Landelijke dag Gereformeerde Kerk Blijven

VAN MELK EN VASTE SPIJS – pleidooi voor de Catechismuspreek[1]

Dr. A. Bas

Wij vieren dit jaar het 450-jarig bestaan, van de Heidelbergse Catechismus. Een geschrift, dat eeuwenlang een grote en vaste plaats heeft ingenomen binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland. Niet alleen in het catechetisch onderwijs, maar ook in de prediking. Al sinds jaar en dag wordt ons in de middagdienst de leer van de Schrift uiteengezet aan de hand van de Catechismus. Maar de vraag die zich vandaag de dag hoe langer hoe meer opdringt, is hoe lang dat nog zo blijven zal.

            Wie eerlijk om zich heen kijkt, moet vaststellen dat er de afgelopen jaren het nodige veranderd is. Zo heeft de middagdienst in veel gemeenten te kampen, met een groeiend gebrek aan belangstelling. Een toenemend aantal broeders en zusters voelt zich niet meer geroepen om twee keer per zondag aanwezig te zijn, en blijft thuis. Met als gevolg, dat her en der voorzichtig de vraag  al gesteld wordt hoelang de middagdienst in de huidige vorm het onder ons nog uit zal gaan houden.

            Terecht is er wel de vinger bij gelegd, dat één en ander, zij het ongewild, nog versterkt wordt door de sterk toegenomen aandacht voor ‘gemeenteopbouw’. Op zich een positief verschijnsel, maar de keerzijde is dat het de afgelopen twintig jaar ook veel nieuwe gemeente-activiteiten in gang heeft gezet. Het aantal samenkomsten in de kerk is daardoor toegenomen, en broeders en zusters zijn zo vrij om daar een keuze uit te maken. Want Alpha én middagdienst, is toch wel wat véél….[2]

            Maar er is meer te noemen, dan alleen het groeiend gebrek aan belangstelling. Zo zijn er weinig gemeenten meer, waar ieder jaar alle 52 zondagen van de Catechismus nog bepreekt worden. Er worden soms lange pauzes ingelast rond de feestdagen en in de vakantietijd. En omdat verreweg de meeste predikanten vandaag de dag ’s middags ruilen, wordt de continuïteit in de Catechismusprediking afhankelijk van de welwillendheid van de collega van elders die ’s middags waarneemt.[3]

Menselijke instelling?
Kortom, het voert niet te ver om te stellen dat de Catechismusprediking in de huidige vorm onder druk staat. Maar de grote vraag is dan natuurlijk, hoe we die ontwikkeling precies hebben te beoordelen. Oftewel, zou het erg zijn – als de middagdienst en de Catechismusprediking, zoals we die de afgelopen 430 jaar in ons land gekend hebben. Binnen kortere of langere tijd zou gaan verdwijnen? Zoals dat in verreweg de meeste kerkverbanden in ons land al sinds jaar en dag aan het gebeuren is?

            Nu zijn er mensen, die er niet of nauwelijks om zouden treuren. Want de praktijk zoals we die nu al ruim vier eeuwen kennen, wordt dan gezegd, is historisch bepaald, toevallig, en heeft geen directe opdracht uit de Bijbel achter zich. En ook nu al heb je daarom alle vrijheid, om er creatief mee om te gaan. Blijkt het in de praktijk van jouw gemeente nog steeds een bruikbare vorm te zijn, ga er dan vooral onbekommerd mee door. Maar zo niet, voel je dan ook volledig vrij om het anders te doen.[4]

            Deze manier van redeneren lijkt op het eerste gezicht heel sterk te staan. Wie de kerkgeschiedenisboekjes erop naslaat, stuit namelijk al vrij snel op een bepaling van de synode van ’s-Gravenhage 1586: ‘de Dienaers sullen alomme des Sondaeghs ordinaerlick in de namiddaeghsche Predicatie, de Somma der Christelijcke Leere inden Catechismo, die teghenwoordigh inde Nederlandtsche Kercken aenghenomen is, vervatet, cortelijck uytlegghen, al-soo dat de selve iaerlijcx magh gheeyndight worden, volghende de af-deelinghe des Catechismi selfs, daer op ghemaeckt’.[5]

            Via de bekende(?) nationale synode van Dordrecht 1618-1619 is deze bepaling ook terecht gekomen in de kerkorde, waarin ze tot op de dag van vandaag een vaste plek heeft behouden. Maar zonder dat dat betekent, dat er daarmee een ‘goddelijk gebod’ ligt om tot aan de jongste dag de Catechismusprediking in de huidige vorm te handhaven. Want zoals men toen aanleiding heeft gezien, om de Catechismusprediking in te voeren, kan er vandaag ook aanleiding zijn om die af te schaffen.

            Nogmaals: er lijkt geen speld tussen te krijgen. En toch wil ik hier vandaag graag stellen, dat genoemde redenering ernstig tekortschiet en belangrijke aspecten over het hoofd ziet. Oók als het gaat om Bijbelse gegevens, die ook voor de toekomst van groot belang blijven. Maar voordat ik daar wat meer over zeg, wil ik eerst nog kort uw aandacht vragen voor een tweetal meer historische waarnemingen. Die óók duidelijk maken, dat de Catechismusprediking meer is dan ‘maar’ een menselijke instelling.

Een zaak van groot gewicht
Als we de Catechismusprediking ‘maar’ een menselijke instelling noemen, is het op z’n minst toch wel wat merkwaardig te noemen dat men daar in de zestiende eeuw zo’n groot gewicht aan heeft toegekend. Ik wil dat hier kort illustreren aan de hand van het voorbeeld van ds Herman Herberts, die al in 1582 hardnekkig weigerde om de Catechismus te preken.[6] ‘Helemaal niet nodig’ zo vond hij – ‘want zegt Filippenzen 4 niet, dat ik als gelovige alle dingen vermag in Hem die mij kracht geeft?’

