft liggen, die alleen in Jezus Christus wordt weggenomen.
Ook hier zeggen we (zie reeds onder 50.4) dat het NT ons sterker bewust maakt van de onmogelijkheid om in eigen kracht aan de twee grote geboden te voldoen. Ps. 51,14 is de zwaluw die de lente aankondigt in het gebed van de dichter om een gewillige geest. In Marc. 14,38 zal Jezus er zijn discipelen op wijzen dat de geest wel gewillig is, maar het vlees zwak is. Het onderwijs van Jezus en Paulus over de diepte van het kwaad in de mens en de noodzaak van onze redding door onze redder Jezus Christus leggen onze zwakheid nog duidelijker uit dan Ps. 51 het kon doen.
Aan de hand van Ps. 51 is wel de blijvende waarde van het OT heel duidelijk te maken. Wat ritueel lijkt (reinigen, vs. 4; ontzondigen met hysop, vs. 9; een rein hart, vs. 12; brandoffers, vs. 21), is nooit slechts ritueel, maar doelt altijd op de geestelijke relatie die de mens met God onderhoudt. Het rituele is dus niet een oudtestamentisch stadium, dat nu achterhaald is. Wat in het OT reeds fout was, is het nu nog, nl. het doodse ritueel, dat meent van zonden af te komen door op mechanische wijze offers te brengen en reinigingsvoorschriften na te komen. Zulk handelen losgekoppeld van religieuze en morele gesteldheid. Om het theologisch te zeggen: Het ‘werk’ volgt niet zomaar uit de ‘bewerking’ (Lat.: ex opere operato).
Veel oudtestamentisch ritueel behoort tot het verleden door het werk dat Jezus als ‘offer’ voor de zonden heeft gebracht. Maar de taal van offer en reiniging is gebleven, zoals ieder in elke concordantie op deze woorden in het Nieuwe Testament kan nagaan. Met dezelfde ogen lezen we in de oudtestamentische reinigingsvoorschriften over zonde en genade, dood en leven. Ps. 51 is er het bewijs van hoe in rituele taal diep-geestelijke zaken aan de orde komen.

 51.4. VOOR VANDAAG 

1. Ps. 51 onthult de situatie waarin de dichter (David) verkeerde. We taxeren de psalm verkeerd als we bij ‘zonde’ en ‘misdaad’ aan incidenten en uitglijders denken. Ps. 51 onthult ons hoe het totale leven eruit ziet van de mens. Hij is zonder Gods redding verloren.
Wat we hier horen uit Davids mond, onthult niet alleen hoe hij over zichzelf denkt, maar bevat een boodschap over hoe wij allen zijn. Wie de Bijbel leest, moet erkennen dat de geschiedenis van Israël en van de kerk één reeks van zonden en mislukkingen aan het licht brengt. Het mag een wonder heten wanneer het volk van God geen verval toont. Breken er goede tijden aan, dan is dat meestal van korte duur. Elke tijd levert genoeg materiaal op om een optimistisch mensbeeld af te breken.

2. Het is zaak Ps. 51 serieus te nemen, ook als daarin het kwaad tot in en voor de geboorte van de mens wordt geplaatst. Alle uitleggers spannen zich in om duidelijk te maken dat het kwaad en het doorgeven van het kwaad niet in de geslachtsgemeenschap gezocht moet worden. Dat overtuigt, zolang overeind blijft dat ook de situatie waarin de mens verwekt wordt en ter wereld komt, met zonde omgeven is. Wij worden in zonde ontvangen en geboren. Ieder is daaraan uitgeleverd binnen het machtsbereik van de zonde.

3. Te leren valt verder uit Ps. 51 dat we de schuld niet doorschuiven naar het voorgeslacht, maar daarvoor zelf verantwoordelijk zijn. We staren ons niet blind op een erfzonde die buiten ons omging, maar belijden dat wij schuldig zijn aan het kwaad dat we heel concreet bedreven hebben, hoe vervlochten het ook mag zijn met wat anderen denken en doen.

4. Wij kunnen God niets verwijten, zoals Ps. 51,6b, geciteerd in Rom. 3,4, duidelijk maakt. Gelukkig heeft de rechtvaardigheid van God ons meer te vertellen dan dat zijn oordeel juist is over alle mensen, van wie er niemand rechtvaardig is (Rom. 3,9vv). Zijn reddende rechtvaardigheid heeft Hij ons in Christus Jezus op ongedachte en onverwachte wijze geschonken. Door Jezus Christus’ dood als middel tot verzoening (Rom. 3,25) heeft Hij ons bevrijd van alle schuld.

5. Ps. 51 laat reeds zien hoe een verloren leven omgeven is door de genade van God. David gaf zich helemaal over aan die genade. Dit vertrouwen van David op God is gelijk aan ons geloof in Jezus Christus.

6. Kunnen we van alle christenen vergen dat hun boetedoening de diepte heeft, die we in Ps. 51 vinden? Ja, als het gaat om alle zelfhandhaving te laten varen, voor God onze schuld eerlijk te belijden en in de vergeving daarvan in Jezus Christus te aanvaarden. Maar niet ieders geloof is even sterk, zoals blijkt uit 1 Tess. 3,10. Geloof en liefde kunnen groeien, 2 Kor. 10,15; 2 Tess. 1,3. Zo zal ook niet ieder een zo sterk besef van schuld en verlorenheid hebben als waarvan we in Ps. 51 lezen.
Bovendien moeten we bedenken dat er geen heiligen zijn, die een hoogtepunt in hun boetedoening bereiken, en dan nooit om een ‘verbroken geest’ behoeven te vragen . David zal opnieuw de toorn van God ervaren en boete doen over zijn zelfverheffing, nadat hij een volkstelling van Israël had uitgevoerd (2 Sam. 24).

7. Davids belijdenis dat hij tegen God en God alleen gezondigd heeft, is een waarschuwing godsdienst te laten opgaan in medemenselijkheid. Onze naaste beschadigen is een ernstig kwaad, maar er is een groter kwaad: In z’n godsdienst vergeten dat we allereerst God moeten dienen en eren.

 51.5. VERANTWOORDING 

T.a.v.de inleiding: De eerste reeks ‘psalmen van David’ begint in Ps. 3 met de vermelding van Davids vlucht voor Absalom. In deze reeks is alleen Ps. 7 van een soortgelijk opschrift voorzien (over de Benjaminiet Kus). De tweede reeks ‘gebeden van David’ wordt afgesloten met Ps. 72, die op naam van Salomo staat. In de volgende bundels psalmen vinden we alleen boven één Davidische psalm (142) nog een historische vermelding: ‘toen hij in de spelonk was’. 

T.a.v. vs. 2 zijn er in oude tijden pogingen gedaan Davids uitschakeling van Uria en zijn overspel met Batseba goed te praten of te verzachten. Zo door middeleeuwse rabbi’s (Tehillim I, ‘Introduction’ , XXXIX; 653): Davids zonde zou meer betrekking hebben op het begeren van het kwade dan op het doen ervan; het was de gewoonte dat soldaten conditioneel van hun vrouwen gingen scheiden (ze konden immers sneuvelen); Uria was door zijn ongehoorzaamheid aan David (2 Sam. 11,11) gedoemd om te sterven, etc. De boodschap die Natan bracht, is – evenals Ps. 51 – echter te duidelijk om hier ook maar iets te verzachten. 

Zie voor de woordspeling SBOT 7 (2010),421. Niet juist lijkt het mij hier van een eufemisme te spreken voor de seksuele handeling. Daarvoor is het ‘ingaan tot’ in seksuele zin te gebruikelijk (Hebr.:  ᵓal of bōᵓ ᶜal). Zie Gen. 6,4; 16,2;; 19,31; 30,3v; 38,8,16 e.a.

M.b.t. vs. 7 verwijs ik naar mijn publicatie Huwelijk en seksualiteit (1993),69vv. Mijn vertaling heeft te maken met de Hebr. woorden īl, pol. ōlāltī (baren onder gekrijs) en ym, pi. (heet zijn). Zie voor het laatste woord Gen. 30,41a; 31,10, over het bronstig worden van dieren. 

M.b.t. vs. 8 sluit ik me aan bij (het vermoeden van) R. Alter (2007),181. Het gaat hier over verborgen zonden waarvan de dichter zich niet bewust is en waarvoor hij de wijsheid van God nodig heeft. Met Alter lees ik het Hebr. werkwoord  tōdīēnī  als een wens.

 Zie voor vs. 9 F.M.Th. Böhl (1947) II,90.

 Over wat de dichter God vraagt merkt J. Vette in Oeming/Vette (2010),71 op, dat reinheid, vastheid, willigheid, gebroken- en verslagenheid allemaal van God moeten komen. Geen enkele eigen prestatie, maar alleen de bereidheid om Gods reiniging aan te nemen, toont ons de berouwvolle zondaar, aldus Vette. 

T.a.v. vs. 16a biedt WV de volgende vertaling: ’ Verlos mij uit mijn sprakeloosheid’. Dat zou goed passen tussen het voorafgaande vs. 15 en het volgende vs. 17. De dichter wil weer spreken. Maar de vertalers hebben daarvoor een andere vocalisatie van de Hebr. tekst nodig. Ze lezen dūmīm (zwijgen) i.p.v. dammīm, plur. voor ‘bloed(schuld’, zoals ook Gunkel doet. Zie M.E. Tate (1990),6v. Ik kies evenals Tate voor de vertaling ‘bloedschuld’. De plur. wijst op onschuldig vergoten bloed, dat in het geval van Kaïn schreeuwt tot God (Gen.4,10). David beseft dat hij van bloedschuld bevrijd moet zijn, wil hij over Gods gerechtigheid jubelen. Zie Vette, a.w.,72.     

M.b.t. vs. 18 wordt ook wel een andere vertaling geboden, waarbij vaak het Hebr. lō (niet) wordt gelezen als  of lū  (indien…). Deze conditionele zin zou dan vertaald kunnen worden met: ‘ Als U behagen zou scheppen in een offer, dan zou ik een brandoffer brengen dat u niet behaagde’  (zo LXX). Zie ook Ges.K. 108f over het gebruik van de cohortat. èttēnā. Ik meen met H.J. Kraus (1960) e.a., dat de LXX-vertaling niet overeenkomst met de context in de vss. 19 en 21. Ps. 51 neemt nergens afscheid van de offerdienst, maar vraagt – nog scherper dan Ps. 50 – om het offer van de persoon zelf. 

In vs. 21 wordt het Hebr. substantief kālīl gebruikt, dat als ‘Ganzopfer’ naast ōlā  voorkomt. Beide woorden geven aan dat het offer in z’n geheel verbrand werd en alleen voor Jahwe bestemd was. Sommigen denken dat kālīl een ouder woord is, dat later door ōlā verdrongen werd. Anderen menen dat het verschillende offers zijn geweest. Zie A.S. Kapelrud, ThWAT IV,194v.

Terecht merkt M.E. Tate (1990),30 op dat de aanduiding ‘juiste offers’ hier niet alleen maar slaat op de correcte manier waarop ze volgens de cultische wet moeten worden gebracht, maar allereerst op wat Ps. 51 over de juiste geest en de complete toewijding van de boetvaardige offeraar gezegd geeft.

 Zie voor 51.2 (Algemeen thema), Augustinus (2001), vol. 2,423v. Verder Böhl, a.w.,90 en G.Th. Rothuizen (1966), II,6vv.

 In 51.3 (Van OT naar NT) citeer ik Böhl, a.w.,91. Paulus haalt Ps. 51,6b aan uit LXX. NBV geeft een mooie vertaling van dit bicolon. In beide regels van het bicolon is het rechtspreken van God aan de orde. De ‘woorden’ (Gr.: en tois logois sou) zijn daarom goed weergegeven door ‘wanneer u rechtspreekt’.

Voor 51.3 verwijs ik ook naar de studie van M.H. Oosterhuis, Een rein hart (2006), waarin hij de ‘rituele reinheidsterminologie in spirituele contexten van het Oude Testament’ onderzocht. Hij maakt duidelijk dat de rituele woorden ‘rein’ en ‘onrein’ wel een eigen betekenis hebben, maar tegelijk onlosmakelijk verbonden zijn met wat vloek en zonde en de verlossing daarvan betekenen. Van een gesloten systeem van verontreiniging naast morele verontreiniging is geen sprake. Zie vooral zijn exegese van Ps. 51, a.w.,141-152 en 226vv (samenvatting en conclusies). 

 M.b.t. tot 51.4.7 zegt ook N.H. Ridderbos, a.w.,173, dat de uitspraak van Ps. 51,6 ‘zeker alle aandacht waard’ is in een tijd waarin neiging sterk is het ‘eerste grote gebod te laten opgaan in het tweede. 

PSALM 52 

52.1. UITLEG

 Het is niet gemakkelijk Psalm 52 te typeren. We stuiten op grenzen als we elke psalm willen onderbrengen bij een van de ons vertrouwde groepen, zoals klaag-, dank-, vertrouwens-,en wijsheidspsalmen. Is het een klaagpsalm?  Nee, geen klacht wordt in Psalm 52 gehoord, al lijden de rechtvaardigen onder het geweld van een leugenaar, die het kwade meer liefheeft dan het goede. Maar terwijl deze leugenaar op zijn rijkdom vertrouwt, vertrouwt de rechtvaardige op God, vss. 9 en 10. Het element van vertrouwen op God is wèl typerend voor Ps. 52. Verder herinnert ons de tegenstelling tussen de goddeloze (bedrieger) en de rechtvaardige die op Gods liefde vertrouwt, aan de twee wegen uit Ps. 1. Het getuigt van wijsheid als de mens op God vertrouwt. Hij gaat niet zijn ondergang tegemoet door op zichzelf, zijn liegen en zijn rijkdom te vertrouwen. Ik kies daarom voor de typering: vertrouwens- en wijsheidspsalm

De indeling van Ps.52 plaatst ons niet voor problemen. We geven aandacht aan:

1) het opschrift (1-2);
2) het optreden en de ondergang van de gewelddadige bedrieger (3-9);
3) het vertrouwen van de rechtvaardige (10-11).

 ad 1) In het opschrift treffen we de vaak voorkomende aanduidingen ‘koorleider’, ‘leerdicht’ en ‘van David’ aan. Zie de opschriften in 4,1 en 32,1. Het bijzondere van het opschrift van Ps. 52 ligt in de vermelding van de Edomiet Doëg, die aan Saul had meegedeeld dat David het huis van de priester Achimelech was binnengegaan. Met ‘huis’ zal hier het heiligdom bedoeld zijn waarin Achimelech als priester dienst deed. We lezen over deze geschiedenis in 1 Sam. 21 en 22. David vroeg Achimelech om enkele broden en om  een wapen. Hij kreeg vijf heilige toonbroden en het zwaard van Goliat, dat zich bij Abimelech bevond. De Edomiet Doëg, opzichter over de herders van Saul, zag dit allemaal gebeuren en verklapte het aan Saul, die woedend werd en wraak nam. Op één zoon van Achimelech na (Abjatar) werd heel z’n familie gedood, evenals 83 priesters te Nob. Ook alle bewoners van Nob werden van groot tot klein, inclusief het vee, omgebracht. De uitvoerder van deze wraakactie was Doëg. De soldaten van Sauls garde hadden geweigerd de priesters van Jahwe te doden.
De geschiedenis zoals wij die in 1 Samuël vinden, vertelt dat David (mee) schuldig was aan het uitmoorden van de familie van Achimelech (1 Sam. 22,22). De ontkomen zoon van Achimelech, Abjatar, bracht David van de treurige gebeurtenissen  op de hoogte. Achimelech handelde te goeder trouw. Davids bewering tegenover Achimelech, dat hij voor een geheime missie in opdracht van koning Saul op pad was (1 Sam. 21,2), klopte niet.
Het meeste van wat ik hier uit 1 Sam. 22 en 23 aanhaal, speelt in Ps. 52 geen rol. Alleen de persoon van Doëg komt hier in beeld als leugenaar en bedrieger, die groot onheil stichtte.

Omdat de gegevens uit 1 Samuël over Doëg weinig concreet worden in de psalm, beschouwen velen het opschrift als een latere en niet erg gelukkige toevoeging aan Ps. 52. Andere vergelijkingen dan David tegenover Doëg zouden beter zijn als achtergrond van Ps. 52. Bv. Gods uitschakeling van Sanherib in de tijd van Hizkia (2 Kon. 18,13-19,37), of Jesaja’s profetie tegen Sebna (22,15-25). Zonder te ontkennen dat er ook in deze passages sprake is van leugen tegenover waarheid, heeft het weinig zin daarmee het vermelden van Doëg in Ps. 52 onder vuur te nemen. We hebben al vaker gezien dat de psalmen vaak met opzet algemeen gehouden zijn en daardoor een bredere toepassing toelaten. Zie onder 3.2 en 13.2. Maar waarom moeilijk gedaan over Doëg, die  toch een duidelijk beeld geeft van wat leugen en bedrog aan dood en verderf veroorzaken? De rest is bijzaak wanneer we ons concentreren op Doëg als voorbeeld van vertrouwen op leugen, bedrog en rijkdom, tegenover David als voorbeeld van vertrouwen op de liefde van God. 

ad 2) De leugenaar en bedrieger krijgt een vraag voorgelegd, waaruit verwondering spreekt, vgl. Ps. 2,1. ‘Hoe kom je erbij het kwade aan te prijzen?’ Het past de mens alleen God te prijzen, wat we dan ook geregeld in de psalmen vinden, 35,28; 34,2; 48,11; 51,16, etc. De wijze moet niet roemen op zijn wijsheid, de sterke niet op zijn kracht en de rijke niet op zijn rijkdom, want wie roemen wil, moet op God gericht zijn, Jes. 8,23v. Het wordt helemaal een vreemde zaak als iemand in het kwade roemt en het liefheeft, vss. 2 en 5!
De dichter noemt zo iemand een ‘geweldige’, vs. 3a. NBV vertaalt met ‘ jij held’. Kennelijk is dat ironisch bedoeld.
De grote tegenstelling in Ps. 52 wordt al in vs. 3 duidelijk. Tegenover deze pocher op het kwaad wordt meteen gewezen op Gods trouw (NBG: goedertierenheid). We moeten hier denken aan de trouw die Hij toont aan de rechtvaardige Israëlieten, op grond van zijn verbond met het volk Israël. Deze trouw ’duurt de hele dag’. De bedoeling van vs. 3b zal in het vervolg van de psalm heel duidelijk worden. De pocher kan liegen en bedriegen wat hij wil, hij kan zijn macht laten gelden, maar God houdt het heil van de rechtvaardigen de hele dag in de gaten.
NBV vertaalt 3b anders: ‘(wat prijs je het kwade aan…) en smaal je voortdurend op God!’. Vs. 3a en 3b lopen in betekenis dan parallel en vormen geen tegenstelling meer. Maar overtuigend is deze vertaling niet. Het is heel goed te verdedigen dat in vs.3b, tegenover het pochen van de bedrieger, meteen op Gods bescherming  wordt gewezen van de mensen die op Hem vertrouwen (vs. 9).
In vs. 4 wordt de bedrieger opnieuw aangesproken: ‘Je bent uit op ongeluk, je tong is als een scherp scheermes van een bedrieger, vs. 4. Het kwade heeft hij lief boven het goede. de leugen boven de waarheid, vs. 5. Wat de bedrieger doet, is meer dan leugenachtige woorden spreken. Hij zint op verderf, vs. 4a (NBG) en wil anderen schade toebrengen. Dat blijkt ook uit de volgende beschuldiging: ‘Je houdt van woorden die pijn doen’ (NBV), vs. 6a. De Hebr. tekst zegt letterlijk dat het woorden zijn die ‘verslinden’. Ze doen aan kannibalisme denken!
Dat de leugen dodelijk op de naaste gericht kan zijn met het wapen van de tong, vs. 6b, blijkt uit veel geschiedenissen.  Zo bedrogen de zoons van Jakob Hemor (Gen. 34,13vv), wat leidde tot het vermoorden van de mannen uit zijn stad. Jehu bedroog koning Joram (2 Kon. 9,23) en doodde hem. De tekening van deze bedrieger doet ons denken aan die van de goddeloze in Ps.36,1vv. Ook daar gaat het over iemand die door het kwade beheerst wordt en met onheil en bedrog dag en nacht bezig is. Ook Ps. 38,13 laat zien hoe het bedrog iemands hele leven doortrekt. Men kan niet meer anders. Men is een aartsbedrieger. Zo had ook Achab zich verkocht aan het kwade, waarin de begeerte naar meer rijkdom leidde tot de dood van Nabot (1 Kon. 21,26).
De bedrieger uit Ps. 52 gaat zijn ondergang tegemoet, vss. 7-9. Met enkele forse beelden wordt zijn plotselinge uitschakeling aangekondigd. We kunnen de tekst hier zo lezen dat er van een wens sprake is: ‘Moge God hem voor altijd breken, etc.’ Maar ook de lezing van NBG en NBV is verantwoord: God zelf zal hem voor altijd breken. Hij zal hem grijpen. Hij zal hem (als met een tang) uit zijn woning sleuren. Hij zal hem uit de bodem rukken waarin de wortels van deze boom vastheid dachten te hebben. Verdwijnen zal hij uit het land van de levenden. Dat ‘ontwortelen’ zal zo grondig zijn, dat er ook van nageslacht van deze man geen sprake meer is.
De reactie van de rechtvaardigen die dit zien gebeuren, is dubbel. Zij zien het en vrezen; zij vrezen, maar daarop volgt hun lachen, vs. 8. Ze vrezen, want hun tegenstander was machtig en stichtte als ‘bedrieglijke tong’ veel kwaad. Maar nu maken ze zijn val mee en vrezen God, die in zijn woede hun tegenstander uitschakelt. Op hun vrees volgt hun lachen. Met de vernielzucht van de bedrieger is het immers afgelopen. Ze mogen blij zijn en kunnen lachen.
Hun lachen zal ook de kleur van spotten hebben. We denken aan het lachen van God zelf over de dwaasheid van de vijanden die zich tegen Hem keren, 2,4; 37,13; 59,9. Zo kan ook de rechtvaardige in het spoor van God op wie Hij vertrouwde, lachen om de vijand, die in zijn domheid meende dat hij ongestraft het kwade boven het goede, boven God, kon verkiezen. Deze spottende lach past ook heel goed wanneer we het volgende vs. 9 aan het lachen verbinden: ‘Kijk die man eens, die zijn sterkte niet zocht in God, maar vertrouwde op zijn grote rijkdom!’ De bedrieger wordt niet meer in de tweede persoon aangesproken. De verschrikkelijke ‘jij’ is een onmachtige ‘ hij’ geworden. Hij heet ook niet meer ‘geweldige’ of ‘held’, maar gewoon een ’man’. Zijn ondergang was te voorzien: Wie op rijkdom in plaats van op God vertrouwt, zal merken dat zijn stut en steun, zijn vesting, tot zijn ondergang leidt.
Er is wel gezegd dat 1 Sam. 21v ons niet vertelt dat Doëg rijk was. Maar niets belet ons te geloven dat Doëg, als de opzichter van Sauls herders, in staat was een vermogen op bouwen. Deze Edomiet kwam uit een land waarin aan schapenfokkerij goed verdiend werd (2 Kon. 3,4)!  

 ad 3) Heel anders gaat het met de rechtvaardige, die op God vertrouwt. De psalm gaat nu over in de ik-stijl. Ik, zegt de dichter, ben als een groene olijfboom in het huis van God, vs. 10a. De tegenstelling met de bedrieger is evident. Want die wordt uit zijn tent gesleurd. De rechtvaardige is als een altijd groene olijfboom, die in de bodem van Gods huis z’n blijvende grond vindt.
De olijfboom staat bekend als een boom die zeer oud wordt. Ps. 92,13v gebruikt voor de rechtvaardige het beeld van de palmboom, die in de ouderdom nog vrucht draagt en fris blijft. De olijfboom is voor het land Israël eveneens een gave van Jahwe (Deut. 6,11), geroemd om haar olie (vgl. Recht. 9,8v). De vergelijking tussen de rechtvaardige mens en een boom vinden we ook in Ps. 1,3. Daar wordt de boom door waterstromen gevoed om vruchten op te brengen, zonder dat de bladeren verdorren.
Of er binnen de omheining van tabernakel en tempel ook werkelijk olijf- of palmbomen gestaan hebben, is ons onbekend. Tempelwanden waren met palmen versierd (1 Kon. 6,29; Ez. 40,16). Voor de uitleg van Ps. 52 is deze kwestie van geen betekenis. We hebben hier met een vergelijking te maken: de rechtvaardige is als een palm in het huis van God.
Waarom kan de dichter zich zelf – ik! – aan ons voorstellen als een olijfboom in het huis van God? Omdat hij voor altijd vertrouwt op Gods goedertierenheid (NBG) of op Gods liefde (NBV), vs. 10b. Het Hebr. woord  daarvoor luidt chèsèd , dat ook met ‘trouw’ te vertalen is. De dichter weet dat hij als een van de chasidim – die deel heeft gekregen aan Gods trouw – onverbrekelijk verbonden is aan zijn God. Hij heeft deel gekregen aan de genade van God. En Hij weet dat God trouw blijft aan wat Hij beloofd heeft.

