De kerk en haar recht

 A.      Bas

 De herziene versie van de Werkorde blijft de tongen losmaken. Begin maart wijdde De Reformatie er een themanummer aan, met daarin onder meer een bijdrage van ds W. van der Schee. Aan het einde van zijn artikel vraagt hij nadrukkelijk om reactie, en dat geeft me de vrijmoedigheid om bij een onderdeel van zijn betoog enkele vragen te stellen.

 Eén van de stellingen van Van der Schee luidt, dat de Werkorde ook in de herziene versie te weinig toekomt aan het werkelijke kerkrecht. Vanouds besteedt het gereformeerde kerkrecht veel aandacht aan zaken van ordening en regeling, maar te weinig aan de zaken die de kerk tot kerk van Jezus Christus maken. Ook de herziene versie van de Werkorde verhelpt dat euvel niet.

 Een voorbeeld: de doop
Met een voorbeeld maakt Van der Schee duidelijk wat hij hiermee bedoelt. Door de doop worden mensen rechtens bij de christelijke kerk ingelijfd (vergelijk Zondag 27). Het verandert hun rechtsstatus: ze worden als kind van God in Jezus Christus ledemaat van het ene lichaam van Christus. In zekere zin is de rechtshandeling van de doop te vergelijken met die van de huwelijkssluiting: ze geeft effectief de rechtsstatus, met de bijbehorende rechten en plichten.

                Zolang deze rechtsstatus niet op hetzelfde niveau en met dezelfde rechtskracht gewijzigd is, heeft iedere gedoopte dus het recht om als kind van God en als ledemaat van het ene lichaam van Christus behandeld te worden. Van der Schee spitst dit concreet toe op de toelating tot het Heilig Avondmaal, en zegt dan: ‘geen gemeente heeft het recht iemand die gedoopt is en niet geëxcommuniceerd is (of zich op dat niveau als ongelovige en goddeloze laat kennen) het lidmaatschap of de toegang tot de avondmaalsviering te weigeren. Of diegene ook al dan niet netjes gereformeerd is, is niet relevant: ook avondmaal vier je als christelijke kerk, niet maar als gereformeerde, roomse, baptistische, lutherse, anglicaanse of nog zo wat: het brood dat wij delen, is gemeenschap met het ene lichaam van Christus.’

 Het recht
Dit onderdeel van het betoog van Van der Schee levert mij twee vragen op. Om te beginnen de vraag, of aan de doop wel werkelijk de rechten verbonden zijn die Van der Schee eraan verbindt. Is het werkelijk zo, dat de doop ook het recht geeft om toegelaten te worden tot de viering van het Heilig Avondmaal? Het zal Van der Schee toch hoop ik niet onbekend zijn, dat dat binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) intern al niet eens het geval is. Van hen die als kind gedoopt zijn, wordt immers ook nog een openbare geloofsbelijdenis verlangd. En daarin zijn we zelfs in oecumenisch opzicht bepaald geen uitzondering te noemen.

                Daar komt nog iets anders bij. Van der Schee doet het voorkomen, alsof verworven rechten altijd en overal erkend (moeten) worden. Het is echter zeer de vraag, of dat zo is. Wat dat betreft, is het door hemzelf gegeven voorbeeld van de huwelijkssluiting illustratief. Het lijkt me namelijk bepaald geen automatisme, dat een in Nederland gesloten (homo)huwelijk wereldwijd ook altijd erkend zal worden. In veel landen zal op z’n minst de vraag aan de orde gesteld worden, of de in Nederland verleende rechten daar ook wel erkend kunnen worden. En ik zie niet in, waarom een dergelijke vraag ook kerkelijk niet gesteld zou mogen worden.

 De kerk
Een dergelijke vraag zal binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) niet gauw gesteld worden, als iemand uit een zusterkerk afkomstig is. Maar wel, als iemand uit een ander kerkverband afkomstig is. En zeker, als dat een kerkverband is waarin een andere leer verkondigd wordt. Wat dat betreft, maakt het wel degelijk uit of iemand gereformeerd, rooms, baptistisch, luthers, anglicaans of nog zo wat is. Want belijden we in Zondag 21 niet, dat Christus zich een gemeente vergadert, in de eenheid van het ware geloof? En in artikel 29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dat zijn kerk te herkennen is aan de zuivere prediking van het evangelie?

                Mijn grootste bezwaar tegen het artikel van Van der Schee is, dat hij dergelijke noties niet in rekening brengt. Als ik het goed zie, wordt de Kerk bij hem gevormd door alles wat zich als zodanig aandient. Met als onontkoombaar gevolg voor het recht binnen die wereldkerk, dat om het even waar verleende rechten ook overal erkend dienen te worden. Zonder dat er nog plaats mag zijn voor de kritische vraag, of die rechten wel met recht verleend zijn. Wat dat betreft, is er vrij direct een verbinding te leggen met een ander onderwerp dat in hetzelfde themanummer aandacht krijgt: dat van de strijd rond de ‘Open Brief’ in de jaren zestig. Immers, werden de kerken ook toen al niet van hun klein vaderlands gedoe weggeroepen naar het niveau van de wereldkerk?

 

 14 april 2012

 

Reacties zijn gesloten.