            ‘En ja, wat heb ik dan nog het onderwijs van die Catechismus nodig?’ Maar de kerkenraad van Dordrecht liet het er niet bij zitten: die riep hem ter verantwoording en heeft hem er uiteindelijk zelfs zijn ontslag om gegeven! En toen Herberts vervolgens naar Gouda vluchtte, waar hij veel vrienden had. En ook daar ongestoord bleef weigeren om de Catechismus te preken. Is zelfs de synode van Zuid-Holland nog druk uit gaan oefenen, om ook in Gouda de Catechismus maar gepreekt te krijgen.

            Uiteindelijk is het een langdurige kwestie geworden, en blijft het wat onduidelijk of Herberts uiteindelijk ook heeft toe gegeven. Maar het illustreert wel, wat voor groot belang men destijds toekende aan die Catechismusprediking. Want ook al is er geen direct Bijbels gebod, zo redeneerde men, het hebben en onderwijzen van een vorm van Catechismus. Dat is: van een korte samenvatting van de fundamenten van de christelijke godsdienst. Is toch wel degelijk een ‘apostolisch gebruik’.[7]

            Men beriep zich daarvoor op Hebreeën 6:1, waar we lezen: ‘we moeten de eerste beginselen van de leer over Christus hier toch maar laten rusten en ons richten op wat voor volwassenen bedoeld is’. Bovendien voegde men daar nog de opmerking aan toe, dat dat apostolisch gebruik ‘ook altijd in de kerk is onderhouden’. En dat is dan ook meteen de tweede belangrijke historische waarneming waar ik vandaag uw aandacht voor wil vragen. Catechismusprediking is niet bij de Reformatie begonnen!

Eeuwenoude wortels
Op het eerste gezicht lijkt dat misschien een wat vreemde opmerking: ‘Catechismusprediking is niet bij de Reformatie begonnen’. We vieren dit jaar immers het 450-jarig bestaan van de Heidelbergse Catechismus, die daarmee een document uit de tijd van de Reformatie is. En hoe kan daar dan voor die tijd al over gepreekt zijn? Nu, dat lijkt op het eerste gezicht inderdaad onmogelijk. Maar wie zich wat verdiept in de geschiedenis, stuit al gauw ook vóór de Reformatie op een vorm van Catechismusprediking.

            Zo hebben diverse geleerden al de aandacht gevestigd op het verband tussen de Catechismusprediking uit de Reformatietijd en laat-middeleeuwse preekdiensten, die het karakter hadden van een volkscatechese.[8] Ook toen al werd er onderwijs gegeven in geloof, gebod, gebed en sacramenten – vier zaken, die eveneens beeldbepalend zijn voor de Heidelbergse Catechismus. En zelfs is het zo – dat het onderwijs hierin niet pas in de late Middeleeuwen begonnen is, maar teruggaat tot de eerste eeuwen.

            Zo was het Karel de Grote, die in zijn tijd een krachtige poging heeft ondernomen om het onderricht in de christelijke leer nieuw leven in te blazen. Hij propageerde daartoe onder meer prediking in de volkstaal en onderwijs in geloof, gebed en gebod. En al in de kerk van de eerste eeuwen werd er onderricht gegeven aan hen, die vanuit het heidendom over kwamen tot de christelijke gemeente. Alvorens gedoopt te kunnen worden, moesten zij onderwezen worden in – opnieuw: geloof, gebod, gebed en sacramenten.

Opdracht om te onderwijzen
En daarbij komen we, via de kerkgeschiedenis, uit bij de Heilige Schrift. Want eerder hoorden we al, dat er geen ‘goddelijk gebod’ ligt om tot aan de jongste dag de Catechismusprediking in de huidige vorm te handhaven. Maar wie het daarbij laat, doet de Schrift toch ernstig tekort. Want daarin komen we wél een blijvende opdracht tegen, om de gemeente te ‘onderwijzen’. Een opdracht, die terug gaat op de Here Jezus Christus Zelf.

            Zo valt het op, dat als Matteüs vertelt, hoe de Heiland zijn werk hier op aarde begonnen is. Hij schrijft: ‘hij trok rond in heel Galilea; hij gaf er onderricht in de synagogen, verkondigde het goede nieuws van het koninkrijk en genas iedere ziekte en elk kwaal onder het volk.’ Oftewel, twéé woorden: Jezus ‘gaf onderricht’ en ‘verkondigde het goede nieuws’. Woorden, die in het evangelie ook herhaaldelijk terugkeren.[9]

            En dat geldt niet alleen maar, als het om de Heiland Zelf gaat. Want de woorden keren óók terug, als het om de discipelen gaat. Zo zegt Lucas, als hij ons vertelt hoe de discipelen na de Pinksterdag bezig waren: ‘ze bleven dagelijks onderricht geven in de tempel of bij iemand thuis en gingen door met het verkondigen van het goede nieuws dat Jezus de messias is.’ Oftewel, opnieuw is het: ‘onderricht geven’ en ‘verkondigen’.[10]

            Maar zelfs bij de discipelen, en de apostelen stopt het niet. Verderop in het Nieuwe Testament komen we herhaaldelijk ‘leraars’ tegen, die God aan de gemeente gegeven heeft.[11] En in de beide brieven die Paulus aan hem schrijft, krijgt Timoteüs niet alleen de opdracht om (de boodschap) ‘te verkondigen’, maar ook om ‘onderricht te geven’.[12] Met andere woorden: naast het ‘verkondigen’ blijft ook het ‘onderwijzen’ van belang.

