Predikant: dienaar van het Woord

  J.R. Visser

 Op het artikel “crisisloos geloven?” kwamen verschillende reacties. Met daarin o.a. de vraag om eens iets te schrijven over taak van de predikant als het over prediking gaat. Ik voldoe graag aan dit verzoek en maak daarbij ook gebruik van wat ik hierover al eerder uitgesproken heb. 

 Dienaar van het Woord

De dominee is ook maar een mens. Een mens met zijn eigen levenservaring. Een mens met zijn eigen gaven en eigenaardigheden. Hij is een zondig en gebrekkig mens zoals alle andere mensen dat ook zijn. Hij heeft elke dag vergeving nodig, elke dag de vernieuwing door Gods Geest. Het is nodig dat de dominee een biddende dominee is en in alles, ook in Zijn bijzondere taak, het helemaal van de HERE verwacht. Om zo door de Geest bewerkt te worden dat hij dienaar wil zijn. Niet zijn eigen woord en gedachten wil doorgeven maar Gods Woord. Juist dit uitgangspunt bepaalt hoe je preekt, hoe er in de gemeente van Christus gepreekt moet worden. Dit bepaalt het karakter van de prediking..
Zij die geroepen worden om het evangelie in en aan de gemeente te verkondigen, worden dienaren van het Woord genoemd. Paulus schrijft meerdere keren over de bediening van het evangelie die hij en andere predikers van Christus als opdracht gekregen hebben.

Twee belangrijke voorbeelden daarvan uit de brieven van Paulus:

2 Korinthe 3:5-8: “Niet dat wij vanuit onszelf zo bekwaam zijn dat we dit als ons eigen werk kunnen beschouwen; onze bekwaamheid danken wij aan God. Hij heeft ons geschikt gemaakt om het nieuwe verbond te dienen; niet het verbond van een geschreven wet, maar dat van Zijn Geest. Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend. Wanneer wat de dood bracht en met letters in steen werd gegrift, al met zoveel luister verscheen dat het volk van Israel niet naar Mozes kon kijken door de stralende glans van zijn gezicht – een glans die verdween-, zal dan wat de Geest brengt niet nog groter luister hebben?”
“Maar dan moet u blijven geloven, onwrikbaar gegrondvest zijn in de hoop die het evangelie brengt, het evangelie dat u gehoord hebt en dat aan alle schepselen onder de hemel verkondigd is, en waarvan ik, Paulus, de dienaar ben geworden. Ik ben blij dat ik nu voor u lijd en dat ik in mijn lichaam mag aanvullen wat er nog aan Christus lijden ontbreekt, ten behoeve van Zijn lichaam, de kerk. Waarvan ik de dienaar ben. Met het oog op u heeft God mij die dienende taak toevertrouwd, opdat Zijn boodschap in al haar volheid verkondigd wordt”. Kol 1:23-25 Lees ook 2 Kor 5:18-21; 6:4; Ef 3:7; 1 Tim 1;12; 4:6; Hand 6:1-4.
De bediening van het evangelie is een taak die God aan de prediker geeft. Hij staat in dienst van Christus en moet als Zijn gezant optreden. Hij moet echt dienaar van Christus, dienaar van het Woord van Christus zijn.De predikers moeten niet hun eigen woorden en ideeën verkondigen maar het Woord van hun Meester. (Hand 6:4)

De predikant moet als dienaar van het Woord onafhankelijk van mensen blijven
De predikant staat als verkondiger van het Woord niet in de eerste plaats in dienst van de kerkenraad of van de gemeente. Dat mag niet zo zijn. Zo mogen een kerkenraad en gemeente ook nooit gaan denken of redeneren. De predikant is geroepen om het Woord van Christus op de preekstoel uit te dragen, niet het beleid van de kerkenraad of de smaak van de gemeente. Het betekent o.a. dat de predikant in de bediening van het Woord altijd onafhankelijk van mensen moet blijven.

