Rondblik op ons kerkelijk erf

Toespraak Bunschoten 29 september 2012 

RONDBLIK OP ONS KERKELIJK ERF

 

Broeders en zusters,

 Christelijk en gereformeerd

 Wij kunnen op deze vergadering veel kritiek verwachten op de situatie binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Het is niet denkbeeldig dat wij in die kritiek blijven steken en nauwelijks meer kunnen getuigen van ons geloof en van onze hoop, die christenen tot nieuwe mensen maken. Daarom begin ik mijn toespraak heel bewust niet met mijn zorg uit te spreken over de ontwikkelingen binnen de gereformeerde kerken, maar met mijn belijdenis dat wij deel uit mogen maken van de heilige, algemene, christelijke kerk in deze wereld. Wij weten dat in de plaats Antiochië de leerlingen van Jezus Christus voor het eerst christenen genoemd werden (Hand. 11,26). Gelet op deze oude naam voor allen die Christus volgden, durf ik hier vrijmoedig te zeggen wat velen voor mij ook al gezegd hebben: Christianus mihi nomen, reformatus mihi cognomen, d.w.z. ‘christen is mijn naam, gereformeerd is mijn bijnaam’.
Ik besef best dat je aan zo’n uitspraak verkeerde consequenties kunt verbinden, in de trant van:. Laten we ons niet druk maken over wat gereformeerd, maar over wat christelijk is[1]. Laten we zoeken wat ons verenigt en niet wat ons scheidt. Uit wat ik verder zal zeggen, wordt het duidelijk genoeg dat ik mij wèl druk maak over wat gereformeerd is. Maar ik begin toch met de belijdenis dat wij christenen mogen zijn, door de genade van God en door het werk van de Heilige Geest.
Ik begin daarmee op deze vergadering, vooral om u en mij te waarschuwen tegen het rondlopen met oogkleppen. De heilige christelijke kerk is wereldwijd aanwezig. Het is een bevrijdend gevoel dit voortdurend weer te ontdekken. Als in Noord-Korea en op veel andere plaatsen christenen vervolgd worden en hun leven voor Jezus Christus in de waagschaal stellen, verblijdt dat ons. Wij bidden in de kerken om kracht voor al die mensen, die van geloof en volharding blijk geven. Wij vragen dan niet eerst of deze mensen wel gereformeerd zijn.
Nu ligt Noord-Korea ver van Nederland, maar ook in Nederland merken wij vaak dat de kerk, als de vergadering van alle gelovigen, wijder is dan de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Ik zou daarvan voorbeelden kunnen geven tot in mijn kennissenkring toe, van rooms-katholieke, hervormde en synodaal-gereformeerde mensen. Altijd ben ik dankbaar als ik veel van hetzelfde geloof ontdek, dat mensen ertoe brengt God en hun naasten lief te hebben. Daarmee beweer ik niet dat het er eigenlijk niet toe doet, of we nu rooms-katholiek, PKN-er of Baptist zijn. Ik erken geen andere paus boven mij dan de Here Jezus zelf. Maria roep ik in mijn gebeden niet aan. Een Baptist kan voor mij een broeder of zuster in Christus zijn, zonder dat ik aan het recht en de plicht van de kinderdoop twijfel. Ik herinner mij onze gesprekken met Reformed Baptists tijdens vakanties in Engeland. Het viel in hen te prijzen dat zij, evenmin als wij, het punt van de doop van ondergeschikte betekenis vonden. Zij probeerden mij te overtuigen dat je niet als klein kind, maar pas als bewuste belijder van Christus gedoopt kon worden, ik schreef een boekje over het verbond met God, waarvan al vanaf hun geboorte onze kinderen deel uitmaken. Maar we herkenden elkaar als broeders en zusters in Christus.
Wij ervaren voortdurend dat de heilige kerk van Jezus Christus niet gevestigd is in of gebonden is aan bepaalde plaatsen en personen, maar dat zij verbreid en verstrooid is over heel de wereld, zoals art, 27 van de Ned. Geloofsbelijdenis dat onder woorden brengt. Die werkelijkheid geloof ik niet alleen. Ik heb die in mijn leven ook heel vaak ervaren.[2]

