De moed om gereformeerd te blijven

 dr. J.W. Veldkamp

Schriftoverdenking
uitgesproken tijdens de dag van bemoediging
op zaterdag 29 september 2012
in de Immanuëlkerk in Bunschoten

 

Broeders en zusters,

1.1 We zijn hier vandaag bij elkaar gekomen om elkaar te bemoedigen. We willen elkaar moed inspreken om in kerk en samenleving gereformeerd te blijven. Dat kan ook nu niet beter dan vanuit het Woord van God. Hoe grillig de geschiedenis van kerk en wereld ook is, Gods Woord blijft tot in eeuwigheid. Daarom wil ik nu eerst met u uit de Schrift lezen Jozua 1:1-9. 

1.2 Broeders en zusters, er zit een refrein in Jozua 1. De woorden van dat refrein wil ik met u overdenken. De HERE zegt tegen Jozua: “Wees vastberaden en standvastig!” Of met onze vorige vertaling: “Wees sterk en moedig!” Eerst komen we die woorden voor tegen in vers 6, vervolgens in vers 7 en dan in vers 9. Ten slotte in het laaste vers van dit hoofdstuk (wat we niet gelezen hebben) komen ze nóg een keer terug (vers 18).

 1.3 Jozua 1 beschrijft de tijd direct na het overlijden van Mozes. Hij was de grote voorganger en leider geweest die Israël had uitgeleid uit Egypte. Onder zijn leiding was Israel door de verschrikkelijke woestijn getrokken. Nu waren ze bijna gekomen waar ze zijn moesten:  aan de grens van het Beloofde Land Kanaän. Jozua zou Mozes opvolgen en de nieuwe voorganger en leider worden. Daarom had Mozes aan het einde van zijn leven tegen Jozua gezegd (enkele hoofdstukken hiervoor, in Deuteronomium 31, kunnen we dat lezen): “Jozua, wees sterk en moedig!”

 1.4 Nu herhaalt de HERE tegenover Jozua deze woorden van Mozes: “Jozua, wees vastberaden en standvastig!” Er staan spannende dingen te gebeuren. Er zal gevochten moeten worden tegen de volken in Kanaän. De HERE wil dat die volken verdreven en uitgeroeid worden; als straf op al hun zonden begaan tegen de God van hemel en aarde. Kanaän zal Gods eigen land worden voor Zijn eigen volk.

 1.5 Wat een belangrijke taak heeft Jozua! Als voorganger en leider van Gods volk is hij ook generaal van Israëls leger. Voor hem komt het nu op vooral één ding aan. Nogal logisch zegt u misschien: hij moet dapper zijn en moed hebben. Hij moet strategisch en tactisch inzicht hebben in oorlogvoering. Hij moet het volk motiveren de strijd aan te gaan en vol te houden. Hij moet een inspirerende leider zijn.

 1.6 Toch, broeders en zusters, is er iets wat veel belangrijker is. Vergeet niet, dat Israël het eigen lievelingsvolk van de HERE God is. Elk volk heeft zijn eigen goden. De God van Israël is de ware en enige God, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde. En het oude Israël is Gods oudtestamentische gemeente. Dus is God Zelf van die gemeente het Hoofd.

 1.7 Daarom is Jozua, net als Mozes vóór hem, niet meer dan knécht van God. Daarmee is Jozua’s taak anders dan het lijkt. Zijn taak is niet Kanaän veroveren. Daarover hoeft niemand in Gods gemeente zich zorgen te maken. Dat doet de HÉRE wel. Jozua heeft een taak naar bínnen gericht; gericht op Gods volk.

 1.8 De grootste bedreiging voor de kerk komt van binnenuit. Later zal de apostel Petrus zeggen (1 Petrus 5:8): Wees waakzaam, wees op uw hoede, want uw vijand, de duivel, zwerft rond als een brullende leeuw, op zoek naar een prooi. Stel u tegen hem teweer, gesterkt door uw geloof, Dat was in de tijd van Gods oude volk niet anders. De dreiging komt van binnenuit. Vóór alles moet Jozua daarom vastberaden en standvastig, moedig en sterk zich houden aan de wet waarin Mozes hem heeft onderwezen (vers 7).

 1.9 Leg, vervolgt de HERE dan in vers 8, dat wetboek geen moment terzijde en verdiep je er dag en nacht in… Hier wordt voor ‘wet’ en ‘wetboek’ het woord ‘tora’ gebruikt. Het gaat dus om meer dan een stel voorschriften. Het gaat om alles wat Mozes in opdracht van de HERE in zijn vijf boeken heeft opgeschreven. Het gaat om de weg die God de HERE met zijn volk vanaf den beginne gaat. De weg die Hij Zijn volk nu ook verder wijst. Het gaat om Zijn vriendschappelijk verbond met Zijn volk onderweg. Jozua krijgt, kortom, van de HERE de opdracht vastberaden en standvastig, moedig en sterk, te blijven leven en denken vanuit het Woord van God. Jozua 1:8: “Dán zal alles wat je onderneemt voorspoedig verlopen.” Waarom de HERE dit van Jozua vraagt, is duidelijk. Hij wil dat heel Zijn volk Israel zo gaat leven. Want wie vastberaden en  standvastig, moedig en sterk leeft en denkt vanuit het Woord van God, leeft eeuwig voorspoedig!

