PSALM 31
31.1 UITLEG
We kunnen Psalm 31 een klaagpsalm noemen, Maar ook hier geldt dat het niet enkel een klaagpsalm is. Het element van vertrouwen op Jahwe in moeilijke omstandigheden is minstens zo opvallend. Geklaagd wordt er, maar minstens zo luid klinkt het vertrouwen dat Jahwe redding zal bieden. Daarom geven we er de voorkeur aan Ps. 31 een vertrouwens-psalm te noemen.
Opvallend is dat in Psalm 31 de elementen waarin van moeite, van vertrouwen op Jahwe en van uitredding door Hem sprake is, dubbel voorkomen Vaak is gedacht dat we met twee psalmen te maken zouden hebben: 31,2-9 en 31,10-25. Bij de uitleg van de psalm zullen we ervoor kiezen om aan één dichter te denken, die echter twee verschillende ervaringen in zijn leven beschrijft.
Psalm 31 kunnen we in drieën verdelen:
1) De dichter roept tot Jahwe om uitkomst, vertrouwt op Hem en rekent op zijn redding (2-9);
2) Hij klaagt over zijn situatie, blijft echter op Jahwe vertrouwen en wordt weer gered (10-23);
3) Hij spreekt hen moed in, die aan Jahwe verbonden zijn (24-25).
ad 1) De dichter verkeert in grote moeite. Hij vraagt van Jahwe een luisterend oor en verlangt dat Jahwe zich zal haasten om hem te helpen (3a). Klagen over zijn situatie doet de dichter hier niet. Daarvan lezen we pas in het volgende deel van de psalm (10vv). Hier valt ons vooral het vertrouwen op dat de dichter in Jahwe stelt. Bij Hem schuilt hij. Hij hoopt nooit beschaamd te worden (vs. 2), wat op vroegere ervaringen wijst waarin Jahwe Hem uitredding geschonken heeft. Jahwe heeft hem niet teleurgesteld, hij verwacht dat dit ook in zijn huidige benarde situatie niet het geval zal zijn. Niet beschaamd worden zal ook betekenen dat hij niet te schande wordt gemaakt NBV, door zijn vijanden. Dat komt in vs. 18 beter uit, waar hij er opnieuw over begint.
Hij durft een beroep te doen op Jahwe’s gerechtigheid, d.w.z. op Jahwe die hem recht zal doen. ‘Recht doen’ wijst evenals het woord ‘trouw’, dat we in vs. 6 tegenkomen, op Jahwe’s houding in zijn verbond met Israël en met individuele Israëlieten, die Hem als hun God erkennen. Jahwe houdt zich aan de verplichtingen die Hij op zich genomen heeft in de verbondsrelatie met hen die Hem vrezen (31,20), met zijn getrouwen (NBV) of gunstgenoten (NBG), zoals 31,24 hen noemt.
Van de kracht van Jahwe is de dichter overtuigd. Jahwe is voor hem een (steen)rots, als een veilige bodem om erop te staan. En tegelijk is Jahwe een burcht of vesting, waarbinnen iemand volkomen beveiligd is tegen zijn vijanden. Dergelijke beelden van een vaste bodem en een veilig toevluchtsoord, komen we in Psalmen frequent tegen (o.a. 18,2v.32.47; 27,5; 61,3vv). De meer militaire beelden kunnen ook afgewisseld worden met dat van Jahwe als herder, als gids die de schapen ergens heenleidt, tot eer van zijn naam (vs. 4). We herkennen hierin 23,2v. Zie aldaar over de uitdrukking ‘tot eer van zijn naam’(NBV) of ‘om zijns naams wil’ (NBG). – een uitdrukking die we tegen de achtergrond van Jahwe’s herhaalde verontwaardiging over zijn eigen volk mogen lezen. Ondanks die verontwaardiging over hun zonden, redde Jahwe hen toch telkens weer, omdat zijn naam op het spel stond.
De vijanden van de dichter komen ons in vs. 5 duidelijker voor ogen te staan. Men spant voor hem een net, waarin hij kan vastlopen. Dieren kunnen met hun poten in zo’n net verstrikt raken. Het kan ook over een net gaan dat, bedekt met bladeren en aarde over een kuil gespannen wordt, om daarin het argeloze dier te vangen. Ook dat beeld is ons al bekend (vgl. 9,16; 10,9; 25,15). De dichter vertrouwt erop dat Jahwe hem niet een gemakkelijke prooi voor zijn vijanden maakt, maar voor hem een bergvesting, een toevluchtsoord zal zijn. Daar breekt hij zijn benen niet, maar staat hij vast en veilig!
De dichter wil zich helemaal aan Jahwe toevertrouwen door zijn levensgeest in diens hand te leggen (6a). Dit betekent niet dat hij verwacht te sterven, integendeel: ‘Jahwe, trouwe God, u verlost mij!’ (6b). De dichter kan zijn leven rustig in Gods hand leggen, omdat Jahwe in staat is en ook bereid zal zijn hem zijn volle leven terug te geven. Hij verwacht juist van de dood gered te worden. In Jahwe’s hand is zijn leven immers veilig!
Het woord voor ‘verlossen’ in vs. 6b betekent eigenlijk: loskopen, in de zin van: bevrijden uit de macht van een ander en dan vooral uit de macht van de dood., zoals ook in 31,6 (zie verder o.a. 26,11; 55,19; 71,23).
De dichter betuigt zijn vertrouwen op Jahwe ook door zich krachtig te distantiëren van allen die andere goden – en daarmee ijdele nietigheden (NBG), armzalige goden (NBV) of schijngoden (WV) vereren.
In de vss. 8 en 9 komt de dichter tot een hoogtepunt. Hij zal zich verblijden en juichen over Jahwe’s trouw (Hebr.: chèsèd). Zijn vertrouwen rust op de trouw van Jahwe, die zich aan zijn verbond houdt en daarom redding zal brengen. Die redding is er nog niet, maar hij juicht al bij voorbaat. Het is niet nodig met NBG het nu volgende in de verleden tijd te zetten, nl.: ‘U hebt acht geslagen op mijn ellende’, ‘U hebt geweten van mijn benauwenissen’, ‘U hebt mij niet prijsgegeven aan de vijand’ (8.9). Van Jahwe’s uitredding hoeft hier nog geen sprake te zijn. Desondanks is het vertrouwen van de dichter op Jahwe zo groot is, dat hij nu al juicht over wat er zal gebeuren. Vgl. de stemming met Hab. 3,17.18, waar de dichter jubelt over de God die hem redt (zal redden), al lijkt het er nog niet op, want de vijgenboom kan ook niet bloeien, de wijnstok ook niets kan voortbrengen, etc. In Ps. 31,8.9 lezen we dat Jahwe de ellende van de dichter ziet, de nood van zijn ziel kent en niet toelaat dat zijn vijand hem zal insluiten (o.a. met behulp van verraderlijke netten). Die zekerheden zijn voor de dichter al reden om blij te zijn vanuit zijn vaste vertrouwen in een betere toekomst.
