Kort commentaar 34-39

 J. Douma

 [34]  Gereformeerd missionair werk

 In de vorige editie van onze website werd het Appel opgenomen dat ruim veertig (emeriti-) predikanten en gemeenteleden, onder wie diverse (ex-)ambtsdragers, hebben verzonden naar de classis Amsterdam-Leiden. Zij verzoeken de classis om de missionaire gemeente Stroom niet op te nemen als gereformeerde kerk in haar midden. Hoewel onze website doorgaans weinig publieke reacties uitlokt bij de mensen die wij aanspreken, is het deze keer anders gegaan. Na wat schermutselingen over de vorm waarin wij ons protest hadden gegoten, kwam al snel dat wat wij beoogden. Het karakter van het missionaire werk onder ons werd aan de orde gesteld. Wat zal er gebeuren wanneer de missionaire groep Stroom als gereformeerde kerk in ons midden aanvaard wordt?
Wij waren trouwens niet de eersten die op  de te verwachten problemen wezen. Dat deed de classis Amsterdam-Leiden zelf al. In het Gereformeerd Kerkblad van 23 juni jl. lezen we in een kort verslag:

 ‘In een eerste informatieve bespreking wordt duidelijk dat er, naast blijdschap en dankbaarheid jegens de HERE voor Zijn zegen in het voortgaande groeiproces naar zelfstandigheid, ook knelpunten bestaan die het omgaan met kerkelijke afspraken raken en naar verwachting ook effect zullen hebben in het kerkverband’. 

Voor die effecten hebben wij in ons Appel aandacht gevraagd. Wij zijn dankbaar voor veel reacties die erop gevolgd zijn. Het verheugt ons bijzonder dat een aantal schrijvers vanuit hun eigen kerkelijk werk erop hebben gewezen hoe belangrijk het is met overtuiging gereformeerde missionaire arbeid te verrichten. Het werd uit die stukken duidelijk dat aan de gereformeerde religie de verdediging van de kinderdoop verbonden is. Missionarissen riepen en roepen tot bekering. Op Irian Jaya, in de Congo, in de Ukraïne, of waar ook maar gereformeerden het evangelie brengen, Gaan de mensen geloven in Jezus Christus, dan worden zij als volwassenen met hun kinderen gedoopt. Ook aan hun kinderen komt de genade en het recht van de doop toe, op grond van het feit dat zij, evenals hun ouders, in het verbond met God zijn opgenomen. Zo belijden wij dat in Nederland en gereformeerde missionarissen elders in de wereld handelen vanuit dezelfde overtuiging.
Verkwikkend was het ook van een werker onder de Islam (ds. Marten de Vries) het volgende te lezen:

 ‘Ik heb twee gemeentes gediend, was bovendien zendeling in Zuid-Afrika en ben inmiddels 12,5 jaar bezig als missionair predikant in Rotterdam. Ik geloof dat de kerk het sterkst naar buiten kan treden met een confessioneel belijnd getuigenis. En wel door christenen die zelf dankbaarheid uitstralen om wat de Heer ook hun gaf in de kerk die hun werk faciliteert. Dankbare kerkleden zijn de beste ambassadeurs van Gods koninkrijk’.

 