 2.1 je kunt niet zo maar beweren dat Jozua gereformeerd was in de zin, zoals wij het gebruiken. Wel kun je stellen dat wie gereformeerd wil zijn op hetzelfde spoor zit als Jozua destijds. Om hierover misverstanden te voorkomen moet het begrip gereformeerd breder omschreven worden. Het eerste wat gezegd moet worden, is dat de term ‘gereformeerd’ eigenlijk niet deugt. ‘Gereformeerd’ duidt op het eindpunt van een proces. Er was een proces van re-formatie en aan het einde daarvan kwamen we toen op het punt van ge-re-formeerd zíjn; een eindsituatie dus. 

 2.2 Als er íets is wat niet past bij het woord ‘gereformeerd’ is het de term ‘eindsituatie’. Dat is ook de achtergrond van het onder ons niet onbekende gezegde: ecclesia reformata semper reformanda: de gereformeerde kerk moet steeds weer ge-re-formeerd worden. Betrokken op ons persoonlijk doelen we dan op de noodzaak van dagelijkse bekering. Deze ‘re-formaties’ van én de kerk én de individuele gelovige, gaan door tot de wederkomst van onze Here Jezus Christus. Helemaal ge-re-formeerd naar lichaam en ziel ben je daarom pas na de wederkomst van onze Heiland. Re-formatie van de kerk als geheel en van de gelovige persoonlijk hoort dus bij heel ons aardse bestaan. Beide hebben als brón wat we gelezen hebben in Jozua 1: Leg het Woord van God geen moment terzijde en verdiep je er dag en nacht in.

 2.3 Vooral dáárin moet je vastberaden en standvastig, moedig en sterk zijn, zo wordt er aan toegevoegd. Deze aansporing heeft een reden. Het vráágt namelijk moed om het Woord van God niet terzijde te leggen en je er dag en nacht in te verdiepen.
Dat vraagt in de eerste plaats moed, omdat geconfronteerd worden met het Woord van God voor geen enkel mens een onverdeeld genoegen is. Gods Woord legt de vinger bij onze zonden en gebreken. Is het niet zo dat we daar liever aan voorbij willen gaan? Toch zegt de apostel Paulus in Galaten 5:17:  Wat wij uit onszelf najagen is in strijd met de Geest, en wat de Geest verlangt is in strijd met onszelf. Het een gaat in tegen het ander, dus u kunt niet doen wat u maar wilt.
Gods Woord wijst ons vervolgens op de strijd in ons aardse bestaan. De strijd die dezelfde apostel in Efeziërs 6:12 als volgt onder woorden brengt: Onze strijd is niet gericht tegen mensen maar tegen hemelse vorsten, de heersers en de machthebbers van de duisternis, tegen de kwade geesten in de hemelsferen. Is dit een strijd die we vastberaden aangaan?

En in de derde plaats maakt de Here Jezus Zelf ons duidelijk dat wij leven in een wereld die Zijn en onze vijand is. Johannes 15:18-19: Wanneer de wereld je haat, bedenk dan dat ze Mij eerder haatte dan jullie. Als jullie bij de wereld zouden horen, zou ze jullie hebben liefgehad als iets van haarzelf, maar jullie horen niet bij haar, want Ik heb jullie uit de wereld weggeroepen. Daarom haat ze jullie. Komt ons dit soms niet ongelegen?

 2.4 Reformatie van ons leven is dat we ondanks onszelf die drievoudige confrontatie vanuit het Woord van God tóch aangaan. Dat vraagt moed in deze tijd, maar als we dan ook met vallen en opstaan uit Zijn Woord leven, dan mogen we er ook vast op vertrouwen dat de HERE Zijn beloften vervuld. Wie leeft uit het hele Woord van God, mag eeuwig voorspoed verwachten. We zeggen er oprecht bij dat we dat Godsvertrouwen niet van onszelf hebben. Maar wij weten dat met Zijn beloften ook altijd de krachtige Geest van onze goede God meekomt. Die Geest is de Here die levend maakt. Door Hem gáán Gods kinderen luisteren naar Zijn Woord en gáán we Zijn beloften geloven.

 2.5 Wat is ‘gereformeerd’? Het is dat we heel Gods Woord van Oude én Nieuwe Testament als Zijn ene grote geschreven geschiedenis met Zijn ene Kerk serieus nemen; óók als ons dat pijn doet of lijden, discriminatie of minachting ons deel wordt. Met schroom, maar met een beroep op de hulp van onze God, zeggen we: “In dit alles willen we moedig en sterk, vastberaden en standvastig zijn.”

