Kort commentaar 27-29

 

17 maart 2012

 

 

[27] In memoriam prof. dr. Cornelis Trimp (1926-2012)

 Nog maar kort na de dood van J. Kamphuis is ons een tweede oud-docent van Kampen ontvallen: prof. Trimp. Het ligt voor de hand dat wij in deze rubriek hem gedenken als een bekwaam docent, die na vier gemeenten gediend te hebben als predikant, vanaf 1970 tot aan 1993 hoogleraar in Kampen is geweest. Hij doceerde in de ambtelijke vakken, waarin onderdelen als de prediking en de liturgie in de kerkdiensten, alsook de verbreiding van het evangelie naar buiten, door hem zijn onderwezen. Verschillende publicaties zijn er van zijn hand verschenen. Deze theoloog gaf daarin duidelijk aan wat ‘ambtelijke’ theologie (tegenwoordig zegt men: praktische theologie) voor hem betekende. Zijn eigen theologische opleiding, met als hoofdvak de dogmatiek, laat zich overal herkennen. Hij was geen man voor het schrijven van populaire gidsen over ‘wat is het gebed?’, ‘hoe zingen we in de kerk?’, ‘wat moet een preek mij zeggen?’ etc. Hij verwachtte dat zijn leerlingen het groot geld van hun leermeester wel in klein geld zouden omwisselen bij hun gemeenteleden. Overtuigd was hij van de noodzaak van de prediking als bediening van de verzoening door Jezus Christus. Hij wist van het brengen van de boodschap in verstaanbare mensentaal, maar dan zonder aanpassing aan de smaak van de toehoorders. Ik denk aan een van zijn bekendst geworden publicaties Klank en weerklank, met de duidelijke ondertitel: ‘door prediking tot geloofservaring’ (1989). Eerst is er de klank van het Woord van God, dat de ‘weerklank’ zoekt in ons geloofsantwoord, bewerkt voor zijn Geest.
Ik had het voorrecht naast hem te werken gedurende heel zijn Kamper periode. Wij vingen daar ons werk aan in hetzelfde jaar (1970). Vooral voor het blad De Reformatie hebben wij veel samen gedaan. Er is een periode geweest waarin wij bij toerbeurt de rubriek “Kerkelijk leven’ verzorgden. Ik kan mij niet herinneren dat wij het ooit oneens waren over de koers die het blad moest volgen, ook niet als het over controversiële zaken binnen de kerken ging.
In die tijd kregen wij vooral te maken met de interne strijd binnen het Gereformeerd Politiek Verbond (GPV) over de kwestie, of deze (vrijgemaakte) politieke partij ‘open’ moest worden of ‘gesloten’ diende te blijven. Wij waren dezelfde mening toegedaan. Welke? Dat het onjuist is met gelijkgezinden op politiek terrein niet samen te werken, alleen op grond van het feit dat we kerkelijk niet één zijn. Zo plaatsten Trimp en ik in juni 1981 onze handtekening onder een Verklaring van 77 GPV-ers die aandrongen op eventuele lijstineenschuivingen met twee andere christelijke partijen (SGP en RPF) voor landelijke verkiezingen.
Wie aan de situatie van vandaag denkt, en dan nog eens de ‘ingezondens’ leest, die op deze Verklaring in het Nederlands Dagblad volgden, zal zich verbazen wat wij naar het hoofd geslingerd kregen. Het leek wel alsof onze Verklaring even bedreigend was als destijds de ‘Open Brief’ uit 1966!

