Bezorgde vragen uit de gereformeerde gemeente

H.J.C.C.J. Wilschut

 Een broeder uit een Gereformeerde Gemeente (GG) benaderde mij met enkele bezorgde vragen. Een dochter had verkering gekregen met een jongen uit de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt (GKv). Wordt in de GKv nog wel gesproken over wat levend en zaligmakend geloof is, in onderscheid van een verstandelijk geloof? Krijgen de natuurlijke doodsstaat van de mens en de noodzaak tot wedergeboorte nog wel de aandacht? Is er nog sprake van een droefheid naar God over eigen schuld?

 Het lijkt me zinnig om de hoofdzaken van mijn antwoord (hier en daar bewerkt) ook onder uw aandacht te brengen (de broeder uit de GG weet ervan). Het gaat om wezenlijke vragen. Waar je je ook in de GKv druk om moet maken. Waar ik Bijbelteksten citeer, gebruikte ik de SV. Wil je iemand met Gods Woord bereiken, spreek hem dan aan in de eigen vertrouwde taal!

 1.         Ook in de GKv buigen we voor het woord van onze Heiland, dat alleen wie opnieuw geboren is – een geboorte uit de Heilige Geest – het koninkrijk van God zal beërven (Joh. 3:3). Ook wij hebben de echo van dit woord van Christus in onze belijdenis en in ons (klassieke) doopformulier staan. Een mens gelooft niet op eigen kracht. Daar is een geboorte vanuit de hemel voor nodig. 

2.         Wanneer het gaat om de aard van het geloof, laten we ons leiden door de Schriftuurlijke belijdenis van antw. 21 HC: waar geloof is een stellig weten, dat Gods Woord betrouwbaar is. Dit weten is tegelijk een vast vertrouwen op de beloften van het evangelie, waarbij je die beloften persoonlijk toeëigent: ook voor mij! Van dat vertrouwen belijden ook wij dat de Heilige Geest het door het evangelie in een mensenhart werkt. Het geloof is en blijft een geschenk van God, zoals ook Efeze 2 zegt.

 3.         Wie zich richt naar het belijden van antw. 21 HC, beseft dat waar geloof veel meer is dan alleen maar een verstandelijk erkennen van Gods waarheid. Bijbels gezien mag dat niet eens de naam geloof hebben (het is hoogstens als ‘duivelengeloof’ te typeren, Jak. 2:19). Waar geloof is altijd kennen en vertrouwen. Die zitten onlosmakelijk aan elkaar vast, zoals de twee kanten van één en dezelfde euro. Waar geloof eigent zich toe, uit kracht van het toeëigenend werk van de Heilige Geest.

 4.         Een mens zal zichzelf ook beproeven op zijn geloof. Expres zeg ik het zo. De Schrift zegt nergens: Onderzoek of je wel wedergeboren bent, aan de hand van allerlei kenmerken van wedergeboorte. De Schrift zegt wel: Onderzoek u zelf of u wel in het geloof bent (2 Kor. 13:5). Ook hier geldt wat Christus zegt in Joh. 3. Een mens moet niet in zichzelf speuren naar de gangen van de Geest. De wind blaast waarheen Hij wil, en gij hoort zijn geluid; maar gij weet niet, van waar hij komt en waar hij heen gaat; alzo is een iegelijk, die uit den Geest geboren is (Joh. 3:6). Laat het verborgen werk van de Geest maar aan Hem over. Een mens mag Zijn werk herkennen aan het geloof, dat buigt voor Christus, Gods eniggeboren Zoon. Dáárop ligt in Joh. 3 verder dan ook alle nadruk: op het geloof in Gods Zoon. Daaraan is en wordt het wederbarend werk van de Geest herkenbaar, zoals de wind herkenbaar is aan het waaien.