 3.1 Het woord ‘geschiedenis’ is gevallen. Wij geloven dus inderdaad dat de God van hemel en aarde geschiedenis met ons schrijft. Met Jozua, maar ook vanaf ver vóór hem en tot op vandaag. Dat we ons opgenomen mogen weten in díe geschiedenis. Dat we op de schouders staan van hen die ons in de kerk vóórgingen. Dat we van hen nog steeds kunnen leren, omdat wij geloven dat de HERE hen veel geleerd heeft. Dat er een wolk van Godsgetuigen is die ons meelevend en biddend omringt in de strijd totdat onze Heiland terugkomt. Zo putten wij moed uit heel Gods Woord, omdat daarin de Almachtige spreekt en omdat Hij alle eeuwen hoopgevende geschiedenis schrijft.

 3.2 Nu leven wij vandáág… Zouden we niet blij zijn met allen die met ons in Nederland voor heel Gods Woord willen buigen en de gereformeerde religie belijden om zo de HERE te dienen? Gereformeerd zijn vandaag is ook dat we erkentelijk zijn voor alles wat niet alleen christelijk heet, maar het ook werkelijk is. Ook in het ontdekken van het wereldwijd geloof in Jezus Christus vinden wij vreugde, ook daar waar kerkelijke eenheid helaas geen realiteit kan worden.    

 3.3 Men zegt dat de tijden zo veranderd zijn en dus de mensen. Er is heel veel veranderd vanaf den beginne en de mens van toen is niet gelijk aan de mens vandaag. Maar… niet álles is veranderd. De HERE God is niet veranderd en ook Zijn Woord heeft nog steeds dezelfde boodschap. En de mens van vandaag is net zo goed kind van Adam als de mensen vóór hem. Ook op de mens van vandaag rust de toorn van God. En ook de mens van vandaag kan in Gods rijk niet komen of hij moet opnieuw geboren worden. En ook de mens vandaag zal heel het Woord van God serieus moeten nemen, ook als hem dat pijn, leed, discriminatie of minachting bezorgt. Re-formatie van ons bestaan betekent voor ieder mens die tot geloof komt dat hij ín navolging van Christus mét heel de kerk ván lijden dóór strijd nu, de heerlijke overwinning straks zál behalen!

 3.4 Gereformeerd zijn is kortom niet anders dan katholiek zijn. Je loyaal binden aan heel het Woord van God en je loyaal verbonden wéten met Zijn kerk van álle tijden én van alle plaatsen. Dankbaar voor het verleden, met goede moed voor vandaag en vol hoop voor de toekomst. Onder ons gereformeerden zien we een tendens in het werk in kerk en samenleving en wetenschap bijna uitsluitend oog te hebben voor ons eigen hier en nu. Dat past goed in onze huidige cultuur. Een cultuur waarin onze eigen tijd en onze eigen persoon en onze eigen beleving van de dingen in het middelpunt staat. Maar dat er in het leven voor Gods aangezicht voortdurend re-formatie van de kerk en van de gelovigen moet plaatsvinden, zal op deze manier spoedig vergeten zijn. Zo gereformeerd willen zijn, heeft geen toekomst.

 3.5 Laten wij vandaag hier in Bunschoten onszelf niet buiten beschouwing laten. Ook wij zijn mensen van deze tijd. En al worden wij bestempeld als verontruste vrijgemaakten, waaróver zijn wij verontrust? Voor ons is het gevaar dat onze persoon en onze beleving in het middelpunt staan even groot als voor anderen. Laten we ons op dit punt niet ontzien en eerlijk naar ons zelf kijken. Laten we ons steeds weer, dag aan dag, laten re-formeren door het Woord van God. Het vraagt tegenwoordig moed om gereformeerd te blijven. Ook wij willen door de mensen aardig gevonden worden en niet tegenvallen. Opvallen door vermeende antieke standpunten willen ook wij liever niet.

 3.6 We hoeven ons niet te schamen gereformeerd te zijn. We hoeven ons ook niet in een hoekje te laten drukken. Wij mogen ons als belijders van de gereformeerde katholieke religie verbonden weten met velen vroeger en vandaag hier in Nederland en ook met velen op andere plaatsen in de wereld. We mógen de moed om gereformeerd te blijven putten uit het Woord van God dat blijft tot in eeuwigheid. Ik besluit met Hebreeën 3:1-6:

U allen, heilige broeders en zusters, die deel hebt aan de hemelse roeping, richt uw aandacht op Jezus, de apostel en hogepriester van het geloof dat wij belijden, die trouw is aan wie hem heeft aangesteld, zoals Mozes in heel Gods huis zijn taak trouw vervulde. Jezus echter werd groter eer waardig geacht dan Mozes, zoals de bouwer van een huis meer eer krijgt dan het huis zelf. Elk huis heeft zijn bouwer, maar God is de bouwer van alles. Mozes vervulde trouw zijn taak in heel Gods huis, als dienaar die getuigde van de komende openbaringen, Christus echter is trouw als Zoon die over dat huis is aangesteld. Wij vormen dat huis, als we maar standvastig en vastberaden vasthouden aan datgene waarop wij hopen…

 Wij zingen nu uit het Lied gezang 119 (wijs Psalm 110): 

Richt óp Uw macht, o Here der heirscharen
en laat Uw hulp ontwaken uit Uw hand,
wil voor Uw aangezicht uw volk bewaren
opdat de nacht zal wijken uit het land.

 

Reacties zijn gesloten.