ad 2) Vanaf vs. 10 treedt een andere situatie in. Het eerste deel (31,2-9) is duidelijk een afgesloten geheel met de elementen: 1) roep om hulp, 2) vertrouwen op Jahwe dat Hij die hulp zal bieden en 3) juichen over Jahwe’s trouw. Hierna komt opnieuw een afgerond gedeelte, dat dezelfde elementen bezit als het voorafgaande gedeelte. Daarom moeten we niet aan twee afzonderlijke psalmen van twee verschillende dichters te denken. Er is niets p tegen om in Ps. 31 aan één psalm van één dichter te denken. Hij kan daarin twee situaties uit zijn eigen leven tekenen, maar evengoed in beide een model tekenen van noodsituaties waarin mensen in hun nood tot Jahwe kunnen bidden.
Het tweede gedeelte begint met een roep om genade, maar klaagt daarbij uitvoerig over de eigen situatie. Het gaat over iemand die het benauwd heeft. Lichamelijk, maar ook psychisch kwijnt hij weg (vs.10). Het is geen korte periode van ellende die hij door moet (zoals we uit de situatie van 31,2-9 zouden kunnen afleiden. Zijn leven verloopt in ellende, hij slijt zuchtend zijn dagen. Hij spreekt over jaren van ellende, zoals NBG terecht vertaalt in vs. 11.
De dichter sluit daarbij de eigen schuld van de patiënt niet uit. Andere uitleggers vinden het vreemd dat hier (en verder niet in Ps. 31 van de schuld van de man gesproken wordt. Met een kleine wijziging van de tekst vertalen ze: ‘van ellende begeeft mijn kracht het’ (zo bv. WV). Ik volg de Hebr. tekst, want er is geen reden de factor van eigen schuld buiten het fenomeen van eigen ziekte te laten (vgl. 6,2v). (Ook) daardoor ziet de man zijn krachten slinken en teert hij tot op zijn botten weg (vs. 11). We krijgen uit de beschrijving sterk de indruk dat we met een doodzieke man te maken hebben.
Zoals we in andere psalmen ook constateren, wordt ziekte hier verbonden aan de vijandschap die de omgeving van de patiënt aan de dag legt. Hij wekt de lachlust op, helaas nog het meest bij zijn buren. Velen mijden hem als ze in zijn buurt komen. Hij voelt zich vergeten als een dode, die al gebannen is uit het hart van de mensen die hem eens omringden. Hij is afgedankt als gebroken aardewerk (vs. 12.13). Er zijn uitleggers die op grond van de tekstgegevens denken aan een huidziekte die het lichaam overdekt en de mensen afschrikt om nog in de buurt van zo iemand te komen.
De man weet dat men over hem fluistert en plannen beraamt om hem te doden (14). De tweede regel van vs. 14 geeft NBV weer met ‘van alle kanten dreigt gevaar’, terwijl NBG het als een tussenzinnetje vertaalt met: ‘schrik van rondom!’ – een uitdrukking die we een aantal malen bij Jeremia en in Klaagliederen vinden (Jer. 9,18; 20,3.10; 46,5; 49,29; Klaagl. 2,22). Het zal een spreekwoordelijke uitdrukking geweest zijn, waarmee men aangeeft van alle kanten te zijn overgeleverd aan geroddel en het slachtoffer dreigt te worden van samenzweringen.
Al deze ellende leidt er echter niet toe dat de man zijn vertrouwen op Jahwe laat varen. Integendeel, met kracht zegt hij: ‘maar ik vertrouw op u, Jahwe! U bent mijn God’ (vs. 15). Evenals we bij de uitleg van vs. 7 dit vertrouwen konden verbinden aan de trouw van Jahwe vs.8), kunnen we dat hier doen door vs. 15 aan vs. 17 te verbinden, waar de man vraagt dat Jahwe zijn trouw zal tonen en hem (dus) zal redden uit zijn ellende. Men kent Jahwe in zijn trouw aan het verbond dat Hij met zijn volk gesloten heeft. Zoals Hij zei: jullie zijn mijn volk, kan hier het antwoord zijn: ‘U bent mijn God’ (vs. 15b) en daarom kan ik op U aan.
In een variatie op vs. 6 (‘in uw hand leg ik mijn leven’, NBV), lezen we in 16: ‘in uw hand liggen mijn lot en mijn leven’. NBG vertaalt letterlijker: ‘Mijn tijden zijn in uw hand’. Dat lijkt mij een betere weergave, omdat het meervoud ‘tijden’ laat zien dat niet alle tijden aan elkaar gelijk zijn. Denk aan Pred.3,1vv, waarin alles z’n eigen tijd heeft: een tijd om te baren en een tijd om te sterven; een tijd om te planten en een tijd om te rooien, etc. Het zijn allemaal tijden die in Jahwe’s hand liggen. Op (zijn) tijd draagt de boom z’n vrucht (Ps. 1,3; vgl.104,27; 145,15). Het is een uiting van groot vertrouwen dat men z’n tijden rustig in Jahwe’s hand ziet liggen. De mens kan een tijd beleven van grote moeite, maar Jahwe bepaalt ook de tijd van bevrijding uit de greep van vijanden en vervolgers (vs. 16).
De dichter ontleent meer dan eens zijn gegevens aan andere bronnen. Zo ook in vs. 17, waar hij uit de priesterzegen van Num. 6,25 (vgl. Ps. 4,7) citeert. Het ‘licht van uw aanschijn’ ziet de man in zijn ellendige tijd niet, maar dat verwacht hij wel in de komende tijd als Jahwe zijn trouw zal tonen en daarom het licht van Jahwe’s aangezicht weer over hem gaat schijnen.