 Wat de bedrieger niet deed, vs. 9a, dat doet de dichter. Doëg tegenover David – dat zijn twee werelden. Het vertrouwen van de een (David), verschilt totaal van dat van de ander (Doëg). De een vindt zijn vastheid in de vesting die God heet, terwijl de ander zelf zijn vesting heeft gebouwd, gebaseerd op leugen en rijkdom.
Het vertrouwen op God brengt de dichter ertoe God te prijzen, zoals zo vaak in een psalm gebeurt (zie reeds ad 2 hierboven). Kort en krachtig verklaart hij: ‘God heeft het gedaan’, vs. 11a. Er wordt niet vermeld wat het woordje ‘het’ inhoudt, vs.11a. Maar dat is uit de psalm zelf af te lezen. God heeft zijn trouw bewezen door een gevaarlijk man uit te schakelen. God loven is vaak tegelijk Hem danken voor een bevrijding.
De dichter zet nog een stap verder. Wat hij nu ervaren heeft in de vernietiging van de bedrieger, geeft het hem volste vertrouwen de naam van God ook verder te verwachten (NBG). Met de ‘naam van God’ is zijn optreden ten bate van zijn volk bedoeld. Gods daden in het verleden, zoals de uitschakeling van de bedrieger, vormen de grondslag voor wat de  naam – die ‘ goed’ is – nog meer aan goeds zal brengen. NBV vertaalt zakelijk gelijk aan NBG: ‘Ik blijf hopen op uw naam die goed is’, vs.11b.
Even vanzelfsprekend als het prijzen van God is ook de plaats waar dit zal gebeuren: te midden van Gods gunstgenoten (NBG) – een mooie vertaling van het Hebr. woord chasidim zoals ik in 52.2 zal toelichten. NBV vertaalt vrijer, maar zakelijk niet minder juist: ‘in de kring van wie u lief zijn’.

 52.2. ALGEMEEN THEMA 

Gods chèsèd en zijn chasidim

 Meestal gebruik ik Hebreeuwse woorden alleen aan het eind van de bespreking van elke psalm, en dus in het vijfde en laatste  onderdeel ‘Verantwoording’. Voor deze keer maak ik een uitzondering. Er worden in de psalm twee Hebr. woorden gebruikt die alles met elkaar te maken hebben. Ik schrijf ze in dit gedeelte iets anders dan in 52.5, om ze ook voor de uitspraak geschikt te maken voor lezers die geen kennis van het Hebreeuws hebben.
Als het over Gods chèsèd gaat, denken we aan zijn liefde, trouw of genade, die Hij aan mensen bewijst. Altijd gaat het dan over een relatie die er tussen God en zijn volk bestaat, of tussen Hem en bepaalde mensen uit zijn volk. We beseffen dat het initiatief voor deze relatie van God uitgaat. Zo sloot Hij een verbond met de aartsvaders (Gen. 17), met het volk Israël bij de Sinai (Ex. 24), dat daarbij de twee stenen platen van dit verbond ontving (Deut. 9,11). Het verbond zou meer dan eens vernieuwd worden (bv. Jer. 31,33). Door de bloedstorting van Jezus Christus werd het tot een nieuw verbond (Luk. 22,20).
Meer dan eens is er ook sprake van een verbond dat God binnen zijn volk met bepaalde mensen sluit. Het bekendste voorbeeld is David, met wie God een verbond sloot, waarin Hij beloofde dat zijn koningshuis eeuwig zou voortbestaan (2 Sam. 7; Ps. 89,4vv).
Zo’n verbond is altijd een bewijs van Gods genade, omdat Hij een volk of mensen uit dat volk uitkiest die Hij liefheeft, zonder dat zij daarop zelf enig recht kunnen laten gelden (zie bv. Deut. 7,6vv).
Daarom is het ook geen wonder dat de Bijbelvertalingen allerlei variaties gebruiken om dat chèsèd-karakter te laten uitkomen Je kunt Gods chèsèd vertalen als zijn liefde, zijn genade, zijn goedheid, zijn barmhartigheid, zijn gunst, zijn trouw, etc. Zo vertaalt NBG in Ps. 52,10 het woord chèsèd met ‘goedertierenheid’ en NBV met ‘liefde’.
Letten we nu op de mensen die van God chèsèd ontvangen. Zij heten chasidim, dat goed te  vertalen is als ‘gunstgenoten’.  Zij delen immers in Gods chèsèd, ze zijn begenadigd (passief) met zijn gunst, etc. Maar vanzelfsprekend moeten de chasidim van hun kant in hun leven ook tonen (actief) dat ze chèsèd ontvangen hebben. Ook daarvoor kunnen allerlei woorden gebruikt worden, zoals ‘vromen’, ‘godvrezenden; ‘getrouwen’. In Psalmen komt het woord chasidim het vaak voor. Van de 32 maal dat het woord in het OT voorkomt, vinden we het 25 maal in Psalmen.
Merkwaardig is dat NBG in de meeste gevallen chasidim met ‘gunstgenoten’ vertaalt, terwijl NBV doorgaans de vertaling ‘getrouwen’ gebruikt, bv. 30,5; 36,24; 85,9; 116,5. We zouden kunnen zeggen dat NBG meer denkt aan de genade van God, die Hij zijn gunstgenoten schenkt, terwijl NBV meer wijst op het antwoord van de mens aan God. We hoeven hier niet te kiezen, omdat beide vertalingen vaak mogelijk zijn.
Het mooie van de vertaling ‘getrouwen’ is, dat je daarbij aan het verbond met God denkt, waaraan mensen zich willen houden. Zij vertrouwen (52,10!) als ‘ getrouwen’ (52,11!) op de chèsèd van God. Zij kunnen op zijn verbond aan en de trouw van God met hún trouw beantwoorden.
Dat geldt ook voor de ‘ik’ in 52,10. De beide woorden chasid (enkelvoud) en chasidim (meervoud) treffen we meer dan eens in één psalm aan (31,8 24; 32,6 en 10; 52,10 en 11; 85,8 en 9; 86, 2 en 5).
De kring van hen die ‘getrouwen’ worden genoemd, is de ene keer groter, de andere keer kleiner.’Getrouwen’ kan slaan op het hele volk Israël, zo waarschijnlijk 2 Kron. 6,41; Ps. 50,5; 29,2; 148,14; 149,1. Maar het kan ook over de kleinere groep binnen het volk gaan die werkelijk trouw is.
Soms denkt men daarbij aan een bepaalde partij van chasidim. Maar daarvoor bieden de teksten in het OT geen grond. Bij bv. de ‘stillen in het land’ (35,20) kun je niet aan een partij denken. Pas later, in de tijd van de Makkabeeën en van de Essenen, valt er te wijzen op georganiseerde kringen van gelovigen die aan God en de mozaïsche wetten trouw wilden blijven.

 52.3. VAN OT NAAR NT

Psalm 52 wordt nergens in het NT geciteerd. Toch is het niet moeilijk de lijn van Psalm 52 door te trekken naar het NT. We denken dan aan de ernst van leugen en bedrog, waarover het NT nog dieper boort dan het OT reeds doet.
Ook in het NT wordt gewaarschuwd tegen de schrikbarende uitwerking van de tong. Wie in zijn spreken niet struikelt is een volmaakt man, die in staat is zelfs zijn hele lichaam in toom te houden (Jak. 3,2). Precies zoals een klein roer grote schepen in de richting stuurt die de stuurman bepaalt, zo gaat het ook met de kleine tong. Hij is een vuur dat een groot bos in brand steekt – een wereld van onrecht! De tong besmet het hele lichaam en steekt het rad van het leven in brand met vuur uit de hel (Jak. 3,5v). Dat maakt de situatie bijzonder hachelijk. Mensen kunnen alle mogelijke soorten dieren temmen, maar er is geen mens die de tong kan temmen – dat onberekenbare kwaad, vol dodelijk venijn (Jak. 3,7v).
Ook Paulus beschrijft de hopeloze situatie waarin de mens zonder Gods redding verkeert. Met een beroep op vier psalmen (achtereenvolgens 143,2; 5,10; 140,4; 10,7) zegt hij dat er geen mens is die nog het goede doet, zelfs niet één. Hun keel is een open graf, hun tong bedrieglijk, en achter hun lippen schuilt het gif van een adder, terwijl hun mond vol is van vervloeking en venijn (Rom. 3, 12-14). Wat Paulus hier doet, is oudtestamentische teksten over de enorme kracht van de bedrieglijke tong consequent door te trekken. Hij komt nl. tot de conclusie dat alle mensen verloren zijn, als God niet zelf te hulp komt. En dat doet Hij door Jezus Christus (Rom. 3,21vv).
Jezus zelf had op deze verlorenheid ook gewezen, door Joden te ontmaskeren die dachten dat het met hen wel meeviel. Zij kregen te horen dat de duivel hun vader was, en niet Abraham of God. ‘Uw vader is de duivel, en u doet maar al te graag wat uw vader wil….Wanneer hij liegt, spreekt hij zoals hij is: een aartsleugenaar, de vader van de leugen. Maar mij gelooft u niet, want ik spreek de waarheid’ (Joh. 8,44v, NBV).
In het licht van de waarheid dat Jezus Christus verspreidde, wordt de verlorenheid openbaar van ieder die zich tegen die waarheid verzet. Men kan denken vrij te zijn, terwijl men slaaf is, zoals Jezus van de Joden zei die niet in Hem wilden geloven (Joh. 8,33).
Door de zondeval werd de waarheid van God vervangen door de leugen, zodat niet meer de Schepper, maar het schepsel vereerd werd. De wereld van de afgoderij is een leugenwereld. De mensen wandelden daarin, met een verduisterd verstand, vervreemd als zij waren van het leven met God (Ef. 4,17). Het NT laat zien dat de leugen niet iets incidenteels is, maar de gevallen mensheid kenmerkt. Alleen Jezus Christus kan ons van deze slavernij bevrijden. 

52.4. VOOR VANDAAG

 1. Plaatsen we Ps. 52 naast Ps. 51, dan staan we voor een belangrijke vraag: Hoe is het mogelijk David scherp te onderscheiden van Doëg? Davids overspel van Batseba en zijn uitschakeling van haar man Uria waren verweven met de macht van de leugen. Hij erkende dat hij schuldig was aan het uitmoorden van Achimelech en zijn familie. We weten dat hij Abimelech een verkeerde voorstelling van zaken over zijn ‘missie’ gaf.
Ons antwoord op de vraag naar het verschil tussen David en Doëg luidt: David gedroeg zich wel eens als Doëg, maar hij was niet van de partij van Doëg (Rothuizen). David kreeg diep berouw over wat hij misdaan had (Ps. 51), Doëg had het kwaad dat hij bedreef lief en prees het kwade dat hij gedaan had (Ps. 52,3-6). Berouw over zonde en verharding erin laten ons de kloof tussen de beide psalmen zien.

2. Uit Ps. 52 is het al duidelijk dat niemand zichzelf als rechtvaardige boven de aartsleugenaars kan verheffen op grond van eigen kwaliteiten. Geen zelfvertrouwen, maar het vertrouwen op God is de enige mogelijkheid om zich van goddelozen te onderscheiden. Het is het vertrouwen op Gods chèsèd (52,10). Ieder mag zich op grond van zijn geloof beroepen op het verbond dat God in Jezus Christus met zijn volk en alle personen uit dat volk gesloten heeft. We behoren tot zijn ‘partij’, beroemen ons niet op het kwade, maar willen ons laten leiden door de Geest van Jezus Christus. Zonder Hem kunnen we niets doen (Joh. 15,5).

3. Met Ps. 52 voor ogen zullen hoop en geduld ons leven kenmerken. Wie op God vertrouwt, wanhoopt niet. Hij leert wat geduld is en gaat niet agressief af of mensen als Doëg. We blijven hopen op Gods openbaring, vs. 11, en wachten op zijn afrekening met allen die kwaad doen en daarop pochen.

4. Het prijzen en verwachten van God, waarmee Ps. 52 eindigt, moet de toon aangeven in ons leven. Die toon heffen we vooral aan op de plaats waar we Gods ‘gunstgenoten’ vinden: in de gemeente van Jezus Christus.

 52.5. VERANTWOORDING 

T.a.v. vs. 1, wijs ik voor de vergelijking Sanherib- Hizkia op F.M.Th. Böhl (1947), 92 en voor de vergelijking Sebna-Jesaja op H.J. Kraus (1960),394.

 In vs. 3b vertaalt NBV anders, door blijkbaar èsèd als ‘schande’ op te vatten. Maar dat is een zeldzaam voorkomende betekenis van dit woord. Anderen corrigeren de Hebr. tekst door met LXX te lezen èl-asīd. Zo vertaalt EÜ: ‘Was prahlst du allzeit vor dem Frommen?’ (Ned.: waarom schep je voortdurend op tegen de vrome?). EÜ wijst er in een noot op dat het ook mogelijk is te vertalen: ‘Wat beroem je je erop dat Gods genade altijd (aan jouw kant) is? Dit staat zo niet in het Hebreeuws en moet er, gelet op de haakjes, bij-gedacht worden.

 In vs. 6a geef ik het Hebr.: divrē-vāla weer met ‘ woorden die verslinden’. Het woord bèla kan samenhangen met het ww bl II ‘ verward worden’. Zo NBG (‘verwoestende taal’) of WV (‘verwarring stichten, daar houdt u van’). Maar het kan ook samenhangen met bl I ‘verslinden’, zoals ik in navolging van SV en HSV vertaal.

 Voor het onderdeel 52.2 raadpleegde ik o.a. H.J. Stoebe, art. ḥèsèd in THAT I,600vv; H.J. Zobel, art. èsèd in THWAT III,48vv; M.E. Tate (1990),34v. De Kanttekeningen SV wijzen er bij 2 Kron. 6,41 op dat het woord asīd zowel voor God zelf als voor de mensen gebruikt wordt. Zie voor Gods ‘goedheid’ Ps. 145,17 en Jer. 3,12. De Kantt. laten tegelijk blijken dat ze van het dubbel aspect afweten als asīdīm voor mensen gebruikt wordt: ‘vromen’, ‘godvruchtigen’, etc. (zelf goeddoen, actief) enerzijds en ‘gunstgenoten’ (hun wordt goedgedaan door God, passief) anderzijds. 

 Zie voor onderdeel 52.4 vooral G.Th. Rothuizen (1966), II,13vv.

 

PSALM 53

 53.1 UITLEG 

 Ps. 53 is voor het grootste deel woordelijk gelijk aan Ps. 14. De verschillen die er zijn tussen beide psalmen, bespreek ik hier. Voor de rest verwijs ik naar wat reeds bij de uitleg van Ps. 14 gezegd is.
We kunnen ons afvragen hoe het komt dat we in Psalmen twee ongeveer gelijke versies aantreffen. We moeten niet vergeten dat er verschillende psalmbundels geweest zijn voordat het tot de totaalbundel kwam, die wij nu Psalmen noemen. Er zijn meer doublures. Zo is Ps. 70 terug te vinden in Ps. 40,14-18. Twee gedeelten uit Ps. 108 komen ook elders voor: 108,2-6 treffen we aan in 57,8-12; 108,7-14 vinden we ook in 60,7-14.
Het is waarschijnlijk dat een bewerker Ps. 14 iets omgebouwd heeft. Maar m.i. is deze bewerking van bescheiden aard geweest.
Uit welke tijd Ps. 53 dateert, is evenmin te beantwoorden als we het bij Ps. 14 konden. We hebben de indruk dat Ps. 14 de originele psalm is, die we in Ps. 53 enigszins bewerkt opnieuw aantreffen. Maar helemaal zeker is dit niet. Het zou ook omgekeerd kunnen zijn.
Ik typeerde Ps. 14 als een  profetische psalm. Hetzelfde kan van Ps. 53 gezegd worden.  

 We gaan nu de verschillen met Ps. 14 na.

 Vs. 1. Terwijl Ps. 14 als opschrift heeft: ‘Voor de koorleider. Van David’, is het opschrift boven Ps. 53 uitvoeriger:

(NBG) Voor de koorleider. Op: Mahalat. Een leerdicht van David;

(NBV) Voor de koorleider. Op de wijs van De rietpijp. Een kunstig lied van David.

De eerste invoeging , zoals NBG die vertaalt, vinden we ook boven Ps. 88, maar verder nergens. Helaas is de betekenis niet duidelijk. Vertalen met ‘Op de wijs van De rietpijp’, zoals NBV doet, is niet meer dan een poging. Het kan een muzikale aanwijzing zijn, maar of het een instrument aanwijst, en of het dan een rietpijp is, blijft duister.
Het Hebr. woord dat met ‘leerdicht’ (NBG) of ‘kunstig lied’ (NBV) wordt weergegeven, treffen we vaker aan. Maar ook hiervan staat de betekenis niet vast, zoals het verschil in vertaling tussen NBG en NBV al laat vermoeden. In de opschriften boven Ps.52-55 komt hetzelfde Hebr. woord voor, waarover ik reeds onder 32.1 een opmerking heb gemaakt.

 Vss. 2-5. Ps. 53 gebruikt in plaats van de naam HERE uitsluitend de naam ‘God’. In Ps. 14 komen beide namen voor. De verandering in Ps. 53 hoeft ons niet te verbazen, omdat het frequente gebruik van de naam Elohim (God) kenmerkend is voor het tweede boek 42-83.  Zie onder 42/43.2. Verder wordt er in 53,2 een ander (scherper) woord gebruikt om het misdadig karakter van de handelingen van de dwaze mens te onderstrepen. Verschil in vertaling met Ps. 14 geeft dit nauwelijks te zien. 

Vs. 6. Pas in dit vers is er duidelijk verschil met Ps. 14. In Ps. 14,5 en 6 luidt deze passage:

 Daar overvalt hen de schrik,
want God is bij het rechtvaardig geslacht.
Het voornemen van de ellendige kunt gij wel beschamen,
maar de HERE is zijn toevlucht (NBG).

 NBG vertaalt 53,6 als volgt:

 ‘Daar verschrikken zij,
terwijl er geen verschrikking is;
want God verstrooit het gebeente van uw belager,
gij doet hen beschaamd staan,
want God heeft hen verworpen.

 ‘NBV vertaalt 53,6 als volgt:

 Nog even en hen overvalt een hevige angst,
een angst als nooit tevoren.
God zal het gebeente van je belagers verstrooien,
lach maar om hen,
want God heeft hen verworpen.’

 De vertaling ‘terwijl er geen verschrikking is’ (NBG) lijkt mij eenvoudiger dan de weergave NBV, waarin over ‘een angst als nooit tevoren’ gesproken wordt. Ook is de vertaling met ‘gij doet hen beschaamd staan’ (NBG) te prefereren boven ‘lach maar om hen’ (NBV).
Toch wijst geen van beide vertalingen op een zakelijke verandering ten opzichte van Ps. 14.
In Ps. 14 wordt met ‘ gij’ of ‘jij’ de dwaas bedoelt. De dwazen kunnen wel proberen het voornemen van de door hen verdrukte mensen te beschamen, d.w.z. zij kunnen proberen het vertrouwen te ondermijnen dat de arme en verdrukte mensen op God stellen. Maar dat zal hen niet lukken, want de HERE neemt die verdrukte mensen in bescherming. In Ps. 53 is die ‘gij’ of ‘jij’ de ellendige zelf, die het uiteindelijk zal winnen van de dwazen en hen met beschaamde kaken zal laten staan, omdat God deze dwazen heeft verworpen.
De Hebr. (voltooide) tijden worden door NBG en NBV terecht zó vertaald, dat de uitschakeling van de dwazen nog plaats moet vinden, maar zeker een feit zal worden. We kunnen daarom met recht ook van Ps. 53 zeggen dat het een profetische psalm is: Iets heeft nog niet plaatsgevonden, maar gebeuren zal het zeker.

 Vs. 7. Het slotvers is een gebed om bevrijding, in dezelfde bewoording (op de Godsnaam na) als het slotvers in Ps. 14. 

Conclusie. Overzien we de verschillen tussen Ps. 14 en Ps. 53, dan is de conclusie verantwoord om aan een en dezelfde inhoud in beide psalmen te denken. Jahwe ziet vanuit de hemel hoe de dwazen in Israël bezig de mensen te onderdrukken die op Hem vertrouwen. De verdorvenheid is zover voortgeschreden, dat de dwazen die met God geen rekening houden, het heft in handen hebben. Wijze mensen zijn er niet meer, d.w.z. niet meer onder hen die het volk in hun greep hebben.
Er is m.i. geen reden om in Ps. 53,6 aan buitenlandse vijanden te denken, die eensklaps door God zullen worden uitgeschakeld  op een slagveld. Iets dergelijks is bv. gebeurd tijdens de overwinning van Joram van Israël en Josafat van Juda op Moab (2 Kon. 3), of in de nederlaag van Sanherib in de dagen van Hizkia tijdens het beleg van Jeruzalem (2 Kon. 19). Maar over zoiets ging het niet in Ps. 14 en gaat het evenmin in Ps. 53. We hebben in beide psalmen te maken een tegenstelling binnen Israël zelf.
Het verschil tussen de beide psalmen bestaat hierin, dat Ps. 53,6 nog krachtiger dan Ps. 14 de nederlaag van de dwazen aankondigt. En de rechtvaardigen worden nog duidelijker opgeroepen niet bang te zijn voor hun tegenstanders. Zij, de zwakken, zullen de brutale dwazen beschaamd doen staan!

 53.5. VERANTWOORDING 

T.a.v. 53.2 valt te wijzen op vervanging van het Hebr. woord alīlā (daad, handeling) door āwèl (onrecht).

 M.b.t. vs. 6 laat men zich op een dwaalspoor brengen als men aan buitenlandse ‘dwazen’ gaat denken. Dat doet bv. H.N. Ridderbos (1973),195v. De ‘dwaas’ (enkelvoud) in vs. 2 zou volgens hem de koning van een vreemd volk kunnen zijn, die Israël benauwt. Omdat het (vooral) over niet-Israëlieten zou gaan, krijgt het feit dat er niemand is ‘die God zoekt’ de betekenis van: ‘die de ware God zoekt’, aldus Ridderbos. Terwijl in Ps. 14 ‘mijn volk’ zou betekenen ‘de kern van het volk, het ‘ware Israël’, zou het in Ps. 53 op Israël als geheel slaan. M.i. laat een dergelijke uitwerking bij Ridderbos al zien, dat men zich onnodige moeiten op de hals haalt door aan buitenlandse dwazen te denken, met legers en al. J. Ridderbos (1958),103, vindt het ‘dubieus’ in Ps. 53 aan buitenlandse dwazen te denken, ook al is het ‘een veel gebruikt argument.’  Kanttekeningen SV hebben vs. 6 kennelijk ook niet als een veldslag opgevat, maar denken aan een metafoor: Zoals gebeurt met mensen die in een veldslag omkomen, of verscheurd worden door wilde dieren. Zie ook E. Zenger, in Hossfeld/Zenger,341vv.

We vinden de opvatting van N.H. Ridderbos o.a. bij F. Delitzsch (1894,380); J. Goldingay (2007), II,150, die op 2 Kon. 18v wijst (Sanherib) en D. Kidner (2008),214v, die als voorbeeld  2 Kon. 7,6v noemt (Elisa en de Arameeërs).

Ik deel de opvatting van o.a. J.M. Brinkman (1997), II,63v, dat 53,6 dezelfde strekking heeft als 14,5v. Over de vertaling van het Hebr. zinnetje -hāyā fāad is veel onzekerheid. Sommigen denken aan een schrik van ongekende omvang (zo NBV). Anderen aan de zorgeloosheid van de dwazen, die geen rekening houden met een ‘verschrikking’ van Gods kant. Weer anderen een iets dat ‘normaal’ helemaal geen schrik veroorzaakt (NBG). Zie Brinkman, a.w., 64. 

De Hebr. werkwoordsvormen worden in vs. 6 het beste opgevat als perfecta profetica.

PSALM 54 

54.1 UITLEG  

Psalm 54 is duidelijk een klaagpsalm. Het opschrift van de psalm brengt ons in de sfeer van de oorlog tussen Saul en David. De inwoners van de stad Zif hadden Saul gemeld: ‘Weet u niet dat David zich bij ons schuilhoudt?’ (vgl. 1 Sam. 23,19). De stad Zif lag in Judees gebied. David zwierf destijds rond in de woestijn Zif (genoemd naar de stad Zif) en werd daar door mensen uit die streek opgemerkt. Zij brachten Saul op de hoogte, met de duidelijke bedoeling Saul de kans te geven David van het leven te beroven. Wat we in Ps. 54 lezen van de Zifieten, lijkt op het verraad van Doëg, waarover we in Ps. 52,1 lezen.

David klaagt in Ps. 54 over de situatie waarin hij verkeert. Volgens 1 Sam. 23 vluchtte David naar de woestijn Maon, zuidelijk van de woestijn Zif. David zou bij Maon door Saul en zijn mannen omsingeld zijn, ware het niet dat een bericht over het binnentrekken van de Filistijnen Saul noodzaakte de achtervolging van David te staken (1 Sam. 23,25vv).
Voor de aanwijzingen in de opschriften ‘Bij snarenspel’ en ‘Een kunstig lied’, zie resp. onder 4.1. en 32.1.