 Terugvallen op het Woord van God

 Waarom kan ik stellen dat christen mijn naam is en gereformeerd mijn bijnaam? Omdat ik, als ik beide namen gebruik, mij richt op het ene getuigenis van de Heilige Schrift. Toen het woord ‘gereformeerd’ in zwang kwam, sprak daar niet het verlangen uit om een nieuwe kerk naast de rooms-katholieke kerk te stichten. Het verlangen was om aan het Woord van God trouw te blijven. Gereformeerden maakten zich los van een gemeenschap die het licht van de Schrift verduisterd had. ‘Gereformeerd’ doelde niet op iets nieuws, maar op een noodzakelijke hervorming om de goede Herder Jezus Christus te blijven volgen. Gereformeerd is: terugvallen op het Woord van God.
Als het goed is, zijn wij dus gereformeerd om voluit christelijk te blijven. Daarom spreken gereformeerden met grote waardering over de Reformatie in de tijd van Luther en Calvijn, alsook over de Afscheiding in 1834, over de Doleantie van 1886, en eveneens over de Vrijmaking in 1944. Als wij anderen zien dwalen in de leer, zoals wij die ontvangen hebben in het Woord van God, is dat nog geen reden hun de christennaam te ontzeggen. Maar, als wij gereformeerd heten om goede christenen te zijn, is er geen enkele reden ons voor het woord ‘gereformeerd’ te schamen. Wij verheugen ons erover dat wij in een gereformeerde kerk gedoopt zijn en onderwijs hebben ontvangen over Jezus Christus, die voor onze zonden gestorven is en ons door zijn Geest vernieuwt. Wij kregen onderricht in de Heidelbergse Catechismus over wat gereformeerd heet. Ik maak u erop attent dat dit leerboekje uit 1563 zich presenteert als ‘Onderwijs in de christelijke leer’. Het is een gereformeerde belijdenis, waarin de christelijke leer ook tegenover rooms-katholieke, doperse en zelfs lutheraanse overtuigingen verdedigd wordt.
In een gereformeerde kerk hebben de meesten van ons hun geloof openlijk beleden en vieren wij het heilig Avondmaal met onze broeders en zusters. Wij doen dat in een gescheiden kerkelijke wereld. Maar via de gereformeerde kerken weten wij ons verbonden aan de ene, christelijke kerk van alle eeuwen. Wij gedenken daarom haar grote voorgangers, zoals de apostelen en kerkvaders uit de eerste eeuwen. Wij eren de kloosterlingen uit de Middeleeuwen, die zich aan hun geloften hielden. Wij bewonderen het christelijk onderwijs zoals het in steen werd uitgebeiteld aan de binnen- en buitenkant van de kathedralen. Op alles kunnen we achteraf kritiek hebben, maar laten we vandaag onze waardering uitspreken voor wat God in de kerk geschonken heeft, ook toen er van gereformeerde kerken nog geen sprake was.
Wij eren verder al die mensen, die in en na de grote Reformatie ons hebben geholpen dwalingen en ketterijen te onderkennen, ook al kwamen zijn daardoor in de reuk te staan van lastposten en scheurmakers.

 Altijd strijd, altijd vreugde

 Over het gereformeerde karakter van de kerken waartoe wij behoren, is vanaf de tijd van de Reformatie altijd strijd geweest. Wie de Bijbel kent, weet dat aan de kerk wel een behouden vaart, maar geen kalme reis is beloofd. De poorten van het dodenrijk zullen de gemeente van Christus niet overweldigen (Matt. 16,18), maar de pogingen om het zover te krijgen, zijn legio. Zo zal dat blijven tot Jezus terugkeert. Graag willen wij allemaal de vrede, maar vrede-geroep is hol en leeg als wij de daarvoor nodige strijd niet willen aanvaarden.
Ik heb al eens geschreven dat het feitelijk een wonder moet heten dat de kerk niet in verval is[3]. Lees met name het boek Rechters. God bevrijdt zijn volk, maar even later is het volk Israël alweer ondankbaar en rebels. Het Oude en het Nieuwe Testament prenten ons in dat de genade van God groot is, ondanks het feit dat bijna met de regelmaat van de klok het verval van zijn volk weer intreedt. Neem de brieven van Paulus, die tal van gemeenten heeft mogen stichten, maar na korte tijd zich al genoodzaakt zag harde woorden te spreken om de broederschap te waarschuwen. ‘Strijd om in te gaan’, heeft Jezus ons voorgehouden (Luk. 13,24). Dat geldt voor ons persoonlijk, alle dagen weer. Maar het geldt ook voor de kerken. Wij moeten niet zwijgen over geestelijk verval. Ik merk natuurlijk best dat men zich ergert als ik het woord ‘verval’ gebruik. Er zijn toch zoveel mooie dingen te melden? Het kerkelijk leven gaat toch gewoon door? Moeten we niet de vrede nastreven in plaats van te twisten over zaken die zo belangrijk niet zijn? Zeker, maar er zijn ook zaken die wèl belangrijk zijn. Er is door de profeet Jeremia tweemaal gewaarschuwd tegen een stemming onder het volk Israël van: ‘Alles gaat naar wens!’ (NBG: ‘Vrede, vrede’!), terwijl zoiets niet het geval was (Jer. 6,14; 8,11).
Deze vergadering is belegd om u in te lichten over minder mooie dingen in ons midden. We spreken erover met pijn en moeite. Velen zijn zich niet bewust van wat er gaande is. Dat is jammer, al zal zoiets zich in alle tijden voordoen. Anderen willen er niet van horen, en dat is kwalijk. Wij nemen daarom een last op ons. We weten trouwens dat ons niets vreemds overkomt, als wij aan geschiedenissen uit de Bijbel en aan verhalen uit de kerkgeschiedenis denken.
Wat we zeker niet moeten doen, is ons de vreugde laten ontnemen die in alle strijd om het behoud van het ware christelijke geloof meekomt. Ik herinner aan de apostolische oproep uit Heb. 13,7: ‘Denk aan uw leiders, die het woord van God aan u hebben verkondigd, neem een voorbeeld aan hun geloof en kijk vooral goed hoe hun levenswandel eindigt’.
We moeten daarom ook niet bang zijn met vreugde te spreken over onze voorgangers, tot en met die in de Afscheiding, in de Doleantie en in de Vrijmaking. Het klinkt mij daarom bedenkelijk in de oren wanneer een vrijgemaakt-gereformeerde missionaire dominee verklaart dat hij ‘niks kan’ met dat woord gereformeerd en nog minder met het woord ‘vrijgemaakt’[4]. Laten we blij zijn met wat gereformeerde voorgangers door hun strijd ons hebben nagelaten. En laten we vooral niet spuwen in de bron waaruit wij allen als gereformeerden gedronken hebben. Moderne missionarissen menen tegenwoordig dat je eerst alles moet afbreken om de kerk nieuw te laten beginnen. Ze lopen niet over van respect voor wat het verleden voor het heden betekent.
Blijf strijden, houd ik u voor! Maar tegelijk: Denk met vreugde aan hen die onze voorgangers waren en laat u die vreugde niet ontnemen. Zij waakten over uw leven, of  ‘over uw zielen’, zoals de NBG-vertaling Hebr. 13,7 het weergaf. Velen menen in hun nieuwe oecumenische gezindheid dat de Vrijmaking, maar ook de Doleantie en de Afscheiding in het archief kunnen worden opgeborgen. Natuurlijk, over eerbiedwaardige gebeurtenissen zal ieder op jubilea veel goeds zeggen. Maar wij moeten, zo beweert men, vandaag een ander spoor volgen. Wij kunnen ons niet meer druk maken over allerlei tegenstellingen uit het verleden. Wij moeten kiezen voor eenheid, ook als we over de waarheid zeer verschillend denken.
Ik roep u op tot de strijd, in dankbare verbondenheid aan de gereformeerden die ons zijn voorgegaan. Altijd maar weer: strijd. Maar ook altijd weer vreugde over de wolk van getuigen die we reeds eeuwenlang – denk aan Hebr. 11 – om ons heen hebben.  