Verhouding ‘verkondigen’ en ‘onderwijzen’
Maar wat is dan precies de verhouding tussen die twee zaken? Nu, in studies die ik daarover ter voorbereiding op mijn verhaal van vandaag geraadpleegd heb. Wordt daarover gezegd, dat het ‘onderwijzen’ in het Nieuwe Testament doorgaans volgt op het ‘verkondigen’. Heel duidelijk zien we dat bijvoorbeeld, in wat Lucas zegt. Als hij aan het begin van Handelingen beschrijft, hoe het na de Pinksterdag verder is gegaan.

            Eerst beschrijft hij, in Handelingen 2 – hoe als vrucht van de apostolische ‘verkondiging’ in Jeruzalem maar liefst drieduizend zielen werden toegevoegd. Om vervolgens op te merken: ‘ze bleven trouw aan het onderwijs van de apostelen, vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed.’ Met andere woorden: hier volgt het ‘onderwijzen’ inderdaad op het ‘verkondigen’.[13]

            Vandaar ook, dat wel gezegd is: ‘op de eerste fase van de missionaire verkondiging volgt de opbouw van de gemeente door middel van een nadere ontvouwing van de heilsboodschap opdat de gemeente meer en meer zicht ontvangt op het heil dat God schenkt en steeds dieper zijn wil leert verstaan. Met name de brieven van de apostelen dragen het karakter van lering, onderwijzing in de “gezonde leer” (1 Tim. 1:10 e.a.p.).’[14]

            Ten diepste zien we hier het onderwijs terugkeren dat ook onze vaderen in de zestiende eeuw gegeven hebben, toen ze Herman Herberts tot de orde riepen, die als dominee van Gouda weigerde de Catechismus te preken. Oftewel, met de Catechismusprediking die we in ons land al 430 jaar kennen – heeft de kerk vorm willen geven aan de nieuwtestamentische opdracht om niet alleen te ‘verkondigen’, maar ook: te ‘onderwijzen’.

Leerdiensten
Dat brengt ons (opnieuw) terug bij de vraag, naar die vórm. Zijn we als kerk verplicht, en doen we er goed aan. Om de vorm, die onze vaderen in de zestiende eeuw gekozen hebben. En die inmiddels dus al ruim 400 jaar dienst heeft gedaan. Ook voor wat betreft de toekomst, te handhaven? Een vraag, die des te indringender op je af komt. Als je nuchter onder ogen ziet, dat veel broeders en zusters er de waarde niet meer zo van inzien.

            Dat is ook de reden, dat er ‘onder ons’ ook wel wordt geëxperimenteerd met andere vormen. Zo heeft enkele jaren geleden, de ‘leerdienst’ zijn intrede gedaan. Onderwijs in de leer van de Schrift, maar dan in een wat andere vorm. Niet langer vormt de Catechismus het uitgangspunt, maar de voorganger zelf bepaalt welke onderdelen van de leer hij aan de orde stelt. Waarbij hij soms ook andere, meer interactieve vormen gebruikt.

            In alle bescheidenheid – denk ik, dat hier toch de nodige vragen te stellen zijn. Zo zouden we, om te beginnen. De vraag kunnen stellen naar het praktisch nut van deze koerswijziging. Want bestond aanvankelijk misschien nog de hoop, broeders en zusters op deze manier ‘s middags wel in de kerk te krijgen. Ik denk, dat de praktijk inmiddels wel heeft uitgewezen. Dat die hoop ijdel is gebleken. Dáár hoef je het niet voor te doen. 

Kerkelijk geijkt
Toch denk ik, dat iets anders hier veel zwaarder weegt. Want het risico bestaat, dat als de voorganger zélf zijn onderwerpen kiest. Hij zich beperkt tot die onderwerpen, die hemzelf het meest aanspreken. Of waarvan hij denkt, dat ze relevant zijn voor de gemeente van Christus vandaag. Maar dat lijkt me toch wel een hele verantwoordelijkheid te zijn! Voor je het weet, lever je de gemeente toch weer uit aan jouw ‘stokpaardjes’.

            Met recht is er daarom wel op gewezen, dat dit bezwaar door doorgaande catechismusprediking ondervangen wordt. ‘De ordening van de catechismus garandeert (…) een kerkelijk geijkte, dus boven-persoonlijke thema-keus. Bovendien worden de gekozen thema’s zorgvuldig verantwoord in terugverwijzing naar de Schrift.’[15] Oftewel, alle reden – zo lijkt me. Om de vorm die we hebben, niet te snel af te danken!

            Wat uiteindelijk, zo hebben we al gezien. Gaat het bij de Bijbelse opdracht om te ‘onderwijzen’, om een nadere ontvouwing van de heilsboodschap. Anders: de gemeente heeft er recht op, om ‘al de raad Gods’ verkondigd te krijgen.[16] En dat is té belangrijk, om over te laten aan de voorkeuren en grillen van individuele voorgangers. Dat is nou typisch iets, waar we als kerken gezámenlijk afspraken over hebben te maken!

Van melk en vaste spijs
Maar goed – die broeders en zusters dan, die wegblijven? Nu, me dunkt – dat die ons een gróte zorg moeten zijn! Want ook zij, behoren immers tot de gemeente van Christus. Die het nodig heeft, om onderwezen te worden. Om zo haar kinderen te kunnen opvoeden, en voorgaan. Blijvend, de ambten te kunnen vervullen. Maar vooral, en ten diepste: om als kinderen van God, door zijn beloften getroost te kunnen leven en sterven.