 Heel duidelijk lees je dat in 2 Tim 4:1,2: “Ik roep je dringend op, ten overstaan van God en van Christus Jezus, die zal oordelen over de levende en de doden, ik bezweer je bij Zijn komst en heerschappij: Verkondig de boodschap, blijf aandringen, of het nu uitkomt of niet, wijs terecht, straf en vermaan met alle geduld dat het onderricht vereist.”
Timotheus wordt opgeroepen om het Woord te verkondigen. Zelfs wanneer het voor mensen onaangenaam is. Het Woord moet beheersen. Het Woord van Christus moet over Zijn knecht heersen en hem beheersen. Hij moet eerlijk en in biddende afhankelijkheid van God het Woord van Christus in een bepaalde situatie verkondigen. Daartoe roept Christus zelf hem. Ook als hij weet en aanvoelt dat er veel tegenstand zal komen als hij juist dat zegt. Als de prediker dat niet doet, zal de HERE hem dat toerekenen. Hem daarvoor verantwoordelijk houden. Als de predikant het Woord van God rechtuit verkondigd is hij dienaar van de gemeente. Dan dient hij de echte opbouw van de gemeente van Christus. Denk hierbij ook aan Kol 1:24-29.

 Als de predikant in de prediking streng en indringend moet vermanen, mag hij dat niet doen omdat hij kwaad is. Of omdat iets hem als persoon onaangenaam geraakt heeft. Hij moet het met geduld en liefde doen. Dat schrijft Paulus duidelijk aan Timotheus. (2 Tim 4:2) Het gaat dan om geduld en liefde voor de mensen die je wilt bereiken. Daarom is het dan ook heel belangrijk dat de prediker vanuit Gods eigen Woord duidelijk maakt waarom het zo ernstig is en waarom die boodschap zo indringend tot ons komt. Dan wordt de gemeente echt opgebouwd. Dat geldt ook als mensen dan vanwege de boodschap van het evangelie de gemeente de rug toe keren. Dan zie je dat het Woord en ook de prediking daarvan een tweesnijdend zwaard is.
 Dat een predikant een dienaar van het Woord is en moet zijn, wordt ook in het bevestigingsformulier voor dienaren van het Woord benadrukt. Een paar voorbeelden:
Wanneer de predikant die bevestigd wordt een opdracht krijgt, lezen we: ”Verkondig de zuivere leer, zodat de gemeente door uw prediking en onderwijs bewaard blijft bij Gods Woord.”
Bij de opdracht voor de gemeente lezen we o.a: “Denkt eraan, dat God zelf u door hem aanspreekt. Neemt daarom de woorden, die hij naar de Schrift tot u spreekt, met blijdschap aan.”
Later lezen we in het gebed: “Wil ook allen die aan zijn hoede zijn toevertrouwd, de genade verlenen dat zij deze dienaar erkennen als door U gezonden. Geef dat zij de leer en de vermaning van Christus, waarmee deze herder tot hen komt, aannemen en zich met vreugde aan zijn leiding onderwerpen.”
De predikant staat als dienaar van het Woord in dienst van Christus. Dat wordt beklemtoond door wat we het “tegenover”van het ambt noemen. De taak die Christus hem gegeven heeft, betekent dat hij in bepaalde opzichten tegenover mensen staat:

Tegenover zichzelf, Tegenover zijn medeambtsdragers,
Tegenover de gemeente,
Tegenover iedereen die luistert.

 Het Woord vindt zijn oorsprong niet in het hart van de predikant. Als een dominee preekt, is het niet zijn woord. De prediker vraagt in diepe afhankelijkheid van zijn Meester, aan God: “Here, leg beslag op mij door Uw Geest, laat Uw Woord beslag op mij leggen zodat ik Uw Woord verkondig en niets anders.”