 De bandbreedte van wat gereformeerd is

 Het zal ook, zonder dat ik daaraan woorden wijd, duidelijk zijn dat wij het gereformeerde verleden niet verheerlijken. Er zijn opvattingen en consequenties aan te wijzen die de verdediging van de gereformeerde religie geen goed hebben gedaan. Wij hebben lange tijd geleefd alsof het begrip ‘gereformeerd’ samenviel met vrijgemaakt-gereformeerd. Het kerkisme heeft ons parten gespeeld, en het heeft lang geduurd voordat we er metterdaad mee braken. Zo kregen we, na jarenlang GPV-er te zijn geweest, pas door dat we in de politiek ook konden optrekken met niet-gereformeerden, in de Christen-Unie. Niet alles heeft een kerkelijk onderdak nodig en niet alles hoeft gereformeerd georganiseerd te zijn om onze bijdrage te leveren aan de Nederlandse samenleving.
Dat ook in zulke organisaties verval kan worden geconstateerd, is helaas werkelijkheid. De EO is de EO van het eerste uur niet meer, en in de Christen-Unie verbaast het ons dat men wel het gezin hoog zegt te houden, maar heel wat stiller wordt als het over homoseksualiteit en zelfs over het homohuwelijk gaat. Het verwonderde mij niet dat tijdens een jongste verkiezingen nogal wat mensen op de SGP hebben gestemd, die vroeger plichtsgetrouw aan de CU hun stem gaven. Ik heb op de CU gestemd, maar kan erin komen dat anderen dit niet  deden. Bij partijen, die de C van ‘christen’ in hun naam hebben, moet je je kritisch afvragen wat dit nog te betekenen heeft. Zetels binnenhalen staat snel op gespannen voet met weerbarstige principes.
Ik distantieerde mij zo-even van het kerkisme. Wie dat doet, moet erkennen dat de bandbreedte van wat gereformeerd mag heten, groter is dan vaak onder ons werd gedacht.  De gereformeerden hebben binnen het kader van de Drie Formulieren van Eenheid hun eigen pluriformiteit. Ik heb voorbeelden voor het grijpen. Laat ik er één noemen. Kort geleden las ik de interessante autobiografie van de onlangs honderd jaar geworden dr. M.J. Arntzen. Hij was eens synodaal- gereformeerd en kwam via de Nederlands Gereformeerde kerken bij ons terecht. Wie zijn biografie leest, merkt dat hij stellig niet vrijgemaakt ‘in hart en nieren’ is geworden. Hij levert in zijn autobiografie zinnige kritiek op ideeën van vrijgemaakte theologen. Zo is hij het op een belangrijk punt niet eens met prof. C. Trimp[5].
Wie echter het hele boek uit heeft, ziet een man voor zich, die trouw is gebleven aan het gereformeerde geloof, zoals hij het vond en beleed in de bewoordingen van de Drie Formulieren van Eenheid. Deze zachtmoedige en vriendelijke pastor zweeg er niet over toen hij het voor de waarheid over de hel moest opnemen tegenover zijn promotor prof. G.C. Berkouwer. Hij is er ook het bewijs van dat er een heilzame variatie mogelijk is in de gereformeerde kerken in het kader van de Drie Formulieren van Eenheid. Binnen dit kader, dat al ouder is dan 450 jaar, ontmoeten wij mensen als Voetius, Kuyper en Schilder, met hun eigen, vaak controversiële, ideeën. Ook gereformeerde theologie verandert. Maar het zijn veranderingen binnen de bandbreedte van het ene gereformeerde geloof.
Dit geloof wordt binnen de gereformeerde kerken over de hele wereld verschillend beleefd. Dat merken we in gevarieerde belijdenisgeschriften en in liturgieën van uiteenlopende aard.