Evenals in vs. 2 vraagt hij in vs. 18 aan Jahwe om hem niet te schande te maken. Niet hij, maar zijn vijanden die zich goddeloos tegen hem opstellen, moeten te schande staan. Laten die goddelozen tot zwijgen gebracht worden en verstommen in het dodenrijk! Het is duidelijk dat de dichter hun op grond van hun gedrag de dood toewenst. In het dodenrijk heerst stilte, daar kunnen ze geen lucht meer geven aan hun hoogmoed tegenover de rechtvaardigen, die zij verachten! (19)
In vs. 20 vangt de dichter aan Jahwe te prijzen. Van uitredding is nog geen sprake, die vinden we pas in vs. 22 vermeld. Maar nu reeds meldt de dichter dat Jahwe het goede (NBG) of het geluk (NBV) heeft weggelegd voor wie Hem vrezen. Dat ‘goede’ wordt niet altijd direct uitgedeeld. Het ligt opgeslagen a.h.w. in voorraadkamers om op Jahwe’s tijd te worden uitgedeeld. Dat zal Jahwe schenken aan allen die bij Hem schuilen, d.w.z. hun toevlucht bij hem zoeken voor het oog van de mensen. Al die mensen zal Jahwe verbergen in het verborgene van zijn aangezicht. Dat is een gecompliceerd zinnetje. De betekenis ervan zal zijn dat Jahwe de rechtvaardigen beschermt in de schuilplaats die zijn aangezicht hen biedt. Welke bescherming? Zij worden beschermd enerzijds tegen de ‘lagen en listen van de mensen’ (NBV) en anderzijds vinden ze een schuilplaats in Gods tent (NBV), of in zijn hut (NBG) tegen ‘de laster van kwade tongen’ (21). Niet in alle onderdelen is deze vertaling zeker (zie onder 31.5). Maar de hoofdlijn is het wel: Bij Jahwe zijn allen veilig bij Hem, ook al worden ze belaagd en belasterd door ‘de mensen’.
Daaraan wordt ons duidelijk dat de man die vanaf vs. 10 in beeld was, uit zijn benauwdheid gered werd. Jahwe zij geprezen voor de wonderbaarlijke trouw die Hij hem bewees! Jahwe ontzette hem als een belegerde stad (22). In een belegerde stad zitten de mensen als ratten in een val. Maar Jahwe is in staat zo’n beleg te doorbreken en de mensen te bevrijden. Die mogelijkheid zag de rechtvaardige over wie het hier gaat, eerst niet. Hij dacht in zijn angst dat hij verbannen zou zijn uit Jahwe’s ogen; maar nu is het duidelijk dat Jahwe’s gezicht op hem gericht was en zijn roep om hulp gehoord heeft (23).
ad 3) Aan deze psalm wordt nog een bemoediging toegevoegd. Dat wordt des te sprekender als we hier inderdaad met een gebeds-model te maken hebben. Wie de beide gevallen waarvan de dichter melding maakt, goed heeft overwogen, mag moed vatten in zijn eigen moeilijke levensgang. Laten de chasidim, de vromen, de getrouwen, Hem liefhebben! In vs. 7 lazen we dat armzalige goden, van wie niets te verwachten valt, gehaat moeten worden. Hier lezen we het tegendeel als het over Jahwe gaat. Heb Hem lief! Zo heel vaak komt deze oproep in het OT niet voor, ook niet in het psalmboek als het over de rechtstreekse liefde tot Jahwe gaat (wel 18,2; 97,10; 116,1; 145,20). Hier wordt het ‘grote gebod’ aan de lezers voorgehouden, evenals destijds in de geschiedenis aan het bevrijde volk uit Egypte gebeurde (Deut. 6,2vv). Ook hier is de liefde tot Jahwe het grote gebod, waarin alles samengevat ligt wat de dichter in deze psalm reeds naar voren heeft gebracht als het gaat over de trouw van Jahwe. Wie die trouw beaamt. kan zijn geest leggen in Jahwe’s hand en weet van al zijn tijden dat ze door Jahwe bepaald worden. Hij geeft zich in liefde aan Jahwe over.
De dichter stelt de getrouwe mensen (Hebr. ᵓèmūnīm), d.w.z. de mensen op wie je aankunt, tegenover de hoogmoedige mensen. De eersten worden door Jahwe bewaard of beschermd. Laatstgenoemden kunnen alleen maar voor de toorn van Jahwe vrezen. Hij vergeldt ruimschoots wat zij (tegenover de getrouwen) gedaan hebben (24).
Het slotvers spreekt allen die hun hoop op Jahwe vestigen, moed in. We denken aan wat Jahwe tegen Jozua zegt als hij het volk Kanaän moet binnenleiden: ‘wees vastberaden en standvastig’ (Joz. 1,6vv; vgl. ook Deut. 31,6v.23).
31.2 ALGEMEEN THEMA
Een lappendeken of een oefening in het bidden?
Het is niet moeilijk in Ps. 31 op veel plaatsen uitspraken te vinden die ons bekend voorkomen. De eerste drie verzen lijken zeer veel op Ps. 71,1-3. Over Jahwe als rots,, toevlucht en vesting lezen we ook in Ps. 18,3. Dat Hij een gids is, die ons leidt ‘om zijns naams wil’, doet ons denken aan Ps. 23,3. Als de afgoden ‘armzalige goden worden genoemd (vs. 7), zou die uitdrukking afkomstig kunnen zijn van Jona (zie 2,9). We denken aan Jeremia als er over schrik-van-rondom (31,14) gesproken wordt (zie boven). De ellende die ons in 31.10vv getekend wordt, herinnert ons sterk aan het lijden van de man in Ps. 22, Het gebed dat het licht van Jahwe over de dichter mag schijnen (31,17), is geciteerd uit de hogepriesterlijke zegen van Num. 6,22vv. De oproep om sterk en moedig te zijn aan het slot (31,25) herkennen we als de woorden waarmee Jahwe Jozua moed insprak, toen hij het volk van Israël het beloofde land binnen mocht leiden.
Met deze gegevens voor ogen, die gemakkelijk nog aan te vullen zouden zijn, hebben sommige uitleggers van een collage gesproken, of wat minder respectvol van een lappendeken, waarin allerlei gegevens uit het OT tot een geheel zouden samengeflanst zijn.
Nu is dit een eenzijdig beeld van een psalm waarin ook gedachten voorkomen die we nergens elders in het OT zo vinden. En dat zijn de meest bekend passages uit Ps. 31. De woorden die Jezus aan het kruis gebruikt over zijn geest (leven) die Hij in Gods hand legt (31,6). Ook de uitspraak over het leggen van zijn tijden in Jahwe’s hand (31,16 NBG, zie boven), is nergens anders zo te vinden. Verder komt het beeld van de bevrijding uit een belegerde stad door Jahwe alleen in onze psalm voor (31.22 NBV).