 5.         Daarom hoeft een mens niet eerst zeker te zijn van zijn wedergeboorte, voordat hij Gods beloften mag beamen. Daar zit wel degelijk een verschil tussen GG en GKv. Zonder lelijk te willen doen over de GG (ook daar heeft de Heere Zijn kinderen!) – in dit opzicht echter heb ik moeite met de manier waarop in de GG naar Gods beloften wordt gekeken. Alsof je eerst zekerheid over wedergeboorte moet hebben, voordat je Gods beloften in geloof persoonlijk naar je mag toehalen. M.i. spreekt de Schrift anders. Wanneer de gevangenenbewaarder uit Hand. 16 aan Paulus en Silas vraagt: Lieve heren, wat moet ik doen opdat ik zalig worde?, is het antwoord niet: Onderzoek eerst jezelf of je wel wedergeboren bent, maar: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis. Wanneer de man dan inderdaad tot geloof komt, is dat te danken aan Gods wederbarende genade. Maar de belofte van het evangelie wordt hem onvoorwaardelijk voorgehouden, niet OMDAT hij gelooft, maar OPDAT hij geloven zou.

 6.         Dat is ook de weg, zoals de gereformeerde belijdenis die uittekent. Zie DL I,2v. Gods liefde is in Zijn Zoon geopenbaard, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren ga maar eeuwig leven hebbe. Om mensen tot geloof te brengen laat God dit evangelie prediken. Mensen worden geroepen tot bekering en geloof in Jezus Christus. Ongeloof is eigen menselijke schuld. Geloof is vrucht van verkiezende genade. Mensen die in zichzelf dat kinderlijk geloof nog niet zo sterk bij zichzelf opmerken, moeten de weg van de middelen gaan: het Woord en de prediking van dat Woord (DL I,16, zie ook DL V,14).

 7.         De ellendekennis kan niet gezien worden als een voorstadium, dat je eerst door moet voordat je geloven mag. Sterker nog: ellendekennis IS geloofskennis. Een mens leert zijn ellende kennen uit de wet van God. Maar niet voor niets zegt antw. 4 HC: Wat die wet eist, leert CHRISTUS ons in Zijn samenvatting van de wet. Zonder geloof in Christus blijft de wet van God onvruchtbaar om een mensenhart stuk te breken. Paulus bleef met de wet in zijn hand rechtop tegenover God staan. Totdat hij Christus ontmoette. Toen ging zijn geweten spreken en kwam hij tot blijvende verslagenheid van hart. Hij bleef zich dan ook de nummer één onder alle zondaars weten. Maar toen Christus hem greep, was dat om hem te redden (1 Tim. 1:15v). De ellendekennis gaat niet aan het geloof vooraf, maar hoort bij het geloof. Hoe dichter een mens bij Christus leeft en Hem kent als Redder van zondaars, des te meer krijg je het met jezelf te kwaad. Zoals de tollenaar uit Lucas 18 juist in het heiligdom verslagen van hart was. En zich biddend borg in Gods genade om gerechtvaardigd naar huis te gaan.

 8.         Dit gezegd hebbend, moet ik tegelijk erkennen, dat de kern van het evangelie – een rijke Christus voor arme zondaars – in sommige van onze gemeenten (uiteraard voor zover ik kan beoordelen) te weinig aan de orde kan komen. Zonder dat er direct ketterijen worden verkondigd, kan in de prediking te weinig de boodschap van zonde en genade doorklinken. Dat doet mij veel pijn en verdriet. Als GKv zijn wij een kerk in nood. Zeker, op diverse plaatsen klinkt nog een gezonde Bijbelse-gereformeerde prediking. Maar in sommige preken wordt nauwelijks nog over zonde en straf van God gesproken. Een deel van de gemeenteleden wil er ook niet meer van horen. Dat zeg ik niet om kwaad te spreken over de GKv. Die kerken zijn mij lief. Maar liefde mag niet blind zijn. Als dominee ben ik ook van tijd tot tijd kerkganger-in-de-bank. En herken ik soms nauwelijks het plaatje van wat prediking heeft te zijn overeenkomstig antw. 84 HC. Wilt u alstublieft voor de GKv bidden, dat zij gereformeerde kerken mogen blijven?

 9.         Laat niemand beweren dat in de GKv geleerd wordt, dat wanneer je maar gedoopt bent het vanzelf goed met je komt. Of dat daar een vanzelfsprekendheidgeloof verkondigd wordt. Ik heb het nooit vanaf de preekstoel of op catechisatie gehoord. Als dominee heb ik het ook nooit zo gezegd. Integendeel, de eis tot geloof en bekering werd en wordt voorgehouden – omdat je zonder Christus verloren gaat. Samen met de erkenning, dat geloof geschonken wordt naar het welbehagen van God.