 We kunnen de bespreking van Ps. 54 als volgt indelen: 

1) De dichter bidt om gered te worden van vijanden die zijn leven bedreigen (1-5);
2) Hij vertrouwt erop dat God hem zal helpen en zijn vijanden zal straffen (6-7);
3) Hij zal God dank brengen voor zijn verlossing (8-9).

 ad 1) De dichter verkeert in grote nood en roept God aan. Hij bidt tot God om bevrijding ‘door uw naam’, d.w.z. door de kracht die van God uitgaat. Gods naam is zijn openbaring in deze wereld. Voor David zal het dan in het bijzonder gaan over Gods openbaring aan het volk Israël en ook aan hem persoonlijk. Hij is immers reeds op Jahwe’s bevel gezalfd tot koning over het volk Israël. Gods naam is Gods kracht. Hij heeft dat in het verleden getoond, trouw als Hij is aan wat Hij beloofd heeft. De naam zelf – Jahwe – wordt hier nog niet genoemd. Dat gebeurt in vs. 8.
David spreekt in de vss. 3 en 4 over zijn nood en bidt om uitredding door Gods kracht. In vs. 3b vraagt de dichter dat God hem recht zal verschaffen. In de strijd die hij heeft te voeren, heeft hij het recht aan zijn. Zo beriep David zich tegenover Saul meer dan eens op zijn recht. Terwijl Saul hem wilde doden, spaarde hij het leven van zijn tegenstander. Saul moest erkennen dat David rechtvaardiger was dan hijzelf (1 Sam. 24,18). David wist dat hij niet schuldig was, zodat hij zich tegen de koning op God durfde beroepen, die hem recht zou verschaffen (1 Sam. 24,16). Dit recht houdt de psalmdichter in vrijmoedigheid nu God  voor.
Vs. 4 vormt duidelijk een eenheid met vs. 3. Beide verzen vangen aan met ‘o God’. Vs. 4 onderstreept het verlangen van de dichter dat God naar hem zal luisteren. Vs. 3 maakte de nood duidelijk, vs. 4 roept God vurig op naar de dichter te luisteren. Het kan lijken dat zo’n oproep na vs. 3 overbodig is. Maar ook de Israëliet kende het gevoel dat God veraf kon zijn en zich kon verbergen in tijden van nood, 10,1. Daarom is er vaak de vraag aan God om te luisteren en te antwoorden, 4,2; 5,4; 6,10; 17,1.6, etc.
Na vs. 4 tekent de dichter zijn tegenstanders. Hij noemt hen ‘vreemden’. Met vreemden zullen geen heidenen bedoeld zijn, al heeft het Hebr. woord vaak die betekenis. Wanneer de achtergrond van onze psalm  het conflict tussen Saul en David is, moeten we bij ‘vreemden’  denken aan mensen die, hoewel zij tot het volk van God behoren, met Hem geen rekening houden. Het zijn mensen die geweld gebruiken en het leven van de dichter bedreigen. Dat heeft David ondervonden van volksgenoten die hem aan Saul wilden uitleveren. Zij plaatsen God niet ‘voor hun ogen’, vs. 5. Dit kan erop wijzen dat ze niet God, maar afgoden vereren en voor hun ogen plaatsen, vgl. Ez. 14,2.
In Ps. 86,14 vinden we een soortgelijke klacht als in 54, in ongeveer dezelfde bewoording.

 ad 2) De dichter vertrouwt er echter op dat God hem zal helpen. Dat vinden we in meer psalmen, zonder dat deze hulp nog gegeven is,  vgl. 3,6.8; 6,9.11; 7,7.18 e.a.
Wat God doet, is het tegenovergestelde van wat zijn vijanden beogen. Die staan hem naar het leven, maar God is zijn helper en staat hem bij, vs. 6. SV en HSV vertalen wat er letterlijk staat: ‘De Heere is onder hen die mijn ziel (leven) ondersteunen.’  De uitdrukking is eigenaardig, want God is zo iemand uit een groep die de dichter ondersteunen. NBG en NBV vertalen korter: De Heer is het die de dichter steunt. Dat is op grond van het Hebreeuwse taaleigen ook goed te verdedigen.
Omdat de dichter erop vertrouwt dat God aan zijn zijde staat, vraagt hij ook om bestraffing van zijn belagers, vs.7. Hij heeft in vs. 3 gebeden dat God hem recht wil doen. De keerzijde is dat het onrecht van zijn vijanden gewroken moet worden. Jahwe zal het kwaad vergelden aan wie hem benauwen! Hij vraagt dat God zijn vijanden zal ombrengen. ‘Sla hen neer – dat hebt U beloofd’ (WV). De dichter wil een uitschakeling die tot het verdelgen of uitroeien van zijn vijanden leidt, vgl. 18,41. NBV verzacht deze woorden door als volgt te vertalen: ‘Toon uw trouw en breng hen tot zwijgen.’

 Ad 3) In vol vertrouwen dat God zijn vijanden gaat neerslaan, belooft de dichter dat hij God  zal bedanken voor zijn bevrijding. Hij zal daarbij offers brengen, die vrijwillig zijn. Zulke offers waren vaak verbonden aan een gelofte die iemand had gedaan, Ex. 35,29; Lev. 22,21; Num. 15,3. Ook zonder dat er van een uitdrukkelijk afgelegde gelofte sprake is, wil de dichter God danken. Op spontane wijze. Altijd wordt Gods naam daarbij geprezen, de naam van Jahwe, de God van Israël die bevrijding brengt. Die naam, al aangekondigd in vs. 3, wordt nu in vs. 8 uitdrukkelijk genoemd. Met de bijvoeging dat Hij goed is. Ps. 52,11 is nog iets concreter: Die naam is goed om te verkondigen in het bijzijn van Gods gunstgenoten. De naam Jahwe is een vreugde voor Gods volk. Hij redde de dichter uit alle nood, vs. 9a.
Het kan wat eenvoudig lijken om de naam Jahwe ‘goed’ te noemen, maar in dat woordje ligt alles opgesloten wat  het ouderwetse woord ‘algoede’ (God) probeerde uit te drukken. Ps. 16,2 vertelt dat er geen goed is buiten God.
De rollen zijn omgekeerd. Het oog van de dichter kan met vreugde op zijn vijanden neerzien, vs. 9b! Zie voor dit ‘neerzien’ ook 118,7.

 54.2 ALGEMEEN THEMA 

Namen van God in Psalmen 

Psalm 54 staat in het tweede boek van Psalmen (42-83), waarin de algemene naam voor God (‘Elohim’) veel vaker voorkomt dan de naam ‘Jahwe’. Aan dit verschijnsel, dat nog nooit een overtuigende verklaring heeft gekregen, heb ik reeds onder 42/43.2 aandacht besteed. Het gebruik van de algemene Godsnaam ‘Elohim’ heeft, zo bleek ons, niets te maken met een soort ‘oecumenische’ overtuiging, alsof de goden buiten Israël toch ook hun waarde hebben, zodat ze tot op zekere hoogte met de God van Israël op één lijn zouden kunnen staan. Zowel in het OT als in het NT is er maar één God die wij moeten vereren. Deze God wordt in Psalmen ruim 350x Elohim en ruim 70x El genoemd.
We zagen ook al dat het veelvuldig gebruik van de naam ‘God’ in de Elohim-psalmen niet betekent, dat de naam Jahwe daarin ontbreekt. In het boek Psalmen als geheel komt deze naam bijna 700x voor, maar ook in de Elohistische psalmen toch ook nog 43x.
Zo is aan de hand van Ps. 54 duidelijk te maken dat de naam Jahwe erin niet kan ontbreken. In vs. 3 bidt de dichter om verlossing door Gods naam. En deze naam is geen andere dan Jahwe, vs.8: ‘Ik zal uw naam loven, Jahwe, want hij is goed.’ Elohistische psalmen scherpen ons nergens in dat Elohim de naam Jahwe, als de God van Israël zou kunnen vervangen. Er blijft gelden wat bij de brandende braambos tegen Mozes gezegd is. Onder de naam Jahwe wil Hij aangeroepen worden door alle komende generaties’ (Ex. 3,15). Hij wil onder de naam Jahwe bekend staan, als de God van Abraham, Isaäk en Jakob. Hij wil waar maken wat Hij aan deze aartsvaders reeds beloofd had. Het is vooral de trouw van deze God, waarvan zijn naam Jahwe getuigt: ‘Ik ben die Ik ben’, of: ‘Ik zal er zijn’. Ook David in Ps. 54 doet op deze trouw van God een beroep. Wat Jahwe in de loop van Israëls geschiedenis telkens heeft bewezen, door zijn volk of zijn gunstgenoten te bevrijden, daar bidt ook David om: ‘Bevrijd mij door uw naam’, vs. 3.
Het valt in Ps. 54,3 op, dat de naam Jahwe parallel genoemd wordt met Jahwe’s kracht. Dat komt in het bijzonder naar voren wanneer Hij Jahwe (of God) van de legermachten genoemd wordt, o.a. 24,10; 46,8.12; 59,6; 80,5.8.20; 84,2. Deze naam ‘Jahwe van de legermachten’ is in het bijzonder aan de ark verbonden geweest, zoals ik bij Ps. 24,10 heb vermeld. SV vertaalt met ‘de HEERE der heirscharen’.
In Ps. 54 vinden we nog een bekende naam vermeld voor God: Adoon of Adonai. In Nederlandse Bijbeledities wordt deze naam niet met hoofdletters weergegeven (zoals de naam Jahwe met HEER of HERE), maar met kleinere letter: Heer. Onder deze naam is God bekend als Heer over alles en allen, korter gezegd als de Almachtige. Vaak komt deze naam in combinatie met de naam Jahwe voor. We vinden de naam ‘ Heer’ bijna 70x in Psalmen, te beginnen in 2,4; 8,2.10 etc.
Ik vermeld hier nog een naam, die in Ps. 54 niet voorkomt, maar in Psalmen ruim 20x gebruikt wordt: Eljoon, de Allerhoogste. Reeds Melchisedek gebruikt deze naam om Abraham te zegenen (Gen. 14,19). In Ps. 97,9 treffen we deze naam aan voor God die boven alle goden verheven is.

 54.3. VAN OT NAAR NT

Ps. 54 vinden we in NT nergens geciteerd. Een kwestie, die in de commentaren nogal eens aan de orde wordt gesteld, is de kritiek die A. Weiser oefent op de ‘duidelijk aan te wijzen grenzen van de psalm’. De lage instincten van de wraakzucht en van het leedvermaak over de val van zijn tegenstanders beheersen volgend Weiser de gedachten van de dichter. Dat heeft ook invloed op zijn Godsbeeld. Hij zou Gods macht aan zijn menselijke gevoelens dienstbaar willen maken. Dit gebed werkt niet bevrijdend, vindt Weiser. De psalm valt in dit opzicht onder het gericht van het NT!
Het thema dat we hier aansnijden, is al vaker aan de orde geweest. Zie het Register op ‘wraak’  en ‘wraakzucht’. Wat we bij vorige psalmen gezien hebben, vat ik kort samen:

1. Het is onjuist te beweren dat het OT wel en het NT geen roep om wraak zou kennen.

2. Ook al roepen psalmdichters om wraak, zij vragen God om hen te wreken. Hem komt de wraak toe, Hij zal het vergelden.

3. God kan mensen in dienst nemen om uitvoerders van zijn wraak te zijn: Een koning als David (Ps. 18,14) of andere overheden die Hij in dienst neemt (Rom. 13). Dit mag zeker ook bij de beoordeling van Ps. 45 in rekening worden gebracht. David is de gezalfde koning, die zich van zijn recht op dat koningschap bewust is, en daarom ook mag vragen om radicale uitschakeling van hen die zich om God niet bekommeren.

4. De roep om wraak is geoorloofd, wraakzucht niet, ook niet in het OT. Bij onrecht en tegenslag moet men kunnen wachten op Jahwe (Ps. 37,1vv).

Zie voor meer Schriftgegevens onder 21.2 Algemeen thema (‘De roep om wraak’).
Een blik in het gebedsleven van Jezus Christus, die aan het kruis voor zijn vijanden bad, geeft altijd meer dan wat het OT (Psalmen) ons voorhoudt. Dat mag (moet) bij een psalm die een gebed vormt, altijd bedacht worden. Maar het is een vergissing te denken dat een oudtestamentische psalm waarin de roep om wraak klinkt, diametraal tegenover Jezus’ vergevingsgezindheid zou staan.
Veel dingen liggen gecompliceerder dan we op grond van enkele tekstpassages  zouden denken. Den met name aan de relatie tussen David en Saul. David werd koning en Saul ging te geronde. David heeft om wraak op zijn vijanden gevraagd, maar hij zal na de uitschakeling van Saul toch ook zeggen: ‘Ach, dat de helden in de oorlog moesten vallen (2 Sam. 1,27 NBV)’.

 54.4. VOOR VANDAAG 

1. Psalm 54 biedt een goede gelegenheid ons te onderrichten in de noodzaak van het gebed. Zeker tegen de achtergrond van de strijd tussen Saul en David is duidelijk te maken wat David in zijn nood aan God vraagt en hoe hij zich ook op zijn recht, vs. 2, kan beroepen.

2. Wij kunnen uit veel psalmen opmaken dat het voor de dichter lang niet altijd vanzelf sprak dat God naar zijn gebed luisterde. De moeite die moderne mensen hebben om in een luisterende God te geloven, is een moeite van alle tijden. Over Ps. 54,4 moeten we niet te snel heenlopen. David legde duidelijk zijn nood aan God voor, maar kende ook het gevoel dat God veraf kon zijn en zich kon verbergen. Bidden gaat niet automatisch, maar vraagt inspanning. Juist als onze nood heel reëel is, komt het aan op het vertrouwen dat God naar ons luistert.

3. Ook in Ps. 54 is het niet zeker dat God, die het gebed wel hoort, het ook verhoord heeft. De stemming slaat om, zoals in veel psalmen: Eerst bidt de dichter vanuit een noodsituatie. Vervolgens vertrouwt hij erop dat God hem zal helpen. En aan het slot loopt hij over van dankbaarheid en wil hij God prijzen met offers en met het loflied voor de verlossing, die nog niet gerealiseerd is. Zie de driedeling van deze psalm! Zoiets veronderstelt een aanhoudend bidden van de gelovige, die op God vertrouwt, overtuigd blijft dat God luistert, maar ook weet dat hem niet direct geschonken wordt wat hij vraagt. Wij moeten niet verslappen in het gebed (Luc. 18,1vv). De oogst komt na intensieve arbeid (Gal. 6,9).

3. Nog beter dan de gelovigen tijdens het OT weten we dat aan veel nood pas een einde zal komen na ons leven (lijden) hier op aarde. Het gebed heft lang niet altijd de spanningen op. We moet onophoudelijk bidden en tegelijk God onder alle omstandigheden danken wegens onze band aan Christus Jezus (1 Tess. 5,18). Om het theologisch te zeggen: Wij moeten eschatologisch leven, d.w.z. nu al leven vanuit de overwinning, die in Jezus Christus  zeker is. Ook de psalmdichters wisten dat ze niet altijd kregen wat ze vroegen  (vgl. Hebr. 11,39). 

4. Vreugde over de nederlaag en zelfs over de vernietiging van onze (Gods) vijanden kan van wraakzucht en leedvermaak getuigen, maar dat is niet altijd zo. Om met Calvijn te spreken: Alles hangt hier af van de motieven waardoor iemand gedreven wordt. Als Gods rechtvaardigheid openbaar wordt, hoeven wij er niet bij staan te huilen. Als God lacht en spot over zijn vijanden (Ps. 2,4), misstaat het niet wanneer wij ‘Halleluja’ antwoorden.

  54.5. VERANTWOORDING

 T.a.v. vs. 5 heeft men vaak voorgesteld het Hebr. woord voor ‘ vreemd’ (zār) te vervangen door zēd (‘vermetel’, ‘overmoedig’). Reeds in Luthers vertaling vinden we deze vervanging. Altijd wordt dan ook aan Ps. 68,14 gedacht, dat eenzelfde opbouw en woordgebruik kent als 54,5. Deze vervanging is begrijpelijk, ook al omdat het verschil tussen de consonanten in beide Hebr. woorden miniem is. Maar nodig is zij niet, omdat zār zeker niet alleen op de buitenlandse vreemde wijst. Iemand die er in eigen kring (volk, familie, geloof) uit ligt, kan ook een ‘vreemde’ heten. Zie ThWAT II,557vv (L.A. Snijders).

 De Hebr. uitdrukking in vs. 6: adōnāy besōmē nafšī (lett.: ‘de Heer is onder hen die mijn leven ondersteunen’; het ww. smk betekent ‘ondersteunen). Maar volgens Gesenius-Kautsch par. 131i moeten we zo niet vertalen, omdat de bedoeling is aan te geven dat God iemand is die ondersteunt, etc. NBV en NBG vertalen beide Ps. 54,6 in die geest. Gesenius-Kautsch wijst naast 54,6 op eenzelfde constructie in 99,6 en 118,7. NBV vertaalt op alle drie plaatsen gelijk (99,6: Mozes en Aaron waren zijn priesters; 118,7: met de HEER aan mijn zijde…). NBG doet dat niet (99,6: Mozes en Aäron waren onder mijn priesters; 118,7: De HERE is met mij, onder mijn helpers). 

In 54,7 volg ik voor de Hebr. vorm van yšb het qrē (hi.) yāšīv, in goede aansluiting  bij vs. 6: Laat God het kwaad van de mensen die de dichter benauwen vergelden!

 Voor de in 54.3 vermelde namen van God maakte ik gebruik van artikelen over deze namen in ThWAT en THAT s.v. ēlèlōhīmyhwhyhwh evāōt, ādōnadōnāy en èlyōn. M.b.t. de naam adōnāy ga ik er met NBG en NBV van uit dat de uitgang āy meestal een versterking van ādōn betekent (de Almachtige) en geen pronomen suffixum is (mijn Heer). Zie ThWAT I,62vv (O. Eissfeld). NBG en NBV vertalen in 54,6 met ‘de Heer’, en niet met mijn Heer, zoals J. Goldingay (2007),160,  en R. Alter (2007),190 doen. Het lijkt mij dubieus om met K. Schaefer (2001),136, in de volgorde van de Godsnamen binnen Ps. 54 een ‘growing intimacy’ te constateren tussen de smekeling en God (van èlōhīm via adōnāy – vertaald als mijn Heer – naar  yhwh).

 M.b.t. 54.3 zie men A. Weiser (1966),282.

 De opmerking van Calvijn, die ik aanhaal in 54.4, is te vinden in zijn commentaar op Psalmen (ed. 1949) II,327.

 

PSALM 55 

55.1 UITLEG  

Psalm 55 is een klaagpsalm, die op naam staat van David, zonder dat er op een bepaalde situatie in zijn leven gewezen wordt, zoals in de psalmen 51,52,54,56 e.a. Het klagend karakter van Ps. 55 krijgt een bijzondere diepte omdat daarin op het verraad van een vriend gewezen worden, met wie de dichter een zeer sterke en vertrouwelijke band onderhield. Er zijn verschillende  tijden en namen genoemd de omstandigheden uit Psalm 55 zich afgespeeld kunnen hebben. Wordt gedoeld op het verraad van Achitofel in de woelige dagen van Absaloms greep naar de macht (2 Sam. 15,12; 17,23)? Is de psalm soms beter te plaatsen in de situatie kort voor de balling van Juda, toen door interne strijd aan intieme vriendschappen een eind kwam?  Vooral het leven Jeremia laat ons tonelen zien die aan Ps. 55 doen denken (Jer. 15,10; 26 e.a.).Of moeten we in de dagen van de Makkabeeën zijn met hun scherpe interne religieuze conflicten?  M.i. heeft het weinig zin op zoek te gaan naar een historische situatie. De psalm is algemeen gehouden, zoals meestal het geval is. Hij kan in alle tijden actueel worden.
Evenals in Ps. 54 staat ook hier boven de psalm: ‘ Bij snarenspel’ en ‘ Een kunstig lied’. Zie daarvoor resp. onder 4.1. en 32.1.

 We kunnen Ps. 55 als volgt bespreken: 

1) De dichter bidt om uitredding van vijanden die hem in grote nood brengen (1-12);
2) Hij wijst bijzonder op een verrader, die zich onder zijn vijanden bevindt. Deze vijanden vervloekt hij (13-16);
3) Hij bidt opnieuw, in vertrouwen op God, om uitredding van vijanden die zich leugenachtig gedragen (17-22).
4) Hij eindigt met de zekerheid dat God zijn vijanden zal treffen en hem niet zal laten wankelen (23-24).

 ad 1) De dichter begint tot God te bidden. Zoals veel vaker vraagt hij of God wil luisteren en zich niet zal verbergen, vgl. 10,1 e.a. Hij smeekt om hulp, vs. 2. Hij vraagt of God hem aandacht wil geven en hem wil antwoorden. Klagend en kreunend loopt hij rond, vs. 3. De hiervoor gebruikte Hebr. woorden worden verschillend weergegeven, maar alle variaties in vertaling laten zien dat de nood bij de dichter hoog is.
Wat is er aan de hand? Vijanden schreeuwen tegen hem. Wat zij tegen hem zeggen, kwelt hem, vs. 4a. Vs. 4b laat zien dat het maar niet over één vijand gaat, maar dat hij veel tegenstanders heeft. Zie ook vs. 19.
Het verzet tegen de dichter beperkt zich niet tot woorden. Zijn vijanden gieten onheil over hem uit en bestoken hem in hun woede, vs. 4b.
Het valt de dichter zwaar dit te verwerken. Zijn hart ‘in zijn binnenste’ krimpt ineen en doodsangst overvalt hem, vs. 5. Vrees en beven grijpen hem aan, zodat verschrikkingen hem ‘bedekken’. Vrijer vertaald: Hij huivert over heel zijn lichaam, vs. 6  (vgl. NBV). Allerlei schrikbeelden doemen op in zijn angsten.
Als hij kon, zou hij de ellende die hem kwelt ontvluchten. Hij denkt: ‘Had ik maar vleugels als een duif!’. Dan zou hij wegvliegen en zich ver weg vestigen, om diep in de woestijn te overnachten, vs. 8. Hij zou daar haastig beschutting zoeken tegen rukwinden en stormen, vs. 9. Bij ‘stormen’ zal hij denken aan de woede van zijn vijanden die hem doet verlangen naar veiliger oorden. Een duif in de woestijn weet zijn nest zo te kiezen, dat windvlagen en stormen hem niet meer kunnen deren.
Het eerste Hebr. woord in vs. 10 betekent ‘verslinden’. Maar hier doet het ons denken, gelet op het directe vervolg, aan ‘verwarren’ van de spraak van de vijanden. Zij proberen met hun bedrieglijke praat hun tegenstanders te verslinden, o.a. 35,25 en 52,6. Laat God hen nu ‘verslinden’ door hen te verwarren en hun tong te splijten! De spraakverwarring die God eens over Babel liet komen (Gen. 11), verlangt de dichter nu voor Jeruzalem!
Hij weet wat er in de stad (Jeruzalem) gaande  is. Er heerst in de stad geweld en twist. Die twee zijn hier personen, die dag en nacht over de muren van de stad rondgaan. Een dergelijke personificatie komt vaker voor, zoals in 43,3 (licht en waarheid). Onder normale omstandigheden beschermen wachters een stad dag en nacht tegen geweld en twist. Hier gebeurt het tegenover gestelde. Binnen de stad hebben onrecht en leed vrij spel, vs. 11. Rampspoed heerst er en het stadsplein is onophoudelijk het toneel van terreur en bedrog, vs. 12. Tot driemaal toe vinden we in de vss 10-12  telkens met twee woorden de treurige situatie in de stad getekend.

 ad 2) De dichter vestigt onze aandacht in het bijzonder op een van zijn tegenstanders met wie hij het heel moeilijk heeft. Het Hebr. woord waarmee dit gedeelte begint, kan met ‘want’ vertaald worden (zie NBG)Maar het kan ook dienen om op iets bijzonders te wijzen, zonder dat het vertaald hoeft te worden (NBV). Het gaat over een vriend, die voor de dichter tot vijand geworden is. Was het alleen maar een vijand of een hater! Maar het is niet slechts een vijand die hem smadelijk heeft behandeld. Zoiets zou de dichter kunnen dragen. Ook is het niet de haat van iemand die hem vanuit de hoogte behandelt, die hem zo pijnlijk treft. Voor zo iemand zou hij zich verbergen, d.w.z. zover mogelijk bij hem uit de buurt blijven. Dáár zou dus nog iets tegen te doen zijn. Maar er is iets ergers aan de hand, waar de dichter geen verweer tegen heeft.
Hij richt zich nu persoonlijk tegen deze vijand. Het is iemand ‘uit mijn eigen kring’ (WV), ‘mijns gelijke’ (NBG). Dat wijst hier niet alleen op de hoge positie van deze persoon, maar vooral op hun vertrouwelijke omgang. Met hem ging hij in het feestgedruis samen op naar de tempel, vs. 15. Er wordt in het Hebreeuws een woord gebruikt dat op de zoete smaak wijst die ze daarin beiden proefden. Ze waren sterk aan elkaar verbonden in vriendschap en geloof. Maar nu is de boezemvriend in een verrader veranderd.
Het oordeel dat de dichter daarover uitspreekt, is hard. Wellicht spaart hij zijn boezemvriend nog enigszins door zijn vloekwoord over alle vijanden gemeenschappelijk uit te spreken: Laat de dood hen overvallen en laten ze levend neerdalen in het dodenrijk, vs. 16a! De weergave van Gr.NB is nog krasser: ‘Vrienden als zij mogen doodvallen.’
Waarom zo’n hard oordeel over deze volksgenoten, ook al zijn zij vijanden van de dichter? Omdat groot kwaad in hen, dat hen helemaal (in hun binnenste, hun hart) beheerst, vs. 16b. Staat het gedrag van zo’n valse vriend de dichter voor de geest, dan wenst hij dat die man en zijn aanhangers (levend!) het dodenrijk ingaan!  Zo’n vervloeking herinnert ons aan het oordeel over de families van Korach, Datan en Abiram (Num. 16,30vv). 

ad 3) Wat de dichter in vs. 17 onmiddellijk laat volgen: ‘Ik, ik roep tot God’, is duidelijk een noodkreet. Hij kan geen kant uit, nu niet alleen ‘vijanden’ en ‘haters’ hem dwarsbomen, maar vrienden verraad plegen. Hij roept God te hulp. Die zal (moet) hem verlossen! Hij brengt klagend en kreunend zijn dagen door. Hij roept tot God om uitkomst zowel ‘s avonds (dan begint de dag voor de Israëliet), ’s morgens en ’s middags. God moet luisteren, Hij zal het doen, vs. 18. God zal hem heelhuids uit de strijd doen komen (WV), hoeveel vijanden zich ook tegen hem keren, vs. 19. De dichter twijfelt niet aan de verhoring van zijn gebed en evenmin aan de val van zijn tegenstanders. ‘God hoort mij en vernedert hen (NBV)’.
Verschil in vertaling is er over wat daarop volgt in vs. 20: Vernederd worden de mensen die zich niet veranderen (bekeren), aldus NBG. Maar NBV denkt aan God in wie geen verandering is. Hij troont van oudsher! Hij verandert niet als het over straffen van het kwade en belonen van het goede gaat. Dat is waar, maar toch ligt het niet voor de hand aan Hem (enkelvoud) te denken. Het gaat over hen (meervoud) die zich niet willen bekeren. Zij vrezen God niet, vs. 20 slot.
Opnieuw begint de dichter over het verraad van zijn vroegere vriend. Nu wordt het meervoud ‘vrienden’ gebruikt. De ‘velen’ die in verzet zijn gekomen tegen de dichter, zijn mee verantwoordelijk voor het verraad dat er plaatsvond. De verrader sloeg zijn hand aan de dichter met wie hij eerst in vrede leefde, maar die vervolgens de hechte vriendschapsband van vriendschap tussen hen verbrak, vs. 21. Het was geen kleinigheid wat er gebeurde. De hand slaan aan iemand, staat gelijk met iemand van het leven willen beroven, vgl. Gen. 37,21. De dichter gebruikt het woord ‘verbond’ tussen deze vriend en hem, om de diepe val van de vroegere vriend als verbondsbreuk aan de kaak te stellen.
Uit vs. 22 rijst het beeld van de valse vriend op, die mooie praatjes kan verkopen, met een mond die gladder is dan boter, maar met een hart dat strijd en vijandschap wil. Nog scherper wordt de dichter als hij eraan toevoegt: Zijn woorden zijn zachter dan olie, maar scherp als ‘ontblote klingen’ (NBG), of als ‘een getrokken dolk’ (NBV).