 Grondslagen in geding

 Blijft dat kader van die eenheid in verscheidenheid onder ons behouden? Naar de buitenkant geoordeeld zou je denken van wel. Hebben wij als vrijgemaakt-gereformeerde kerken niet een duidelijk akkoord van samenwerking? Beloven alle ambtsdragers – predikanten, ouderlingen, diakenen, en docenten aan de Theologische Universiteit niet dat zij instemmen met de Drie Formulieren van Eenheid? Het is van gewicht dat een dergelijke eis aan de ambtsdragers wordt gesteld. Wie let op de kenmerken van de kerk, zoals ze in art. 29 van de Ned. Geloofsbelijdenis vermeld worden, zal begrijpen waarom. Wat zijn daarin de kenmerken van de kerk? De verkondiging van het evangelie, de bediening van de sacramenten en de oefening van de kerkelijke tucht. Welnu, die drie kenmerken hebben vooral betrekking op wat de ambtsdragers doen. De gemeente zelf kan zwak zijn, maar haar bestaan als gereformeerde kerk staat op het spel als de belofte die de ambtsdragers hebben afgelegd, zou worden gebroken. 

Laat ik een fundamentele kwestie aan de orde stellen die het voortbestaan van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) op het spel kan zetten. Ik hoop u duidelijk te maken dat ik niet aan fantaseren ben. We staan m.i. voor een ingrijpende beslissing.
Ieder weet van het verbond met God en van de doop, die door God zelf als teken en zegel aan dat verbond gekoppeld is. Vraag een Baptist wat gereformeerd is, dan zal hij niet nalaten op de kinderdoop te wijzen. En gelijk heeft hij. Gods genade is groot als Hij zich het volk Israël uitkiest en als teken van zijn verbond met Israël de besnijdenis gaf. Gods genade is al even groot als Hij ons in het Nieuwe Testament bij monde van Petrus voorhoudt dat aan de gelovigen en hun  kinderen de belofte toekomt (Hand. 2,37). Op grond daarvan mogen gelovige ouders èn hun kinderen gedoopt worden. Die doop, schrijft Calvijn aan het slot van zijn beschouwing over de kinderdoop, is voor ons  een prikkel onze kinderen in de eerbied voor God en in het onderhouden van zijn wet op te voeden, wanneer wij eraan denken dat ze, terstond van hun geboorte af, door Hem als zijn kinderen beschouwd en erkend worden (Institutie IV,XVI,32).

 Waardoor aarzeling over deze vanzelfsprekendheid?

 Hoe komt het dat de vanzelfsprekendheid van de kinderdoop onder ons aan het verdwijnen is? In de Reformatie bleef de kinderdoop gehandhaafd, hoeveel bezwaren de gereformeerden ook mochten hebben tegen roomse ideeën over de doop en over veel franje rond de doop. Zij bleven de kinderen dopen en verzetten zich fel tegen de Wederdopers die de kinderdoop verwierpen. Voor de reformatoren bleef de doop, inclusief de kinderdoop, een goddelijke instelling. De gereformeerde belijdenisgeschriften getuigen zonder uitzondering van het recht en de plicht van de kinderdoop. Zo zegt de Heid. Catechismus dat de kinderen van de gelovigen door de doop, als teken van het verbond bij de christelijke kerk ingelijfd en van de kinderen van de ongelovigen onderscheiden moeten worden (HC antw. 74). De Ned. Geloofsbelijdenis zegt hetzelfde. De kinderen behoren het teken van de doop te ontvangen (art. 34).
Maar vandaag is met name[6] door de ontwikkeling binnen de zgn. missionaire kerken onder ons niet meer vanzelfsprekend om aan de kinderdoop vast te houden. Volgens een enquête, gehouden in vier missionaire groepen, meent 54% dat kinderdoop en volwassendoop volstrekt gelijkwaardig zijn. Iedereen moet zelf kunnen uitmaken waarvoor hij/zij kiest. 90% vindt zelfs dat kinderdoop en volwassendoop in één gemeente naast elkaar kunnen bestaan[7]. 