Maar met deze wetenschap kunnen we toch blijven zeggen dat Ps. 31 zeer veel ontleent aan andere bronnen. Wat is daar echter op tegen wanneer we aannemen dat deze psalm juist bedoeld is om onderricht te geven in het bidden tot Jahwe door mensen die in grote nood verkeren? De dichter doet dat door twee situaties uit zijn leven of uit dat van anderen als model te gebruiken. En dan ligt het voor de hand daarbij alom bekende beelden te gebruiken. Voor bidden moet men weten wie Jahwe is, Welnu, in het eerste verhaal (2vv) worden we gewaar dat Jahwe een rots onder onze voeten is, een toevluchtsoord. We zijn bij Jahwe zo veilig als men in een vesting kan zijn. Hij leidt ons als een herder zijn schapen.
We worden uit beide verhalen gewaar hoe sterk de mens staat als hij op Jahwe vertrouwt. Daarom lijkt het mij ook juister niet over een klaagpsalm, maar over een vertrouwenspsalm te spreken, waarin het de dichter gaat om het vertrouwen in Jahwe op te wekken. En eveneens ligt het dan voor de hand om in beide beschreven situaties af te sluiten met het juichen over Jahwe’s trouw. Ook is het begrijpelijk dat allen die de psalm aanhoren, aan het slot kracht en moed wordt ingesproken.
Zonder denigrerend van een lappendeken te spreken, kunnen we de dichter prijzen dat hij van een bloemlezing van Bijbeluitspraken gebruikmaakt om de Israëliet te onderrichten in wie hun God is en wat vertrouwen op Hem en het juichen over Hem betekenen.
31.3. VAN OT NAAR NT
Ik heb er reeds op gewezen dat Jezus in zijn laatste kruiswoord Ps. 31,6 gebruikt, al is het in een nog persoonlijker vorm dan in onze psalm gebeurt: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest’ (Luc. 23,46). Dat hier ‘handen’ in het meervoud gebruikt wordt, maakt m.i. zakelijk geen verschil met Ps. 31,6. Wel is het van belang er altijd op te wijzen dat Jezus dit psalmwoord met het oog op zijn dood gebruikt, terwijl het in Ps. 31 een gebed is om juist voor de dood gespaard te blijven, dus om verder te mogen leven. Ongetwijfeld is het gebed van Jezus ook gericht op het verlangen naar zijn opstanding uit de doden en ligt het wel degelijk in het perspectief van Ps. 31,6 en kan het daarvan een vervulling heten. Het NT kijkt over het graf heen, terwijl het OT in de verwachting van wat ‘leven’ mag heten nog sterk tot het huidige aardse leven beperkt blijft.
Ook Stefanus heeft Ps. 31,6 gebruikt als hij gestenigd wordt en de dood tegemoet gaat (Hand. 7,59). Alleen vraagt hij hier aan ‘Heer Jezus’ om zijn geest te ontvangen. Ook Petrus denkt waarschijnlijk aan Ps. 31 als hij zijn lezers in hun lijden oproept hun leven (Grieks: tas psuchas) over te geven aan hun betrouwbare Schepper (1 Petr. 4,19). Hier wordt zinvol het vertrouwen gefundeerd op God die te vertrouwen (!) is als Schepper. Denk aan die combinatie tussen vertrouwen op Jahwe en de trouw van Jahwe, zoals ook in Ps. 31 daarover spreekt.
Het ligt voor de hand aandacht te besteden aan Ps. 31,5. Maar ook bij 31,16 (‘Mijn tijden zijn in uw hand’, NBG) is het van belang aan Jezus Christus te denken. Meer dan eens heeft Hij er op gewezen dat zijn tijd of uur nog niet gekomen was, te beginnen bij de bruiloft te Kana (Joh. 2,4). Waarschijnlijk betekent het daar. dat voor Jezus de tijd van zijn publieke optreden met het verrichten van wonderen, nog niet was aangebroken. Hij verricht in Joh. 2 wel een wonder, maar dan nog achter de schermen van een bruiloft. Vaak wijst de uitdrukking erop dat de tijd van Jezus’ sterven en van zijn verheerlijking nog niet was gekomen. Zo bv. als men Hem willen grijpen en dit niet lukt, omdat zijn tijd nog niet was gekomen (Joh. 7,30; 8,20). Jezus treedt ook omzichtig op als zijn broers erbij hem op aandringen naar het Joodse Loofhuttenfeest in Jeruzalem te gaan. Zijn tijd is nog niet gekomen. Zijn broers kunnen gaan, omdat de wereld hen niet haat, terwijl ze dat Jezus wel doen. Hij moet uitkijken en nauwkeurig zijn tijd, d.i. Gods tijd, in de gaten houden! Daarom gaat Jezus pas tegen het feest van Pèsach naar Jeruzalem! Zodra zijn dood aanstaande is, spreekt Hij anders. ‘De tijd is gekomen dat de Mensenzoon tot majesteit wordt verheven (Joh. 12,23; 13,1). In zijn contact met de Vader weet Hij dat die tijd nu is aangebroken: ‘Vader, nu is de tijd gekomen, toon nu de grootheid van uw Zoon, dan zal de Zoon uw grootheid tonen’ (17,1). Dat Jezus de tijd in acht neemt, die de Vader voor Hem bepaalt, blijkt bovenal als de vrees voor de dood Hem overmant en Hij geneigd is te bidden of de Vader dit ogenblik (‘dit uur’) aan Hem voorbij wil laten gaan. Hij is in zijn reageren heel menselijk. Toch weet Hij dat dit uur Hem door de Vader gegeven is en Hij de Vader moet verheerlijken (Joh. 12,27v; vgl. Matth. 26,38vv en parallelle plaatsen).
Meer dan in het OT zegt het NT dat het lijden voor de gelovige niet iets vreemds is. We hebben daarin deel aan het lijden van Christus, en daarom: ‘wees niet verbaasd over de vuurproef die u ondergaat; er overkomt u niets uitzonderlijks. Hoe meer u deel hebt aan Christus’ lijden, des te meer moet u zich verheugen, en des te uitbundiger zal uw vreugde zijn wanneer zijn luister geopenbaard wordt (1 Petr. 4,12v).
31.4. VOOR VANDAAG
1. Beschouwen we Ps. 31 als een oefening in het bidden, dan kunnen we aan de hand van deze psalm allereerst duidelijk maken hoe we uit de betekenissen die aan God worden toegekend als onze rots, toevlucht, burcht, gids e.d., Hem leren kennen. Reeds uit enkele veel voorkomende metaforen kunnen we aflezen dat God in het menselijk leven van strijd en vijandschap volop betrokken is. God is een toevlucht in nood. Mensen worden te schande gemaakt (31,2.18). Armzalige goden staan tegenover de ene ware God. Er zijn hoogmoedige en rechtvaardige mensen (31,19.24). Uiteraard zijn er ook andere beelden te gebruiken. Het is ons sympathieker op de herder te wijzen die zijn schapen veilig leidt dan aan oorlogshandelingen als vluchten e.d. te denken. Het is ons aangenamer te juichen over vrede dan te rillen over wat vijanden ons aandoen. Maar de psalm maakt duidelijk dat alle tijden in Gods hand zijn, de goede niet alleen, maar ook de kwade. Wij hebben met Hem als onze toevlucht te maken, zonder dat wij deze wereld met haar bittere tegenstellingen kunnen ontvluchten.