  ad 4) Het slot van de psalm getuigt van de zekerheid dat God zal ingrijpen, zowel om de dichter uit zijn nood te redden als om zijn vijanden uit te schakelen. Aan het slot laat de dichter merken dat hij op God blijft vertrouwen.
We krijgen de indruk dat iemand in vs. 23 de dichter toespreekt. Mogelijk is het een dienaar in de tempel. Hij houdt de dichter voor, dat hij zijn zorgen, zijn last (NBV) of bekommernis (NBG) op Jahwe kan leggen. Wat hem kwelt, houdt Jahwe bezig. Zijn roep om hulp wordt verhoord. ‘Hij zal voor u zorgen en zal nooit toelaten dat een rechtvaardige wankelt’.
Wat er volgt in vs. 24 kan eveneens door deze tempeldienaar gezegd zijn, al is het waarschijnlijker dat de dichter dit zelf heeft uitgeroepen: ‘Maar hen (de vijanden), o God, zult U doen neerdalen in de kuil van het verderf’, dus in het dodenrijk. Zij zullen hun leven niet voltooien, maar op de helft van hun dagen blijven steken. Hun dood zal daarom een abnormale en plotselinge dood zijn. Daarop wees al de vervloeking die de dichter in vs. 16 had uitgesproken.
De dood treft alle mensen, maar het is ongewoon wanneer zij hun leeftijd niet mogen voltooien, d.w.z. niet oud mogen worden. Een andere dichter smeekt God dat Hij hem niet midden in zijn leven zal wegnemen, 102,25.
Daarop sluit de dichter de psalm af met de woorden: ‘Maar ik, ik vestig mijn vertrouwen op U!’
Het heeft bevreemding gewekt dat niet vs. 23, maar vs. 24 het slot van de psalm vormt. EÜ is daarom zo vrij geweest dat in haar vertaling ook te laten merken door vs. 23 na vs. 24 te plaatsen. Maar dat is een misvatting en zal samenhangen met de overtuiging dat vs. 23 een stichtelijker slot is dan vs. 24. Kan iemand, zo is de redeneergang, die door God met het prachtige vs. 23 bemoedigd is, nu wéér beginnen over zijn vijanden, die toch vooral voortijdig aan hun eind moeten komen?!
Mijn antwoord: De tempeldienaar (of iemand anders) heeft de dichter bemoedigd, in naam van God. De dichter (of dezelfde tempeldienaar) vraagt of God over de vijanden zijn oordeel wil voltrekken. Het een is er niet zonder het ander. De bevrijding van de dichter gaat gepaard met de ondergang van zijn vijanden. Vgl. Ps. 10,14 én 15, waar steun aan de zwakken samengaat met het breken van de macht van hun goddeloze onderdrukkers. Zo ook Ps. 31,24, waar Jahwe de vromen behoedt en ruimschoots afrekent met hun hoogmoedige tegenstanders.

 N.B. Tot tweemaal toe wordt in deze Elohistische psalm de naam Jahwe vermeld, nl. in de vss. 17 en 23. Beide verzen wijzen op de innige band tussen Jahwe en de dichter. Zie over de namen van God in Psalmen onder 54.2.

 55.2 ALGEMEEN THEMA 

Vijanden, maar welke? 

In veel psalmen komen vijanden ter sprake. Verschillende woorden worden ervoor gebruikt: vijanden, tegenstanders, boosdoeners, vervolgers, e.a. Al vaker is ons gebleken dat veel zaken in Psalmen algemeen geformuleerd blijven, zodat we tevergeefs zoeken naar de concrete situatie waarin zich iets heeft afgespeeld.
Dat geldt ook als wij aan de ‘vijanden’ denken. Een belangrijke vraag bij het lezen van een psalm is, of het daarin gaat over vijanden in het eigen volk of over buitenlandse vijanden.
Vaak is dat onderscheid wel aan te geven. Wanneer we denken aan de klaagpsalmen van het volk (zie onder 44.2), is het te begrijpen dat, als een volk klaagt, het over vijanden uit een ander volk gaat. Zo o.a. in Ps. 80, waar God wordt opgeroepen in te grijpen nu de omheining rond zijn wijngaard wordt afgebroken en wilde zwijnen het terrein vernielen.
Wel komt ook in klaagpsalmen van het volk de ellende niet altijd van buiten. Lees Ps. 85 en we worden gewaar dat leven van het volk met vruchteloosheid kan worden geslagen, omdat God zijn volk met zijn toorn treft. Buitenlandse vijanden zijn daarvoor niet nodig.
Ook in de koningspsalmen (zie onder 2.2) kunnen we verwachten dat buitenlandse vijanden vaak een rol spelen. Niet in Ps. 45, dat zich van een koninklijke bruiloft vertelt, maar wel heel duidelijk in Ps. 2; 18; 20v en 110. Koning David vertelt dat Jahwe hem deed ontkomen aan ‘de twisten van het volk’ (binnenlandse vijanden). Maar daarnaast vermeldt hij dat ‘vreemde volken’ (buitenlandse vijanden) hem dienstbaar werden (18,44).
Zo is het beeld van de meeste koningspsalmen. Men beroept zich op God, die het volk Israël z’n plaats gegeven had nadat heidense volken daarvoor verdreven waren. En men vraagt aan Hem om opnieuw zijn bevrijdende macht te tonen tegen bedreigingen door vijanden van buiten Denk aan Ps. 44 en 89.
Veel moeilijker ligt het in de klaagpsalmen, die niet het volk, maar een enkele persoon aanheft (zie onder 4.2). Het gaat dan over de ik-persoon van de dichter. M.i. geldt voor de meeste klaagpsalmen  van de enkeling dat de vijanden uit het eigen volk komen. Een duidelijk bewijs is altijd de persoonlijke relatie die er tussen de klagende dichter en zijn vijanden bestaat. Zoiets kan immers nauwelijks in beeld komen als we het over buitenlandse vijanden hebben. Bewijzen van een dergelijke persoonlijke èn vijandige relatie zijn te vinden in o.a. Ps. 4; 7 en 22. Ook in Ps. 55 is het duidelijk dat volksgenoten de vijanden zijn. Hetzelfde geldt voor o.a. 35,11vv en 41,7vv.
Buitenlandse vijanden ontbreken in de klaagpsalmen van de enkeling zeker niet. Ik noem hier Ps. 56 en 59.  Een duidelijk voorbeeld is ook de dichter van Ps. 42/43. Hij verlangt naar de tempel, maar bevindt zich buiten de grenzen van zijn land, onder mensen die hem verdrukken.
Als het over vijanden gaat, zijn er ook uitleggers die ons wijzen op demonen, die volgens de psalmdichters zouden optreden als veroorzakers van ziekten en andere rampen. Of die, gehuld in dieren zoals  leeuwen, honden en zwijnen, het leven van de mensen bedreigen. Ongetwijfeld speelden in het Oude Nabije Oosten tal van demonen een grote rol n de beleving van de mensen van toen. Maar speelden ze ook een rol in de beleving van de psalmdichters? Zij geven ons daarvoor geen enkele aanwijzing.
Er is zeker van een ‘geestelijke’ achtergrond te spreken in de strijd met en tegen de vijanden. Maar als achtergrond voor de strijd met hun vijanden noemen de psalmdichters  God, of hun eigen zonden, maar over demonen spreken zij niet. Jahwe bevrijdt van ziekten die Hij gezonden heeft. Zie onder 6.2. Algemeen thema (‘Ziekte in het Oude Testament’). In Psalm 6 kwijnt een dichter niet weg door ziekmakende demonen, die in eigen zelfstandigheid mensen bedreigen. Een enkele keer is er sprake van verderf- of ongeluksengelen (zie Ps. 78,49). Maar dan blijkt dat ze door God zelf gezonden zijn. Nergens ook lezen we dat demonische dieren als zodanig een plaats hebben tussen God en zijn volk in.
We hebben al eerder gezien (in 36.2) dat we van de ‘werkers der ongerechtigheid’ geen tovenaars of demonen moeten maken. De boze geest die de mens drijft tot zijn vijandig werk, huist diep in hemzelf. Geen bezweringen helpen hier. Het is God alleen die redding kan brengen.

 55.3. VAN OT NAAR NT 

De meest bekende tekst uit Ps. 55: ‘Werp uw bekommernis op Hem, Hij zorgt voor u’. vs. 23 (NBG). NBG vertaalt als volgt: ‘Leg uw last op de HEER en Hij zal u steunen.’ Deze tekst wordt aangehaald in 1 Petr. 5,7. Daarmee bemoedigt Petrus de gelovigen, die zwaar te lijden hadden onder vervolging en smaad. Laten zij zich nederig onderwerpen aan de machtige hand van God, vs. 6. En laten ze beseffen dat de duivel rondzwerft als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi, vs. 8. In die omstandigheden moeten zij begrijpen dat ze hun moeiten niet alleen aan kunnen, maar dat de machtige hand van God nodig is om voor hen te zorgen. Het geloof in Gods macht zal rust geven.
Het is de moeite waard hier te letten op wat we niet in Ps. 55, maar wel bij Petrus e.a. in het NT vinden: De strijd is zwaar, omdat hij niet tegen vlees en bloed, d.w.z. tegen mensen gaat, maar tegen machten van het kwade in de hemelse gewesten, Ef. 6,12; vgl. 2,2. We zullen moeten denken aan de satan en andere afvallige engelen. Bij gebrek aan  bewijs wees ik onder 55.2 het spreken over ‘demonen’ in Psalmen af. Maar nu constateren we dat het NT heel duidelijk de te voeren ‘geestelijke’ strijd in verband brengt met de satan c.s., die (nog altijd) grote macht hebben. De boodschap van Ps. 55,23 spreekt ons daarmee nog duidelijker aan. Je kunt de strijd niet alleen aan, je gaat eraan te gronde als je dat probeert. Het is niet nodig, want sterker dan de macht van verraderlijke vrienden én van de krachten van het kwade (de verslindende leeuw), is de kracht van God. Hij zorgt voor je.
De valse vriend uit Ps. 55 doet ons denken aan Judas, die onder de schone schijn van een kus Jezus Christus heeft verraden (Luc. 22,48). De afloop van zijn leven was even ongunstig als de vloek in Ps. 55,16 over het verraad van een vriend. Een plotselinge dood kan je treffen. In het geval van Judas leidde dat tot zelfdoding (Matt. 27,5; Hand. 1,18).

 55.4. VOOR VANDAAG 

1. Ps. 55 drukt ons met de neus op de realiteit van onderlinge strijd en op de ‘twisten’ tussen broeders van hetzelfde volk. Wie nadenkt over de situatie van de kerk van vandaag, moet zich verbazen over veel naïviteit. Hoe welvarender we zijn, hoe groter hekel we eraan krijgen om de realiteit van conflicten, van de macht van de leugen en het gevaar van de schone schijn binnen de kerk (‘volk van God’!) onder ogen te zien. De criticus die grote vraagtekens zet bij de bewering dat we als christenen toch ‘ten diepste’ reeds één zijn, krijgt het zwaar te verduren. We willen toch allemaal vrede en geen Jeruzalem van ‘geweld en strijd’ (55,10)? Nineve was slecht (denk aan Jona), maar Jeruzalem toch niet? Weg met dwarsliggers zoals Jeremia, die de drievoudig aangeheven leus: ‘Dit is de tempel van de HEER! De tempel van de HEER! De tempel van de HEER!’ bedrieglijk noemde (Jer. 7,4)!

2. Waarom zou het er in de kerk beter toegaan dan onder het oude Israël? Wij moeten beide uitspraken van Paulus serieus nemen, zowel zijn oproep eensgezind te zijn en scheuringen te vermijden (1 Kor. 1,10), als ook zijn woord over partijvorming die onvermijdelijk is. Duidelijk moet worden ‘wie van u betrouwbaar is’ (1 Kor. 11,19).
Gaat zelfbeproeving ontbreken en geloven we niet meer in een zware strijd met de duivel achter de schermen, dan heeft de leugen gemakkelijk vat op het kerkelijk leven.

3. De dichter van Ps. 55 zou willen vluchten als een duif naar de woestijn, om de ellende in Jeruzalem te ontvluchten. Wie verlangt niet naar rust? In Ps. 11,1 raden vrienden de dichter (David) aan te vluchten als een vogel naar de bergen, wat David weigert. Maar het verlangen naar een vlucht kan heel echt zijn, zoals ook bij Jeremia: ‘Had ik maar een nachtverblijf in de woestijn!’ (Jer. 9,1vv). Alleen, in geen van de drie gevallen ontvlucht men de wereld van strijd. Niemand moet zijn post verlaten waarop God hem geplaatst heeft en de hem opgelegd strijd mijden. In alle drie gevallen geldt wat Ps. 11,1a zegt: ‘Schuilen doe ik bij Jahwe’. Het vertrouwen op Hem houdt mensen op de been.

4. Daarmee krijgen we ook Ps. 55,23 goed in het vizier. De oproep om je zorgen, je last op Jahwe te leggen, betekent geen vlucht voor eigen verantwoordelijkheid. We gaan niet met pensioen om de strijd nu verder maar aan God over te laten. Wel kunnen wij de strijd niet alleen aan. Dat houden wij niet vol, we gaan er dan aan te gronde. De macht van het kwaad is daarvoor te sterk. Ps. 55,23 maakt duidelijk dat wat de dichter kwelt, Jahwe bezighoudt. Hij is sterk genoeg om onze last te dragen en voor ons te zorgen. Hij houdt ons in onze strijd overeind, omdat Hij een rechtvaardige niet laat wankelen, laat staan laat vallen.

5. Het is niet gemakkelijk de wens uit het slot van Ps. 55  voor een plotselinge dood van de vijanden ons eigen te maken. Dat hoeft ook niet, maar begrip voor wat de dichter vraagt, is wel nodig. Als dat ontbreekt, zal ons het zicht op de realiteit ontbreken.. Staan wij naïef in het leven en oordelen we lief en aardig over iedereen, dan valt het moeilijk te begrijpen dat anderen God vragen om wraak te oefenen. Laten wij proberen Jezus ook te volgen als hij van Judas zegt, dat het beter voor hem zou zijn als hij nooit geboren was (Matt. 26,24).

 55.5. VERANTWOORDING

M.b.t. het begin van vs. 13: Heel vaak vertaalt NBG het Hebr. woord  met ‘want’ , terwijl NBV het onvertaald laat. In dat geval denkt men niet aan een causale, maar aan een deiktische betekenis. Het woordje wil de aandacht trekken en, zoals in 55,12vv, op iets bijzonders wijzen. Het zou weergegeven kunnen worden met ‘ ja’, ‘let op’, ‘voorwaar’. Zie reeds Joüon, Grammaire (1923), par. 164b, die niet over ‘deiktisch’, maar over ‘proposition d’affirmation’ spreekt. J. van der Ploeg (1971),337, geeft het woord  mooi weer met ‘Ach’. Hij ziet in het woord een droevig ‘want’!

 In vs. 15 wordt het Hebr. werkwoord mtq (zoet zijn) gebruikt, in hi. zoet smaken. Het geeft hier de intimiteit en het genot van de vriendschap aan (mtq sōd), die de dichter gesmaakt heeft, ThWAT V,117 (B. Kedar-Kopfstein).

 Het in vs. 16 gebruikte Hebr. woord  yaššīmāwèt zal qerē gelezen moeten worden als twee woorden: yaššī māwèt. SV en HSV brengen het eerste woord in verband met  I, schuldeiser zijn, en vertalen: ‘Laat de dood hen als een schuldeiser overvallen.’ Het ligt meer voor de hand aan  II, ‘bedriegen’ te denken. yašši (defect. van yaššiᵓ, hi.ipf.) betekent dan: ‘ (laat de dood) hen bedriegen> plotseling overvallen’, vgl. 89,23 (NBG).

 Het is niet gemakkelijk in de vss. 17-19 de variatie in het gebruik van de Hebr. tijden (pf., ipf. en ipf. cons.) weer te geven. Maar gelet op het slot in vs. 24 is van Gods redding van de dichter uit zijn nood toch nog geen sprake. Wel kan het de (emotionele) overtuiging van de dichter zijn dat het reeds gebeurd is (vooral na ipf. cons. aan het slot van vs. 18. O.a. J. Goldingay (2007), vertaalt: Hij heeft naar mijn stem geluisterd, Hij heeft mijn leven gered. Zie ook Calvijn (ed. 1949) II,338, die het slot van vs. 18 vertaalt met: ‘Hij zal mijn stem horen’, terwijl hij het volgende vs. met een pf. vertaald: ‘Hij heeft mijn ziel gered’, etc. In vs. 20 is het dan weer: ‘ God zal horen’, etc.

 De opvallende tekstverandering in vs. 20a, waardoor H.J. Kraus (1960,401), R. Alter (2007),193 e.a. denken aan ‘Ismaël en Jalam en de bewoners in het oosten’, is nergens te vinden in de vroege vertalingen (LXX, etc.). In nieuwe Bijbelvertalingen vond ik haar alleen in NEB. D. Kidner (1973) zegt terecht dat deze verandering zowel onnodig als irrelevant is, omdat het in de psalm niet gaat over ver weg wonende vijanden. Bovendien, wie met een andere lezing komt, is vaak genoodzaakt nog verder in te grijpen. In vs. 19 leest men dan vaak het woord rabbīm als rōvim: Boogschutters kwamen op mij af. Dan lijkt de sprong naar de Ismaëlieten als boogschutters (Gen. 21,20) aannemelijker.

 M.b.t. vs. 20b zit het verschil in vertaling tussen NBV en NBG (ook) vast op het Hebr. woord lāmō. Doorgaans wijst het op een meervoud, zoals SV, NBG, HSV en WV ook vertalen: Bij hen (de vijanden) is geen enkele verandering, of iets dergelijks. De enkelvoud-vertaling, die we bij NBG vinden, is mogelijk, maar wel uitzonderlijk, zoals in Ps. 11,7 en Jes. 44,15. Zie Gesen.-Kautsch par. 103f, noot 3. De meeste moderne vertalingen kiezen voor de gewone meervoudsweergave, o.a. EÜ, NIV, NRSV. M.i. is er geen reden de NBV te volgen en dus in vs. 20 aan de onveranderlijkheid van God te denken.

 Zeer onwaarschijnlijk lijkt mij de suggestie van F.L. Hossfeld in Hossfeld/Zenger (2002),351, dat in vs. 23 de valse vriend aan het woord is. Hij zou op ironische wijze de dichter oproepen op Jahwe te vertrouwen, zoals de spotters dat ook deden tegen de dichter van Ps. 22 (vs. 9). Dat zou een vreemde overgang van vs. 22 naar vs.23 zijn.

 T.a.v. 55.2 maakte ik o.a. gebruik van O. Keel (1996), 68-97. Hij meent dat in verschillende dieren de vijanden gekarakteriseerd worden als ‘machtig en demonisch’, a.w., 84.  Dat de dieren (vijanden) soms ‘machtig’ zijn (leeuwen en stieren), is te begrijpen. Maar voor het ‘demonisch’ karakter van deze dieren (vijanden) missen we het tekstuele bewijs. Feitelijk wordt dat wat er in het polytheïstisch Mesopotamië aan demonengeloof gevonden werd, zonder bewijs ook op Israël overgebracht, dat alleen Jahwe moest vereren en vrezen.

PSALM 56 

56.1 UITLEG  

Deze psalm is een klaagpsalm, waarin het vertrouwen op God bijzonder sterk uitkomt. In het opschrift wordt de moeite van de dichter verbonden aan Davids verblijf in de Filistijnse stad Gat. Zowel in 1 Sam. 21,11vv als in 1 Sam. 27 lezen we over Davids omzwervingen in het Filistijnse land, toen hij op de vlucht was voor koning Saul. Ps. 56 kunnen we verbinden aan 1 Sam. 21, waar David in problemen kwam toen men aan het hof van koning Achis ontdekte wie hij was. David vreesde voor zijn leven toen men hem aangreep. Hij ging als een waanzinnige tekeer, waarop Achis hem wegzond.
Het is moeilijk Ps. 56 alleen in het licht van deze gebeurtenis uit te leggen. Zoals zo vaak zullen we aan meer omstandigheden moeten denken waarin angst en vertrouwen – de twee sleutelwoorden in Ps. 56 – een rol hebben gespeeld in het leven van David. Zie reeds Ps. 34,1, waar eveneens op Davids verblijf in Gat wordt gewezen.
In het opschrift komen enkele Hebr. woorden voor die zeer verschillend worden vertaald. Is er sprake van een melodie met de woorden ‘De duif op verre terebinten of eiken’ (zo ongeveer NBG, HSV, NaB)? Of gaat het lied over ‘Een roerloze duif in de verte’ (NBV)? De laatste vertaling wordt dan soms in verband gebracht met Israël dat in een ver land in ballingschap verkeert, lijdend en met stomheid geslagen.
Het valt op dat LXX wel Davids verblijf in Gat vermeldt, maar in plaats van over een duif melding maakt ‘over het volk dat ver van het heiligdom leeft’. Ook dit opschrift brengt ons niet verder. Oude vertalingen zoals SV en KJ lieten het Hebreeuws onvertaald.
Zie voor het Hebr. woord dat NBG met ‘kleinood’ en NBV met ‘een stil gebed’ vertaalt, reeds Ps. 16,1. Vijf psalmen achtereen (56-60) bevatten dit zelfde opschrift.