            Maar juist, daarom – is het zo ontzettend belangrijk. Om als kerk, te blijven onderwijzen. En zo duidelijk te maken, juist ook naar de broeders en zusters die wegblijven. Hoeveel belang, je daaraan hecht. En dat je je tot dat onderwijs, door God geróepen weet. Ik bedoel: als er op een school veel gespijbeld wordt. Is dat toch nog geen reden, om die school maar te sluiten? Nee, daarvoor is haar onderwijs immers veel te belangrijk!

            En daarom, heb ik vandaag een pleidooi gevoerd voor de Catechismuspreek. Ook, en juist: in het jaar des Heren 2013. Want de Schrift leert ons, dat de gemeente van Christus niet alleen ‘melk’ nodig heeft. Maar ook: ‘vaste spijs’. Omdat ze anders, vroeg of laat. Om zal komen van de honger. En niet bestand zal blijken, tegen de gevaren van deze wereld. En, daarom: Catechismusprediking? Jazeker! Ook, en juist – vandaag!

Bronnen en literatuur
Baars, A., ‘Theorie en praktijk van de catechismuspreek’, in: Huijgen, A. e.a. (red.), Handboek Heidelbergse Catechismus (Utrecht: Kok 2013) 347-357.
Bas, A., ‘De dominee van Gouda preekt de Catechismus niet’, in: Gereformeerde Kerkbode Groningen – Fryslân – Drenthe 2010, nr. 8, 9-11.
Hendriks, A.N., ‘Een bundel aansprekende catechismuspreken’, in Nader Bekeken 18 (2011) 56-58.
Hof, W.J. op ‘t, ‘De prediking van de Heidelbergse Catechismus’, in: Huijgen, A. e.a. (red.), Handboek Heidelbergse Catechismus (Utrecht: Kok 2013) 97-108.
Noordegraaf, A., ‘De Catechismusprediking’, in: Bank, J.H. van de e.a. (red.), Kennen en vertrouwen. Handreiking bij de prediking van de Heidelbergse Catechismus (Zoetermeer: Boekencentrum 1993) 9-19.
Reitsma, J. & Veen, S.D. van (ed.), Acta der Provinciale en Particuliere Synoden, gehouden in de Noordelijke Nederlanden gedurende de jaren 1572-1620. Derde deel: Zuid-Holland 1593-1620 (Groningen: J.B. Wolters 1894).
Ruijter, C.J. de, WeerWoord. Preken over de Heidelbergse Catechismus. Onder redactie van Harm Boiten en Pieter Schelling (Barneveld: BDU Boeken 2010).
Rutgers, F.L. (ed.), Acta van de Nederlandsche Synoden der zestiende eeuw (Dordrecht: Van den Tol 1980).
Schee, W. van der, ‘Veranderingen vragen om creativiteit’, op: www.wimvanderschee.nl.
Trimp, C., Inleiding in de ambtelijke vakken (Kampen: V.d. Berg 1978)


[1] Lezing, gehouden op de landelijke dag van Gereformeerde Kerk Blijven en Woord en Wereld, op 1 juni jl. in Bunschoten.

[2] De Ruijter, WeerWoord, 278.

[3] De Ruijter, WeerWoord, 277.

[4] Zo Van der Schee, ‘Veranderingen‘.

[5] Rutgers, Acta, 501. Vergelijk voor een overzicht van de invoering van de Catechismus(prediking) ook Op ’t Hof, ‘De prediking’ en Noordegraaf, ‘De Catechismusprediking’, 9-12.

[6] Vgl. voor de kwestie Bas, ‘De dominee van Gouda’.

[7] Aldus de synode van Schoonhoven 1597 (Reitsma & Van Veen, Acta, 85).

[8] Vgl. Noordegraaf, ‘De Catechismusprediking‘, 10; De Ruijter, WeerWoord, 270.

[9] Matteüs 4:23; 9:35 en 11:1. Vgl. Trimp, Inleiding, 89.

[10] Handelingen 5:42. Vgl. Trimp, Inleiding, 89.

[11] Handelingen 13:1; 1 Korintiërs 12:28-29; Efeziërs 4:11; vgl. Trimp, Inleiding, 90.

[12] 1 Timoteüs 4:11; 6:2; 2 Timoteüs 4:2; vgl. Hendriks, ‚Een bundel‘, 58.

[13] Handelingen 2:42; vgl. Noordegraaf, ‘De Catechismusprediking‘, 9-10.

[14] Noordegraaf, ‘De Catechismusprediking‘, 9-10; vgl. Baars, ‘Theorie en praktijk’, 349.

[15] De Ruijter, WeerWoord, 273.

[16] Handelingen 20:27 (NBG)

 

 

PREDIKING EN PUBLIEKE KWIJTSCHELDING

Over de prediking volgens antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus

 

 

Dr. J.W. Veltkamp

 

 

Motto

 “Deze plaats vermaant ons dat alle beloften Gods ons alsdan eerst nut zijn als de bevestiging door het bloed van Jezus Christus daarbij komt. Want wat de heilige Paulus betuigt dat al Gods beloften ja en amen in Christus zijn, zulks geschiedt, als zijn bloed als een zegel in onze harten gedrukt is, of ook als wij niet alleen God horen spreken, maar ook Christus zien, Zichzelven aanbiedende tot een pand der  dingen, die in de Schrift gezegd zijn. Kwam onze deze ene gedachte in de zin, dat al hetgeen wij lezen niet zozeer met inkt geschreven is, als met het bloed des Zoons Gods, en dat als het Evangelie wordt gepredikt, het heilige bloed met de stem afdrupt, wij zouden voorwaar veel vlijtiger zijn, en jegens  de woorden Gods meer eerbied tonen. Deze besprenging, waarvan Mozes hier spreekt, is eertijds een afbeelding hiervan geweest…”

 

(Calvijn in zijn commentaar op Hebreeën 9:20:

Dit is het bloed van het verbond dat God u heeft opgelegd…)