2. Aandacht moeten we geven aan het vertrouwen dat we in God en zijn redding mogen stellen. Dit vertrouwen staat in Ps. 31 centraal. Nieuwtestamentisch zullen we in het woord geloven precies hetzelfde vinden als in het woord vertrouwen, dat in het OT vaker voorkomt. Men kan op God aan (Hand. 14,3; Ef. 3,12; Filipp. 2,4). Dat drukt het woord geloven niet minder uit dan het woord vertrouwen. Zoals het vertrouwen gegrond is op de trouw van God, zo is in het NT het geloof gefundeerd op de trouw van God aan zijn beloften, die in Christus worden ingelost (Hand. 2,36vv; 2 Kor. 1,20). Alle zegeningen komen voort uit het verbond dat God met Abraham sloot. Daarin delen thans niet alleen de Joden, maar ook de heidenvolken, dus ook wij (Gal. 3,6vv). We kunnen ons daarvoor beroepen op de eed die God in de dagen van Abraham bij zichzelf zwoer om zijn beloften als volledig betrouwbaar te garanderen. God liegt niet (Hebr. 6,15vv).
3. Ook het prijzen van God, dat in Ps. 31 de twee grote onderdelen afsluit (31,8.22) verdient naast de beide vorige onderdelen z’n eigen belichting. God prijzen voert de gelovigen, die zich vaak het mikpunt van spot en schande voelen, uit hun eenzaamheid terug naar de gemeenschap met de anderen die God liefhebben. Voor ‘prijzen’ is de gemeenschap met de gelovigen in de kerk nodig. Wie God prijst komt boven het strijdgewoel uit en overwint zijn eenzaamheid.
4. Het meervoud ‘mijn tijden zijn in uw hand’ (31,16) is van groot gewicht om zowel voor- als tegenspoed uit Gods voorzienige hand te aanvaarden. De dingen overkomen ons niet toevallig, maar liggen in Gods hand besloten. Als we in zijn hand onze geest (ons leven) kunnen bevelen (31,6) in alle tijden, kan het lijden voor ons onbegrijpelijk blijven, terwijl we tegelijk vertrouwen dat we nooit uit zijn hand vallen.
31.5. VERANTWOORDING
In 31,6 wordt voor ‘verlossen’ het Hebr. woord pādā gebruikt, dat zowel lossen of loskopen van een mens of een dier (bv. Ex. 13,13.15; 21,8) alsook ‘bevrijden’ kan betekenen, met name van de dood zoals in 31,6 het geval is. Ps. 49,8v laat duidelijk zien dat geen mens een ander mens kan loskopen. Daarvoor is de prijs te hoog. Maar God kan de mens vrijkopen uit de macht van het dodenrijk (49,16). In deze psalm zien we de samenhang van ‘loskopen’ en ‘bevrijden’ heel mooi. Zie art. over pādā in ThWZT VI,,520v (H. Cazelles).
31,7 geeft de ijdelheid van de afgoden dubbel aan. De Hebr. uitdrukking havlē-šāv is een pleonasme. Het zijn nietsen, die niets dan lucht (Hebr.: hèvèl, adem, lucht), die door de dichter gehaat worden. Er is geen reden sommige oude vertalingen te volgen, die zeggen dat niet de dichter, maar Jahwe de vereerders van deze afgoden haat. Zij lezen niet śānēti (ik haat), maar śānētā: u (Jahwe) haat.
De aandacht in 31,11 voor de eigen schuld (NBV) of ongerechtigheid (NBG) nemen veel uitleggers uit de tekst weg door i.p.v., bacawōnī (door mijn zonde, schuld) te lezen bācanī (door mijn ellende).
In mijn opvatting van Ps. 31 als een model, dat kan dienen ons te leren bidden, sluit ik mij grotendeels aan bij M. Oeming, Das Buch der Psalmen. Psalm 1-14,183.
Het eerste gedeelte van vs. 21 bevat een woord (Hebr.: rōḫès) dat slechts eenmaal in het OT voorkomt. De betekenis van het woord is onbekend, aldus J.J.P. Valeton, De Psalmen I,178, die daarom de hele regel onvertaald laat. Men leest soms in plaats daarvan rāḫīl (lasteraar), wat NBV tot de vertaling brengt ‘U verbergt hen….voor de lagen en listen van mensen’. Vgl. ook H.J. Kraus, Psalmen I,246v. Anderen denken aan ‘samenscholing van mensen (o.a. NBG).
Zie voor onze opmerkingen over ‘tijd’ en ‘uur’ bij Jezus Christus o.a. P.H.R. van Houwelingen, Johannes (CNT) 1997,80.260v.
PSALM 32
32.1 UITLEG
Ps. 32 wordt doorgaans als een dankpsalm opgevat. Maar de psalm bevat ook elementen van onderricht. Vanaf vs. 8 is dat duidelijk. Mogelijk dat daarmee ook het opschrift samenhangt, dat ‘leerdicht’ kan betekenen (NBG). Anderen (zoals NBV) vertalen het opschrift als ‘een kunstig lied’. Weer anderen denken bij de vertaling ‘kunstig’ niet zozeer aan de inhoud, als wel aan de vorm, soms aan een muzikale term. De onduidelijkheid blijft. Er zijn nog meer psalmen die hetzelfde Hebreeuwse opschrift dragen: 42; 44; 45; 52-55; 74; 78; 88; 89 en 142. Uit de inhoud van deze psalmen valt niet met zekerheid af te leiden wat het opschrift betekent.
Wat de opbouw van de psalm betreft kunnen we duidelijker zijn. De psalm doet in het begin (1 en 2) en aan het einde (10 en 11) algemene uitspraken. 32,3-7 vertelt over de bijzondere omstandigheden die de dichter ertoe gebracht hebben zich in de eerste verzen gelukkig te prijzen. De vss. 8 en 9 geven instructies van Jahwe – mogelijk via een priester – aan de begenadigde mens, zodat hij de juiste weg kan volgen. Het slot (10v) wijst op de tegenstelling tussen de slechte en de rechtvaardige mensen.