De voorgangers

 Nu heb ik al opgemerkt dat een gemeente zwak kan zijn en daarom de vraag gesteld moet worden hoe de voorgangers van zulke gemeenten erover denken. Een enquête, ingesteld door de Rotterdamse predikant Mark van Leeuwen vertelt ons hoe de leden van vier missionaire gemeenten erover denken. Van Leeuwen heeft aan hen vragen gesteld over de identiteit van hun gemeenten[8]. Een van de voorgangers vindt de kwestie van geloofsdoop tegenover de kinderdoop geen ijkpunt. Het punt is niet onbelangrijk, maar in een situatie waarin de kinderdoop in iemands verleden een ritueel was en geloofsopvoeding geheel ontbrak, begrijpt deze voorganger de keus voor geloofsdoop[9].
Een andere voorganger, nl. die van Stroom, heeft een aantal jaren geleden reeds uitgesproken: ‘Wij zegenen alle nieuwe kinderen binnen de gemeente en nodigen de ouders uit om het kind ook te laten dopen. Maar wie dat laatste niet wil: onze zegen hebben ze’[10]. Dat kan deze voorganger wel zeggen, maar of God daaraan zijn zegen ook geeft, mag ik betwijfelen. Naar aanleiding van dergelijke uitlatingen heb ik de hoop uitgesproken, dat de classis (waarmee deze gemeente te maken heeft), zich daarover duidelijk zou uitlaten. Laat een classis zo’n doorbraak van de kinderdoop naar het zegenen van de kinderen, maar lopen? Of komt zij daartegen in het geweer?[11]
Uit het rapport van Van Leeuwen wordt voor mij duidelijk dat sommige voorgangers in missionaire gemeenten zich van hun binding aan de confessie weinig aantrekken. Een van hen zegt dat hij (ik heb dat al geciteerd) niks heeft met het woord gereformeerd. Gereformeerd is voor hem: genade en gehoorzaamheid. Vormen doen er niet toe. De inhoud van de belijdenis is prima, maar de formuleringen moet je aanpassen. Het belang van de belijdenissen ziet hij als een fonds waaruit je kernwaarden kunt putten[12]. Deze voorganger heeft ook andere bronnen en hij wenst zich duidelijk niet aan formuleringen te binden. Ik zou zeggen: u hebt dat toch gedaan bij uw ambtsaanvaarding?
Een andere voorganger zegt dat zijn kerk een ‘fusionkerk’ is, een mengeling van gereformeerd, evangelisch, charismatisch, en moeilijk vast te pinnen op één richting of stroming. Men is bang terug te vallen in ‘steile kaders van de GKv’. We volgen geen traditie, zegt deze voorganger, maar maken traditie. Dat lijkt me geen geringe pretentie. Vaagheid in woorden laat ons slechts raden in welke richting deze voorganger leiding geeft. Een fusiongemeente is geen gereformeerde gemeente. En dat wordt het ook niet, als ik hem hoor zeggen: Wat moet ik aan met de Drie Formulieren van Eenheid?. Ze vormen hooguit bronnen van inspiratie, al is het een belangrijke bron. Maar, zo verklaart hij zich nader: Je bent een waardeloze gereformeerde als je denkt dat je de belijdenis moet handhaven[13].
Ik heb dat inderdaad altijd gedacht na mijn eigen handtekening. In respect voor Jezus’ woord: ‘Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad’ (Matt. 5,37). Wellicht zal men zeggen dat mijn kritiek geen rekening houdt met het verband waarin zo’n opmerking over ‘waardeloze gereformeerden’ gemaakt is. Dat kan zijn, maar zoals het hier zonder dat verband staat, is een bedenkelijke opmerking.

 Conclusies

 U moet en kunt zelf oordelen, broeders en zusters, over wat ik nu concludeer nadat ik het rapport-Van Leeuwen geheel gelezen heb.
Ik concludeer allereerst dat de schrijver een beeld heeft ontworpen van wat gereformeerd is aan de hand van criteria die hij geselecteerd heeft. Die criteria zijn heel mooi. Om gereformeerd te mogen heten, moeten we Jezus Christus centraal stellen. We moeten de Bijbel als allesbepalende norm aanvaarden. Gods genade gaat voorop, zonder dat we de menselijke inbreng vergeten. En als vierde categorie noemt Van Leeuwen de noodzaak van voortdurende hervorming van de kerk als gehoorzaamheid aan God en als antwoord op de veranderende context[14].
Wat kan ik daar eigenlijk tegen inbrengen? Het is toch heel gereformeerd om de genade van God voorop laten gaan? Ja, maar juist daarom hadden de gereformeerde kerken geen enkele moeite met de kinderdoop. De genade van God gaat voorop. Hij neemt zelfs het kleinste kind op in zijn verbond en wil dat bevestigen met het teken en zegel van de doop. Maar wat doet het rapport-Van Leeuwen? De opsteller formuleert vier punten waaraan je een gereformeerde kerk kunt herkennen. Maar hij selecteert zó, dat verbond en kinderdoop er als primaire karaktertrekken voor een gereformeerde kerk niet meer in zijn laatste selectie voorkomen.
Hier vertelt iemand eerst wat hij als primair onder het begrip ‘gereformeerd’ laat vallen. De uitslag van zijn betoog is dat de kinderdoop geen primair punt meer is. De kinderdoop speelt pas op het secundaire niveau een rol.

Ga je zo te werk, dan kunnen we er in komen dat het genoemde rapport op de onderzochte missionaire gemeenten het stempel zet van ‘overweldigende instemming met het klassieke gereformeerde belijden’[15]. Maar ik ontdek op grond van de gegevens die de auteur heeft bijeengebracht, deze overweldigende instemming helemaal niet[16]. Ik leg ook een andere maatstaf aan, die de gereformeerde kerken zelf hanteren. Op grond van de Drie Formulieren van Eenheid verklaar ik dat tot de essenties van het gereformeerde belijden ook de aanvaarding van de kinderdoop behoort.
Het getuigt m.i. niet van een wetenschappelijke aanpak als je eerst door een eigen selectie bepaalt wat gereformeerd is, om vervolgens de missionaire gemeenten cum laude voor het onderzoek naar wat ‘klassiek gereformeerd’ is te laten slagen[17]. Het rapport is helaas niet kritisch-wetenschappelijk te noemen. Hij heeft zich te enthousiast ingezet voor de missionaire gemeenten om ook de kinderdoop nog tot de primaire kenmerken te rekenen van wat klassiek-gereformeerd is[18]. 

Ik concludeer verder dat hier een enquête is uitgevoerd onder een handjevol mensen, dat in de enquête nog geen driehonderd personen omvat. Ik begrijp best dat voorgangers van deze mensen om beslissingen van het gereformeerde kerkverband vragen. Overigens nadat zij deze kerken voor voldongen feiten hebben gesteld. Maar goed, wij zijn met hun experimenten in zee gegaan. Men heeft niet geluisterd naar die scribenten, die ernstig hebben gewaarschuwd tegen de uitgangspunten en praktijken van deze missionaire gemeenten[19]. Waar ik echter nu op wil wijzen, is het feit dat onze kerken meer missionaire arbeid verrichten dan alleen via Stroom en verwante groepen. Verschillende missionarissen, die in het buitenland werken, maar ook in Nederland zelf, hebben intussen verklaard dat missionaire arbeid in de klassiek gereformeerde zin mogelijk en vruchtbaar is. Daarvoor hoeft men niet het aan het recht en de plicht van de kinderdoop te twijfelen. Ik laat getallen niet beslissen, maar wie er grote waarde aan hecht, moet heel de missionaire arbeid onder ons in rekening brengen. Niet alleen op de oude zendingsvelden, maar bv. ook in de Ukraïne, waar men vreugde beleeft aan de doop, die aan bekeerlingen en hun kinderen bediend wordt.