 Broeders en zusters,

Vandaag staat hier op de Landelijke dag 2013 de Heidelbergse Catechismus in het middelpunt. Niet als een weliswaar boeiend en niet onbelangrijk, maar toch slechts historische document dat vroeger voor velen veel heeft betekend. Nee, ook voor ons, gereformeerden anno Domini 2013, is deze catechismus nog steeds een troostboek en geeft hij ons houvast! In Europa, dus ook in Nederland, staat veel op het spel. Naar de mens gesproken lijken hoop en perspectief voor ons en onze kinderen in dit deel van de wereld verder weg dan ooit. Waarom geeft juist dán onze catechismus, die toch niet meer is dan een menselijk boek, ons nog steeds houvast? Omdat het rijke Woord van onze goede God er volmondig in wordt nagesproken! Dat Woord biedt ook in onze tijd ware hoop en werkelijk perspectief. Dáárom is er alle reden om dankbaar te zijn en te blijven voor de Heidelbergse Catechismus. Laten we hem niet alleen in het middelpunt van dit herdenkingsjaar en van deze dag, maar van heel ons leven houden! 

Antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus

In mijn referaat wil ik met u stilstaan bij wat in onze catechismus niet alleen in het midden staat, maar ook centraal: Gods Woord en de sacramenten. Ik concentreer me daarbij op antwoord 84 van zondag 31. De tekst staat geprojecteerd. Ik lees met u de vragen en antwoorden 83 en 84: 

Zondag 31

Vraag 83: Wat zijn de sleutels van het koninkrijk der hemelen?Antwoord:
De verkondiging van het heilig evangelie en de kerkelijke tucht.
Door beide wordt het koninkrijk der hemelen voor de gelovigen geopend en voor de ongelovigen gesloten1.

1 Matt. 16: 18, 19; Matt. 18: 15-18.

Vraag 84: Hoe wordt het koninkrijk der hemelen door de verkondiging van het heilig evangelie geopend en gesloten?

Antwoord:
Volgens het bevel van Christus wordt aan de gelovigen, allen samen en ieder persoonlijk, verkondigd en in het openbaar verklaard, dat al hun zonden hun door God om de verdienste van Christus werkelijk vergeven zijn, zo vaak zij de belofte van het evangelie met waar geloof aannemen.
Maar aan alle ongelovigen en huichelaars wordt verkondigd en verklaard, dat de toorn van God en het eeuwig oordeel op hen rusten, zolang zij zich niet bekeren1.
Naar dit getuigenis van het evangelie zal God oordelen, zowel in dit als in het toekomstige leven.

1 Matt. 16:19; Joh. 20:21-23.

In dit deel van de Heidelbergse Catechismus wordt de kwestie aan de orde gesteld hoe een mens het koninkrijk van God binnenkomt. Deze vraag staat in het grotere kader van de prediking en van de toelating tot de sacramenten zoals deze uitgelegd worden vanaf zondag 25. De Heilige Geest brengt mensen tot geloof, aldus zondag 25, door de prediking van Gods heilig evangelie. De Heilige Geest verstérkt dat geloof door doop en avondmaal. Het zijn kortom de mensen die gaan geloven die Gods rijk mogen binnenkomen. Hoe fundamenteel is dus de prediking van Gods heilig evangelie over Jezus Christus Zijn Zoon. Het is het belangrijkste middel dat de Heilige Geest van de Vader en de Zoon gebruikt! Is dat ook niet wat de apostel Paulus zegt in Romeinen 10:17: Dus door te luisteren komt men tot geloof, en wat men hoort is de verkondiging van Christus?

 Antwoord 84 werkt een en ander nader uit. Hij doet dat in aansluiting op de voorafgaande vragen en antwoorden. Daarin werd gesproken over de huichelaars, over hen die zich niet van harte tot God bekeren en over de ongelovigen en goddelozen. Uitgedrukt met de woorden van de Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 29 gaat in het voorafgaande over ‘hen die niet bij de kerk horen, al zijn zij voor het oog wel in de kerk’. Hoe met hen te handelen? Tegen die achtergrond doet antwoord 84 dan de uitspraak dat aan de gelovigen verzoening en vergeving moet worden verkondigd en Gods toorn en oordeel over hen die zich niet willen bekeren. Verzoening en vergeving ópenen de toegang tot Gods rijk. Gods toorn en oordeel sluiten deze áf. Vóór we hier dieper op in zijn gegaan, is nú al duidelijk dat het hier om een belangrijke zaak gaat. Het gaat hier over de belangrijkste vraag voor ieder mens. Deze vraag: hoe loopt het met mij af? Of, met de woorden van Maarten Luther: hoe krijg ik een genadig God? Of zoals Godfried Bomans het onder woorden bracht: ‘Ben ik er bijna of ben ik er bijna geweest?’

 Een kwestie die niet afgedaan heeft

Er wordt wel gezegd dat wij vandaag andere vragen hebben. Is voor de 21e eeuwse mens niet de eerste vraag: bestaat God? In het midden van de zestiende eeuw, toen onze catechismus geschreven werd, was het in Europa geen vraag of God bestond. Er was een gedeeld besef dat men leefde in een wereld geschapen door de HERE God almachtig. De God die op een dag terug zou komen, die dan over je uit zou spreken, dat je rechtvaardig of dat je onrechtvaardig voor Hem bent. De westerse mens van nu is het geloof in die realiteit kwijtgeraakt. Bestaat God wel, dat is nu de vraag.