 10.       Ja, maar de verbondsleer dan?, zult u zeggen. In GKv wordt gezegd dat de kinderen van de gelovigen tot het verbond behoren, in de GG dat die kinderen zich slechts bevinden onder de bediening van het verbond. Inderdaad is hier een verschilpunt. M.i. spreken Schrift en belijdenis anders dan in de GG (conform de leeruitspraken uit 1931: het verbond staat onder beheersing van de verkiezing) gedaan wordt. Zie antw. 74 HC en DL I,17. Zie ook het klassieke doopformulier. Maar ook dat betekent niet dat in de GKv beweerd wordt, dat je er dan bènt. De kinderen krijgen in het verbond de rechtspositie van kinderen van God. Maar die rechtspositie moet bij het opgroeien in geloof en bekering worden aanvaard. En opnieuw: gebeurt dat, dan is dat uit de Geest van God, verkiezende genade! Door geloof en bekering wordt het verbond voltooid. Door ongeloof en onbekeerlijkheid wordt het verbond verbroken. Wie zegt dat het verbond alleen met de uitverkorenen is opgericht, wil niet meer weten van de duistere werkelijkheid van de verbondsbreuk en verbondswraak. Ds. G.H. Kersten heeft de mogelijkheid van een werkelijke verbondsbreuk dan ook ontkend in zijn De Gereformeerde Dogmatiek voor de gemeenten toegelicht (Utrecht 1950, deel I, p. 333v); hoogstens zou je de uiterlijke betrekking waarin je tot het verbond staat kunnen verbreken. Toch – een andere verbondsleer in de GKv betekent niet, dat er sprake zou van een automatisme en van geestelijke gearriveerdheid. Integendeel zelfs.

 Dit verhaal was en is niet bedoeld om te overtuigen van het ‘gelijk’ van de GKv. Ook ik heb zorgen over de GKv, dat hebt u wel gemerkt. En ik schrijf de GG zeker niet af. Ik vind juist dat alle gereformeerde belijders zich hebben te verenigen op basis van Schrift en belijdenis. En dat niet slechts in formele zin, maar van harte, in levend geloof. Maar zonder een bepaalde theologische opvatting tot kerkleer te verheffen, zoals in de GG gebeurde in de leeruitspraken van 1931, waarin gesteld werd dat de verbondsleer beheerst wordt door de verkiezingsleer. Gereformeerde kerken hebben aan Schrift en belijdenis genoeg.

  

DE BELIJDENIS EN DE OPEN BRIEF

 Op het interview met prof. dr. A.L.Th. de Bruijne en Ad de Boer (gepubliceerd zowel in Opbouw als in De Reformatie; zie voor het complete interview www.opbouwonline.nl (www-artikel 15105) en www.dereformatie.nl.) is tot nu toe weinig commentaar gekomen. Er is op vele onderdelen iets over te zeggen. In deze bijdrage beperk ik mij tot de belijdenis en de Open Brief.

 Citaten

Ik begin met een citaat uit het genoemde interview:

 Vraag: Zou de Open Brief, die tot de breuk leidde, anno 2012 ook zo’n strijd opgeleverd hebben?

De Bruijne: ‘Nee. Dat er nu samensprekingen zijn, komt doordat de pluriformiteit die er toen in de vrijgemaakte kerk niet was, er nu wel is. Daarmee verbleken sommige verschillen die we toen met elkaar uitvochten. We staan nu voor dezelfde vragen en uitdagingen. In de inhoud van de Open Brief heb ik persoonlijk nooit zoveel kwaad gezien. Ik denk dat dit vandaag voor veel meer kerkleden zou gelden, wanneer ze hem nog eens lezen. De belijdenis is de samenvatting van de Bijbel, maar het risico is dat je de formuleringen uit de belijdenis los ziet van de tijd waarin het geschreven is. Je moet ‘m niet context- of historieloos lezen en handhaven. De belijdenis is een Nederlands geschrift uit de zestiende eeuw met de taal en theologie van toen, geschreven door mensen die de inhoud van de Bijbel wilden weergeven. De relativerende aspecten aan de belijdenis zijn in binnenverbandse kring nu meer gemeengoed, terwijl dat in de jaren zestig vaak niet zo was. Ook daarom ervoer men destijds in de Open Brief relativering van de belijdenis.’