 Volgens Van Leeuwen leggen de missionaire gemeenten die hij beschreven heeft, belangrijke discussies bloot, die we als bestaande kerken niet moeten willen ontlopen. Ja, we moeten er volgens hem ‘zo snel mogelijk’ overeenstemming over bereiken. Tot de belangrijkste punten van discussie behoren volgens Van Leeuwen de verhouding tussen gezinsdoop en geloofsdoop en het vrouwelijk leiderschap in de kerk[20].
Ik ben ook voor haast. Het is voor mij natuurlijk ook duidelijk dat de kerken zich moeten uitspreken. Je kunt als moederkerken niet eerst missionaire gemeenten als ‘dochters’ aanvaarden om ze vervolgens aan hun lot over te laten. Het is echter voor geen misverstand vatbaar wat Van Leeuwen zelf verlangt. Hij ziet niet in waarom vrouwelijk leiderschap per definitie ongereformeerd is. En er moet ook ruimte om de tweezijdigheid van het verbond tot uitdrukking te brengen. Hij  vindt de kinderdoop mooi als bezegeling van het goddelijk initiatief. Maar hij vindt het uitstellen ervan blijkbaar ook goed. Want in de volwassendoop komt mooi uit, dat  naast de genade van God ook de mens zijn aandeel heeft[21]. Ik zou zeggen: Als God verband legt tussen zijn verbond en de kinderdoop, moeten wij niet scheiden wat Hij samengevoegd heeft. Het aandeel van de mens komt aan het licht wanneer kleine kinderen groot worden en dan belijdenis van hun geloof afleggen.
Laar er geen misverstand over bestaan hoe wij over de haast van Van Leeuwen moeten denken om naar verandering te streven. Aan het missionaire toverwoord ‘context’ hebben we hier geen boodschap. De context van de secularisatie in Amsterdam is niet anders dan die in de Ukraïne. Daarvoor hoeft de christelijke boodschap over de kinderdoop, als enige doop voor de kinderen van gelovige ouders, niet te wijken.
Wij moeten veel verdragen door wat er gebeurt in onze kerken, hoe zwaar wij er vaak ook onder gebukt gaan. Maar stel dat de kerken op synodaal niveau het unieke[22] besluit zouden nemen de volwassendoop naast de kinderdoop te accepteren. Dan wordt er een grens overschreden die ik niet wens over te gaan. Ik wil niet doen alsof een kerk, die het ene paspoort van de kinderdoop inruilt voor een dubbel paspoort, nog gereformeerd mag heten, laat staan klassiek gereformeerd. Nogmaals, wat God samengevoegd heeft (verbond en kinderdoop), dat moeten wij niet scheiden, door voortaan de leden van de gemeenten daarover zelf maar te laten beslissen.