 Maar… al heb je op díe vraag een bevestigend antwoord gekregen, je geloof in het bestáán van God redt je niet. Ook de duivel weet dat God bestaat en híj siddert, zegt de Schrift. Wie God leert kennen, komt óók tot de overtuiging dat Hij op een dag terugkomt om te oordelen de levenden en de doden. Alsnog ben je dan weer terug bij die oude vraag: zal ik bij Gods terugkomst rechtvaardig of onrechtvaardig voor Hem zijn? Zal ik voor zijn rechtbank vrijspraak ontvangen of veroordeeld worden?

 Je kunt wel stellen dat de Europeanen van 2013 verder van huis zijn dan ooit. De Europese leiders willen ons telkens weer overhalen om het christendom dood te zwijgen. Met het fanatisme van fundamentalisten ontkendt men de betekenis vroeger van het christendom voor Europa. Ook het grote belang van de Reformatie en van iemand als Maarten Luther. Als zelfs onze leiders onze geschiedenis willen vervalsen, dan is Europa wel heel diep gevallen! Toch kunnen zelfs de Europeanen van vandaag niet om deze vraag heen: hoe krijg ik een God?

 Vrijspraak of oordeel, maar hoe?

Met de catechismus belijden wij dat we door het geloof in Jezus Christus de Zoon van God worden vrijgesproken en rechtvaardig voor God zijn. De eerste kwestie die antwoord 84 bespreekt is hoe deze vrijspraak naar ons toekomt. Is het de Heilige Geest die ons rechtstreeks daarover aanspreekt? Alsof wij de stem van Gods Geest in ons hart horen zeggen: ‘Je bent voor eens en voor altijd vrijgesproken en dus voor altijd rechtvaardig voor God’? Is het de kerk die ons met zijn sacramenten deze vrijspraak schenkt, telkens als wij de sacramenten weer gebruiken? Van deze twee mogelijkheden wijst de catechismus ons er geen van beide aan. Hij wijst ons een dérde weg.

 Op een bepaalde manier kun je dat een middenweg noemen. In deze zin namelijk dat voor de catechismus de Heilige Geest zeer zeker belangrijk is. Hoe vaak brengt ons leerboek Gods Geest en Zijn werk niet ter sprake! Met betrekking tot de grote plaats die de Heilige Geest inneemt in het werk van de verlossing van de mens, stemmen we in met de wederdopers van destijds en veel evangelischen vandaag. Er is wel een maar: Gods Geest gebruikt middelen. Vroeger zeiden we dan: de Geest werkt niet ón-middelijk, maar middelijk: met middelen.

 Aan de andere kant ontkent de catechismus ook niet dat de kérk heel belangrijk is. Met betrekking tot déze opvatting geven we de rooms-katholieken gelijk. Ook hier is er wel een maar: de kerk werkt niet automatisch perfect en deelt dus ook niet automatisch perfect Gods vrijspraak uit. Nee, de kerk is slechts werkelijk kerk als ze buigt voor Christus en Zijn Woord en heel haar wezen en werken slechts op deze beiden fundeert en opbouwt.

 De Heilige Geest is genoemd en ook de kerk. Hét middel dat de Geest gebruikt is de prediking en het is deze prediking die de kerk als haar kerntaak heeft. Als Christus in Matteüs 28 tegen zijn apostelen zegt: ‘Zie Ik ben met u al de dagen,’ dan heeft Hij daarvóór de opdracht gegeven alle volken tot Zijn discipelen te maken, hen te dopen en hen Zijn leer te onderwijzen. Het is duidelijk dat de Here op dat moment niet alleen maar tot Zijn apostelen spreekt. Zij zelf in eigen persoon hebben immers niet alle volken bereikt. Over hun hoofden heen spreekt onze Heiland hier Matteüs 28 ook tot de apostolische kerk ná hen mét haar door de apostelen zelf aangestelde verkondigers van het evangelie. En zó tot ons vandaag.

 Het wordt gaandeweg dit betoog steeds duidelijker, hoop ik, hoe alles hier met alles samenhangt. Christus en Zijn Geest, maar ook de kerk en de apostelen zijn genoemd. Voor de positie en het gezag van de kerk zijn de apostelen fundamenteel. De Schrift zegt toch ook dat Gods gemeente gebouwd is op het fundament van apostelen en profeten (Ef.2)? Daarmee zijn de apostelen ook cruciaal voor de prédiking van de kerk! Het waren immers de apostelen, aangesteld door Christus Zelf, die van Hem de volmacht kregen in Zijn naam verzoening en vergeving uit te delen en Gods oordeel aan te rekenen.

 Deze gedachtengang bevestigt de catechismus door het bij antwoord 84 aangevoerde Schriftbewijs: Mat.16 en Joh.20. Daarin zegt de Here Jezus Christus tegen Petrus en de andere apostelen: “Wat jullie op aarde binden, zal in de hemel gebonden zijn en wie jullie de zonden vergeven die zijn ze vergeven. Vergeven jullie ze niet, dan zijn ze niet vergeven.” Nog steeds is het de apostolische kerk die met haar apostolische prediking deze apostolische boodschap verkondigt. De catechismus brengt dit onder woorden door aan het begin van het antwoord nadrukkelijk te stellen dat het overeenkomstig Christus’ bevel is als de kerk op deze wijze in de wereld optreedt. Aan het einde van het antwoord wordt uitgesproken dat God Zelf naar dit getuigenis zal oordelen in dit en in het toekomstige leven. Hier klinkt een duidelijke echo van de woorden van Christus als Hij een direct verband legt tussen het apostolisch getuigenis op aarde en de effecten daarvan in de hemel voor de troon van de HERE God. 

En… hoe vaak?

De tweede kwestie die antwoord 84 aan de orde stelt, is de vraag: hoe vaak de vrijspraak in Christus ons wordt aangezegd. Dat ís een kwestie. In de zestiende eeuw, maar ook nu nog. Zegt de Here eenmaal in ons leven als we tot geloof komen dat al onze zonden ons vergeven zijn of toch niet? Met andere woorden, komt er een moment in het aardse bestaan van de gelovigen dat ze de boodschap van vergeving en vrijspraak niet langer nodig hebben?