 Daarbij komt dan ook het gebed om geloofsmoed om het Woord onafhankelijk van andere mensen te blijven verkondigen. Dat betekent dat de prediker in zijn preek ook zichzelf aanspreekt met het Woord van God. Ook zijn eigen zonden en kleingeloof bestraft.
De predikant staat in dienst van Christus. Dat is de weg waarin Christus Zijn Woord in deze wereld wil verkondigen. Aan wie moet een predikant het evangelie verkondigen en hoe moet hij hen dan aanspreken?

 Wat is het adres van de prediking?

Vanuit zendingsperspectief of missionair perspectief is het adres van de verkondiging van het evangelie de hele wereld en alle mensen. Dan spreek je de mensen aan als mensen die God niet kennen en die de Here roept met Zijn evangelie. Als je voor de gemeente staat die in de wereld ook een licht op een berg moet zijn, moet je er rekening mee houden dat Gods volk voor je zit. Het volk met wie de HERE een speciale band heeft.
Het adres van de prediking is dan in de eerste plaats de gemeente. Een belangrijk vraag voor de prediking is dan: “Hoe zien we de gemeente? Zien we de gemeente als de gemeente waarin iedereen een echte gelovige is? Als de gemeente waarvan iedereen uitverkoren is, waarvan iedereen wedergeboren is? Of zien we ook de gemeente die voor ons zit in grote meerderheid als ongelovigen, verlorenen, mensen die niet wedergeboren zijn? Of zien we de gemeente als een groep van gemengd publiek, van gelovigen en ongelovigen?”
We moeten wegblijven bij een subjectieve beoordeling van de gemeente. Paulus spreekt de gemeenten aan wie hij brieven schrijft aan met “heiligen”of “gelovigen”. Paulus laat dan zien dat de gemeente, die door Christus vergaderd wordt, verbondsgemeente is.
De leden van de gemeente zijn voor God geen mensen zoals alle andere mensen. De HERE is met Zijn belofte naar ze toegekomen. Ze staan daardoor onder de zorg van Christus. De gemeente aan wie het Woord verkondigd wordt, is geen toevallige groep mensen die naar het evangelie luisteren. Het zijn mensen waarmee de HERE Zijn verbond gesloten heeft. Waaraan Hij Zijn liefde bewezen heeft. Deze mensen horen bij Christus. Zij staan door Gods initiatief in de rechtspositie van kind van God. Daarop moeten ze steeds weer gelovig antwoord geven. De gemeente is de verbondsgemeente zonder dat je daarmee zegt dat ieder lid van de gemeente dus een gelovige, dus een wedergeborene of uitverkorene is. (Jer 13:15-27; Joh 3; 1 Kor 10; Openb 2,3)

Juist in de verbondsgemeente moeten de leden van de gemeente tot geloof en bekering opgeroepen worden. De HERE is met Zijn onvoorstelbare liefde naar ons toegekomen. Wij moeten in diep geloof en verwondering daarop reageren. Als we dat niet doen is voor ons het oordeel juist nog zwaarder. Deze werkelijkheid belijden we ook in de gereformeerde belijdenis. Ik geef een voorbeeld. Een tweede voorbeeld hebben we al gehoord in vraag en antwoord 84 HC.

Het voorbeeld is artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. We lezen daar de kenmerken van de ware kerk en van de ware christenen. Dan wordt duidelijk dat er ook huichelaars in de kerk met de gelovigen vermengd zijn. Die zijn wel in de kerk maar horen er door ongeloof eigenlijk niet bij. De belijdenis zegt dus in overeenstemming met Gods Woord dat er ook ongelovigen in de gemeente zijn.