  Onze houding

 We moeten afronden. Allerlei onderwerpen laat ik onbesproken. Vanmiddag hebben wij de tijd om aan de hand van een Verklaring, die u zo meteen zal worden uitgereikt, over meer onderwerpen te spreken en te discussiëren. Laat ik nog op één zaak wijzen, nl. onze houding in de crisis waarin onze kerken zich bevinden.
Hoe treden wij op? Ik herhaal wat ik in het begin van mijn toespraak al gezegd heb. Wij geloven een heilige, algemene christelijke kerk, met als Heer Jezus Christus, die tegen zijn leerlingen en via hen ook tegen ons gezegd heeft: ‘Houd moed, Ik heb de wereld overwonnen’ (Joh. 16,33). Die wereld leren wij buiten, maar ook binnen de kerk kennen. Wij kunnen daarom uitgaan van een overwinning die reeds bevochten is en ook niet in haar tegendeel zal omslaan als wij het zwaar te verduren hebben of te verduren krijgen. Wij houden ons aan Christus’ overwinning vast en grijpen moed.
Wij grijpen moed, ook al maken velen zich van onze zorgen over de kerk af, uit onverschilligheid voor wat er gebeurt, of uit onwetendheid over wat er aan de hand is.
Wij grijpen ook moed door niet te berusten in de bewering van anderen, die het in veel met ons eens zijn, maar zeggen: De trein dendert toch door en de karavaan trekt verder. Waarom zou jij eigenlijk nog blaffen?
Dat ‘denderen’ van de trein hoor ik ook. De tijden zijn anders, de mensen zijn anders, de problemen zijn anders, en ga zo maar door. Meen jij dat je die vaart kunt afremmen en de trein tot stilstand kunt brengen?
Nee, dat meen ik niet en kan ik niet. Wij kunnen breken, maar niet maken. God is het die in zijn genade kerken kan reformeren. Mij heeft onlangs bijzonder getroffen wat Ps. 37,7 zegt: ‘Blijf kalm en wacht op de HERE’. De NBG-vertaling geeft dit weer met: ‘Wees stil voor de HERE en verbeid Hem’. Dat stil-zijn in Ps. 37 draagt geen meditatief karakter, maar is gewoon een oproep om niet kwaad te worden, ons niet te ergeren en aan die ergernis geen lucht te geven. Het wordt een man in Ps. 37 verweten dat hij woedend is op mensen die slecht en ook nog rijk zijn. En dat binnen Israël, het volk van God! Die woede is te begrijpen, maar God veroordeelt z’n ergernis. Zoiets brengt alleen maar onheil (37,8).
De stilheid waartoe God oproept, is geen oproep tot geestelijke zelfconcentratie, maar heel gewoon tot zelfverloochening. Wij moeten onszelf aan banden leggen, ook al zijn we terecht verontwaardigd over allerlei dingen in de kerk. Woede en ook argwaan – een woord dat ik onlangs gebruikte; ik neem het bij dezen terug – moet niet ons beeld zijn dat wij naar buiten tonen. Hoe begrijpelijk ook, want gebrek aan vertrouwen neemt toe naarmate de liefde voor de waarheid, openheid en eerlijkheid in de kerk afnemen.
De liefde voor onze broeders en zusters moet ons ertoe brengen ondanks al onze verontwaardiging te laten voelen dat wij hun hart zoeken. Wij hebben de gereformeerde kerken lief en willen daarom spreken, ook al merken we dat dit spreken ons niet in dank wordt afgenomen.
Wij grijpen moed als we elkaar hier op deze vergadering zien en elkaar tot steun kunnen zijn. Als wij hier een vereniging vormen van mensen, die treuren over de gang van zaken in hun kerken, dan verklaren we tegelijk dat we deze groepsvorming niet in dienst stellen van een groep, maar in dienst van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in hun geheel. Wij hopen dat dit zo ook aanvaard wordt. Wij bereiden hier geen scheuring voor, zoals sommigen vrezen. Wij bieden God ons hart aan, sincere et prompte[23] d.w.z. oprecht en bereidwillig. Waarbij we even oprecht en bereidwillig verklaren dat wij in onze dienst aan God ook het heil voor de kerken op het oog hebben. ‘Samen graag gereformeerd!’ Die leus siert niet alleen het organiseren van onze dag in Bunschoten, maar zal het stempel moeten zijn op al onze arbeid. 

Hardenberg, 29 september 2012.

 

dr. Jochem Douma

  

[1]  De uitspraak over naam en bijnaam komt van prof. J.J. van Oosterzee (1817-1882). Hij verdedigde de orthodoxie tegenover het modernisme van J.H. Scholten,  maar was het ook oneens met een confessionele binding aan de gereformeerde religie (contra A. Kuyper e.a.). In dat laatste kader past zijn uitspraak over de  bijnaam ‘gereformeerd’ in relativerende zin. 

[2] Zelfs in de tijd dat onze aandacht (te) sterk op het eigen kerkelijk leven gericht was, kon iemand als B. Holwerda in zijn scherpe brochure De kerk in het eindgericht, brochurereeks Woord en Wereld, Goes z.j. [1950], pag. 10v., verklaren: ‘Ik zeg niet dat buiten de Vrijgemaakte kerrk niemand zalig wordt. Dat zeg ik er nadrukkelijk bij (… ). Ik geloof heel goed, dat er Synodalen zalig worden en dat er Hervormden zalig worden. En ik geloof wel dat er Rooms-Kathlieken zalig worden. Maar dat is de kwestie niet’. Holwerda wil ook gezegd hebben hoevelen er door de kerken die afvallig werden, verloren zijn gegaan.

[3] Zie mijn (niet in de handel gebrachte) uitgave De situatie in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), Hardenberg (september 2011),65v.

[4] Vermeld In rapport van Mark van Leeuwen Stilstand is achteruitgang, 77. Zie ook Gereformeerd Kerkblad van  1 september 2012, waarin een interview met deze predikant te vinden is.
Het hier genoemde rapport van Mark van Leeuwen is mij door de schrijver toegezonden met het oog op mijn betoog dat ik in Bunschoten op zaterdag 29 september zou houden. Ik dank hem voor deze toezending, zonder dat ik hem erom had gevraagd. Nu en in het vervolg noem ik vrijwel geen namen van personen op wie ik kritiek oefen. Wie ernaar wil speuren, kan ze vinden in de door mij geciteerde literatuur. Ik wens geen vonnissen te vellen, maar op tendenzen te wijzen.

[5]  Zie M.J. Arntzen, Een theologenleven in woelige tijden, Barneveld 2004,168v.

[6] Met name binnen de missionaire groepen, maar daar niet alleen. Een vrijgemaakt-gereformeerde predikant schreef in het Ned. Dagblad van 20 november 2010 dat wij de ‘luxe van exclusiviteit’ echt voorbij zijn. Als de kerkelijke gemeenschap wil gaan voor de kinderdoop, dan stelt hij daaraan voorwaarden. Een opvallend vrijpostige opmerking voor iemand, die zich destijds aan de Drie Formulieren van eenheid verbonden heeft. Het kan nog ridiculer: Iemand anders denkt bij het strijden voor de kinderdoop aan christenen,  die tijdens het zinken van de Titanic controleren of hun haar wel goed zit, Ned. Dagblad van zaterdag 26 jan. 2011.

[7] Zie Bijlage 3 in Mark van Leeuwen, a.w. 83vv.

[8] Stilstand is achteruitgang,71vv,.