 Voor de bespreking van de psalm breng ik een tweedeling  aan: 

ad 1) De dichter vraagt om Gods genade in de angst die zijn vijanden hem bezorgen, maar die hij door zijn vertrouwen op God te boven komt (2-8);
ad 2) Hij spreekt opnieuw zijn vertrouwen uit en zal, ontrukt aan de dood, God zijn geloften betalen (9-14). 

ad 1) De dichter smeekt God om genade, vgl. 51,3; 57,2. Mensen maken hem het leven moeilijk. Ze zitten hijgend achter hem aan. Ze jagen op hem. De hele dag zetten ze hem onder druk, vs. 2. Zijn vijanden n die de hele dag zo bezig zijn. Dat wordt herhaald in vs. 3a. Velen voeren strijd met hem ‘vanuit hun hoge vesting’(NBV), of ‘uit de hoogte’ (NBG). Die laatste vertaling zou kunnen betekenen dat de vijanden zich hoogmoedig gedragen. Het ligt meer voor de hand aan een militaire handeling te denken waarin men vanuit een hoger gelegen punt de vijand bestookt. Sommigen beschouwen het woord dat we met ‘hoogte’ kunnen vertalen als het begin van vs. 4: ‘Allerhoogste, in bange dagen vertrouw ik op U’ (WV). Maar als Godsnaam komen we dit woord in het OT niet tegen. Het woord wel  ‘hoogte’ betekenen in de zin van ‘woonplaats van God’, bv. Ps. 18,17;102,20. Ik volg de lezing van de Hebr. tekst. Het gaat over vijanden die de dichter vanuit een door hen veilig geachte hoger gelegen positie bestoken. Daarbij hoeven we niet aan een echt militair conflict te denken, al doen de beelden daaraan denken. In vs. 7 veranderen de vijanden in jagers, die het wild opsporen en achtervolgen.
De dichter erkent dat de aanvallen van zijn vijanden hem angstig maken. Maar, aangegrepen door angst, komt hij boven die angst uit door op God te vertrouwen. Angst gaat in vertrouwen over, vs. 4. Daarop volgt zijn belijdenis die hij (iets uitvoeriger) in de vss. 11v zal herhalen. Hij vertrouwt op God, op Gods woord dat hij prijst. Bij ‘woord’ zullen we moeten denken aan Gods beloften, waarop de dichter rekent nu hij in grote nood verkeert. Hij verwacht dat God hem uit die nood zal bevrijden. Dat vertrouwen maakt hem rustig. Hij gaat niet aan angst te gronde. Want wat kunnen mensen, die slechts ‘vlees’ en dus vergankelijk zijn, beginnen tegenover de eeuwige God die Geest is (Jes. 31,3)?
NBV vertaalt vs. 5 (en ook vs. 12) zó dat de dichter op God vertrouwt en geen angst kent. Dat lijkt me niet juist. De dichter kent zeker angst, zoals vs. 4 het bondig uitdrukt: ‘Op de dag dat ik vrees, vertrouw ik op U.’ Angst bevangt hem telkens weer, maar hij blijft er niet in steken. Angst en vertrouwen gaan samen, waarbij vertrouwen op God telkens weer sterker blijkt te zijn.
Het vertrouwen in God wint het, maar daarmee is de vijand nog niet uitgeschakeld. We lezen opnieuw dat z’n vijanden de dichter de hele dag lastig vallen. Het woord ‘dag’ komt vijfmaal in deze korte psalm voor, vss. 2.3.4.6.10 (NBG; NBV vertaalt met ‘dag’ of ‘uur’).  De druk die de dichter ondervindt, is permanent en intensief. Z’n vijanden verminken zijn woorden (NBG), of krenken hem met hun woorden (NBV). Zij beramen plannen die alleen maar bedoelen de dichter kwaad aan te doen, vs. 6. Zij proberen hem te grijpen, bespieden hem, ja zij volgen hem op de hielen, als jagers die het goede moment afwachten om toe te slaan en hem van het leven te beroven, vs. 7.
De enorme drukte van zijn vijanden steekt af tegen de rust die de dichter telkens weer bereikt door op God te vertrouwen.
We hebben echter niet te maken met een dichter die vol bravoure is, in de trant van: wie doet me wat?  De druk die de vijanden op hem uitoefenen, is van die aard dat de dichter roept om een afrekening. De vertaling van vs. 8 is moeilijk, maar de bedoeling valt te raden. Is het mogelijk, zo vraagt hij, dat mijn vijanden hun straf ontlopen?  ‘O God, sla de volken in uw toorn neer!’ Letterlijk wordt er gezegd: ‘Laat hen in uw toorn afdalen’, d.w.z. naar het dodenrijk. NBV maakt van ‘volken’ een enkelvoud, door de vertalen: ‘Toon uw toorn, o God, en sla dat volk neer!’ De vertaling zal bedoeld zijn om Gods toorn alleen te richten op de (altijd beperkte kring van) vijanden van de dichter. Maar dat strookt niet met het profetisch karakter waarin psalmdichters hun eigen strijd plaatsen voor God als rechter van de wereld, vgl. 2,10; 7,7vv; 9,6vv, etc.
Wie worden met ‘volken’ (meervoud) bedoeld? Zijn het de Filistijnen, samen met Saul en de zijnen? We kunnen het ook breder nemen. In een soortgelijke situatie riep de dichter van Ps. 7 om Gods ingrijpen als rechter van deze wereld, 7,7vv, vgl. 59,6. We zien het vaker dat iemand onrecht is aangedaan en hij dan God te hulp roept die de volken regeert en hen ter verantwoording roept over gepleegd onrecht. Zie ook 82,2vv.

 ad 2) De dichter is vol vertrouwen dat God met zijn vijanden zal afrekenen. Hij weet dat God zijn omzwervingen kent en ze opgetekend heeft in zijn boek. Van dit boek waarin de lotgevallen en de bestemming van de mensen staan opgetekend, lezen we vaker, Ex. 32,32; Jes. 34,16; Mal. 3,16; Dan. 7,10; Ps.69,29; 139,16. Aan koninklijke hoven kan het gewoonte geweest belangrijke gebeurtenissen bij te houden (Ester 6,1).
Uniek is het in vs. 9 te lezen dat God de tranen van de dichter in zijn fles, of beter: in een leren zak opvangt. Zo’n waterzak droeg men altijd bij zich. God wordt aan die tranen van vrees en moeite telkens weer herinnerd! Hij houdt het leed van de dichter, die rondzwerft en tranen stort, bij in zijn boek. Vs. 10 laat zien wat daarvan het gevolg is. De dichter zal, als hij weer tot God roept, gehoor vinden. Zij vijanden zullen wijken, want hij heeft God aan zijn kant. Hij zal in zijn vertrouwen op God niet vergeefs bij Hem aankloppen.
In de vss. 11 en 12 belijdt de dichter zijn vertrouwen op God in ongeveer dezelfde bewoording als hij het al eerder deed in vs. 5. Nu wisselt hij in vs. 11 God ook als Jahwe aan. Dat mag de aandacht trekken in deze psalm die tot de Elohistische psalmen hoort. Zie onder 54.2. Algemeen thema. De naam Jahwe is de naam waarmee God bovenal geprezen en gedankt wil worden.
Er is nog een verschil met vs. 5. Was er daar sprake van vergankelijk vlees waarmee de menselijke tegenstanders van de dichter getypeerd werden, in vs. 12 zegt hij: ‘Wat zou een mens mij aandoen?’ Verschil in betekenis is er daardoor niet. De vijanden zijn ook hier slechts mensen, die zich verzetten tegen de dichter die God aan zijn zijde heeft
In de slotverzen belooft de dichter dat hij zal voldoen aan de verplichtingen die hij op zich genomen heeft. Hij heeft aan God geloften gedaan om (na zijn uitredding) lofoffers te brengen. Zie onder 50.2. Algemeen Thema. Daar heb ik er reeds op gewezen dat materiële offers gepaard gaan met het zingen van lof, als dank aan Gods adres voor zijn bevrijding.
Bewijst vs. 14 dat de dichter intussen reeds is gered? Dat wordt soms beweerd. Men wijst er dan op dat Ps. 56 in een cultisch kader staat. De gang van zaken zou dan als volgt zijn: De smekeling heeft in de tempel zijn gebed om uitredding opgezonden. Daarna kreeg hij van een tempeldienaar Gods positieve antwoord: U bent (wordt) gered! Zie onder 5.2. Algemeen Thema (Recht spreken in de tempel?). Maar in geen enkele psalm valt te lezen dat een priester een rol speelde bij de overgang van een gebed naar verhoring ervan. Ook in Ps. 56 is deze overgang van bidden naar loven op  grond van een ontvangen ‘woord van God’ niet aan te wijzen.
Veel meer ligt het voor de hand te denken aan het vaste vertrouwen van de dichter dat hij gered zal worden. Hij is ervan overtuig dat hij gered zal worden, ja reeds gered is!  God heeft zijn leven gered van de dood en zijn voet voor struikelen behoed, vs. 14a. De kans om nog te struikelen door de vijanden die hem op de hielen zaten, is voorbij. Hij kan voor Gods aangezicht nu wandelen in het licht van het leven, vs. 14b. Duister is het als God zich verbergt – een ervaring van mensen in nood, die we uit veel psalmen kennen, o.a. 10,1; 27,9; 44,25; 69,18. Maar dat is voorbij als God het licht van zijn gelaat weer laat schijnen (Num. 6,25) over hen die Hij verhoort in hun roep om uitredding. 

56.2 ALGEMEEN THEMA 

Wat betekent ‘vrees’ in het boek Psalmen? 

Wij hebben gezien dat het begrip ‘vrees’, of beter gezegd het overwinnen van de vrees een belangrijke plaats inneemt in Psalm 56. Kijken we over de grenzen van deze ene psalm heen naar heel het psalmboek, dan valt het ons op dat we met minstens drie verschillende betekenissen van ‘vrees’ te maken hebben.
Allereerst is er op veel plaatsen sprake van ‘vrees’ of ‘ontzag’ voor Jahwe, bv. 19,9; 34,12; 111,10. Ook op veel andere plaatsen in Psalmen gaat het over deze ‘vreze des HEREN’, 15,4; 22,24.26, e.a. Het woord ‘vrees’ in deze betekenijs betekent nooit ‘angst’, want deze ‘vrees’ voor God betekent juist dat men op Hem vertrouwt en Hem liefheeft, vgl. Deut. 10,12. ‘Vrees’ in de zin van ‘ontzag’ gaat ook in Psalmen samen met liefde voor God, 145,19v, en voor zijn geboden, 119,47.65.  Vrees in déze betekenis sluit daarom alle angst uit.
Heel anders staat het wanneer de vijanden van God Hem vrezen. Het ingrijpen van Jahwe ten bate van zijn volk jaagt de heidenen schrik en angst aan. In dat geval lezen we van de vreselijke God, Ex. 15,11; Deut. 7,21; 10,17, voor wie de volken beducht zijn, Ps. 14,5; 33,8; 47,3; 64,10; 66,5; 105,38, etc. Hier is ontzag voor God, in de zin van angst voor Hem, uiteraard duidelijk te onderscheiden van vrees voor God die gekleurd is door vertrouwen op en liefde voor Hem. Tot de volken gaat de oproep uit om zich aan Jahwe te onderwerpen en Hem bevend hulde te brengen, 2,11.
Nog weer anders wordt in Psalmen over vrees gesproken die de rechtvaardigen kunnen hebben, als zij door vijanden binnen het volk van God of daarbuiten bedreigd worden. Of ook wanneer zij door een ramp zoals een ernstige ziekte getroffen worden. Zij zien daarin de hand van God. Naar God kan iemands verlangen uitgaan, 25,1v, terwijl datzelfde hart vol angst is en God smeekt om Israël van al zijn angsten te verlossen, 25,17.22; zie ook 31,23. En andere dichter heeft God lief, 116,1, maar weet ook van angsten voor het dodenrijk, die hem aangrepen. Vrees en beven beheersen soms ook de rechtvaardige, 55,6. In hun angsten hebben velen tot God geschreeuwd om uitkomst, 107,13.19.28.
Het is daarom noodzakelijk ook voor deze combinatie aandacht te vragen: enerzijds God vrezen en anderzijds soms door angst overweldigd worden. In dit geval maakt het niet uit of we het ‘vrees’ of ‘angst’  noemen. Als de zondeloze Jezus Christus door angst voor de dood bevangen wordt in Getsemane (Matt. 26,38vv; 27,46; Hebr. 5,7), zou het wel vreemd zijn om doodsangst als  realiteit in ons leven te ontkennen. Wat Jezus kwam doen, hield juist in dat Hij ons van onze levenslange angst voor de dood kwam bevrijden (Hebr. 2,15).
Toch is dit soort angst begrensd voor wie oprecht God vreest. De rechtvaardige moet deze angst te boven komen. ‘Vrees niet’ is de boodschap waartoe men vaak in het OT wordt opgeroepen (o.a. Gen. 15,1; Deut. 1,21; Joz. 8,1). De oproep is ook in Psalmen te horen, 49,17. Vaker vinden we daarin het bemoedigende antwoord: ‘Ik vrees niet!’, o.a. 3,7; 23,4; 27,3; 49,6; 112,8; 118,6.
De mensen die voor God geen achting hebben, zullen merken dat zij slechts ‘vlees’ zijn en tegen God niet op kunnen. Zij krijgen met de vreselijke God te maken. De rechtvaardigen zijn ook ‘vlees’, zwak en zondig en vaak angstig. Maar zij overwinnen hun angst door op God te vertrouwen. De liefde tot God laat geen ruimte voor angst, volmaakte liefde sluit angst uit (1 Joh. 4,18).

 56.3. VAN OT NAAR NT

Het NT kwam al even ter sprake toen het over het lijden en sterven van Jezus Christus ging. Hij wist van verzoeking, lijden en angst. Maar Hij wist ook voor zichzelf dat God ons verhoort als wij bidden om uitredding (Hebr. 5,7). De oproep ‘Vrees niet’ hoort niet alleen bij de oudtestamentische oproep om op God te vertrouwen, maar ook bij het evangelie dat Jezus Christus gebracht heeft. Als we naar verdieping van de OT-boodschap vragen, vinden we die in Jezus’ oproep om niet te vrezen voor hen die wel het lichaam, maar niet de ziel kunnen doden (Matt. 10,28). In het OT horen we vaak het luide roepen om van de lichamelijke dood gered te worden, terwijl het NT deze dood relativeert door op de ernst van de eeuwige dood te wijzen. Wie achter Christus aangaat, moet er rekening mee houden dat dit zijn leven kan kosten. Maar zijn loon zal groot zijn in de hemelen (Matt. 5,12; 10,42). Wie zijn leven verliest omwille van Hem, die zal het leven juist vinden (Matt.  10,39).
Psalm 56 wordt in het NT nergens geciteerd, maar ook zonder letterlijk citaat worden we aan deze psalm herinnerd. Zo in Rom. 8,31: ‘Als God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn?’ We kunnen met Ps. 56,5.12 voor ogen dezelfde vraag stellen: Als wij op God vertrouwen, wat zou ‘vlees’, wat zou een mens ons dan nog kunnen aandoen?  Ps. 118,6 met dezelfde boodschap als in Ps. 56 vinden, keert wel terug in het NT: ‘De Here is mij een helper, ik zal niet vrezen; wat zou een mens mij aandoen?’ (Hebr. 13,6).
Het jagen achter de dichter aan om het goede ogenblik af te wachten hem te grijpen en te doden (Ps. 56,6v), zien we terug in het gedrag van de schriftgeleerden en farizeeërs, die in hun woede op Jezus  hem pogen te betrappen op een ongeoorloofde uitspraak (Luc. 12,53v). Ze menen hem te kunnen beschuldigen van Godslastering (Matt. 26,59vv). Ze hebben geen begrip voor de diepte van Jezus’ woorden, maar verdraaien die. De leugen heerste in de dagen van Jezus’ veroordeling.

 56.4. VOOR VANDAAG

 1. God houdt ons leed bij zowel in zijn zak met tranen als in zijn boek, waarin het leed opgetekend staat van allen die op Hem vertrouwen. Dat gedenkboek is een troost tegenover alle bewering  dat het geen nut heeft God te dienen, (Mal. 3,14vv). Het leven van mensen die op God blijven vertrouwen, staat opgetekend in een boek. Eens gaat dat boek open en  zullen we het verschil zien tussen rechtvaardigen en wettelozen (Mal. 3,18).

2. Het moet ons geen moeite kosten het leed, de angst en het vertrouwen ook vandaag concreet aan te wijzen, al hebben we meestal niet te maken met het soort vijanden dat we in Psalmen zo vaak tegenkomen. Alle leed, alle angst, in welke vorm we het ervaren, vraagt om vertrouwen in God. We weten van lijden en dood en van onze angsten daarvoor, maar tegelijk ook van geloof in God die tot over het graf regeert en ons levensboek heeft bijgehouden.

3. Geen gezwollen taal over vanzelfsprekende moed is op haar plaats. Moed dringt bij een christen niet tot in zijn genen door. Moed zal God schenken. Eveneens is de opvatting misplaatst dat we niet hoeven te lijden (en te sterven?!) als we maar gelovig bidden. Geen van beide opvattingen kan het zwijgen opleggen aan de angsten die ons overvallen. Vertrouwen zal God geven in onze angsten, wanneer wij Hem daarom bidden. Reële angst pareren we door te willen vertrouwen op God en ons bewust aan Hem over te geven,

4. Als we zo leven, zijn we voorbeelden van de rust die het christelijk geloof kan bieden. De zenuwachtigheid en bedrijvigheid van de vijanden in Ps. 56 steekt duidelijk af tegen de rust die de dichter van de psalm aan de dag legt.

5. Het valt ons vaker op, maar zeker ook hier in Ps. 56, dat zwaar persoonlijk leed grote afmetingen krijgt als de dichter God oproept de volken in toorn neer te storten, vs. 8 (NBG). Als we in vijanden de macht van het kwaad zien werken, is dat een verschijnsel van wereldformaat. Ook Ps. 56 laat zien dat de wereld evengoed binnen als buiten het ’volk van God’ te vinden is.

 56.5. VERANTWOORDING 

Zie t.a.v. het opschrift boven de psalm M.E. Tate (1990),65v. Hij laat zien dat zowel LXX als Targum bij de duif denken aan het volk Israël, dat als een stomme duif ver weg van eigen land is gevlogen (in ballingschap). Zo ook in Tehillim (ed. 2010),706, waar een uitlegger opmerkt, dat Davids gedachten boven de gebeurtenis in Gat uitstijgen. David sluit, volgens Tehillim, ook de latere Joden in die als ballingen op een verstrooide menigte duiven leken.

Al naar gelang we het Hebr. lm opvatten zijn er veel variaties en interpretaties mogelijk. Gaat het over ᵓillēm, stom, doof? Over ēlèm, grote boom, zoals eik of terebint? Of over ēlīm, goden, heiligen of heilige dingen, bv. de tempel (vgl. LXX)?

In de duif ziet E. Zenger (in Hossfeld/Zenger, 2002,353v) een bode, die aan God  een boodschap overbrengt van de dichter, voor wie God ver weg is.

Het Hebr. woord miktam in vs. 1  zou  ook ‘inscriptie/ brief’ kunnen  betekenen. Deze opvatting, reeds te vinden bij S. Mowinckel, veronderstelt dat we in lm ‘godheden’ moeten zien. De opvatting dat we in de duif een postduif moeten zien, is weinig overtuigend. 

 In vs. 2 is ‘zij vertrappen mij’ (NBG) als vertaling van šeāfanī wel erg vergaand. De betekenis van ‘hijgen’ voor het werkwoord špast hier beter. Men jaagt op de dichter. Zo WV: Ze jagen op mij, dag in dag uit bevechten ze mij, ze drijven mij in het nauw.’

 Plaats en betekenis in vs 3 (of 4) van het Hebr. woord mārōm zijn omstreden. SV, KJV en HSV vertalen het met ‘ o Allerhoogste’. NBV vertaalt alsof het een in de hoogte gelegen vesting is. NBG laat in het midden of ‘uit de hoogte’ letterlijk is bedoeld of figuurlijk. O.a. RSV vat het figuurlijk op (proudly). 

In vs. 7 heeft het ww gūr niet de gebruikelijke betekenis ‘als vreemdeling verkeren’, maar moeten we denken aan ‘aanvallen, aangrijpen’. Hier dan in conatieve zin: willen grijpen. 

 Vs. 9 laat een woordspeling zien tussen nōdī (mijn omzwerving) en nōd (leren zak voor het opvangen van melk, water, etc.).

 Voor 56.2 heb ik gebruikgemaakt van ThWAT III,869vv, art. yārē van H.F. Fuhs. Hij onderscheidt Gottesfurcht, zoals deze o.a. te vinden is in yirat yhwh (‘ontzag voor Jahwe’) van Gottesschrecken, die gewekt wordt door Gods ontzagwekkende openbaringen in de uittocht uit Egypte, bij de Sinai, in de theofanieën, etc. De Gottesschrecken maakt indruk op Gods volk, maar vooral ook op andere volken en op Gods vijanden. Het adi. nōrā (vreselijk) en het subst. mōrā (vrees, schrik) zijn voor deze Gottesschrecken typerend, a.w.,879,882.

Voor de realiteit van vrees en angst in het leven van de rechtvaardige  leze men wat Calvijn daarover zegt in zijn verklaring van 56,4: De Psalmist matigt zich geen arrogant heroïsme aan, waarin men gevaar veracht. Hij geeft zijn vrees toe, maar wil volharden in zijn vertrouwen op Gods genade. Het mag lijken dat vrees en hoop elkaar uitsluiten, aldus Cavijn, maar de waarneming laat zien dat hoop nooit tot volle ontplooiing komt zonder een een zekere mate van vrees.

PSALM 57

 57.1 UITLEG  

Uit Psalm 57 spreekt het vertrouwen dat de dichter in God stelt even duidelijk als het klagen over wat vijanden hem aandoen. Hij eindigt in een loflied op God. Het is daarom moeilijk Psalm 57 in z’n geheel als klaaglied te typeren, ook al valt het klagen in het eerste deel van de psalm op. In het tweede gedeelte van de psalm is het verstomd. De dichter klaagt niet meer bij God, maar prijst Hem alleen maar. We kunnen daarom Psalm 57 beter als klaag- en lofpsalm typeren.
In het opschrift lezen we dat de psalm moet worden gezongen op de wijze van: ‘Verderf niet’(NBG) of ‘Verdelg niet’. In oudere vertalingen zoals SV en KJV wordt het Hebreeuws onvertaald gelaten (‘Altascheth’). Zekerheid over de vertaling is er niet. Vaak brengt men de vertaling ‘Verdelg niet’ in verband met het verdere opschrift boven de psalm. We lezen dat het een psalm van David is toen hij voor Saul was gevlucht in een spelonk. We weten van twee vluchten naar een spelonk, nl. in 1 Sam. 22,1v (naar de spelonk van Adullam) en 24,1vv (naar een spelonk bij Engedi).
Tijdens zijn verblijf in die tweede spelonk sneed David met een bonzend hart een stuk van Sauls mantel af om die aan Saul te tonen. Hij had Saul kunnen doden, maar wilde zich aan diens leven als gezalfde van Jahwe niet vergrijpen en verbood dat ook aan z’n manschappen, 1 Sam. 24,5vv. Later weerhield hij Abisai om dit te doen, toen een slapende Saul van zijn speer en waterkruik beroofd kon worden. ‘Verdelg hem niet’, hield David aan Abisai voor – wat ons doet denken aan het opschrift van Ps. 57,1.
Het blijft bij gissen, ook al omdat het opschrift ‘Verdelg niet’ boven vier psalmen staat (57,58,59 en 75). Noch in Ps. 58, noch in Ps. 75 is er enig verband aan te wijzen met Davids strijd tegen Saul.
Ik maak er op attent dat Ps. 57,8-16 ook te vinden is in Ps. 108,2-6. De indruk bestaat dat Ps. 108 de betreffende verzen ontleend heeft aan Ps. 57 en niet omgekeerd.
Over de betekenis van het Hebr. woord, dat NBG met ‘kleinood’ en NBV met ‘een stil gebed’ vertaalt, is geen eenstemmigheid te verkrijgen. Zie reeds onder 16.1. 

Een indeling in tweeën van Ps. 57 ligt voor de hand: 

1) De dichter vraagt om Gods genade in zijn grote nood, waarin vijanden hem gebracht hebben (2-6);
2) Hij bezingt Gods lof uitbundig over zijn redding waarvan hij zeker is (7-12).
 

ad 1) Tweemaal roept de dichter uit: ‘ Wees mij genadig’, vs. 2. Zijn nood is groot, zoals vanaf vs. 4 blijkt. De roep tot God om genade komt vrij vaak voor. Niet altijd roept de dichter dan om genade vanuit een sterk besef van eigen schuld en zonde, zoals bv. in 6,2 en 51,3 wel het geval is. God om genade vragen kan ook een roep om uitredding zijn uit  nood die vijanden veroorzaken. Op hún schuld en niet die van de dichter wordt dan gewezen, bv. 56,2v. Ook als we  57,2 in het licht lezen vs.4v. valt hetzelfde op. Altijd is er bij de dichter uiteraard het bewustzijn dat alleen God uitredding kan geven, omdat de klager daarvoor geen kracht heeft. Besef van eigen zonden is daarbij niet uitgesloten, vgl. 41,5 en 11.
De dichter vertrouwt erop dat hij bij God veilig is. Bij Hem schuilt hij. Hij is er zeker van dat God Hem kan en wil helpen. In de schaduw van Gods vleugels vindt hij bescherming, vs. 2. Hierbij valt te denken aan de adelaar die boven zijn jongen vliegt en ze zo onder zijn vleugels schaduw biedt, vgl. Deut. 32,11; Ps. 17,8; 36,8. Op deze bescherming rekent de dichter totdat het onheil (NBG) of het doodsgevaar (NBV) helemaal geweken is, vs. 2. Het spreekt vanzelf dat de dichter zich ook daarna afhankelijk en veilig weet onder de vleugels van God, maar nu vestigt hij de aandacht op Gods hulp in zijn acute nood.
Het vertrouwen van de dichter op God is groot. Zonder Hem rechtstreeks aan te spreken, zoals in v. 2, belijdt hij dat God als de Allerhoogste het voor hem zal voleindigen (NBG). Een duidelijker vertaling is: God zal aan het in vs. 2 genoemde kwaad dat de dichter treft ten behoeve van hem een einde laten komen. Uit de hemel zal God hulp sturen om de dichter te redden, vs. 4a. Wat die hulp is, wordt in het slot van vs. 4 gezegd.
In het vervolg van vs. 4a: ‘ hij, die de man smaadt  die achter mij aanzit (of: die mij bedreigt, beloert e.d.)’. Deze ‘hij’ is God, zowel voor NBG als NBV. NBG formuleert het wat zachter, door niet te spreken over God die ‘smaadt’ maar die ‘te schande maakt’. NBV vertaalt: ‘ Wie mij (de dichter) bedreigt, wordt ‘smadelijk verjaagd’. God heeft het recht zo te handelen tegen mensen die zijn gunstgenoten te gronde willen richten. God zal hulp uit de hemel zenden.
Goedertierenheid en waarheid (NBG), of zijn liefde en trouw (NBV) stuurt God als zijn boden naar de dichter. We hebben hier te maken met een vaak voorkomend woordpaar waarover ik onder 57.2. Algemeen Thema meer zal zeggen. Het eerste woord (liefde) wordt in het woordpaar bijna altijd gevolgd door trouw. Kort geformuleerd betekent de uitdrukking dat God toont zijn liefde en Hij in zijn liefde volhardt.
In vs. 5 brengt de dichter zijn benarde positie beeldend onder woorden. Hij moet verkeren tussen leeuwen die mensen verslinden. Met deze leeuwen bedoelt hij zijn vijanden, die zich gedragen als verscheurende wilde beesten. Zij beschikken over tanden die scherp zijn als speren en pijlen. Ze hebben een verslindende tong, die als een scherp zwaard hun tegenstanders kan doorboren. Het is ook mogelijk dat onder het beeld van de tanden en de tong op het verderfelijk kwaad van de leugen wordt gewezen. Met hun scherpe tanden en tong schakelen de vijanden met dat kwaad de dichter uit.
In vs. 6 kunnen we opnieuw een roep om redding lezen. Laat God zich toch boven de hemelen verheffen en zich als de Allerhoogste tonen, die troont (boven)op de hemel! Laat Hij zijn glorie boven heel de aarde tonen! Weer treft ons het brede kader waarin de redding van de dichter wordt gezet: Alle hemelbewoners en alle volken op aarde moeten getuigen zijn van Gods kracht en glorie wanneer de dichter uit zijn benarde nood bevrijd wordt. God wordt opgeroepen om de strijd tegen zijn vijanden aan te binden. Als wereldrechter moet Hij vonnis vellen.

 ad 2) Vs. 7 laat een duidelijke wending zien. Terwijl de vijanden een net hadden gespannen, zodat de voeten van de dichter daarin verstrikt zouden raken, gebeurde het omgekeerde. Voor hem hadden ze een kuil gegraven, maar zij vielen erin! Deze verrassing vinden we vaker in Psalmen, vgl. 7,16; 9,16; 35,7v. Het geweld dat men anderen wil aandoen, komt op hun eigen hoofd neer, 7,17. NBG vertaalt in vs. 7a: ‘zij bogen mijn ziel terneer’, terwijl NBV dit ‘buigen’ van de ziel in verband brengt met het net dat de vijanden gespannen hadden: ‘mijn voeten raakten erin verstrikt.’  Ik geef de voorkeur aan NBG, ook al omdat het niet zover komt de dichter echt verstrikt raakt in het net en vervolgens in de kuil valt.
Het is ook mogelijk dat met het ‘buigen’ van de dichter op zijn berusting gewezen wordt. Het lijkt erop dat zijn vijanden hem zullen vangen, zij buigen zijn ziel en hij berust daarin. Maar…het tegendeel van wat hij vreesde, gaat gebeuren!  Hij bevond zich tussen mensen die zich als verslindende leeuwen gedroegen. Maar nu vallen zij in de kuil die zij voor hèm bestemd hadden!
In vs. 8 heeft de dichter al moed gevat. Zijn hart is gerust (NBG, NBV). Het daarvoor gebruikte Hebr. woord heeft ook iets in zich van ‘standvastig, vastberaden’. Daarbij denk ik aan 78,37, waar van de Israëlieten in de woestijn het tegendeel wordt gezegd: Zij waren niet standvastig en trouw aan Gods verbond. Zie voor dit ‘standvastig’ ook Ps. 112,8.
De dichter geeft in onze psalm van het begin tot het einde er blijk van dat hij op God vertrouwt. In dat vertrouwen zwenkte hij niet heen en weer. Hij wil vanuit zijn standvastig hart – tot tweemaal toe getuigt hij daarvan – zingend en musicerend God prijzen.  Hij roept zichzelf op om wakker te worden en harp en citer ter hand te nemen. Hij wil het ‘morgenrood’ wekken, vs. 9, d.w.z. de nieuwe dag naar zich toe roepen. Het morgenrood sluimert nog in haar tent, zoals ook de zon uit haar tent naar buiten moet komen,19,5v, om het licht te laten schijnen dat aan alles leven geeft.
Wat de dichter wil, is van wijde strekking. Hij wil God loven onder de volken. ‘Ik zal over U zingen onder de naties’, vs. 10. Waarom?  Omdat Gods goedertierenheid en trouw (NBG) of zijn liefde en trouw (NBV) hemelhoog en tot aan de wolken reiken. Dit mag geen volk ontgaan dat tegen de hemel en de wolken aankijkt. Laten alle koningen van de aarde Jahwe loven! Vgl. 108,4; 138,4.
Met vs. 12 sloot de dichter ook het eerste deel van de psalm af, vs. 6. In vs. 6 beluisterden we (weer) een oproep aan God om uitredding. Is dat ook in vs. 12 het geval? Sommige uitleggers menen dat de dichter intussen van een tempeldienaar de boodschap heeft ontvangen, dat God hem gered had of zou redden. Helaas lezen we daarvan niets in de psalm. Zonder een tussenkomst van een tempeldienaar valt het vertrouwen en de standvastigheid van de dichter nog meer op. Hij is ervan overtuigd dát God hem zal redden. Hij ziet het als zijn taak de hele wereld te vertellen hoe geweldig God liefde en zijn trouw zijn. Hij wil zijn vreugde over God, die hoog boven alles uit troont, bekendmaken aan de wereld buiten Israël.
Is het niet overdreven om uit het beleven of verwachten van een persoonlijke bevrijding de conclusie te trekken dat de wereld moet worden overtuigd van Gods grootheid en van zijn genade? Dat hangt ervan af. Als hier een koning aan het woord is, die als zijn gezalfde koning een bijzondere plaats in deze wereld ontvangen heeft (vgl. o.a. Ps.2), dan moeten wij niet aan overdrijven denken.