Voor het opschrift ‘Van David’, zie onder 3.2 ‘Een psalm van David’.
We kunnen Ps. 32 in vieren verdelen:
1) De begenadigde mens valt gelukkig te prijzen (1-2);
2) Hoe deze mens tot zijn schuldbelijdenis is gekomen (3-7);
3) Jahwe onderricht hem over de weg die hij gaan moet (8-9);
4) Een slecht mens heeft leed te verduren; de rechtvaardige verheugt zich in Jahwe (10-11).
ad 1) De psalm begint met de mens gelukkig te prijzen wiens overtreding vergeven en wiens zonde bedekt wordt. De Hebr. uitdrukking voor hem die ‘gelukkig’ is, vonden we reeds in 1,1 en 2,12. We houden ons met deze uitroep ‘Gelukkig hij, die…!’ onder 32.2 uitvoeriger bezig. Het is uit vs. 1 al duidelijk dat dit geluk niet ontspringt aan kwaliteiten van de mens, aan zijn deugdzaamheid, maar dat het over iets gaat dat hem, ondanks zijn ondeugd, door Jahwe geschonken wordt.
Drie van de vier Hebr. woorden die in de vss. 1 en 2 worden gebruikt, geven het schuldig karakter van menselijke daden aan, (NBG: overtreding, zonde, ongerechtigheid; NBV: ontrouw, zonden, schuld). Ze kunnen moeilijk scherp van elkaar onderscheiden worden. Dat maakt het parallellisme van de versdelen reeds duidelijk. Alle drie zijn ernstig genoeg om Jahwe’s hand zwaar op de schuldige te voelen drukken (vs. 4). De aanduidingen ‘vergeven’, ‘bedekken’ en ‘niet toerekenen’ zijn als synoniemen op te vatten. Jahwe vergeeft de zonden, of Hij bedekt ze (32,1). Voor ‘vergeven’ wordt een Hebr. woord gebruikt dat eigenlijk ‘dragen’ betekent. Zonde is een last, die Jahwe van de zondaar afneemt. ‘Dragen’ betekent’ dus ‘wegdragen’, zodat de mens er geen last meer van heeft. Hetzelfde ligt besloten in het bedekken van de zonden (vgl. 85,3). In plaats van bedekken van zonden kan elders gezegd worden dat Jahwe zonden achter zijn rug geworpen heeft (Jes. 39,17, NBG), of dat Hij ‘al onze zonden werpt in de diepten van de zee (Micha 7,19).
Misdaden zal Jahwe niet toedekken (zie bv. Neh. 3,37); maar Hij toont zijn genade door iemands schuld (NBV) of ongerechtigheid (NBG) niet meer toe te rekenen. De schuld telt dan niet meer voor iemand in wiens geest geen bedrog is (2b). Dit laatste zinnetje veronderstelt dat de schuld van harte beleden is en dat bedrieglijke motieven ontbreken. De volgende verzen werpen daar licht op.
ad 2) Hoe kwam de dichter tot zijn schuldbelijdenis? Het gelukkig prijzen van de mens wiens zonden zijn vergeven, heeft een geschiedenis als achtergrond. Eerst was de dichter helemaal niet bereid zijn schuld te belijden. Wat die schuld was, wordt ons niet verteld. We hebben al vaker verondersteld dat een dergelijke onduidelijkheid opzettelijk is. Hoe algemener over schuld gesproken wordt, hoe meer mensen zich erin kunnen herkennen. Zie 3.2 ‘Een psalm van David’.
In elk geval heeft de dichter aanvankelijk zijn schuld willen toedekken. Hij verzweeg die voor Jahwe. Het gevolg was dat hij zwaar door Jahwe getroffen werd. Zijn gebeente teerde weg, kreunend leed hij daaronder de hele dag (vs. 3). Zijn ‘zwijgen’ was een zwijgen tegenover Jahwe, maar geen absoluut zwijgen. Hij kreunde het immers dag en nacht onder Jahwe’s straffende hand. Die hand kan zwaar op iemand drukken (vgl. 1 Sam. 5,6v.11 (waar NBV vertaalat met: Jahwe pakte de Filistijnen hard aan). De kracht van de dichter smolt weg (NBV), zijn merg verdroogde (NBG) als in de zomerhitte. Is iemand gezond, dan is zijn gebeente vochtig. Nu was het tegendeel het geval. Of de dichter aan een speciale ziekte denkt, of in beelden spreekt over de zware psychische moeiten die op hem drukken, valt niet uit te maken.
Hij kreeg het zo benauwd dat hij ten slotte zijn zonde beleed en dus zijn schuld niet meer toedekte (5), iets wat de mens tegenover Jahwe nooit moet doen. Jahwe kan zonden toedekken (vs.1), de mens moet dat juist niet doen (vs. 5), maar zijn zonde voor Hem belijden! Dat doet de dichter uiteindelijk ook. Hij neemt zijn besluit, belijdt zijn overtredingen en ‘U droeg mijn zonde, mijn schuld weg’. NBG vertaalt de Hebr. samentrekking van beide woorden met: ‘de schuld mijner zonden’.
De les die de dichter hieruit zelf getrokken heeft, houdt hij nu aan anderen voor (6,7): Laat iedere vrome (Hebr.: chāsīd; NBV: getrouwe) daarom tot Jahwe bidden als hij in zichzelf een zonde vindt (NBV)! Deze vertaling staat lang niet vast. Er staat letterlijk: ‘ten tijde van het vinden’. Vinden van wie of wat? Is het de zonde die men ontdekt en die beleden moet worden? Is het Jahwe die zich laat vinden (NBG)? Is het ‘in tijden van nood’ (WV, die van een tekstwijziging aanbrengt)? Zekerheid over de juiste vertaling verkrijgen we niet. Wat wel vaststaat is dat de zondaar zich tot Jahwe moet wenden en zijn schuld moet belijden. Want daarna geeft Jahwe de verlangde veiligheid in het leven. Zelfs een stortvloed van water, die dreigend op de mens afkomt, zal hem niet bereiken (6b). Hij is veilig bij Jahwe (NBV), of letterlijker: ‘Jahwe is mij een verberging’.
Het hier gebruikte Hebr. woord (sēter), komt in werkwoordsvormen ook voor in negatieve zin: Jahwe verbergt zijn aangezicht voor de mens (10,11; 13,2; 22,25; 27,9; 30,8). Maar ter bescherming van de mens (evenals in 27,5 en 31,21) bergt Jahwe de mens, die zijn schuld belijdt, óp in de schaduw van zijn vleugels (17,8), in zijn hut (27,5), of nog opvallender in het verborgene van zijn gezicht (31,21). WV vertaalt 31,21 als volgt: ‘uw gelaat maakt u tot een scherm tegen lasterpraat van mensen’.