[35] Kampen heeft gesproken

 Op 4 september jl. plaatste het Nederlands Dagblad een artikel van drie theologen, onder de kop: ‘Pioniersgemeenten zijn in belijden heel klassiek gereformeerd’. De schrijver is drs. M. van Leeuwen, terwijl ook dr. Paas, als begeleider van het onderzoek dat Van Leeuwen had verricht aan het artikel meewerkt. De derde ondertekenaar is dr. Hans Schaeffer, die als post-doc onderzoeker aan Universiteit in Kampen verbonden is en een onderzoek coördineert naar de gereformeerde identiteit in de vrijgemaakte kerken.
De betekenis van dit artikel onderschatten wij niet. Kampen spreekt hier. En Kampen zegt via deze schrijvers dat de instemming van de missionaire gemeenten met het klassieke belijden ‘overweldigend’ is. Ik moet dus wel aannemen dat wij er volgens de schrijvers van het artikel, met ons Appel helemaal naast zitten. Er is eigenlijk niets aan de hand, als wij de schrijvers in hun conclusie mogen geloven.
Ons wordt het kwalijk genomen dat wij argwaan aan de dag leggen. Toch is een dosis argwaan hier wel op z’n plaats. Want nog geen week later (Ned. Dagblad van 10 september) lees ik een artikel van Norbert Veldman, die van 2005 tot 2009 deel uitmaakte van het leiderschapsteam van Stroom. Hij weet te vertellen, hoe in Stroom de klassiek-gereformeerde traditie van Gods Woord als absolute norm en het verbond, de vrouw in het ambt, kinder- en volwassendoop, je conformeren aan belijdenisgeschriften, niet of nauwelijks onderwerp van discussie meer zijn. Waarom zou je als Stroom, zo vraagt Veldman zich af, aan de vrijgemaakte kerken verbonden willen blijven, als het op voor dat kerkverband essentiële punten knelt?
Dat lijkt me duidelijk van een ander kaliber dan wat Kampen een week eerder in dezelfde krant beweerde. Veldman heeft twijfels bij de stelling en onderbouwing van het artikel van de heren Van Leeuwen, Paas en Schaeffer. Ik ook, en wel zulke grote, dat ik mij afvraag waarom men het stuk van de Kamper medewerkers wetenschappelijk kan noemen. Allerlei percentages worden vermeld, als het over enquêtes gaat die betrekking hebben op vragen als: Is de Bijbel van betekenis voor alle terreinen van het leven? Hangt de redding van mensen ‘helemaal’ af van God (60% zegt ja)? Kiest God de mensen uit op grond van hun geloof? (65% wijst dat af). Heeft het woord ‘verbond’ grote betekenis voor uw geloofsleven (37% heeft geen mening)? Zijn kinder- en volwassendoop gelijkwaardig (62% zegt ja, en 90 % vindt dat beide dooppraktijken naast elkaar zouden moeten kunnen bestaan in één gemeente). Moet de leiding van de gemeente bestaan uit mannen en vrouwen (8% tegen)? Tor zover een aantal kwesties die geënquêteerd zijn. Maar wat betekenen de uitslagen van deze enquêtes?

 

[36] Het wegen van enquêtes

 Ik begrijp niet hoe men deze uitslagen gewogen heeft. Waarom houdt het artikel ons zo indringend voor dat de ‘overweldigende instemming met het gezag van de Schrift (93% ziet de Bijbel als het geïnspireerde Woord van God)? Want tegelijk meent 70% dat het weren van vrouwen op een eenzijdige uitleg van de Bijbel berust. Wat weegt nu zwaarder: zeggen dat de Bijbel het geïnspireerde Woord van God is, of het eigen inzicht om te bepalen wat dat Woord vandaag voor de praktijk betekent? Ik mag verwachten dat theologen enquêtes kritisch beoordelen en een antwoord formuleren op de vraag die ik zojuist gesteld heb. Het gaat mij niet om hier een oordeel uit te spreken over de kwestie zelf, maar over de manier waarop men geënquêteerde gegevens hanteert.
Om een nog belangrijker punt te noemen: Als voor 90% van de geënquêteerden kinder- en volwassendoop naast elkaar moeten kunnen bestaan in een gereformeerde kerk, is dit allesbehalve ‘klassiek’ gereformeerd’. Met het al of niet aanvaarden van de kinderdoop staat men of op gereformeerde of op baptistische bodem. Wat is nu doorslaggevend voor het bepalen of men klassiek gereformeerd is? 90% van een kleine groep, of de belijdenis van Zondag, antw. 74 over de kinderdoop? Het lijkt erop dat men ook in Kampen  van mening is dat we op de kinderdoop zo’n nadruk niet meer moeten leggen als we het altijd deden – met Gods verbond voor ogen!
De drie ondertekenaars hebben ons een artikel geleverd dat ons voor een gereformeerde universiteit mag verbazen. Het betoog levert geen nieuwe stof voor theologische bezinning, maar wil ons met de herhaalde uitroepen dat de missionaire gemeenten toch zo geweldig gereformeerd zijn, gewoon over de streep trekken. De conclusies lagen al vast, het betoog zelf heeft met echte theologische inspanning niets te maken.

 

[36] Grondslagen

 Ik noem nog één opvallende uitspraak in het artikel. Verschillende niveaus in wat gereformeerd mag heten, zo lees ik, worden gemakkelijk verward, zodat kerkelijke uitspraken tot ‘grondslagen’ worden verklaard. Ik mag met enige verbazing vragen: Zijn er dan geen kerkelijke uitspraken die als zodanig de grondslag van ons kerkelijk samenleven vormen? Ik val niet over woorden. De een noemt het een grondslag, de ander spreekt over een onderling akkoord en wellicht zijn er nog meer termen. Ik weet ook best dat de grondslag (en tegelijk het hoofd) van de heilige, algemene christelijke kerk Jezus Christus is. Een ander fundament moeten we niet leggen (1 Kor. 3,11). Maar daarom is er geen enkel bezwaar tegen de drie Formulieren van Eenheid de grondslag te noemen voor het samenleven van de Gereformeerde Kerken in Nederland. En wie dat maar een particulier regeltje vindt waar je gewoon aan voorbij kunt gaan, moet bedenken wat Jezus gezegd heeft:: ‘Laat jullie ja ja zijn en jullie nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad’ (Matt. 5,37).
Waarom wordt er in het artikel van Van Leeuwen c.s. met geen woord over dit onderling akkoord van de gereformeerde kerken gerept? Hoe kan men percentages wegen zonder voor de aanduiding ‘gereformeerd’ ook de maatstaf van onze onderlinge afspraken te gebruiken? Ik vraag, maar ik vond in het artikel geen antwoord.