 Wat zei de Open Brief ook al weer over de gereformeerde belijdenisgeschriften?

 Wij schrijven nu vanuit de kerkelijke situatie in het jaar 1966. De situatie van gescheurdheid van het reformatorische volksdeel in Nederland, dat zich hier eens liet vergaderen op het fundament van Gods Woord en de drie formulieren van enigheid, samenlevend naar de regels van de Dordtse Kerkenordening; de situatie tevens, waarin dat volk, in velerlei stijl bouwend op dit fundament, zoekt naar de grenzen van zijn kerkelijke gemeenschap; waarin, gestuwd naar het niveau van denken in wereldproporties, ieder zich opnieuw afvraagt, of het historisch fundament van de Nederlandse Gereformeerde Kerken ook samenvalt met het fundament van de heilige, algemene, Christelijke Kerk. Zo ja, hoe is dan de verhouding tot andere kerken in binnen- en buitenland, die kennelijk Gods kinderen vergaderen, maar die niet onze belijdenisgeschriften hebben, noch onze samenlevingsregels kennen? Zo neen, hoe heeft dan dit historisch fundament in eigen gemeenschap en naar buiten te functioneren?
Wij zijn van oordeel, dat de kerkelijke werkelijkheid door deze probleemstellingen in de toekomst zal worden bepaald. We worden met ons vaak klein vaderlands gedoe als Gereformeerde Kerken in Nederland weggeroepen naar het niveau van de wereldkerk. En dat zal steeds meer gebeuren, of we dat wensen of niet. Daarheen dringt ons Christus’ leiding van de wereldgeschiedenis.

 Over deze passage hebben de GKv zich op de GS Amersfoort-West 1966-1967 uitgesproken, toen opsteller en ondertekenaar ds. B.J.F. Schoep als afgevaardigde zijn instemming met de gereformeerde belijdenis betuigde. De GS sprak uit (Acta, art. 18, 19):

 dat er een onaanvaardbare tegenstrijdigheid bestaat tussen enerzijds de instemming met de belijdenis der kerk, door ds. B. J. F. Schoep ter vergadering betuigd, en anderzijds de inhoud van de Open Brief aan de z.g. Tehuisgemeente in Groningen, waarvoor ds. Schoep door zijn ondertekening de verantwoordelijkheid aanvaardde.

 Hierbij dienden de volgende overwegingen:

 A. dat de ware kerk volgens de Schriften pijler en fundament der waarheid is. 1 Timotheüs 3: 15 slot; welke waarheid naar het gebed van de Here Christus de eenheid der gemeente is, Johannes 17: 17-22, waarom de gemeente vermaand wordt in het spoor der waarheid te blijven, vergelijk 1 Timotheüs 6: 5, 1 Timotheüs 1: 18; van de Opzieners geëist wordt, dat zij zich houden aan het betrouwbare woord naar de leer, Titus 1: 9, vergelijk 1 Timotheüs 6: 20, en de gehele gemeente opgeroepen wordt tot het uiterste te strijden voor het geloof, dat eenmaal aan de heiligen overgeleverd is, Judas: 3;

B. dat de gereformeerde kerken in Nederland van die waarheid Gods belijdenis doen in de Drie Formulieren van Enigheid;

C. dat de instemming met de belijdenis ter generale synode inhoudt, zowel dat de afgevaardigden van harte gevoelen en geloven, dat alle artikelen en stukken der leer in de Formulieren van Enigheid in alles met Gods Woord overeenkomen, (vergelijk het ondertekeningsformulier voor de dienaren des Woords), alsook dat de afgevaardigden beloven al hun arbeid als lid van deze vergadering te zullen verrichten in onderworpenheid aan de Heilige Schrift en in gebondenheid aan de aangenomen belijdenis, met welke bewoordingen in de eerste zitting dezer generale synode de voornoemde instemming is gevraagd; (vergelijk reeds de Openlijke verklaring van de generale synode van Zwolle 1854).