Zo behoedt Jahwe de schuldbelijder in de nood en omringt Hij hem met gejuich van bevrijding (32,7b). Met dat laatste zal bedoeld zijn dat andere mensen zich tijdens een dankfeest (in of bij de tempel) bij zijn vreugde aansluiten.
ad 3) De psalm verandert van onderwerp. Wie is de ‘ik’, die in de vss. 8 en 9 het woord neemt? Sommigen denken aan een priester in de tempel, die onderricht gaat geven over de weg die iemand na zijn schuldbelijdenis moet gaan. Hadden priesters niet de taak om dat onderwijs te geven (Jer. 18,18; Hos. 4,6; Micha 3,11; Mal. 2,7)? Anderen denken hier aan een rechtstreekse boodschap van Jahwe. Dat laatste kan verdedigd worden met het argument dat ‘mijn oog is op u’ (8b) op Jahwe moet slaan. Er is geen bezwaar om beide gedachten te combineren. De priester spreekt zijn woorden namens Jahwe.
Met drie termen wordt aangegeven hoe Jahwe de zondaar die zijn schuld beleden heeft, zal helpen. Jahwe geeft inzicht, wijst de weg die de mens moet gaan en geeft (hem) raad. Verschil maken tussen deze drie aanduidingen voor het geven van steun is even moeilijk en onnodig als tussen de drie woorden die de zonde karakteriseren in 32,1.2a. Jahwe wijst de zondaar de weg, op hem rust zijn oog. Dit ‘rusten’van het oog op mensen heeft niets van het speuren naar onrecht bij de man die zijn schuld heeft erkend. Zulk speuren is er ook, bv. in 11,4. Maar in 32,8 gaat het oog van Jahwe over het leven van de mens ter bemoediging. Jahwe zal zijn weg in de gaten houden en alles doen om hem goede raad te geven en zo ongelukken op zijn levensweg te voorkomen (vgl. 34,16).
Met een sprekend beeld wordt deze mens erop gewezen hoe belangrijk het is de raad van Jahwe te volgen. De mens moet zich niet gedragen als een paard of muilezel, die zelf geen inzicht hebben en daarom in toom gehouden moeten worden om de goede weg in te slaan. Dat moet voor iemand die van Jahwe inzicht ontvangt, niet nodig zijn. Slaat hij zonder verstand een verkeerde weg in, dan zal Jahwe hem dwingen, zoals men paarden en muilezels met bit en toom doet om de juiste richting in te slaan. Dan gebeurt wat de dichter tot zijn schade en schande in eigen leven heeft ervaren!
ad 4) De overgang van het derde onderdeel naar het slot ligt voor de hand. Wie zich redeloos gedraagt als een paard of ezel zonder toom en bit, heeft veel leed te dragen. Zijn schuld is van die aard dat hij als een goddeloos (NBV: slecht) mens te boek staat. De ‘goddeloze’ wordt in Psalmen vaak genoemd, dikwijls samen met zijn tegenbeeld ‘de rechtvaardige’ (1,6; 7,10; 11,5; 34,22; 37,12.17, etc.). Zie voor deze tegenstelling reeds mijn bespreking van Ps. 1 met de zwart-wit tegenstelling als een soort model. Dat de rechtvaardige ook goddeloos kan optreden, blijkt uit onze slotverzen die nauw aansluiten op het beeld van het ‘redeloze’ dier. Zo was ook de dichter voordat hij zijn schuld beleed. Ook hij had toen veel leed te verduren. Dat veranderde toen hij z’n schuld had beleden en weer op Jahwe ging vertrouwen. Toen omringde Jahwe hem (weer) met liefde (10b), die als een beschermende muur om de rechtvaardige heen staat.
De psalm wordt afgesloten met een bekende opwekking aan de rechtvaardigen om vreugde te bedrijven en het uit te jubelen. Dat gebeurt door de ‘oprechten van hart’. Dit herinnert aan vs. 2b: vergeving ontvangen is voor de mens zonder bedrog. Dubbelhartigheid leidt niet tot vreugde en jubel. Deze vreugde zal zich vooral geuit hebben in en bij de tempel (vgl. 5,12; 9,2; 14,7; 31,8).
32.2. ALGEMEEN THEMA
‘Gelukkig is hij (zijn zij), die…!’
Deze uitroep komt 26x voor in Psalmen en overtreft daarmee ver het aantal dat we in andere boeken vinden, o.a. in Spreuken. De uitroep doet sterk denken aan een andere ‘zegenspreuk’:’Gezegend is hij (zijn zij), die…!’. Ook deze uitdrukking treffen we aan in Psalmen (zie reeds 18,47). Een duidelijk verschil is dat laatstgenoemde uitroep (Hebr.: bārūḥ) ook op Jahwe betrekking kan hebben. Gaat het over mensen, dan vertalen we met ‘gezegend’, gaat het over Jahwe dan vertalen we met ‘geprezen’. De uitroep ‘Gelukkig (Hebr.: ᵓašrē) is hij, die..!’ geldt echter nooit voor Jahwe, maar altijd voor mensen. Zij noemt de mensen gelukkig wanneer hij onder bepaalde omstandigheden leeft. Die omstandigheden schept hij niet zelf, maar heeft hij aan het werk van Jahwe te danken.
Gelukkig heet de mens die niet op de weg van de zondaren wandelt, maar zich verheugt in de wet van Jahwe (1,1vv; 112.1; 119,1v). Gelukkig zijn zij die schuilen bij Jahwe (2,12; 34,9), die Hij doet wonen in zijn voorhoven, waarnaar zij verlangen (65,5; 84,5v). Gelukkig zijn zij, die op Hem vertrouwen (40,5), Hem vrezen (128,1) en op Hem hun hoop vestigen (146,5). Gelukkig de man wiens zonden worden vergeven (32,1v). Zelfs kan iemand gelukkig heten als Jahwe hem vermaant en kastijdt, door hem in de wet te onderrichten (94,11v).
Het geluk richt zich niet alleen op eigen leven, maar gelukkig zijn ook zij die zorg dragen voor de armen (41,2) en die het recht onderhouden (106,3). Gelukkig is de man die zijn pijlkoker gevuld heeft met zoons als een beloning van God. Zij kunnen hun vader in het publieke leven ondersteunen (127,5).