De belofte van God aan de leden van de gemeente bij hun doop is heel belangrijk. De HERE heeft bij de doop heel echt en zonder twijfel zijn belofte aan hen gegeven. Dit geweldige en heerlijke voorrecht moeten we steeds weer zien en erkennen. Daarop moeten we als gemeente in de prediking steeds weer aangesproken worden. Als gemeente van Christus. Het mag onder ons geen valse gerustheid brengen. De doop betekent niet dat je dus wedergeboren bent, dat je dus uitverkoren bent en het daarom eigenlijk niet uitmaakt hoe je leeft. We belijden dat ook heel duidelijk in de eerste zinnen van het eerste Doopformulier: “De leer over de doop is als volgt samen te vatten: Ten eerste: wij en onze kinderen zijn in zonde ontvangen en geboren. Daarom rust Gods toorn op ons, zodat wij in het rijk van God niet kunnen komen, of wij moeten opnieuw geboren worden. Dit leert ons de onderdompeling in en de besprenkeling met het water. Daardoor wordt ons de onreinheid van onze ziel voor ogen gesteld. Dit moet ons ertoe brengen, dat wij een afkeer krijgen van onszelf, ons voor God verootmoedigen en onze reiniging en ons behoud buiten onszelf zoeken.”

De HERE geeft de wedergeboorte niet in de doop. Hij belooft die wel in de doop. Hij belooft dat Hij met Zijn Geest in ons wil wonen en ons aan Christus wil verbinden. De prediking moet en mag de gemeente de rijkdom van Gods belofte met als inhoud de rijke Christus voor arme zondaren, voor de gemeente aanprijzen, aanbevelen, uitroepen, verkondigen. De prediking is geen wens. Is ook niet alleen een bedreiging of verduidelijking van een tekst. Het is ook niet alleen een uitleg van Gods verbond met ons. Nee, het is het appel van Christus zelf op ons, op de gemeente. Zo moet de gemeente door de prediking aangesproken worden. Zo moet uitgestald worden het heerlijke voorrecht dat we als gemeente in deze wereld gekregen hebben. Die dan ook weer een grote verantwoordelijkheid meebrengt. Het middelpunt van de prediking is Jezus Christus in wie de Drie-enige God tot ons gekomen is. Het middelpunt van de prediking is de Drie-enige en Zijn werk.

We zien hier hoe belangrijk het is dat we steeds weer de oproep die vanuit de christelijke gereformeerde kerken tot ons gekomen is om toch onderscheidenlijk te preken te honoreren. Juist vanuit het leven, denken, ademen vanuit Gods verbond is dat heel goed mogelijk. Toch krijg ik in gesprekken meerdere keren de indruk dat dat iets is wat als achterhaald gezien wordt. Je moet er als dominee vanuit gaan dat de hele gemeente gelovig is. Het is daarom volgens sommigen in de kerken verkeerd om in de prediking op te roepen tot bekering. Het zou nodig zijn om alleen te bemoedigen. Oproepen tot bekering stoot af wordt dan gezegd maar het bemoedigen dat houdt mensen nog het meest bij Christus. We vergeten dan dat de HERE in Zijn Woord zowel in het Oude als Nieuwe testament zo heel duidelijk vermaant en tot bekering oproept en ook bedreigd als we ons niet bekeren. Wij moeten ook in de prediking niet wijzer dan God willen zijn. Je ziet hier volgens mij een neiging tot de leer van Arminius die in de Dordtse leerregels zo duidelijk op grond van Gods eigen Woord veroordeeld wordt. De neiging om te zeggen dat een vriendelijk appel genoeg voor een mens is om tot geloof te komen en te blijven geloven. (Verwerping der Dwalingen  III/IV,7) Je ziet hoe mensen in de kerken geraakt zijn door het evangelische-arminiaanse gedachtegoed dat ieder mens een vrije wil heeft waarmee hij of zij uit zichzelf voor God kan kiezen. Het is nodig om steeds weer in de prediking te laten zien wie God is en hoe Hij ons roept en op het gebed door Zijn Geest tot nieuwe mensen wil maken die zich steeds weer willen bekeren. Dan wil je ook veel meer van God weten. Dan is Christus, het leven met Hem het centrale in je leven, in de prediking en in de gemeente.

  

21 juni 2012

Reacties zijn gesloten.