 57.2 ALGEMEEN THEMA 

Liefde en trouw van God 

In het OT komt heel vaak de combinatie van twee ‘eigenschappen’  van God voor: zijn liefde en zijn trouw. De beide Hebr. woorden die hiermee vertaald worden, laten ook andere vertalingen toe. Dat blijkt al uit NBG (vooral: goedertierenheid en trouw) en NBV (liefde en trouw). Om verwarring te voorkomen ga ik in deze korte beschouwing uit van de vertaling die NBV doorgaans van deze combinatie geeft, dus: liefde en trouw.
Wat ons opvalt, is de volgorde van beide woorden. Bijna overal komt eerst het woord ‘liefde’ voor en daarna het woord ‘trouw’. Ps. 89,25 vormt een uitzondering.
Het is ons nu te doen om de betekenis van deze twee woorden en hun samenhang.
Allereerst iets over het Hebr. woord èsèd, liefde. Daarin gaat het over Gods liefde die Hij aan zijn volk wil bewijzen. Waarom wil Hij dat doen en waarom speciaal aan dit volk, dat voortgekomen is uit de aartsvaders Abraham, Isaak en Jakob? Antwoord: Omdat Hij dit volk liefhad en zich wilde houden aan wat Hij deze voorouders onder ede had beloofd, Deut. 7,8.
Deze liefde heeft iets onbegrijpelijks. Het volk Israël was, vergeleken met de machtige naties uit die tijd maar klein. ’U was de kleinste van allemaal’, Deut. 7,7! De geschiedenis van Israël is bovendien een aaneenschakeling van misère, waarin het uitverkoren volk van Jahwe zich tegen God keerde en Hem trouweloos verliet. De tocht door de woestijn van Egypte naar het beloofde land is daarvoor exemplarisch. Lees slechts Ps. 78.
Waarom zou God zich dan blijvend aan het volk Israël verbinden? Aan mensen die talloze malen het met God gesloten verbond schonden, hoeft Hij zich toch niet verplicht te voelen? Wat zien we echter? God bleef zijn volk liefhebben, hoe vaak het ook aan Hem ontrouw werd. Zeker, velen bereikten daardoor het beloofde land niet. Maar waarom bleef God dan toch dit volk Israël liefhebben, al leek het er soms op dat Hij aan zijn verbond met dit onhandelbare volk een einde wilde maken, bv. na de geschiedenis met het gouden kalf, Ex. 33,3vv? Door tussenkomst van Mozes, Ex. 32,32; 33,12vv. werd Jahwe bewogen om toch maar weer verder met Israël op te trekken.
Hier hebben we het tweede woord nodig: Jahwe’s trouw. Het woord is de vertaling van het Hebr. woord èmèt, dat ‘waarheid’ betekent. Die vertaling kan heel vaak gebruikt worden. Maar hert neemt in de combinatie met ‘ liefde’ de kleur aan van betrouwbaarheid aan. Op mensen kan men niet aan, maar op de God van Jakob wel. Hij heeft hemel en aarde gemaakt en is trouw (èmèt) tot in eeuwigheid, Ps. 146,3-6. Hij is God en zijn woorden zijn waar en (dus) betrouwbaar, Dat belijdt David als het over hem en zijn huis gaat tot in de verre toekomst, 2 Sam. 7,28. God breekt zijn gegeven woord aan David nooit, Ps. 89,35v!
Jahwe bleef zijn volk liefhebben, omdat Hij zich hield aan wat Hij eens beloofd had. Onder ede had Hij zich verbonden aan het nageslacht van Abraham, Isaak en Jakob. Ondanks de talloze conflicten blijft God tot ‘in duizend geslachten’ (Ex. 34,7; Deut. 5,10)  trouw aan zijn eens geschonken liefde.
Dezelfde gedachte van blijvende liefde, die we uit de combinatie van ‘liefde’ en ‘trouw’ kunnen aflezen, kan ook op andere manieren uitgedrukt worden. Ik denk aan Ps. 118,1-4; 136; 2 Kron. 5,13, e.a. waar opgeroepen wordt God te loven. Want eeuwig duurt zijn liefde. Wie Gods blijvende liefde nog sterker geformuleerd wil hebben, kan o.a. Ps. 103,17 citeren, waar van Gods liefde gezegd wordt dat zij is van eeuwigheid tot eeuwigheid. Tegelijk is uit dit vers en uit veel andere teksten duidelijk dat die liefde uitgaat naar ‘wie Hem vrezen’. God toont zijn liefde, maar vraagt die ook van zijn volk. In Psalmen is ook de Gods toorn evident over zijn vijanden, die ook binnen zijn eigen volk te vinden zijn. Toch blijft Hij zijn liefde aan dat volk geven, van eeuwigheid tot eeuwigheid! 

57.3. VAN OT NAAR NT

 Wat Paulus in Rom. 15,9 aanhaalt uit Ps. 18,50, had hij ongeveer ook zo kunnen citeren uit Ps. 57 (10): ‘Ik zal u loven onder de heidenen en uw naam met snarenspel prijzen.’ Het getuigt van groot geloof als iemand oog in oog heeft gestaan met vijanden van God, niet om wraak vraagt, maar de (heiden)volken wil aanspreken over Gods hemelhoge liefde en trouw. Die liefde gaat ver uit boven wat hij persoonlijk heeft ondervonden, of nog zal ondervinden.
Het kan niet anders dan dat dichters die zo met het loven van God onder de volken bezig willen zijn, de belofte voor ogen hadden die destijds aan Abraham gegeven werd: ‘Met u zullen alle geslachten op de aardbodem gezegend worden’, Gen. 12,3 (NBG).
Die belofte werd vervuld door het lijden en sterven van Jezus Christus. Evenals psalmisten in hun nood vroeg ook Hij of Hij de drinkbeker van lijden en sterven niet behoefde te drinken. Maar Hij wist in Getsemane reeds van zijn opstanding uit de doden (Matt. 26,32; vgl. Hebr. 5,7) en gaf zich over aan de wil van zijn Vader om het bittere lijden en ook de dood te ondergaan (Matt. 26,39vv). Door hier gehoorzaam te zijn, baande Hij de weg die de dichter van Ps. 57 al open voor zich zag liggen: verlossing uit de dood.
Het vertrouwen dat de dichter van Ps. 57 dat zal voltooien wat Hij begonnen is, vinden we in het NT niet minder sterk. Paulus is ervan overtuigd dat God het goede werk, dat Hij in de gemeente begonnen is, ook zal voltooien op de dag van Christus Jezus, Fil. 1,6. Het is wel zeker dat velen uitzagen naar de terugkeer van Jezus Christus, reeds kort na zijn hemelvaart. Zei Hij later tegen Johannes op Patmos ook niet: ‘Ik kom spoedig’, Openb. 22,7.20? . Zij leerden wachten op het geluk waarop zij hoopten, nl. op de verschijning van de majesteit van de grote God en van onze redder Jezus Christus, Tit. 2,13. Ook na tweeduizend jaar moeten wij op de beloften van Jezus’ terugkeer en op de herschepping van hemel en aarde blijven hopen. Wat vertrouwen was onder het OT is het geloof thans. Het legt de grondslag voor alles waarop we hopen en overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien, Hebr. 11,1 (NBV).

 57.4. VOOR VANDAAG 

1.Bij de uitleg van Ps. 57 kan de fantasie ons parten spelen.  Het lijkt me niet juist veel tijd te besteden aan het opschrift ‘Verderf niet’ en dan de psalm helemaal in het licht te plaatsen van Davids milde houding tegen Saul, wiens leven hij spaart in plaats van hem te doden. Het historisch materiaal is (ook) in het opschrift van Ps. 57 vaag. Veiliger gaan we als we de psalm op meer algemene omstandigheden toepassen dan die te laten bepalen door alleen het opschrift.

2. Dat geldt nog veel sterker voor de uitstapjes, die we soms zien maken in toepassingen  ontleend aan ‘Daniël in de leeuwenkuil’. De ene opmerking in vs. 5 over de dichter, die ligt tussen verslindende leeuwen waarmee zijn vijanden worden vergeleken, staat in een geheel andere context dan de geschiedenis in Dan. 6.

3. Wat van algemener aard is, is de grote rust en het vaste vertrouwen waarvan de dichter blijk geeft. Er valt ook iets te bespeuren van berusting, zoals we bij de uitleg van vs. 7a veronderstelden. Wie zo ’s nachts zijn hoof kan neerleggen, in het volste vertrouwen dat God hem uitredding zal geven, is een voorbeeld voor ons allen.

4. Het is velen opgevallen dat de dichter geen wraakgevoelens uitspreekt. Ongetwijfeld is in dit opzicht de ene psalm de andere niet. Toch moeten we vs. 4 niet over het hoofd zien. God zal zijn vijanden smadelijk verjagen (NBV), te schande maken NBG), of honen, of hoe men – harder of zachter geformuleerd – ook wil vertalen. Hij zal zijn reddingswerk voor de dichter combineren met de wraak op diens vijanden. Het één (redden) is er nimmer zonder het ander (straffen). Wie een leeuwenkuil graaft voor een ander, zal er zelf in terecht komen.

5. Het slot van de psalm prent ons goed in, dat alle straf die vijanden te beurt zal vallen, niets afdoet aan onze opdracht om in de wereld het goede nieuws over God en zijn verlossing door Jezus Christus te verkondigen. Wij loven God, iets wat nooit losstaat van de liefde die we persoonlijk van Hem hebben ontvangen. We zoeken zijn eer, die wereldwijd door de mensen aan hun Schepper en Verlosser moet worden gebracht. 

57.5. VERANTWOORDING 

In vs. 2 is het Hebr. woord hawwōt, als plur. van hawwā (verderf, ongeluk, het kwaad) op te vatten als alle ellende die de dichter nog te wachten staat. 

In vs.3b volg ik de vertaling van N.H. Ridderbos (1973),223, die denkt aan het beëindigen (Hebr.: gmr) van het kwaad (vs. 2 slot) ten behoeve van (Hebr.: al) de dichter.

 Vertalers die in vs. 4 bij het ‘smaden’ niet aan God, maar aan de vijand denken, geven de woorden meestal als een tussenzin weer. Zo R. Alter (2007),199: ‘hij die mij vertrapt, beschimpt mij’, om dan verder weer op Gods handelen te wijzen. N.H. Ridderbos, a.w.,228, doet dat ook: ‘ hij, die op mij aast, smaadt. God zal zenden, etc.’ Ik volg NBG en NBV, omdat ik geen moeite heb met het ‘smaden’ door God. J. van der Ploeg (1971,345) maakt erop attent dat men vóór de strijd z’n vijanden vaak uitdaagde door te honen, vgl. 1 Sam. 17,10.36; 2 Kon. 19,22; Ps. 74,18. Deze teksten spreken niet van het smalen van Israël, maar zijn een antwoord op het smalen van de vijanden. Maar toch brengt Van der Ploeg hier God terecht ter sprake Waarom kan God de vijanden van de psalmist niet smalend uitdagen. Hun ondergang staat voor de deur, aldus Van der Ploeg. 

In vs. 5 is het eerste Hebr. woord nafšī als derde persoon (‘mijn ziel’) niet congruent met de eerste persoon van het verbum ᵓèškevā , ‘ik lig neer’. Zie daarvoor  Ges.Kautsch, par. 144m, die nafšī opvat als perifrase: ‘mijn ziel – ik lig neer’. NaB geeft aan nafšī accent door te vertalen: ‘Met lijf-en-ziel leg ik tussen leeuwen mij neer.’

Aan èškevā als cohortatief probeert NBV uitdrukking te geven: ’Tussen leeuwen moet ik liggen’. Zo ook EÜ. Maar dat kan moeilijk nog zuiver cohortatief heten. J. Ridderbos (1958),120.123, vertaalt de cohortatieve vorm als volgt: ‘Te midden van leeuwen moge ik slapend neerliggen.’ Meer dan eens heeft de cohortatieve vorm geen cohortatieve betekenis (meer), in de zin van: ‘laat ik, laten wij dit of dat doen’. De meeste vertalers gebruiken de indicatieve betekenis, zoals ook NBG, HSV en NaB doen: ‘ik lig neer te midden van leeuwen’. Zie Joüon (1923), par. 114N . 

In vs. 7 wijs ik m.b.t. het ‘buigen’ van de ziel van de dichter op de uitleg van J.J.P. Valeton (1912),317.

 In vs.9 is het de dichter die het morgenrood wil wekken. In zijn Metamorfosen (11,597) zegt Ovidius van de haan dat hij het morgenrood wekt (Lat.: evocat auroram).

De vermelding van het morgenrood heeft ertoe geleid dat men in het tweede deel van Ps. 57 vaak een morgenlied ziet. Het eerste deel zou dan een avondlied kunnen zijn, waarin de donkerheid de overhand heeft.

 Zie voor 57.2. Algemeen Thema: o.a. Lexicon Koehler-Baumgartner (1953) s.v. èsèd, die de combinatie èsèd wèmèt vertaalt met ‘dauernde Verbundenheit’. Ik zou eerder zeggen dat de duurzame liefde voorop gaat en daaraan de (eeuwigdurende) trouw verbonden is. Dus: blijvende liefde i.p.v. blijvende verbondenheid.

NBG is consequent in de weergave van de combinatie: ‘goedertierenheid en trouw’.; NBV vertaalt de combinatie doorgaans met ‘liefde en trouw’. M.i. is het dan vreemd wanneer NBV het woord èsèd in Ps. 118,1vv en 136 vertaalt met: ‘eeuwig duurt zijn trouw’. Waarom ook dan niet: ‘eeuwig duurt zijn liefde’. De trouw ligt opgesloten in haar eeuwige duur! Zie verder ThWAT I,314vv, art. over āman (A. Jepsen). De schrijver zet de ‘waarheid’ als betrouwbaarheid sterk af tegen wat er over de onbetrouwbaarheid van mensen gezegd wordt. Zie ook ThWAT III, art, over èsèd (H.J. Zobel), die van menig is dat het begrip berīt niet constitutief is voor hèsèd. Een verbond legt nadruk op de intensiteit en duur van de vriendschap, maar hèsèd is uitdrukking van de ‘innewohnende Güte’ uit, d.w.z. èsèd geeft de gezindheid van genegenheid en liefde aan.

 T.a.v. 4.4.Voor vandaag: Het boeiende verhaal van H.A. Visser (1990), 3,66vv, heeft veel met Dan. 6, maar zeer weinig te maken met uitleg van Ps. 57, die hij bespreekt. 

PSALM 58

 58.1 UITLEG 

Psalm 58 hekelt het onrecht dat rechters de mensen aandoen. Zij heten in vs. 2 ‘goden’ omdat ze in naam van God recht spreken. Maar in plaats daarvan plegen zij grof onrecht. De dichter schetst hun diepe verdorvenheid en wenst dat God hun kwaad grondig zal vergelden. Dat zal vreugde verschaffen aan de rechtvaardigen. Zij zullen dan merken dat er wel degelijk een God is die recht doet op aarde.
Is het een klaaglied? In zekere zin wel, maar dan over een zaak die verder reikt dan van een particulier persoon, of zelfs van een volk dat in nood is. We hebben te maken met een schreeuw om rechtsherstel op aarde. God alleen kan nog een wending brengen. Hij moet zich wreken op allen die hun taak als rechters niet nakomen.
Onder 58.2 wil ik duidelijk maken dat we Psalm 58 geen wraakpsalm moeten noemen. De roep om wraak is in de psalm onmiskenbaar te horen, maar staat in dienst van het diepe verlangen om recht en orde op aarde weer te zien opbloeien. Laten we, bij gebrek aan een kortere typering, de psalm een schreeuw-om-rechtsherstel-op-aarde noemen.
Het opschrift is bij de voorafgaande psalm (57) al aan de orde geweest. In Psalm 58 vermeldt het opschrift geen episode uit het conflict tussen David en Saul, zoals in de voorafgaande en volgende psalm wel het geval is.
Psalm 58 is helder van opbouw, maar geeft de vertalers in enkele verzen grote moeite.

 Voor mijn bespreking deel ik de psalm als volgt in:

 1) De dichter valt de rechters op aarde scherp aan over het bedrijven van onrecht en geweld (2-3);
2) Hij schetst hun diepgeworteld kwaad (4-6);
3) Hij roept God aan om met hen af te rekenen (7-10);
4) Bij de rechtvaardigen is er over Gods vergelding vreugde. Er blijkt uit dat God op aarde wel degelijk loon en recht verschaft (11-12).

 ad 1) Ieder is ervan overtuigd dat in de vss. 2 en 3 de rechters op aarde worden aangesproken. Maar hoe worden zij genoemd? NBG spreekt van ‘goden’. NBV van ‘machtigen’, terwijl HSV over een ‘raad van rechters’ spreekt, in aansluiting aan SV. Ik meen dat van ‘goden’ gesproken kan worden, zoals dat ook in Ex. 21,6 (NBG), Ps. 82,1v, Joh. 10,34 gebeurt. Het gaat in Ps. 58 echter niet over (afvallige) engelen, maar over mensen van vlees en bloed. Dat valt uit vss. 3 en 4 te concluderen. Dat ze ‘ goden’ genoemd worden, hangt samen met hun verantwoordelijke taak, die ze van God hebben ontvangen om op aarde recht te doen.
We hoeven de aangesprokenen niet alleen te zoeken onder hen die wij tegenwoordig rechters noemen. Ook anderen, zoals koningen en priesters waren geroepen recht te spreken. Denk aan David en Salomo (2 Sam. 15,2v; 1 Kon. 3,16vv), maar ook aan de priesters (Mal. 2,6vv).
Er is geen reden het woord ‘aarde’ hier tot het land Israël te beperken, al zal de dichter speciaal de situatie in zijn land op het oog hebben. De hemelse rechter houdt heel de wereld in de gaten, en zeker ook het gedrag van de ‘goden’ die Hij heeft aangesteld om de rechtvaardige orde op aarde niet in een chaos te laten veranderen.
Let op het woordje ‘werkelijk’ in vs. 2a. Salomo kan zich afvragen of God ‘werkelijk’ op aarde kan wonen (1 Kon. 8,27), maar in Ps. 58 wordt de vraag gesteld. of Gods rechters op aarde zich ‘werkelijk’ op Hem in de hemel richten. Komen zij op, zoals God zelf, voor de verdrukten en luisteren ze naar de noodkreet van mensen, Ps. 9,10.13? Zijn ze helpers voor zwakken en wezen, 10,14, of verslinden zij Gods volk alsof het brood is, 14,4?
Het antwoord in vs. 3 is onthullend. Met hart en handen bedenken en bedrijven de rechters op aarde onrecht en geweld. De situatie lijkt op die van Gen. 6,11, kort voor de zondvloed. De aarde is verdorven en vol onrecht. We denken ook aan Ps. 11,3: de grondslagen van de samenleving zijn vernield (NBG).
NBV vertaalt vs. 3b als volgt: ‘U geeft vrij spel aan het geweld van uw handen.’ Het Hebr. werkwoord kan ook betekenen dat men afweegt met de weegschaal. Dat zou goed bij rechters passen, die het ‘voor en tegen’  in een zaak moeten afwegen. De schijn van het rechtspreken ophouden is heel wat anders dan beslissingen nemen die met geweld, maar niets meer met rechtspreken te maken hebben.

 ad 2) De dichter peilt de diepte van de miserabele situatie wanneer hij het bedreven kwaad in verband brengt met de levensgeschiedenis van de rechters. Al van jongs af  handelen zij verkeerd en dwalen zij, vs. 4. Vreemd handelen en dwalen, vgl. Job 19,13; Ps.69,9; Ex. 23,4; 119,10, is karakteristiek voor deze goddelozen die zich van God en zijn geboden niets aantrekken. De ellende die zij veroorzaken is zo groot, dat de dichter het kwaad terug leidt tot hun geboorte. Dat herinnert ons aan Ps. 51,7. Maar terwijl daar de dichter van bekering blijk gaf, is dat met deze vijanden van God niet het geval. De rechters blijven leugensprekers, vgl. 4,3; 5,7. Mensen kunnen hier weinig of niets tegen beginnen. God zelf zal moeten ingrijpen.
De rechters worden vergeleken met giftige slangen, die hun gif onder (of achter) hun lippen verbergen, 140,4. Het is geen wonder dat het noemen van de leugen in vs. 4 de dichter op de gedachte van slangengif in vs. 5 brengt. In beide gevallen is het de mond die verraderlijk werk doet. De dichter gebruikt het beeld van de slang nog verder. Het zijn slangen die zich niet laten bezweren. Ze sluiten hun oren af voor ieder die probeert hun kwalijke invloed af te remmen. Maar ze luisteren niet naar de woorden van slangenbezweerders, hoe kundig die ook zijn.
Uiteraard gebruikt de dichter hier een beeld. Er zijn dove slangen die niet kunnen horen, maar de rechters in vs. 5 willen niet horen naar de bezweerder. Er zijn blijkbaar altijd toch nog mensen die waarschuwen tegen schandelijk optreden van rechters. Maar de ‘slangen’ trekken zich daar niets van aan, vs. 6. 

ad 3) Zonder Gods ingrijpen is de zaak verloren. De dichter die in 2-3 de goddeloze rechters heeft aangesproken, vervolgens over hen ging spreken in 4-6, richt zich nu tot God, van wie hij in deze uitzichtloze situatie hulp verwacht. Hij formuleert krachtig wat er moet gebeuren: ‘O God, sla hun de tanden uit de mond, verbrijzel de kaken van die ‘leeuwen’!, vs. 7. Hun mond, vol van leugen en venijn, moet dichtgeslagen worden. Het beeld verspringt van een slang naar een leeuw met zijn vervaarlijke muil. Maar niet alleen moet hun bek worden dichtgeslagen, ze moeten helemaal verdwijnen. ‘Laten zij vergaan zoals water dat wegvloeit, vs. 8a (NBG). Vegen we afvalwater weg, dan verdwijnt het in het droge zand.
Vs. 8b is veel moeilijker te begrijpen. NBV ziet het verdwijnen van de goddelozen ‘als pijlen die op de boog afbreken’. NBG denkt aan de goddeloze zelf die de pijl hanteert: ‘Legt hij pijlen aan, dan mogen zij als afgestompt zijn’. Weer anderen zien God bezig met de pijl: ‘Hij legt zijn pijlen aan: ze zijn als verdord’. Gaat God zijn pijlen op de goddeloze rechters richten, dan zijn ze er geweest, getroffen als ze worden door de ‘pijlen’ van zijn hete zonnestralen of van de bliksem.
Geen van deze vertalingen overtuigt. Daarover zijn de meesten het wel eens en sommigen zeggen het van hun eigen vertaling. Er zijn ook vertalingen die fors op de Hebr. tekst ingrijpen. Bv. door vs. 8b zo weer te geven: ‘Laten ze vertrapt worden als gras dat verwelkt.’
Hoe moeilijk de vertaling ook is, het valt te raden waar het volgens ieder op uitloopt: De rechters die niet het recht maar het geweld laten zegevieren, gaan te gronde.
In de vss. 8-10 worden drie beelden gebruikt die het totale vergaan van de onrechtvaardige rechters bevestigen, nl. de beelden van de slak, de misgeboorte en de dorens onder een pot.