 Daarom was de GS van oordeel:

 dat hetgeen (…) uit de Open Brief is geciteerd niet anders is dan het disputabel stellen van het katholiek karakter der gereformeerde belijdenis, waardoor zij als waarachtige en volkomen leer der zaligheid in twijfel wordt getrokken, wat wel past in de huidige z.g. oecumenische beweging, maar door de gereformeerde kerken altijd is verworpen, omdat zij haar belijdenis als hoofdsom der christelijke leer hebben aanvaard en als zodanig mochten handhaven.  

Op de GS Hoogeveen 1969-1970 werd dit oordeel bevestigd tegenover diverse revisieverzoeken (Acta, art. 87). Ik citeer daaruit het volgende:

 Het schriftuurlijk-confessioneel fundament van de kerken der vrijmaking kan omschreven worden als: Gods Woord en de drie formulieren van enigheid.
Het fundament van de ware kerk is: Gods Woord, omdat de ware kerk daar is, waar ,,men zich aanstelt naar het zuivere Woord Gods, verwerpende alle dingen, die daartegen zijn, houdende Jezus Christus voor het enige Hoofd” (artikel 29 der N. G. B.).
Gesteld mag ook worden: tot het fundament van de ware kerk behoren mede de drie formulieren van enigheid, omdat deze in alles overeenkomen met Gods Woord, zoals ook het Ondertekeningsformulier voor de dienaren des Woords zegt.
Het is derhalve schriftuurlijk-confessioneel te stellen:
,,De ware kerk in deze landen wordt vergaderd op de aloude grondslag van de Gereformeerde Kerken, n.l. Gods Woord en de drie formulieren van enigheid”.

 Citaten lezen is niet het meest spannende werk, zeker niet citaten uit kerkelijke besluiten. Voor een eerlijke beeldvorming is het wel noodzakelijk. Nu weet je tenminste waarover je het hebt.

 Kanttekeningen

 1.         Wanneer ik kritische opmerkingen maak naar aanleiding van wat ik van prof. De Bruijne citeerde, wil ik allereerst opmerken, dat hij ook dingen zegt, waarmee ik van harte kan instemmen. Ik ben dankbaar, dat hij opkomt voor de binding aan de belijdenis, als instrument om de gemeente te beschermen tegen dwaalleer. Het is zeker niet mijn bedoeling om prof. De Bruijne verdacht te maken.

 2.         Dat neemt niet weg, dat ik moeite heb met zijn uitspraak: ‘In de inhoud van de Open Brief heb ik persoonlijk nooit zoveel kwaad gezien’. Zie ik het goed (vandaar het brede citaat), dan heeft dat betrekking op wat de Open Brief zegt over de belijdenis. Het lijkt me nogal argeloos, eigenlijk. Te argeloos. De kerken in Amersfoort-West en Hoogeveen herkenden in de Open Brief een onaanvaardbare relativering van de drie formulieren van eenheid.

 3.         De kerken hadden daar ook goede gronden voor. De Open Brief stelde hardop de vraag of het historisch fundament van de Gereformeerde Kerken in Nederland wel samenviel met dat van de heilige algemene christelijke kerk. Die vraag heeft iets van een verdachtmaking. Ten onrechte. Zeker, de gereformeerde belijdenisgeschriften hebben een datum. Maar inhoudelijk stemmen ze overeen met het Woord van God en geven ze stem aan de aloude leer van de christelijke kerk. Hier de vraag naar een frictie met het fundament van de algemene christelijke kerk opwerpen is inderdaad een relativeren van de belijdenisgeschriften van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Terecht hebben de kerken dat niet geaccepteerd.

 4.         Het feit dat de gereformeerde belijdenisgeschriften een datum dragen, wil nog niet zeggen dat ze gedateerd zijn. In een – meer dan eens merkbaar – historische setting vatten ze de blijvende waarheid van Gods Woord samen. De belijdenis is meer dan een historisch document. Ze wil uitdrukking zijn van het levend belijden van de kerk overeenkomstig de Schriften. Zó willen ze dan ook gehandhaafd worden. Ik hik wat aan tegen de woorden: ‘Je moet ‘m (= de belijdenis) niet context- of historieloos lezen en handhaven’. De belijdenis mag en moet primair afgerekend worden op haar schriftuurlijke inhoud. De HC is erg breed over het avondmaal. Historisch verklaarbaar. Mogelijk zouden wij het vandaag beknopter doen. Maar aan wat de HC over het avondmaal zegt zijn ook wij gebonden. Omdat de taal van de Schrift klinkt.