[9] A.w.,71. Deze voorganger beseft overigens wel dat de Drie Formulieren van eenheid de ruimte binnen de missionaire gemeenten voor de geloofsdoop, plus het vrouwelijk leiderschap in de gemeente, in de weg staan, a.w.,72.

[10] Zie Ned. Dagblad van 5 februari 2010.

[11] Zie mijn De situatie in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), 62.

[12] Van Leeuwen, a.w.,77v Deze voorganger aanvaardt de confessie als een stuk traditie, zoals hij die traditie ook in Bijbelvertaling en liturgie vindt.

[13] A.w.,81. Deze voorganger beroept zich op een gereformeerd predikant die zegt: ‘Een belijdenis moet je niet handhaven. De wet, die moet je handhaven, een belijdenis moet je belijden’.  Ik begrijp niet waarom je niet én belijden én handhaven mag zeggen: ‘Waak over hetgeen je is toevertrouwd’, zegt Timoteüs (1 Tim. 6,20). Een belijdenis moet je belijden, zeer zeker. Maar dat doe je ook door (zoals Timoteüs) aan de hand van wat je is toevertrouwd,  je afkerig te tonen van goddeloos gepraat en tegenstrijdigheden.

[14] A.w.,24.

[15]  Ned. Dagblad van 4 september 2012. Dit stuk in de krant werd medeondertekend door zijn studieleider dr. S. Paas en de post-doc medewerker dr. J.H.F. Schaeffer.

[16] Een insider, Norbert Veldman, die van 2005-2009 deel uitmaakte van het leiderschapsteam van Stroom, denkt daar waarschijnlijk ook zo over, blijkens zijn artikel ‘Stroom, denk over zelfstandigheid’, Ned.Dagblad van 10 september 2012. Hij vermeldt dat onderwerpen als de vrouw in het ambt, kinder- en volwassendoop niet of nauwelijks meer onderwerp van discussie zijn in Stroom. ‘Waarom zou Stroom aan de vrijgemaakte kerken verbonden willen blijven als het op voor dit kerkverband essentiële punten knelt?’, schrijft hij. Hij heeft twijfels bij de stelling en onderbouwing van het artikel van Van Leeuwen, Paas en Schaeffer.

[17] Het is opvallend enerzijds van Van Leeuwen te horen dat hij in zijn rapport geen oordeel zal geven over het ‘al dan niet gereformeerde karakter van de kerkplantingsinitiatieven, a.w.,7 en 49. Anderzijds komen o.a. op  pag. 60  de deelnemers aan de enquête ‘met een duidelijke meerderheid als gereformeerd uit de bus’.

[18] Met W. Balke, die de eenheid van de kerk ziet liggen binnen de grenzen van de Drie Formulieren van Eenheid, komt Van Leeuwen, a.w.,23.  in één alinea klaar. Bij Balke lijkt, aldus Van Leeuwen, de oecumene vooral een oecumene te zijn van gereformeerden wereldwijd.  Mijn reactie: Dat dachten onze kerken tot voor kort ook, maar vandaag, gelet op Van Leeuwens antwoord op Balke, kennelijk niet meer. Ik kan dat nu niet uitwerken, maar de spits van Van Leeuwens verhaal – er moet op korte termijn een beslissing komen over de vrouw in het ambt en over de (exclusiviteit van de) kinderdoop – hangt duidelijk samen met de bereidheid van deze kerken nu breed aan de oecumene deel te nemen. Ook de opvattingen van dr. Paas, die in Kampen missionaire theologie doceert, stimuleren dat. De tegenstelling tussen evangelisch en reformatorisch heeft eigenlijk nooit bestaan, aldus Paas. Ze vormen slechts de holle en de bolle kant van de orthodoxie.  Zie Nederlands Dagblad van 20 juni 2012.  Wie zo gemakkelijk muren slecht als hier gebeurt, of zelfs zegt dat die muren alleen maar denkbeeldig geweest zijn, zal ook graag kinderdoop en volwassendoop beide een volwaardige plaats in de Gereformeerde Kerken gunnen. Prof. W.J. Ouweneel zag het beter, op de vergadering  waarop Paas met zijn stelling kwam. Hij noemde de doop een blijvend verschil met de gereformeerden.

[19] Zie de recensie van het boek van  Gerrit Noort, Stefan Paas e.a., Als een kerk opnieuw begint (2008), door de Ukraïnse missionaris ds. H. Drost, in het blad Nader Bekeken, jg. 17, maart 2010,79vv. Ik wijs ook op mijn eigen kritiek in De situatie in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), 2011,56-62. Niemand heeft bij mijn weten op dergelijke kritiek gereageerd, ook al vroeg ik, tot in Kampen toe, om antwoord.

[20] Van Leeuwen, a.w.,64. De opmerking over het vrouwelijk leiderschap, dat projecten als Aker en Stroom nog niet per definitie ongereformeerd maakt, lezen we in a.w.,62.

[21] A.w., 62vv.

[22]  Het moet uniek heten, m.i. ook voor Van Leeuwen. Hij zegt zelf dat de opvattingen over de volwassendoop en de plaats voor de vrouw in de leiding van de kerk door hem niet aangetroffen zijn in de literatuur die hij raadpleegde, en (uiteraard) ook niet in de belijdenis, a.w.,60.

[23] Korte versie van Calvijns persoonlijke lijfspreuk: Cor meum tibi offero domine prompte et sincere, d.w.z.: ik bied u mijn hart aan, o Heer, bereidwillig en oprecht.

Reacties zijn gesloten.