1) Laten de goddelozen vergaan als een slak die kruipend over de weg gaat, slijm achterlaat en (naar het lijkt) vanzelf in slijm oplost, vs. 8. De vertaling met ‘slak’ is niet helemaal zeker. Het woord komt alleen in Ps. 58 voor. 

2) Laten de goddelozen vergaan als een misgeboorte (van een vrouw) die de zon niet zal zien, vs. 9. Wenst de dichter hun ook toe dat ze, zoals in Job 3,16 en Pred. 6,3vv, nooit geboren waren? Dat is de vraag. Zeker wenst hij hun toe dat zij het zonlicht niet langer meer zullen zien.

3) Laten de goddelozen vergaan als dorens, die een pot nog kunnen verhitten maar in de storm verwaaien nog voordat ze de pot verhitten, vs. 10. Zo ongeveer NBV. Dorens hebben nauwelijks een functie en zijn eigenlijk even kort van levensduur als een slak en een misgeboorte. Maar ze kunnen een pot nog verhitten. Welnu, laat ook dat niet gebeuren, maar als volkomen waardeloos door de wind worden weggedreven. NBG vertaalde op soortgelijke wijze: ‘Voordat uw potten de dorens bemerken, zowel groen als verschroeid, stormt Hij (God) hen weg’.

In feite is vs. 10 onvertaalbaar, zodat sommigen een vertaling ervan zelfs geheel of gedeeltelijk achterwege laten. Gedeeltelijk doet NBV dat ook, omdat we de woorden die NBG weergeeft met ‘zowel groen als verschroeid’ niet terug vinden. Het heeft weinig zin uitvoerig op de vele vertalingen te wijzen. Eén ding is wel duidelijk. Ook het derde voorbeeld onderstreept het finale einde van de rechtsverkrachters op aarde.

 ad 4) De rechtvaardige die geleden heeft onder groot onrecht, zal zich verheugen als God met zijn vijanden afrekent en voor hem zelf het leven weer laat opbloeien. Hij verheugt zich over de vergelding (NBV) of de wraak (NBG) die door God wordt uitgevoerd. De constatering in vs. 11 dat men zich verheugt over Gods wraakoefening, kan elders zelfs een oproep worden aan alle volken om Israël toe te juichen, nadat God het bloed van zijn dienaren gewroken heeft (Deut. 32,41vv)!
Het kan ons afschrikken als de dichter eraan toevoegt dat de rechtvaardige ‘zijn voeten wast in het bloed van de wettelozen.’(NBG en NBV). Maar dat bloed hebben ze niet zelf veroorzaakt. Gods oordeel laat een slagveld achter met overal bloed. De vreugde van de overwinnaars is groot. Met kan er met zijn voeten ‘waden in het bloed’, of er zijn handen in wassen, zoals LXX vertaalt. In Jes. 63 lezen we dat God in zijn wraakgericht over Edom, zonder op hulp van anderen te kunnen rekenen, zijn gehele gewaad liet bezoedelen met bloed.
Het effect van Gods wraakoefening is dubbel. De mensen (zeer algemeen!) zullen zeggen dat de rechtvaardige beloond wordt en er kennelijk toch een God is die recht doet op aarde. Bij het eerste effect (loon) kunnen we denken aan de bevrijding die de verdrukte rechtvaardigen op hun gebeden hebben verkregen. Hun gebed tot God bleef niet zonder vrucht.
Achter de opmerking dat er toch (zie NBV) een God is die recht spreekt, is de angst voelbaar die men doorstaan heeft. Blijven de vijanden de baas, of is er ook nog een God in de hemel die zal ingrijpen?
Sommige verklaarders menen dat het woord ‘God’ in vs. 12 ook kan worden vertaald door ‘goden’, en dan in de zin van goede rechters. De ‘goden’ uit vs. 2 zouden hier terugkeren, maar nu dan de goede rechters, die wèl het recht op aarde handhaven of herstellen. De gedachte is aanlokkelijk, maar toch moeilijk over te nemen, omdat het woord voor God in vs. 10 wel overeenstemt met dat in vs. 7, maar niet met dat in vs. 2.

  58.2 ALGEMEEN THEMA

 Wraakpsalmen?

 Zoals ik in het begin van mijn bespreking heb gezegd, lijkt het mij niet juist Psalm 58 als wraakpsalm te typeren. Dat geldt eveneens voor o.a. 109 en 137. Waarom niet? Om meer dan één reden.
Om te beginnen is het duidelijk dat de dichters vragen aan God om zich op hun en zijn vijanden te wreken. Wraakpsalmen waarin men zelf gaat wreken, of zelfs vraagt dit mogen doen, zijn er niet. Men staat zelf tegen de muur en grijpt niet naar de wapens.
In klaag-, vertrouwens- of lofpsalmen, etc., klaagt, vertrouwt of prijst men zelf. Maar zichzelf wreken wordt niet als mogelijkheid genoemd.
Een tweede bezwaar tegen de typering ‘wraakpsalm’ hangt samen met het feit dat ‘wraak’ in geen enkele psalm een doel op zichzelf is. Wraakzuchtig zijn is een typering die voor de vijanden van God kan opgaan, maar binnen Gods volk verboden is. Ps. 8,3 en 44,17 laten zien dat de typeringen ‘vijand’ en ‘wraakzucht’ bij elkaar horen. Roept de dichter om wraak, dan verlangt hij naar bevrijding voor zichzelf of voor zijn volk, zodat niet ‘wraak’ maar ‘bevrijding’ het laatste woord heeft.
Een volgende opmerking: Als we aan Gods wraak denken en Hij zich bv. op Babel wreekt (Jer. 50,15vv),dan is dat ter wille van zijn volk waarvan  Hij de Verlosser (Hebr.: ēl) is. Het een (wraak op de vijanden) is onverbrekelijk verbonden aan het ander (verlossing van Gods volk). In het Hebreeuws wordt de bloedwreker ēl genoemd, zie o.a. Num. 35,12vv. Op aarde brengt God rust, maar dat gaat samen op met het beroven van de rust aan de inwoners van Babel, Jer. 50,34.
Daarom hoeven zij die op God en zijn verlossing vertrouwen, er niet van uit te gaan dat dit  zonder Gods wraakopenbaring aan zijn vijanden zal gebeuren. Evenmin moeten we verbaasd zijn dat rechtvaardige mensen vragen om bevrijding van hun vijanden en daarmee om wraak. Het gericht over de vijanden is de keerzijde van de bevrijding die op de vijanden bevochten wordt. Het is zeker geen uitzondering, maar regel dat in een of andere vorm bevrijding gekoppeld is aan wraakoefening. Zoals in Jes. 63,4, waar de wraak  én de lossing  door de ēl samengaan.
Dan nog een laatste, maar uit emotioneel oogpunt belangrijke overweging. Wie een psalm een wraakpsalm noemt en ermee instemt, krijgt vaak te horen dat de wraakgedachte oudtestamentisch is en ons tegen de borst moet stuiten. Tot in kerkelijke liturgieën toe schrapt men (stukken uit) Psalm 58 en andere ‘wraakpsalmen’. Deze opvallende gang van zaken valt te voorspellen als wij verzuimen de meest verschrikkelijke wraak af te wegen tegen de meest afgrijselijke machtswellust, waarvan miljoenen mensen het slachtoffer zijn geworden.
Het is voldoende ons hier te beperken tot wat er onder Hitler en Stalin gebeurd is en wat het Joodse volk tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft ondervonden. Wie daarover leest en zich er werkelijk in verdiept, moet geen moeite hebben met de vreugde die kampbewoners beleefden, toen geallieerde troepen vanaf de grond bewakers in de torens langs het prikkeldraad neerknalden.
Wie nergens voor te vrezen heeft, moet niet over wraak beginnen. Maar wie volkomen uitgemergeld en tot slaaf van anderen gemaakt is, om vervolgens te ervaren wat het betekent weer vrij te zijn en nog een toekomst te hebben, mag juichen. Hij mag God danken voor de wraak die Hij uitoefende of liet uitoefenen om de aarde en haar bewoners weer rust te gunnen.
Zie verder reeds wat over ‘wraak’ gezegd is onder 21.2 en 3; 28.3.

 58.3. VAN OT NAAR NT

 De ‘onrechtvaardige rechter’ vinden we in het NT vooral getypeerd in de gelijkenis van de vrouw, die blijft aankloppen bij de rechter om haar recht te doen, Luc. 18,1vv. De man laat zich aan God en aan de mensen niets gelegen liggen, maar zwicht tenslotte voor de aanhoudende druk van de vrouw. Leerzaam zijn hier twee dingen. Rechters kunnen zich van God en zijn gebod niets aantrekken. En het blijven bidden tot God om hulp bewijst dat het slot van Ps. 58 in vervulling gaat. Er is een God die recht doet op aarde.
De wetteloosheid op aarde wordt in het NT ons eveneens voor de aandacht gebracht. Paulus waarschuwt in 2 Tess. 2 er niet van uit te gaan dat de dag van Jezus Christus op het punt staat aan te breken. Eerst zullen nog velen zich van het geloof afkeren en onder het beslag komen van de ‘wetteloze mens’, die alles wat goddelijk en heilig is zal bestrijden en in Gods tempel als een god zal zetelen. De leugen lijkt het (weer) te winnen van de waarheid, het machtsvertoon van Satan is enorm. Ook hier is het weer goddelijk ingrijpen dat zal beslissen. Jezus Christus zelf zal deze mens doden en vernietigen door de blik van zijn komst (2 Tess. 2,9).
De visioenen in het boek Openbaring onderstrepen de geweldige druk die de wetteloosheid op het leven van de christenen zal leggen. De opdracht is uit te gaan uit de stad Babel om geen deel te hebben aan haar weelde, wellust en onrecht, Openb. 18,2vv. Babel is hier voor de christenheid niet een verre en vreemde stad, maar ‘in deze stad vloeide het bloed van profeten en heiligen, van al degenen die op aarde werden geslacht’ 18,24 NBV). De vraag of het hier over Jeruzalem of over Babel gaat, is daarom geen echte vraag.
De wraak over deze van God afgevallen wereld is weer even vanzelfsprekend als in Ps. 58. Jezus Christus zal in zijn met bloed doordrenkte kleren de wijnpers van Gods toorn treden (Openb. 19,13vv). Ook het gebed daarvoor ontbreekt niet, met de vraag wanneer God eindelijk (!) het bloed van zijn volgelingen op de vervolgers zal wreken (Openb. 6,10).
De leiders van het volk van Israël werden tot rechters die zochten naar valse getuigen en naar de doodstraf voor Hem die tot hun redding in de wereld gekomen was. We zien het aan het optreden van het Sanhedrin tegen Jezus. Ook hier waren rechters met hart en handen (Ps. 58,3) bezig Hem uit te schakelen. Zij zochten, gesteund door Judas, naar een goede gelegenheid  (Matt. 26,16; Marc. 11,18; 14,1; Luc. 19,47; 22,2vv). Hun zoeken had succes en als rechters leverden zij Hem uit om gekruisigd te worden. Slangen en addergebroed als zij waren, maakten zij de maat van hun voorouders vol, Matt. 23,33.
Dat dit goddeloze proces een zegen voor de wereld zou worden, is het diepe mysterie van Gods barmhartigheid.

 58.4. VOOR VANDAAG

 1. Er is gezegd dat verwensing het laatste wapen is van de machteloze. En ook dat vernietigingsgebeden in eerste instantie voortkomen uit vreselijke angst. Zulke psychologische verklaringen schieten tekort. Wie beseft wat voor collectieve wreedheden er in de wereld begaan worden, ontkomt er niet aan van recht op vergelding spreken. Recht doen en vergelden horen in de wereld van God bij elkaar.
De roep om vergelding is niet minderwaardig en liefdeloos, te laag voor het niveau van goede christenen, maar geheel in overeenstemming met de noodzaak en handhaving van recht, dat hier op aarde zo vaak in gruwelijk onrecht ontaardt.

2. Wraak en wraakzucht moeten worden onderscheiden. Wraak oefenen is alleen toevertrouwd aan God en aan hen die recht moeten spreken en vonnissen mogen vellen. Aan God komt de wraak toe en aan hen die Hij daarvoor aanstelt, rechters, overheden, etc., Rom. 12,17vv; 13,4v. Wraakzucht is ons verboden, maar ook aan rechters, die moeten afwegen, zonder de schaal te laten doorslaan door wraakgevoelens.  Vergelding moet in dienst staan van het bevorderen van vrede en rust in de wereld. Er is geen goede wraak en evenmin zijn er goede wraakgevoelens als we niet beheerst worden door de wil om verloren vrijheid  te herstellen en te bevorderen.

3. Het is belangrijk zeer grove schendingen van het recht als voorbeelden te gebruiken om begrippen als ‘wraak’ en ‘vergelding’ hun legitieme plaats te geven.  Een van de uitleggers van Ps. 58 zet boven zijn verhaal ‘Tirannen staan terecht’. Het is goed ons te realiseren dat er naast grote ook kleine tirannen zijn. Zij bevinden zich overal ter wereld, ook in de kerkelijke wereld bevinden. Slavendrijvers en apartheidsverdedigers in Zuid-Afrika namen gemakkelijk tirannieke vormen aan en kregen een goed onthaal onder veel christenen. Ook wat het NT ons zegt over het Sanhedrin en over de ‘wetteloze mens’ in 2 Tess. 2, zijn voor ons signalen om de ogen open te houden. We moeten niet gering denken over machtsmisbruik binnen kerkelijke kaders, waarin pauselijke macht en gecentraliseerde bevoegdheden in andere vormen de christelijke vrijheid onder druk zetten.

4. Het heeft weinig zin aan de hand van Ps. 58,12 uit te leggen hoe er binnen de gereformeerde traditie rechtmatig over loon gesproken kan worden. Daarvoor moet men andere Schriftgedeelten raadplegen. Ps. 58 spreekt inderdaad over loon, maar het is hier m.i. simpel het loon van de bevrijding onder de druk van de vijanden vandaan.

 58.5. VERANTWOORDING 

Het Hebr. woord ’ēlèm in vs. 2 wordt heel verschillend weergegeven. Zoals het hier gevocaliseerd wordt, betekent het ‘stilte’ of ‘stilzwijgen’. O.a. J.M. Brinkman (1997),84v, wil van deze betekenis uitgaan. Hij vertaalt: ‘Is het betrouwbaar om stilzwijgend te zijn?’ Maar uit niets blijkt dat de goddeloze rechters zo stilzwijgend te werk gingen. De meesten vocaliseren het woord daarom als ’ēlīm, dat zowel ‘goden’ (NBG) als ‘rammen’ (pl. van ayil) betekent. Het kan dan met ‘goden’, maar ook met ‘machtigen’ (NBV) worden weergegeven. Ik kies hier met de meesten voor ‘goden’, met wie in Ps. 58 duidelijk aardse rechters bedoeld worden.

 In vs. 3 kan het werkwoord pls, pi. ‘een weg banen’ betekenen, wat NBV tot haar vertaling gebracht heeft met ‘vrij spel geven’. We kunnen er ook het woord pèlès (de naald van de weegschaal, Jes. 40,12; Spr. 16,11) bij betrekken en denken aan het afwegen van argumenten in de rechtspraak. De goddeloze rechters wegen echter af ‘met het geweld van hun handen’! 

 Vs. 8b zorgt voor bijna onoverkomelijke problemen. Welk werkwoord wordt gebruikt? Gaat het over mūl (afsnijden, besnijden) of over mll (verdorren)? Gaat het over pijlen waarvan de punt is afgesneden (mūl), terwijl het voorafgaande en volgende gaat over een totaal vergaan (Hebr.: m’s II, ook Job 7,5)?  Mll ligt daarom meer voor de hand. Maar dat leidt weer tot ingrijpen in de tekst, zodat men van iṣṣāw (zijn pijlen) āīr (gras) maakt. De vertaling wordt dan heel duidelijk: ‘Laten zij vertrapt worden als gras dat verwelkt’ , o.a. zo J. van der Ploeg (1971),350. Hij merkt zelf al op dat de genoemde veranderingen en nog enkele andere nodig zijn om tot deze omgebouwde tekst te komen. Ze is ‘zeer twijfelachtig’, maar bij gebrek aan beter volgt Van der Ploeg deze operatie.

 Vs. 9a spreekt over de slak, in het Hebr. een hapax legomenon (šabbelūl). De slak smelt weg (Hebr. tèmès, van mss, een nevenvorm van m’s, zie onder vs. 8b, met dezelfde betekenis: ‘smelten’.

Beeld 2) laten sommigen aansluiten bij beeld 1, door over de misgeboorte van een mol te spreken, die het daglicht niet zal zien. Reeds in de Middeleeuwen legde men dit verband tussen beeld 1) en beeld 2). Zie o.a.Tehillim I,729. Het zorgde ook voor het oplossen van de moeite met het woord voor ‘vrouw’ in vs. 9b in de st. c. (’ēšèt). Men vatte dit woord dan op als ‘mol’. Zie daarover Frans Delitzsch (1894),403, die opmerkt dat het woord ’ēšèt pas in het Hebreeuws uit de na-Bijbelse periode ‘mol’ gaat betekenen. Vs. 9b spreekt over de abortus van een vrouw, aldus Delitzsch, die daarom het woord ’ēšèt wil veranderen in ’īšah).

 Over de moeiten om de overgeleverde Hebr. tekst uit te leggen geeft N.A. van Ugchelen (1986),59, een korte samenvatting van de problemen: 1) het bezittelijk voornaamwoord 2e
pers. mv. bij ‘potten’; 2) kan ‘potten’ onderwerp zijn van ‘opmerken’?; 3) het woord ārōn wijst altijd op Gods gloeiende toorn. 

Terecht schrijft H.J. Kraus (1960),418 n.a.v. vs. 12: Boven alle ’ēlīm is er een èlōhīm.

 M.b.t. 58.2. Algemeen Thema citeer ik F.M.Th. Böhl (1947),99: ‘Deze gedachte, dat men zich in de wraak mag verblijden, berust op het diepe besef der gepleegde rechtsverkrachting, zoals men dit ook bij de profeten vindt.’ Zie  E. Zenger (2003) IV,52vv, die de (door hemzelf bekritiseerde) beslissing van paus Paulus VI in 1971 bespreekt om bepaalde psalmen (waaronder ook Ps. 58), samen met allerlei wraakformuleringen uit andere psalmen, niet meer in de getijdengebeden te laten functioneren.
H.G.L. Peels schreef een grondige exegetische studie over de Hebr. wortel nqm, in zijn dissertatie De wraak van God (1992). Ik sluit mij aan bij zijn evenwichtige (theologische( waardering, die tegenover de in het algemeen negatieve opvatting staat die de ‘wraak van God’ (als uitvergroting van de menselijke wraakzucht) heeft gekregen. 

M.b.t. 58.4. Voor vandaag citeer ik WV op Ps. 55,16 (verwensing als laatste wapen van de machteloze) en O. Keel (1996),85 (vreselijke angst als bron van verwensingen).

Bij D. Kidner (2008),225, vinden we boven zijn behandeling van Ps. 58 de woorden ‘Tyrants on trial’.

PSALM 59

 59.1 UITLEG 

Psalm 59 is een psalm waarin geklaagd wordt, maar waarin het vertrouwen op God het wint van dit klagen. Ik noem het daarom een klaag- en vertrouwenspsalm. De dichter zal een vooraanstaand man zijn. Hij spreekt duidelijk over ‘mijn God’. vss. 2 en 18, en over ‘mijn volk’, vs. 12. Vijanden bedreigen zijn leven en onder hen zijn machtige tegenstanders, vs. 4. De dichter is ervan overtuigd dat hij onschuldig is aan alles wat ze hem verwijten. Vandaar zijn roep tot God om hem te bevrijden.
Het bijzondere in deze psalm is dat de dichter niet alleen om bevrijding vraagt van vijanden uit zijn eigen volk, maar dat hij God oproept alle volken te straffen, vss. 6 en 9. Men moet tot aan de einden van de aarde weten dat God over het volk van Jakob heerst, vs. 14.
Deze brede aandacht voor de volken heeft veel uitleggers ertoe gebracht in Psalm 59 geen psalm van David te zien. Moeten we niet eerder denken aan de tijd van grootmachten als Assyrië en Babel? Deze psalm lijkt moeilijk te verbinden aan wat vs. 1 vertelt over Saul, die mannen stuurde naar het huis van David om het te bewaken en David de volgende dag te doden? Vs. 1 is een duidelijke aanhaling van 1 Sam. 19,11. Het is een vervolg op Saul mislukte poging om de voor hem musicerende David dodelijk met een pijl te treffen. Saul stuurt er dan soldaten op uit om David te doden. Maar ook dat mislukt. Davids vrouw Michal helpt hem te ontsnappen door een venster. Ze zegt tegen de soldaten aan de poort dat hij ziek is. Toen de soldaten bevel kregen zich daarvan te vergewissen, vonden ze een door Michal verklede huisgod (terafim) in zijn bed (1 Sam. 19,12vv.).
Toch is er geen reden  David als dichter uit te sluiten. Bij de nu volgende uitleg zal blijken dat het juist zinvol is het opschrift in vs. 1 serieus te nemen.
Voor de overige vermeldingen in vs. 1 verwijs ik naar Ps. 57,1.

 Psalm 59 bespreek ik aan de hand van de volgende indeling:

 1) De dichter vraagt God om bevrijding van zijn vijanden die hem willen doden, terwijl hij onschuldig is  (2-6);
2)       Hij vertrouwt op God die met deze vijanden spot en hij vraagt Hem zijn vijanden eerst te laten omzwerven om hen daarna vernietigend uit te schakelen (7-14);
3)       De vijanden van de dichter zwerven nog rond, maar de dichter bejubelt reeds Gods sterkte en trouw (15-18).

 ad 1) De dichter bidt om bevrijd te worden van zijn vijanden.  Hij bidt tot God om beschermd te worden tegen zijn belagers, vs. 2. Voor dit ‘beschermen‘ (NBV) of ‘beveiligen’ (NBG) gebruikt de dichter een Hebr. woord met de betekenis: ‘hoog, ontoegankelijk maken’. We vinden het terug in het Hebr. woord dat ‘hoogte’ en ‘burcht’ betekent. Dit woord is van centrale betekenis in deze psalm. In vss. 10 en 18 belijdt de dichter dat God zijn ‘burcht’ is. Hij is er kennelijk zeker van dat zijn gebed om bescherming in vs. 2 verhoord wordt (is).
God als rots of burcht waarop of waarin men veilig is, is een geliefd thema in Psalmen, vgl. 9,10; 18,3; 27,5; 40,3; 46,8.12 e.a. In vs. 3 herhaalt de dichter zijn smeekbede ‘Red mij’, nu met de bijvoeging ‘van de bedrijvers van ongerechtigheid’. Zie voor deze veel voorkomende uitdrukking onder 36.2. Algemeen thema. Het gaat ook in Ps. 59 over vijanden die groot onheil stichten door hun onrechtvaardig en bruut optreden. Dat blijkt uit vs. 3b, waar de dichter smeekt om bevrijd te worden van mensen die bloed vergieten en dus moordenaars zijn.
Zijn vijanden loeren op zijn leven, vs. 4a. De dichter is er zich van bewust dat het ‘machtige’ mensen zijn, die geweld gebruiken om hem van het leven te beroven, vs. 4b. De dichter van Ps. 18 had ook met zulke ‘machtige’ vijanden te maken, van wie hij zegt dat ze sterker waren dan hijzelf, 18,18.
Waarom valt men de dichter aan? In zijn gebed durft hij te zeggen dat de schuld niet bij hem ligt. Hij heeft geen overtreding of zonde begaan die het hem moeilijk zou maken God om bevrijding uit zijn nood te vragen. Wat hem overkomt, kan geen straf zijn op wat hij misdaan heeft, vs. 4 slot. In vs. 5 dat we ook heel goed bij vs. 4 slot kunnen trekken, zegt de dichter het nog eens: Zijn vijanden achtervolgen hem en stellen zich tegen hem op (NBV: sluiten de rijen), terwijl hij niet schuldig is. We horen het vaker dat de dichters tegenover God hun ‘zaaksgerechtigheid’ verdedigen, bv. 7,4vv; 35,11vv. Vijanden haten hen dan ‘zonder reden’, 35,19. Soms vinden we echter beide: men weet zich schuldig tegenover God, maar onschuldig tegenover wat vijanden hun aandoen, 41,5vv; 38,19vv.
Is de dichter van Ps. 59 David, dan kunnen we denken aan zijn eerlijk optreden tegenover Saul. Hij heeft zich niet opgesteld tegen de koning, maar het is de koning die zijn dood zoekt. Zijn onschuld durft hij te betuigen onder het noemen van de naam Jahwe, vs. 4!
Daarom smeekt de dichter opnieuw om Gods redding. Laat God ontwaken om hem hulp te bieden! Laat Hij zien wat er aan de hand is, vs. 5! Hij moet zien wat de vijanden de dichter aandoen en Hij moet zien dat de dichter daaraan geen schuld heeft.
Ook in 44,24 lezen we de oproep aan God om wakker te worden ‘Waarom slaapt u, Heer?’  D.w.z.: God wekt de indruk dat Hij slaapt en daardoor niet begrijpt in welke nood vijanden een rechtvaardig mens hebben gebracht. De dichter grijpt naar een duidelijk beeld, al zal ook hij weten wat 121,4 zegt, dat ‘de wachter van Israël nooit sluimert of slaapt. Maar waarom schiet Hij dan nu niet te hulp?
Men zou in vs. 6 een oproep aan God verwachten dat Hij nu de vijanden van de dichter zal straffen. Maar vs. 6 doet meer. God wordt hier aangeroepen als ‘God van de legermachten’ en als ‘God van Israël’ die wakker moet worden om alle volken (NBV) of alle heidenen (NBG) te straffen. Waarom ineens al de volken, terwijl we de indruk hebben dat de dichter met vijanden uit z’n eigen volk te maken heeft?  Moeten we hier soms aan  toevoegingen aan de psalm in later tijd denken? Heeft deze psalm bv. door de gebeurtenissen in de ballingschap in een breder kader gezet, toen Israël toen door vreemde (heidense) volken onderdrukt werd?
Ik vraag voor de deze kwestie aandacht in 59.2. Algemeen Thema. Daarin wij ik op het verschijnsel van de ‘brede horizon’ in Psalmen. Uit vs. 6b is echter wel duidelijk dat ook de directe vijanden van de dichter in het vizier blijven. Als God moet opstaan om alle volken (alle heidenen) te straffen, dan is het inclusief zijn eigen volk voor zover het zich tegen z’n gezalfde koning (David) verzet. Nog steeds keert de dichter zich tegen de ‘bedrijvers van ongerechtigheid’, ook al worden ze in vs. 6 nu iets anders genoemd, nl. ‘ongerechtige verraders’ (NBG) of mensen die ‘verraad en onrecht’ aan de dag leggen (NBV). Het verraden, liegen en bedriegen zal in vs. 8 verder onze aandacht vragen. De dichter kent tegenover hen geen genade. Hij vraagt God om met hen af te rekenen.