 De Heidelbergse Catechismus laat daarover in dit antwoord, maar ook op andere plaatsen geen misverstand verstaan. Nee, dat moment in ons leven hier op aarde komt er níet. Wij komen hier beneden nooit in een levensfase waarbij wij niet meer zondigen en dus volmaakt voor God zijn. Zondag 5: ‘Wij maken de schuld nog elke dag groter.’ Zondag 44: ‘God wil dat we onze zondige aard ons leven lang steeds meer leren kennen…’

 We moeten enkele zaken goed blijven onderscheiden. Als de HERE gelovigen rechtvaardig verklaart, dan zijn zij daarmee op datzelfde ogenblik niet rechtvaardig of volmaakt geworden. De Here plaatst als wij tot geloof komen niet een perfectiechip in ons. Dan zouden wij immers daarna zonder Hem ons leven zelfstandig kunnen voortzetten en automatisch alleen maar het goede doen. De Here heeft het zo met ons voor dat heel ons leven gestempeld wordt door verlangen naar de beloofde volmaaktheid die in het verschiet ligt. Opnieuw Zondag 44: ‘we moeten nog meer begeren de vergeving van zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. En verder zonder ophouden ons inspannen en God bidden om de genade van de Heilige Geest om steeds meer naar het beeld van God vernieuwd te worden, totdat wij ná dit leven het doel, namelijk de volmaaktheid, bereiken.’

 De HERE spreekt daarover in Zijn Woord toch niet anders? Denk aan David en aan Petrus. Zij kenden de Here en toch vielen zij in grove zonden en richtte de Here hen in de weg van berouw en bekering weer op. Denk aan al die geloofsgetuigen in Hebreeën 11. Zij onderscheiden zich niet zo zeer, omdat zij van die vrome mensen waren, maar omdat ze met verlangen uitzagen naar de volmaakte vervulling van al Gods beloften in heerlijkheid. De complete vervulling van de beloften van onze goede God ligt vóór ons. Veel heeft Hij al vervuld en dat geeft moed, maar het mooiste moet nog kómen!

 We moeten kortom oog houden voor het karakter van Gods beloften. De Here komt met twee beloften naar ons toe: 1) vergeving van zonden en 2) eeuwig leven. Deze twee belóften zijn niet de vergeving van zonden en eeuwig leven zélf. Hij biedt ons die twee aan met de opdracht deze belóften in geloof aan te nemen om zo de vergeving van de zonden zelf en het eeuwig leven zelf te ontvangen. Gods beloften ontvángen is niet gelijk aan vergeving en eeuwig leven hébben.

 De achtergrond van antwoord 84 is daarmee duidelijk. Daarmee ook de prediking volgens dit antwoord. Telkens weer vraagt Christus van predikanten gelovigen te preken ‘dat al hun zonden hun door God werkelijk vergeven zijn zo vaak zij de belofte van het evangelie met waar geloof aannemen en de ongelovigen en huichelaars te verkondigen dat ‘Gods toorn en het eeuwig oordeel op hen rusten, zolang zij zich niet bekeren’. Predikanten mogen dit doen in de wetenschap dat God Zelf zich bindt aan dit getuigenis nu en straks.

 Telkens weer, zondag aan zondag, als de gemeente samenkomt, zal dit getuigenis de kern moeten zijn. Bindt ook de apostel Paulus de gemeente van Korinthe, een gemeente die hij in 2 Corinthiërs 1 aanspreekt als ‘gemeente van God’ in hoofdstuk 5 van deze zelfde brief niet op het hart: laat u met God verzoenen. Ware prediking staat in de onvoltooid tegenwoordige tijd, totdat Gods voltooide tijd gekomen is. En ieder hier op aarde die deze verkondiging van Gods beloften hartelijk aanneemt, zal zo vaak hij dat nodig heeft, genade vinden in de hemel bij onze goede God en Zijn Zoon onze Here en Heiland Jezus Christus aan Diens rechterhand.

 

‘De schijn kan nu eenmaal het wezen der dingen niet verkleuren…’

Ten slotte maak ik nog enkele opmerkingen over de actualiteit van wat antwoord 84 ons leert over de prediking. Ik begin met een citaat:

 “Men schijnt het er vrijwel over eens te zijn dat de kerk in haar prediking de mens vandaag niet meer bereikt en dat er geen beslag meer is op de jeugd. De enigen die men hiervoor aansprakelijk kan stellen zijn dan de predikanten die immers in de kerk het hoogste woord hebben. Deze en dergelijke beschouwingen hebben niet nagelaten indruk te maken met name op tal van predikanten. Men ziet dan ook wat de vormgeving betreft allerlei experimenten. Hier en daar heeft zich een preekterminologie ontwikkeld die voor een goede conference niet onderdoet. Het zou natuurlijk bijzonder naïef zijn te geloven dat daarmee de kerken voller zouden worden: het is trouwens duidelijk dat het tegendeel het geval is. De schijn kan nu eenmaal het wezen der dingen niet verkleuren.”

 Afkomstig van de gereformeerd-synodale predikant dr. G.P. Hartvelt die in de vorige eeuw docent was aan de Theologische Universiteit (Oudestraat, Kampen). Te vinden in zijn commentaar op antwoord 84 van de Heidelbergse Catechismus. Het dateert uit de jaren zestig en is dus al meer dan een halve eeuw oud. Tegenwoordig brengen we de dingen misschien wat anders onder woorden. Toch vind ik het citaat goed passen bij wat er in deze tijd in onze kerken speelt.