 

[37] Een goed advies

 In 2010 heb ik ernstig gewaarschuwd tegen opvattingen die binnen missionaire gemeenten werden aangehangen. Ze zijn te vinden in het door mij bestreden boek Als een kerk opnieuw begint van dr. Stefan Paas e.a. Ik was bijna de enige die in de pen klom. Bijna de enige, want ook de in de Ukraïne werkzame gereformeerde missionaris ds. Henk Drost gaf een kritische bespreking van het genoemde boek.
De ideeën van Paas werkten echter door in de vrijgemaakte kerken. Een moeder-kerk, zo verklaarde een vertegenwoordiger van Stroom, mag best vragen naar onze beweegredenen, maar uiteindelijk kiezen we zelf. De missionaire dochter gaat tegenover de moeder(kerk) haar eigen gang. Een andere predikant kwalificeerde in het blad Zout de volwassenheid van de dochter tegenover de moeder als volgt: ‘Het is mooi het niveau te ontstijgen van het steggelen over regeltjes … Laten we al onze oude gewoonten, regels, kerkordes en zo los. Er moet een eind komen aan verstarring en verharding, aan traditionalisme en angst voor verandering. ‘Dat alles moet sterven…Onze oude kerk moet aan het kruis geslagen. Om Christus’ kerk te worden. We moeten met Hem sterven om met Hem op te staan’.
Ik schreef daar tegenin, dat kennelijk niet alleen onze oude mens, maar ook onze oude kerk,  aan het kruis moet! De kerk van Jezus Christus, die Hij gereed maakt om zijn bruid zonder vlek en rimpel te worden. Ik vond het grove en beledigende taal om te lezen dat deze kerk aan het kruis moet worden geslagen om een heel andere kerk te laten verrijzen. De kerk reformeren lijkt me al tweeduizend jaar lang wat anders dan haar tegen de vlakte gooien, om helemaal opnieuw te beginnen.
Toen ik zulke dwaze verwachtingen over een nieuwe radicaal andere kerk las, kon ik niet vermoeden dat slechts een paar jaar later Stroom zich nu wil laten opnemen in de schoot van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Waarom eigenlijk?
Treft de heer Veldman in zijn artikel van 10 september niet een gevoelige snaar, als hij over geld begint, dat nu al jarenlang voor de nieuwe dochters van de kerk wordt ingezameld? Is Veldmans eigen voorstel aan deze kerken om hun missionaire arbeid zo langzamerhand zelf te gaan betalen, niet zinvol? Ik sluit me aan bij het advies van Veldman om op eigen benen te gaan staan en zelf het financiële offer te brengen. Ik zeg het in mijn eigen woorden: Het geeft geen pas nog langer op kosten van een gemeenschap te leven, waarvan men eigenlijk vindt dat zij moet worden afgebroken.

 

[38] Vergadering in Spakenburg

 Voor zaterdag 29 september a.s. hebben wij een vergadering belegd in Spakenburg. Ter voorbereiding op deze bijeenkomst zijn wij vanuit onze websitekring bezig een verklaring op te stellen, waarin wij een beroep doen op alle kerkleden en kerken om zich voor hun gereformeerde overtuiging niet te schamen. Zij moeten die overtuiging blijven verdedigen.
De vergadering is niet bedoeld voor onze websitekring en van hier en daar nog wat sympathisanten. Wij willen het zicht behouden op de gehele gemeenschap van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Wie vindt dat het in deze kerken allemaal prima gaat – modern, vernieuwend en op de toekomst gericht, zal van ons wat anders horen.
Een enkeling schrijft ons dat wij breder moeten zijn in het sprekersaanbod dan alleen aan de eigen mensen van de website het woord te geven. Dat vinden wij ook, maar – zo leert ons de ervaring – er zijn weinig mensen die hun nek willen uitsteken. Daarom doen wij het, in de hoop dat anderen ons erin volgen en het werk dat er moet gebeuren met ons delen en overnemen. Dat laatste zeg ik ook heel persoonlijk. Ik zal de dag begroeten dat ik mag zwijgen en anderen gaan spreken. Hoe gauwer die dag aanbreekt, hoe dankbaarder ik zal zijn. Maar zolang ik nog helder van geest ben, mag ik doen wat ik beloofd heb bij mijn aantreden als predikant en later als hoogleraar: de gereformeerde religie bevorderen en verdedigen. Als anderen moed vatten en van zich laten horen, kan ik volledig met emeritaat gaan.
Het gaat ons er niet om een website in stand te houden, maar de kerken te dienen.
Wie van mening is dat onze activiteiten wel op een volgende scheuring zullen uitlopen, gepland en al, mag ik verzoeken eerst onze verklaring te lezen, die op de vergadering in Amersfoort zal worden gepresenteerd. We zijn op vrede uit, ook al menen anderen dat wij op oorlogspad zijn.