 5.         Juist omdat de thematiek van de belijdenis aan de Schrift ontleend is, verouderen ze niet. In aansluiting bij de belijdenissen van de oude kerk komt de leer van zonde en genade in het brandpunt te staan, en daarmee annex van Woord en sacrament. Het is niet best wanneer deze thema’s uit het centrum van de belangstelling verdwijnen, of gerelativeerd worden als de inhoud van gedateerde documenten in de taal en theologie van vroeger. Dat deze relativering zich nu ook binnen de GKv gelden laat, tekent de nood van de kerken. 

6.         Voor de volledigheid, ook prof. De Bruijne zal instemmen met veel van wat ik onder punt 4 en 5 gezegd heb. Om hem recht te doen plaats ik nog een citaat uit het interview met hem en met Ad de Boer. 

Vraagt deze tijd om aanvullende belijdenissen met antwoorden op actuele thema’s, bijvoorbeeld een antwoord op de islam?
De Bruijne: ‘Ja, dat vind ik wel. Maar dat moet wel geboren worden. Ik zie het niet zo voor me dat NGK en GKv samen een nieuw belijdenisgeschrift zouden maken.’
De Boer: ‘Nee, inderdaad. Je vindt elkaar niet in de vorm van een nieuw belijdenisgeschrift. Maar wel in een gezamenlijk belijden rond thema’s die in deze tijd cruciaal zijn. Ik kan me voorstellen dat rond de cruciale thema’s van deze tijd iets van nieuw belijden wordt geboren; net zoals in Zuid-Afrika zoiets gebeurde rond de Belhar-belijdenis als antwoord op de apartheid.’
De Bruijne: ‘Maar het risico is dat zo’n nieuw geschrift dan ook een juridische en bindende status krijgt met inhoud waar niet vanaf geweken kan worden.’
De Boer: ‘Maar nu bind je predikanten en gemeenteleden ook aan probleemstellingen uit een totaal andere tijd. Vind je ook niet dat daaraan iets wringt? Niet alles in de belijdenis heeft toch hetzelfde gewicht?’
De Bruijne: ‘Niet alles in de belijdenissen is gestempeld door een andere context. Op verreweg de meeste punten is ook veel hetzelfde gebleven. Dat wil ik relativeren. De kerk moet wel iets hebben wat je helpt om binnen de grenzen van de leer van de Schrift te blijven. Dat is de belijdenis – we hebben nu niet iets anders dan dat.’

 Het gaat mij even om de laatste opmerking van prof. De Bruijne. Niet alles in de belijdenis is gestempeld door een andere (historisch en theologisch) context. Precies! Graag had ik dat al eerder gehoord, in plaats van het begrip voor de relativering van de belijdenis in de NGK, zoals die nu ook in onze kerken te vinden is.

 7.         Tenslotte, ik blijf mij verbazen over het feit dat prof. De Bruijne persoonlijk nooit zoveel kwaad heeft gezien in de Open Brief. Naast de kerkelijke uitspraken zou ik willen wijzen op de artikelen die prof. dr. C. Trimp eens in De Reformatie schreef (te vinden in: ‘Rondom de “Open Brief”. Artikelen, reacties en besluiten n.a.v. de “Open Brief”. Samengesteld door Ton Bolland). Kennelijk is enige herhalingsoefening niet overbodig. Zeker niet nu gepleit wordt voor nieuw onderzoek naar de gebeurtenissen en kerkelijke besluiten uit de jaren 60 van de vorige eeuw. Soms denk ik: zou de uitslag eigenlijk al niet bij voorbaat vast staan? De feiten zijn niet veranderd. De meningen zijn veranderd. Inderdaad, de GKv zijn een pluriform gezelschap geworden en zijn in menig opzicht naar de NGK toegegroeid. Ook binnen de GKv wordt soms anders gedacht over de binding aan de belijdenis dan vroeger. Om over inhoudelijke kennis van de belijdenis nog maar te zwijgen. Alle reden dus om de Here te bidden zowel voor NGK als GKv. Of er een wending ten goede mag komen. Bekering tot royale confessionele trouw, niet slechts formeel, maar van harte.

  

31 maart 2012

 

 

 

Reacties zijn gesloten.