 ad 2) De dichter gebruikt in vs. 7 een ander beeld voor zijn vijanden. Ze zijn als honden die elke avond terugkeren en om de stad heen zwerven. Ze grommen (NBG) of huilen als honden (NBV). NBV en veel andere vertalingen geven de tekst zo weer alsof deze ‘honden’ avond aan avond rondzwerven in de stad. Maar volgen we oude vertalingen (zoals LXX en Vulgaat), dan staat er dat deze honden rond de stad zwerven. Ze willen er wel in, maar kunnen dat blijkbaar niet. Het vervolg van de psalm zal dat bevestigen.
De rondzwervende ‘dieren’ zijn de vijanden die zich smalend (NBV) uitlaten over God en over de man die ze moeten ombrengen. NBV geeft het element van ‘laten stromen’ in het Hebr. werkwoord goed weer: ‘Hun mond loopt over van venijn.’ Nog levendiger vertaalt WV: ‘Ze braken van alles uit hun bek’! Hun leugenachtige taal is scherp als een zwaard. Ze laten zich gaan, zonder zich om God en hun naaste te bekommeren. Wie zou hen tegen kunnen houden? Want, zo is hun overtuiging, ‘wie hoort het?’, vs. 8. Voor geen rechter in hemel of op aarde hebben ze respect.
Volgen we deze uitleg, zodat de ‘honden’ wel allerlei grove taal kunnen uitslaan en de mensen schrik aanjagen, maar de stad niet binnenkomen, dan is heel goed te begrijpen dat de dichter het volste vertrouwen in God heeft. God, die in deze elohistische psalm (zie onder 42/43.2 Algemeen thema), toch ook Jahwe heet, vs. 9, zal lachen en de spot drijven met alle volken die zich tegen Hem verzetten. We worden aan Ps. 2,4 herinnerd, waar Jahwe niet onder de indruk is van het woeden van de volken, maar om hun lawaai alleen maar lacht. Dat lachen horen we nu ook in Ps. 59 als de honden grommen of janken. Ze krijgen de kans niet om de ‘gezalfde koning’ uit Ps. 2 en Ps. 59 te doden!
Zo gaat het klagen van de dichter in de vss. 2vv. over in het vaste vertrouwen dat hij veilig bij God is. Hij houdt zich vast aan Gods sterkte, vs. 10a. Hij vreest niet meer de ‘sterken’ die hij in vs. 4 vermeldde. God is zijn burcht – dat is de belijdenis die in deze psalm terugkeert, vss. 2.10 en 17. Gods trouw zal hem te hulp komen, Hij neemt het initiatief om de dichter te ontmoeten. En, eenmaal bevrijd, zal God hem doen neerzien op de mensen die hem nu aanvallen, vs. 11.
De zekerheid dat dit zal gebeuren is bij de dichter zo groot (geworden), dat hij God zelfs om iets bijzonders vraagt. God moet zijn vijanden nog niet doden. Laat hen maar een poos ronddolen! Laten ze rondzwerven om de stad heen, zonder dat ze hun fel begeerde doel te bereiken. Dat moet nog een poos zo doorgaan. Een te snelle vernietiging van de vijanden door God zou ‘mijn volk’ – zo noemt hun aanstaande koning zijn onderdanen – doen vergeten  hoe God straffend ingreep.
Hoe moeten we ons dit voorstellen? We kunnen hier denken aan de tocht door de woestijn, toen het hardleerse volk veertig jaar lang rondzwierf, Num. 14,27vv, voordat het moment kwam dat Jahwe het permissie gaf naar Kanaän door te reizen. Zie Ps. 78,11vv over het snelle vergeten van Gods grote daden en de rampzalige gevolgen die dat kan hebben.
In het laten ronddolen toont God zijn macht, vs. 12. De vijanden zijn er nog wel, maar God laat niet toe dat zij hun doel bereiken. Als dat aan het volk van David heel duidelijk is geworden, laat God hen daarna dan neerwerpen, d.i. laten afdalen in het dodenrijk!
Dat roept de dichter uit, dankbaar voor het feit dat de Here God ‘ons schild’ bleek te zijn, in zijn bescherming van David en de zijnen.
Tegenover zijn vijanden geldt geen pardon. Zij hebben met hun mond en lippen zwaar tegen God gezondigd. Laat hen gevangen worden in hun eigenwaan! ‘Laat hen stikken in hun trots, in hun vloeken en leugens’ (NBV), vs. 13.  Wie zal hen ‘vangen’? De dichter laat ons niet in het ongewisse: ‘Sla vernietigend toe in uw toorn, zodat er niemand meer overblijft!’ (NBV). Het geduld dat God eerst moet tonen, zodat de vijanden nog niet gedood worden, is blijkbaar begrensd. Overal dringt het besef door dat Jakobs God heerst tot aan de einden van de aarde, vs. 14. We zien hier, evenals in vs. 6, dat de horizon van de dichter wereldwijd is. Alle volken vallen onder Gods gericht, alle volken zullen zijn heerschappij erkennen. Dat doet ons opnieuw aan Ps. 2 denken.

 ad 3)  Als een refrein keert de passage over de ‘ honden’ terug, vss. 15v. Maar de dichter schrikt er niet meer van, zoals (ook) uit de slotverzen van de psalm zal blijken. Hij constateert dat de ‘honden’ nog steeds jankend rond (en dus: buiten de stad) zwerven, vs.15. Bovendien verandert het beeld van deze honden. Ze lopen niet meer rond met zwaarden tussen hun lippen. Kennelijk hebben lasterpraatjes geen succes meer. Het lukt hun niet het cordon rond de stad te doorbreken en hun moordplannen te realiseren. David zit veilig opgeborgen in de bucht van God!  Het janken van de honden wordt nu in verband gebracht met hun gebrek aan voedsel. Ze moeten zien in leven te blijven en grommen als ze niet voldoende voedsel vinden, vs. 16.
Het ongenoegen van deze bedelaars staat in duidelijk contrast met het vertrouwen van de dichter op God, ’Maar ik, ik zal uw sterkte bezingen’, vs. 17a. De honden mogen ’s nachts proberen hun slag te slaan, de dichter zal in de morgen  (de gebedstijd, 5.4; 88,14) Gods macht prijzen, evenals zijn trouw bejubelen die Hij zijn machtsbetoon laat zien. God is zijn burcht, God is zijn toevlucht in benauwde dagen, vs. 17b. Dat belijdt hij nu in alle vreugde, ook al blijven zijn tegenstanders nog in leven. Hij is duidelijk in staat door de schijn van de dingen heen te zien en profetisch te spreken.
Het slotvers onderstreept zijn lof op God op wie hij (weer) vast vertrouwt, met drie herhalingen uit vs. 17 : Gods macht, Gods burcht en Gods trouw.

 59.2 ALGEMEEN THEMA 

De brede horizon in Psalmen 

De oproep van de dichter aan God om ‘alle volken’ te straffen hoeft ons minder te bevreemden dan het velen doet die over de eenheid van Ps. 59 nadenken. Ik meen daarvoor de volgende argumenten te kunnen gebruiken:
Het volk Israël heeft vanaf het begin van z’n verblijf in Kanaän met andere volken te maken gehad en bleef relaties met de volken houden. Meest vijandig, maar toch ook in de overtuiging dat het volk van Israël een boodschap heeft voor de wereld buiten z’n eigen grenzen.
Het zou vreemd zijn als we ons niet realiseerden dat reeds in de Bijbelse verhalen over Saul en David ‘de volken’ een belangrijke rol spelen. We hoeven niet aan herschrijving van de psalm te denken in na-exilische tijd als in Ps. 59 God gevraagd wordt om ‘alle volken’ (heidenen) te straffen. De brede horizon is er reeds als de jonge David het opneemt tegen Goliat, die ‘de levende God van Israël’ beschimpt had (1 Sam. 17,26.45). David bindt dan met de Filistijnse reus de strijd aan in het vertrouwen dat de hele wereld na afloop zal weten dat Israël een God heeft (1 Sam. 17,46).
Zelfs als we hier de factor van overdrijving in rekening brengen, zou  het historisch gezien wel heel onnozel zijn te denken dat de geschiedenis van Israël zich in een achterafhoek van de wereld heeft afgespeeld. Het volk Israël vestigde zich in Kanaän en bleef in oorlog met de volken die er grotendeels hun gebied hadden moeten afstaan. De figuur van David, koning of nog geen koning, is niet voor te stellen zonder Filistijnen, Amorieten, Ammonieten, Amalekieten, Moabieten, Edomieten en de koningen van Soba (1 Sam. 7,14; 8,3.13; 11,1vv; 14,47; 15,1vv). Hij werd heer en meester over het rijk van Damascus. Het opschrift van Ps. 60 vertelt dat David de Arameeërs van Mesopotamië en de Arameeërs van Soba ten Noorden van Damascus bestreden heeft. Wat let ons dan te spreken over David die in de internationale politiek, van Mesopotamië  tot Egypte een rol van betekenis heeft gespeeld?
Aan de buurvolken is het conflict tussen Saul en David niet ontgaan. David heeft ondervonden wat het betekent te moeten leven met onbetrouwbare en leugenachtige mensen onder het eigen volk en onder heidense volken met wie er tal van connecties geweest zijn.
Maar deze historische omstandigheden, die laten zien dat het leven en werken in Israël altijd een grote verwevenheid met de geschiedenis van de omringende volken heeft vertoond, maken niet alles duidelijk. Wij weten ook vanuit welke religieuze overtuiging profeten en dichters hebben gesproken. Illustratief is hier Ps. 2. De koningen van de aarde komen in verzet tegen de nieuwe koning in Jeruzalem, die God als zijn ‘zoon’ heeft verwekt. Zie mijn uitleg van deze psalm. Historisch is dat verzet en het samenspannen van volken ter gelegenheid van een troonswisseling heel goed voor te stellen. Maar het vermaan aan die volken om verstandig te zijn en zich gewaarschuwd te weten (2,10) is alleen maar te begrijpen vanuit Israëls overtuiging dat Jahwe de beschikking over heel de wereld heeft. De koning van Israël neemt een sleutelpositie in, zodat Jahwe alle volken in bezit kan geven aan zijn ‘zoon’  in Jeruzalem (2,8).
Wie dat in rekening brengt, zal zelfs moeten vinden dat het voor de hand ligt in Psalmen de (alle) volken geregeld genoemd te vinden. Wordt een rechtvaardige in Israël groot onrecht aangedaan, dan kan hij God vragen om als wereldrechter, met de raad van volken om zich heen, in te grijpen (7,8v). God bedreigt de volken en vaagt hun steden weg (9,6v). Hij keurt vanuit de hemel het gedrag van de mensen op aarde (11,4), etc. etc.
Ook David heeft begrepen hoe afhankelijk hij was van God, niet alleen als het over Saul, maar ook als het over ‘de’ volken gaat. Historische details kunnen ons ontbreken als de volken ter sprake komen. Maar wij kennen de visie die dichters en profeten in nood op Jahwe hebben. Zij roepen om hulp tot God, de bezitter en schepper van hemel en aarde, Jahwe van de hemelse machten (Ps. 24,1.10; 33,6vv), die de rechtvaardigen te hulp schiet en al hun vijanden wereldwijd, zowel binnen als buiten Israël, vanuit de hemel in het vizier houdt.

  59.3. VAN OT NAAR NT

 Het lezen en overdenken van Ps. 59 leidt ons meer dan eens naar het NT, ook al wordt deze psalm daarin nergens geciteerd. In aansluiting aan wat ik in 59.2. Algemeen Thema heb gezegd, kan ik hier Hand. 4,25vv vermelden. Het kon lijken alsof het proces en de dood van Jezus een lokale aangelegenheid was in een buitengebied van het Romeinse rijk. Maar als de christenen de druk van de Joodse raad in Jeruzalem ervaren hebben, roepen zij na hun vrijlating God als schepper van hemel en aarde aan, in het besef dat ze met Psalm 2 te maken hebben. De koningen van de aarde en de heersers verzetten zich tegen  de Heer en zijn gezalfde. Herodes, Pontius Pilatus, de volken, inclusief Israël zelf, vormen één front tegen God en zijn Zoon (Hand. 4,23vv).
Betuigt de dichter in Ps. 59,4v zijn onschuld tegenover God, dan heeft het geen zin het NT hiertegen in het geweer te brengen. Niemand is voor God onschuldig, allen hebben we de verzoening door Christus’ bloed nodig. Maar ‘schuldig voor God’ betekent niet dat we schuld hebben aan elk conflict met onze naasten. David gaat vrijuit als Saul hem uit de weg wil ruimen. In het NT zegt Paulus tegen de Korintiërs in een bepaalde zaak dat hun niets te verwijten valt (2 Kor. 7,11). Over ‘zaaksgerechtigheid’  spreken is altijd mogelijk, zonder aan Farizeïsme te denken.
Van belang is ook dat we nadenken over het verzoek van de dichter aan God om niet direct tot vernietiging van de vijanden over te gaan, vs. 12. Zijn motief is niet wraakzuchtig. Hij denkt hier aan zijn volk dat oog voor Gods werk moet krijgen en niet snel weer moet vergeten hoe God uitredding heeft gegeven. Wel is dit verzoek van de dichter m.i. uitzonderlijk. Denken we aan Mozes die voor het volk in de bres springt (Ex. 33,12vv.), dan is dat geen vraag om uitstel, maar om afstel van Jahwe’s plan het volk te vernietigen.
Wel weten we dat Jahwe het oordeel kan uitstellen, zodat de oorspronkelijke bewoners van Kanaän niet in één jaar zouden worden verdreven, omdat anders het land verwilderde en er te veel wilde dieren kwamen (Ex. 23,29). Bovendien liet God het toe dat allerlei heidense volken onder de Israëlieten bleven wonen, zodat Israël ervaring met oorlogsvoering kon opdoen (Recht. 3,2.4). Maar dit zijn Jahwe’s beslissingen en geen vragen van Israëlieten tot uitstel van vernietiging van de vijanden.
In het NT lezen we wel van ‘uitstel’ van de dag van Christus’ terugkeer (2 Tess. 2). Voordat ‘de wetteloze mens’ ongehinderd zijn gang kan gaan, is er iets wat hem nog tegenhoudt. Is dat een goddelijk plan dat eerst afgewerkt moet worden? En gaat het dan vooral om de verbreiding van het evangelie (vgl. Matt. 24,14; 2 Petr. 3,9)? Dat laat zich denken. De wetteloze mens zal verschijnen op ‘zijn tijd’, d.w.z. op de tijd die God voor hem bepaald heeft (2 Tess. 2,6).
Wat gelovigen zelf vragenvragen, vinden we in het gebed van de martelaren in de hemel: ‘Wanneer zult u de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken (Openb. 6,8)?’
Het sterke vertrouwen op Jahwe dat in Psalm 59 onder woorden wordt gebracht, kunnen we in het NT beluisteren in de oproep niet te vrezen; Hebr. 11,23; 13,5; 1 Petr. 3,14; 1 Joh. 4,18). In de navolging van Christus moeten we niet bang zijn ons leven te verliezen, want de vijand kan wel ons lichaam, maar niet onze ziel doden (Matt. 10,28; Luc. 12,4v). Het lijden moeten we niet schuwen (1 Petr. 3,14). Hoe sterker de liefde voor God, hoe meer de angst wordt uitgebannen (1 Joh. 4,18). De angst voor de dood is reëel en was het ook bij Jezus (Hebr. 5,7), maar (ook) in de overwinning van deze angst ging Hij ons voor.

 59.4. VOOR VANDAAG

1. Psalm 59 valt historisch heel goed te plaatsen in het leven van (de a.s.) koning David. We hebben niet met een psalm te maken die een nachtmerrie beschrijft, zoals wel beweerd is (zie onder 59.5). In deze opvatting zouden de ‘honden’ boze monsters zijn, zonder echt te bestaan. Maar de dichter van Ps. 59 heeft het niet over een nachtmerrie, maar over werkelijke angsten die mensen hem bezorgen. Het zijn vijanden die schelden, lasteren en willen moorden. De metafoor van deze ‘honden’ brengt juist de aangename boodschap dat de ‘honden’ wel rondzwerven, maar geen poort vinden om de stad binnen te komen. Die ‘stad’ is de burcht die God als omheining plaatst rond zijn gezalfde koning en rond alle gelovigen, zodat zij tegen de dood beveiligd zijn.

2. Het NT verdiept deze boodschap als het laat zien dat de lichamelijke dood ons kan treffen, terwijl we geestelijk beveiligd zijn. Wat zou een mens mij aandoen (Ps. 118,6, geciteerd in Hebr. 13)? Wie achter Jezus Christus aangaat, draagt ook zijn smaad en beseft dat wij hier op aarde geen blijvende stad hebben (Hebr. 13,12vv).

3. We hebben niet het recht om in de christelijke gemeente die verzen uit deze psalm te schrappen waarin de dichter God om wraak op zijn vijanden vraagt. De rooms-katholieke kerk schrapte in 1971 de vss. 6-9 en 12-16 uit haar boeken voor het getijdengebed. Een dergelijke ingreep miskent dat er geen goddelijk bevrijding is zonder goddelijke vergelding, zowel in OT als NT. Het een is er niet zonder het ander. Genade is niet goedkoop.

4. Wij mogen om vergeving vragen voor onze vijanden, in het spoor van Christus (Luc. 23,34). Maar het past ons niet aan God en aan Christus zelf het recht te ontzeggen zich op hun vijanden te wreken (o.a. Rom. 12,19; Matt. 25, 31vv.). En evenmin om aan gelovigen die zwaar geleden hebben het recht te ontnemen God te vragen om vergelding (o.a. Openb. 6,10). Voor meer gegevens,  zie onder 21.2. Algemeen Thema (‘De roep om wraak’).

5. Leerzaam is het dat het de dichter gaat om Gods eer, ook als hij om vergelding roept. Het volk Israël moet Gods straffende werken niet vergeten, vs. 12a. Men moet tot aan de einden van de aarde weten dat God over Jakob (Israël) regeert, vs. 14b.

En de dichter zelf wenst God te bezingen als zijn redder en burcht in nood, vs. 17v. Het is onmogelijk in deze gegevens voorbij te zien aan het evangelie zoals het in heel de wereld verkondigd moet worden, tot lof van God en tot eer van Jezus Christus. 

59.5. VERANTWOORDING 

M.b.t. vs. 2 noem ik het werkwoord śgb, ‘hoog zijn’, pi. ‘hoog maken’. We vinden het terug in het subst. miśgāv(veilige) hoogte of een rots waar men z’n toevlucht kan zoeken, Ps. 9,10; 18,3; 46,8.12. Zie ook ThWAT VII,706vv. (H. Ringgren).

 De ‘bedrijvers van ongerechtigheid’ (Hebr.: alē āwèn) in vs. 3 heten in vs. 6 iets anders: bōgedē āwèn, een afwijkende variant. Het accent valt op het verraderlijk en leugenachtig optreden. Het Hebr. bgd betekent ‘trouweloos handelen’ in het huwelijk en in het niet nakomen van aangegane verplichtingen, ook door volken. Zie S. Erlandsson in THWAT I,508vv en J. van der Ploeg (1971),355. Van der Ploeg vermeldt dat later in Qumran-teksten de bōgedīm, ‘verraders’ en ‘afvalligen’ zijn, die de regels en opvattingen van de sekte niet aanvaarden.

 In vs. 7 betekent het Hebr. werkwoord hmh ‘gedruis maken’, waarbij het geluiden van allerlei aard kunnen zijn, zoals brommen (van een beer), blaffen of janken (van een hond), bruisen (van water), etc.
Ik kies met E. Zenger in Hossfeld/Zenger (2002),364, voor de vertaling dat de honden rond de stad en niet door de stad trekken. Dat de honden de stad niet binnenkomen, is juist de theologische pointe van de gebruikte metafoor! Zenger verwerpt daarom de (vele) vertalingen, w.o. EÜ, die de honden avond aan avond in de stad zien rondzwerven. M.i. is niet duidelijk te maken wat dit rondzwerven in de stad zou betekenen. Rond de stad blijven zwerven is verrassend, omdat God hen niet naar binnen laat, zodat ze hun slag (tegen David) kunnen slaan.

 Het eerste werkwoord in vs. 8 (Hebr.: nby) betekent ‘bruisen’, zie Spr. 18,4. Op deze qal-vorm na komt het verbum uitsluitend in hi. voor. Zie o.a. Ps. 19,3: De dag doet sprake toestromen aan de dag (NBG); 119,171: ‘Laten mijn lippen overvloeien van lof (NBV), e.a. Sommigen brengen het ‘stromen’ tot uitdrukking door met ‘kwijlen’ te vertalen als het over de honden gaat. 

In vs. 8 slot kan het antwoord op de vraag: ‘wie hoort het?’ moeilijk luiden: God hoort het niet zoals de dichter dat zou willen. J. Goldingay (2007),217, tast hier mis. Want de dichter weet juist direct te vertellen dat God met deze ‘honden’ spot, vs. 9.

 In vs. 17 is het een feit geworden dat voor de dichter God zijn burcht is geworden (Hebr.: hāyītā), waarom hij in vs. 3 gevraagd had. Men kan hier met Zenger, a.w., 364, ook aan een perfectum propheticum denken.

 M.b.t. 59.2. Algemeen Thema vermeld ik de Aramese expansie naar Zuid-Syrië, waarover we ‘dank zij het Oude Testament geïnformeerd zijn’ (2 Sam. 8 en 10; 1 Kron. 18), aldus K.R. Veenhof in Bijbels Handboek (1999),420. Zowel de strijd met de Arameeërs in het verre Mesopotamië alsook met de Arameeër ten noordoosten van Damaskus laat zien dat we David breder zien opereren dan alleen tegen Filistijnen en Edomieten. Reeds Saul was een medespeler op het wereldtoneel, zoals 1 Sam. 14,47, laat merken.
Volgens Veenhof is Soba, vermeld in o.a. Ps. 60,2, de latere Assyrische provincie Subatu, ten noordoosten van de Anti-Libanon. Een van de koningen van Soba was Hadadezer, door David verslagen. zodat hij heer en meester werd over Syrië (2 Sam. 8,3vv). Zie voor het uitgebreide rijk van David na de Ammonitisch-Aramese oorlogen The Carta Bible Atlas (2002), 78-80. Men mag in rekening brengen dat in die tijd Egypte en Assyrië geen ‘ al ter sterke wereldmachten’ waren, aldus M.J. Mulder in Bijbels Handboek IIA4 (2000),79. Wat de invloed van Egypte op het Israël van die dagen betreft, L.H. Grollenberg wijst in Atlas van de Bijbel (1954),71, op de organisatie van Davids staatswezen. Die zou geschoeid zijn   op Egyptische leest, met inschakeling van Egyptenaren. Grollenberg leest dat af uit verschillende namen van Davids hofhouding.

 M.b.t. 59.3 (Van OT naar NT) heeft het geen zin verschil te maken tussen ‘angst’ en ‘vrees’, zoals H.A. Visser (1990),85vv, in zijn bespreking van Ps. 59 doet. Dat verschil kan psychologisch en filosofisch van waarde zijn. Denk aan wat Heidegger e.a. schrijven over het fenomeen ‘angst’. Maar exegetisch hebben we er niets aan, omdat ‘angst en ‘vrees’ in OT en NT onmogelijk scherp te onderscheiden zijn. Visser verklaart de mensen gelukkig die ‘geen weet van angst’  hebben. M.i. zouden juist filosofen als Heidegger hem dat niet nazeggen. Maar wat voor ons belangrijker is: zowel bij Jezus (vgl. Hebr. 5,7) als bij de mensen in het algemeen (Hebr. 2,15) wordt op angst voor de dood gewezen. Zie reeds onder Psalm 56.2 Algemeen Thema.

 De opvatting over Ps. 59 als een nachtmerrie-psalm vinden we bij H.A. Visser (1990),89vv. We moeten ons volgens Visser niet van de wijs laten brengen door het opschrift boven Ps. 59. Ik ben de mening toegedaan dat ook de opschriften boven de psalmen serieus bekeken moeten worden. 

Reacties zijn gesloten.