 

[39] Dr. Arntzen 100 jaar

 Het Nederlands Dagblad gaf zaterdag jl. terecht uitvoerig aandacht aan het feit dat dr. M.J. Arntzen op 14 september honderd jaar hoopt te worden. Wanneer dit Commentaar van mij op internet staat, zal hij die leeftijd wel bereikt hebben. In het Nederlands Dagblad merkt de interviewer dat Arntzen nog volop leeft in het hier en nu. Onlangs dacht ik nog dat Arntzen niet over een computer beschikte, maar op een stuk dat ik hem een paar dagen geleden per post toestuurde, antwoordde hij per computer. Hij is gezegend met een heel goed geheugen en weet boeiend over het verleden te vertellen. We hebben met een man te maken die groot gebracht is in de gereformeerde wereld waaraan de namen van Kuyper en Bavinck, en van bekende Amsterdamse predikers zoals J.C. en D. Sikkel, T. Ferwerda, S.G. de Graaf en K. Sietsma verbonden waren.
Uit zijn autobiografie in de AD Charta-reeks, Een theologenleven in woelige tijden (2004), is ook heel duidelijk op te maken dat dr. Arntzen vrij grote bezwaren had tegen het optreden en bepaalde ideeën van K. Schilder. Binnen de bandbreedte van de gereformeerde religie komen de vrijgemaakte kerken bij Arntzen pas goed in het vizier na 1960. Zijn brochure uit 1965 De crisis in de Gereformeerde Kerken laat zien dat hij het zijn kerken kwalijk nam dat zij het Schriftgezag loslieten, evenals de binding aan de belijdenisgeschriften. Hij had in het jaar daarvóór ook frank en vrij zijn vroegere promotor dr. G.C. Berkouwer bestreden, over wat deze geschreven had over de eeuwige bestemming van de mens. Berkouwer was, naar het oordeel van Arntzen, anders gaan denken over Gods uitverkiezing.
Na een kort verblijf in de Nederlands Gereformeerde Kerken van 1971-1974 sloot Arntzen zich aan bij de kerken, waarvan hij als honderdjarige nog lid is: De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). ‘Ik verander nu niet meer’, hebben we kunnen lezen in het interview van afgelopen zaterdag. Maar de Ingezonden stukken die  Arntzen naar het Nederlands Dagblad stuurde, tot in zijn honderdste levensjaar toe, laten duidelijk zien hoe hij over de ontwikkelingen in onze kerken denkt. Een man die geen strijder van nature is, verloochent zijn belijdenis niet en waarschuwt anderen om bij het gegeven woord te blijven.
Het is al een tijdje geleden dat iemand mij vriendelijk vermaande niet de kant van dr. Arntzen op te gaan, d.w.z. ook van ophouden te weten. Hoe ik erover denk, kan men hierboven lezen. Dr. Arntzen is voor mij het voorbeeld van een vriendelijk man, die niet op strijd uit was (en is), maar ook niet zwijgt als hij de roeping voelt om te spreken. Hij is er tegelijk een voorbeeld van dat gereformeerd-zijn niet samenvalt met vrijgemaakt-zijn. Kennis van de gereformeerde wereld waaruit hij voortkwam, heeft ook mij behoed voor een eenzijdigheid, die tot het kwaad van kerkisme heeft geleid en altijd weer kan leiden.
Ik wens de jubilaris nog gelukkige dagen (jaren?) toe in zijn familie- en kennissenkring én in een kerk die zijn naam met respect mag noemen. Laat ik afsluiten met wat de jubilaris zelf aan het slot van zijn autobiografie schrijft, ondanks het feit dat ook hij zijn zonden en tekortkomingen belijdt:
‘We zouden toch voor alle schatten van de wereld niet willen missen wat we in Christus hebben. Zo is ons werk niet ijdel of zinloos in de Here en kunnen we getroost zijn in alles wat wij wedervaren en met vertrouwen, alléén op Hem, die ons kocht met zijn bloed, ons einde tegemoet zien’.

 

 

Reacties zijn gesloten.