 [28]   Trimp en de Open Brief

 Over de ‘Open Brief’ gesproken! Velen denken dat de bestrijding van de Open Brief van 31 oktober 1966 het werk van prof. Kamphuis is geweest. Maar wie in de geschiedenis duikt, zal merken dat de strijd tegen de Open Brief niet door Kamphuis, maar door Trimp geopend is. Kamphuis was uitgeschakeld door een auto-ongeluk, waardoor hij in het ziekenhuis belandde. Trimp nam toen de eindredactie van De Reformatie over en bekritiseerde in scherpe bewoordingen de Open Brief. Hij schreef in december 1966 een antwoord-Open Brief aan de initiatiefnemers, waarbij hij speciale aandacht gaf aan de vrijzinnige opvattingen van ds. B.J.F. Schoep, de eigenlijke schrijver van de Open Brief. Veertig jaar later zou prof. Trimp in een interview, dat hem werd afgenomen door het Nederlands Dagblad (oktober 2006), nog steeds achter zijn bestrijding van de Open Brief staan. Hij wist in 2006 al, dat veel vrijgemaakt-gereformeerden de neiging hadden het boetekleed aan te trekken over de scheuring met de Nederlands-Gereformeerden, die toch wel vooral op rekening van de vrijgemaakte ‘diehards’ van veertig jaar geleden moest worden gezet. Nu was Trimp geen diehard in 1966. Maar én in 1966 én veertig jaar later nog precies zo, was hij wel overtuigd van de noodzaak om de gereformeerde belijdenis tegen haar bestrijders te beschermen. ‘Ik ben blij dat ik gedaan heb wat ik heb gedaan: vasthouden aan de binding aan de confessie en de kerkorde’. Wat hem vooral griefde, was de opmerking in de Open Brief over ‘klein vaderlands gedoe’. Daarmee werd bedoeld dat het toch eigenlijk belachelijk was te midden van alle problemen waarvoor de ‘wereldkerk’ stond, zich druk te maken over zaken als Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus, waarin staat dat onze zielen na onze dood direct tot Christus haar hoofd worden opgenomen in de hemel. Ds. Telder van Breda en anderen met hem bestreden op dit punt genoemde Zondag. Trimp vond dat, evenals Kamphuis, een illegitieme bestrijding van de confessie. De kerken hadden zich immers, evenals iedere predikant afzonderlijk, aan deze confessie verbonden? Toen het veertig jaar later op verscheidene plaatsen tot betere contacten met de Nederlandse Gereformeerde Kerken kwam, verklaarde Trimp dat hij perspectief zag in zulke contacten, maar dan op één voorwaarde: dat beide kerkelijke groeperingen uitgaan van dezelfde confessie. ‘Graag zou ik op basis van de gereformeerde belijdenis samen verder gaan. En vragen we dan zoveel raars van elkaar als we die belijdenis bekrachtigen?’
Trimp moest, zo bleek opnieuw in 2006, niets van kerkisme hebben. Niet alles is afhankelijk van het kerkelijke lidmaaatschap. Hij was blij met Rouvoet als leider van de ChristenUnie, ook al was hij niet vrijgemaakt-gereformeerd. Zoals hij ook ingenomen was met hulpverleningsorganisaties als de Vereniging ter Bescherming van het Ongeboren Kind (VBOK), zonder kerkelijke grondslag. Het is een normale ontwikkeling die meekomt met het volwassen worden, schreef hij. Maar dat was voor hem heel wat anders dan het bestrijden van een afwijking van de confessie. Zoiets ‘klein vaderlands gedoe’ noemen, stak hem diep.

 [29] Ingebouwde tolerantie?

 Trimp mogen wij in herinnering roepen als hij enerzijds geen kerkist wilde zijn, en anderzijds bleef vasthouden aan de grote waarde van een ondubbelzinnige binding aan de belijdenis van de kerk, zoals wij die in de Drie Formulieren van Eenheid bezitten. Voor die binding moeten wij ons niet schamen. Soms lijkt het erop, dat we ons eigenlijk wel moeten schamen. Ik heb in deze rubriek er al eerder op gewezen dat we op weg zijn naar een ingebouwde tolerantie, als de contacten tussen de Ned. Gereformeerde Kerken en de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt aan de orde komen. Wij moeten één worden. Wie zijn wij, als we het ‘ach en wee’- geroep horen over ons ‘harde’ optreden na 1966?
Ik ben bereid een eind mee te gaan en ook zelf schuld te belijden als het over misstappen gaat. Dat heb ik trouwens al eerder gedaan. Ik ga daarin wellicht iets verder dan Trimp lief zou zijn. Zo geloof ik niet dat er destijds voldoende grond was voor schorsing van een ondertekenaar van de Open Brief, op grond van het enkele feit dat iemand deze Brief had ondertekend. Maar ik ben niet bereid mij te schamen over het optreden van mensen als J.R. Wiskerke, C. Trimp en J. Kamphuis – ik sloot mij al in 1966 bij hen aan – als het gaat over onze ondubbelzinnige binding aan de gereformeerde confessie. Het heeft er soms veel van dat wij ons zouden moeten schamen en door het stof zouden moeten gaan voor onze Nederlands Gereformeerde broeders, die o zoveel onder onze ‘tirannie’ geleden hebben. Tegen hen zeg ik: wanneer komt u eindelijk eens over de brug door ook zelf het boetekleed aan te trekken en de intenties van genoemde voorgangers ten volle te waarderen? U raakte hen diep met uw weerzin te laten blijken tegenover hen. En dus door ‘klein vaderlands gedoe’ te blijven vinden wat zij destijds van levensbelang voor de kerkelijke eenheid achtten.
Tegen de GKV-ers zeg ik: u eert de nagedachtenis van uw voorgangers door niet fervent te roepen dat we één moeten worden met de NGK-ers, of eigenlijk zelfs tre beweren dat we al één met hen zijn. Ook al moeten we daarvoor dan een stuk tolerantie inbouwen, overal waar zij ruimte willen blijven houden voor afwijking van Zondag 22, voor de vrouw in het ambt van ouderling en predikant, voor het aanvaarden van de homoseksuele relatie in de kerk, en mogelijk nog voor andere zaken.

De stem van onze recent overleden voorgangers moet niet verstommen.

Reacties zijn gesloten.