 Collega André Bas heeft gesproken over het belang van het onderwijs aan de gemeente, zoals dat in de leerdiensten over de Heidelbergse Catechismus gestalte krijgt. Ik sluit me daar zonder meer bij aan en wil daarnaast wijzen op het belang van de blijvende verkondiging van het evangelie, zoals de antwoord 84 daarover spreekt. Onderwijs is heel ons aardse leven nodig, maar de verkondiging ook. Als we tenminste Gods Woord en onze catechismus, maar ook onze geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels serieus nemen.

 Over de ontwikkelingen in onze kerken valt veel te zeggen, maar kern van de zaak blijft het hooghouden van de verkondiging van het evangelie. Ik vrees dat uitgerekend deze prediking in onze kerken in gevaar is en op zijn minst al bekneld is geraakt. De oorzaak daarvan wil ik niet alleen zoeken in het binnendringen van allerlei invloeden van buiten onze kerken. Laten we eerst naar ons zelf kijken.                                                                                                                                         

Hebben wij als gereformeerd-vrijgemaakten wel altijd oog gehouden voor het onderscheid tussen Gods beloften en de zaken die daarin beloofd worden? Is het gevolg daarvan niet dat wij te gemakkelijk bij voorbaat aanwezig geloof bij álle kerkgangers veronderstellen? Tot zelfs bij de kleinste kinderen in de gemeente aan toe? Met als gevolg dat zij via bijvoorbeeld de kinderbijbelclub die naast de kerkdienst gehouden wordt, maar misschien ook wel via de prediking zelf, vooral moralistische lesjes leren over hoe ze zich moeten gedragen?

 Hebben sommigen toch niet een béétje gelijken als ze stellen dat bij ons de leer van de veronderstelde wedergeboorte is vervangen door die van het veronderstelde geloof? Het is toch zo dat wij en onze kinderen, al zijn we dan in de kerk geboren, niet als gelovigen, maar als ongelovigen geboren worden? Worden wij, met andere woorden, voldoende opgeroepen ons te bekeren en te geloven? Wordt ons verkondigd als arme zondaren al ons heil bij de rijke Christus te zoeken? Worden wij gewaarschuwd dat Gods oordeel op ons blijft, als we ons niet wenden tot Jezus Christus als onze Here en Heiland?

 Of is er toch teveel prediking die niet verder komt dan beschouwing en bespreking van de Schrift? Dat kan op een heel Schriftuurlijke wijze gebeuren, gelukkig maar. De vraag die mij bezighoudt is of dat ook werkelijk verkondiging is. Ik wil niemand van mijn collega’s beschuldigen en daarom stel ik deze dingen vragenderwijs aan de orde. Ik houd mezelf als dienaar van het Woord deze vragen ook steeds voor. Mijn collega’s roep ik op, hetzelfde te doen of te blijven doen. Iedere predikant zij in zijn eigen geweten overtuigd van zijn trouw aan Gods Woord en de Schriftuurlijke prediking. Hij mag zich troosten met de gedachte dat de Here zijn hart aanziet en zal oordelen. In het geding is het werk van de Heilige Geest die Here is en levend maakt door de verkondiging van Gods evangelie.

 Ik meen dat, onder andere door het hierboven genoemde, in onze kerken een klimaat van gearriveerdheid is ontstaan. Als gearriveerdheid opdoemt, verdwijnt de verwondering over Gods genade. Met gearriveerdheid komt vanzelfsprekendheid mee en plotseling verschijnen dan ook de tweeling verveling en saaiheid op het toneel. Het wordt voor wat anders: voor nieuw leven in de brouwerij.

 Dat wordt vervolgens gezocht en gevonden bij evangelische groeperingen die zich naïef of verdwaasd of verdoofd laten inspireren door wat onze geseculariseerde leefwereld hen voorschotelt. Dit op de adem van die wereld hyperventilerende christendom brengt de prediking ook in onze kerken in de knel. Een groeiend aantal kerkdiensten heeft een tweeslachtige boodschap. De in de meeste gevallen gelukkig nog Schriftuurlijke boodschap van de prediking wordt omlijst met liederen en muziek en beelden die deze boodschap grondig afbreken. Maar… leer en lied zijn niet los verkrijgbaar en een tweeslachtige boodschap houdt geen stand. Is het niet duidelijk dat ook met betrekking tot onze erediensten het gezag en de leer van de Schrift in geding zijn?

 Er vinden een aantal verschuivingen plaats in onze kerkdiensten. In de eerste plaats komt er steeds meer nadruk op vormen ten koste van inhoud. Daaraan verwand verschuift de aandacht van de Christús en Zijn werk naar de christén en zíjn uitingen. Zo verdwijnt de kerk met haar kansel en krijgen we een theater met podium terug en is de kerkganger van deelnemer aan de erediensten toeschouwer geworden. Zijn onze kerken voor buitenstaanders ooit zo hoogdrempelig geweest als in 2013? En dat nog wel onder het mom van laagdrempeligheid? Waarom zou men de kerk binnenstappen om te komen kijken naar de religieuze emoties van anderen?

 Er staat, broeders en zusters, veel op het spel. Het is de sprekende God die redt en onze Here Jezus Christus slechtte alle drempels en de Heilige Geest maakt levend. Er is vrijspraak voor iedere zondaar die op Christus zijn vertrouwen stelt in en buiten de kerk. Laten we als predikanten die heldere boodschap blijven verkondigen. Laten we als kerkgangers bidden voor onze predikanten om toch vooral bij de verkondiging van deze boodschap te blijven. Laten we als kerken daarmee blijven bij de eenvoudige Heidelberger. Juist nu het er op aankomt!

 

 

 

 

Reacties zijn gesloten.