Het gelukkig-zijn is ook gelegen in het feit dat men hoort bij het volk, dat Jahwe uitgekozen heeft (33,12). Gelukkig is het volk dat Jahwe als God heeft, dat voorspoed beleeft (144,12vv) en dat kan jubelen (89,16). In de relatie tot andere volken kan zelfs de man gelukkkig worden geprezen die wraak neemt op Babel en haar kinderen verplettert (137,8v).
De vraag is hier op z’n plaats of we ons met de ‘gelukkige mens’, zoals we die hierboven in allerlei teksten getekend vinden, op het terrein van de deugd bevinden. Een bekend onderscheid in de ethiek is dat tusen plicht en deugd. We hebben niet alleen te maken met wat de mens behoort te doen (nl. zijn plicht), maar ook wie hij behoort te zijn (nl. deugdzaam). Ongetwijfeld vinden we beide elementen ook in het boek Psalmen. Wie bv. de man van Ps. 1 gelukkig noemt en in deze psalm leest dat hij voortdurend op het rechte pad blijft lopen en continu zich verdiept in de wet van Jahwe, weet dat hij ‘deugt’. Tegelijk weet deze man uit de bestudering van Jahwe’s wet wat hij wel en niet behoort te doen, en dus wat zijn plicht is.
Toch is dit onderscheid betrekkelijk waardeloos als we het perspectief vergeten dat het boek Psalmen ons biedt. Wat maakt de mens tot wie hij is? Het is zijn volstrekte afhankelijkheid van Jahwe, zijn veiligheid bij Hem, zijn vertrouwen in Hem, zijn vrezen van Hem, etc. De mens put de kracht van deugdzaamheid niet uit zichzelf en kan die niet bereiken door op eigen benen te staan. Beide uitdrukkingen die ik in het begin van dit gedeelte noemde (‘Gelukkg hij, die…!’ en ‘Gezegend is hij, die…!), moeten in combinatie voorkomen. Om gelukkig en deugdzaam te zijn, moet de mens gezegend worden. Hij kan alleen gelukkig zijn als zijn zonden hem worden vergeven. Hij is een zondaar met grote schuld, al vanaf zijn jeugd (25,7.11). Maar hij mag ‘deugen’, als Jahwe zijn schuld niet telt (32,2).
32.3. VAN OT NAAR NT
In Romeinen 4 nemen Ps. 32,1 en 2 een belangrijke plaats in. Niet alleen aan Abraham werd z’n geloof in God hem tot gerechtigheid toegerekend (Rom. 4,3; Gen. 15,6), maar ook David prijst de mens gelukkig die door God rechtvaardig wordt verklaard, zonder enige verdienste van zijn kant. Alleen het vertrouwen op Hem (of: geloof in Hem, NBG), die de goddeloze (NBV: de schuldige) rechtvaardigt, wordt vanwege zijn vertrouwen rechtvaardig verklaard (Rom. 4,5). Na dit vers wordt Ps. 32,1 en 2 letterlijk geciteerd.
Paulus citeert Ps. 32 terecht binnen het kader van het evangelie dat hij brengt. Het kan erop lijken dat de gelovige Abraham verheven was boven de zondaar (de goddeloze, de schuldige) uit Ps. 32. Maar evenals bij Abraham was ook bij de dichter van Ps. 32 het vertrouwen (het geloof) de basis waarop Jahwe zijn ongerechtigheden vergaf, zijn zonden bedekte en zijn zonde hem niet toerekende.
De belijdenis van zonden (32,5) is in het NT niet minder belangrijk dan in het OT. De schuldbelijdenis en het geloof dat we uitsluitend door het werk van Christus rechtvaardig verklaard worden, gaan samen (Hand. 19,17.18; Rom. 10,9v). Belijden we onze zonden, dan zal Hij die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad (1 Joh. 1,9).
Wel is het NT rijker dan het OT, omdat het gaat over kwijtschelding van onze schulden door de genade van God in Jezus Christus. De begrafenis van onze zonden en de opstanding van ons nieuwe leven zijn onverbrekelijk aan Hem verbonden (Rom. 6,4vv; Col. 2,10 e.a.p.). Door het geloof hebben we een persoonlijke band aan Jezus Christus, op wie wij de blik gericht houden als de grondlegger en voltooier van ons geloof (Hebr. 12,2). Het christelijke leven laat zich tekenen als navolging van Christus (1 Cor. 11,1; Ef. 5,1v; Fil. 1,27-2,11).
32.4. VOOR VANDAAG
1. Alle bevrijdingen uit oorlogen en uit andere ellende in deze wereld zijn dubbelzinnig. Eén is pas de echte, nl. de bevrijding van de zonde (Rothuizen). Wij hebben telkens weer de verwachting dat het beter zal gaan, zoals na de val van het rijk van Hitler, na de ineenstorting van het communistische rijk en na de machtswisselingen in de moslimwereld. Maar altijd valt een ‘bevrijding’ weer tegen. De echte bevrijding is een geschenk van God, zowel voor ons persoonlijk als ook voor de wereld in haar totaliteit. Nieuwe mensen en een nieuwe wereld . komen achter Jezus Christus aan. Met elke aardse ‘bevrijding’ kan er een beetje veranderen, maar het echte vernieuwen moet van Boven komen.
2. Wat hebben we aan Ps. 32? Dat we beseffen hoe door onze schuld en die van de wereld de hand van God zwaar op alles drukt (vs. 4). Maar door erkenning van onze schuld zijn we vrij en veilig bij God en kunnen we nu reeds met andere mensen over onze bevijding juichen (vs. 7). Alles is gebrekkig, zodat de ‘getrouwen’ moeten blijven bidden en niet moeten terugvallen, door zich als redeloze dieren te gedragen (9). Dat de wereld geen behoefte heeft aan vergeving van zonden, is evident, ook al zijn er momenten in de geschiedenis geweest, waarin sprake was van kerstening van een deel van de wereld. Nu springt steeds duidelijker de secularisatie in het oog. Toch schijnen er lichten in de duisternis. Denk aan Hebr. 11 en de kracht van het geloof onder de meest moeilijke omstandigheden. Hoe komt het dat vervolgde christenen standhouden? Omdat hun geloof de grondslag vormt voor alles waarop zij hopen en nog niet zien (Hebr. 11,1).
3. Als iemand zijn zonde belijdt, wil God haar bedekken. Jahwe zwijgt vaak, klagen we. Maar op grond van Ps. 32 zou Hij kunnen klagen over het zwijgen van de mens. Wij moeten onze eigen zonden niet bedekken, maar voor God (1 Joh. 1,9) en de mensen (Jak. 5,16) belijden. Tegelijk moet er wel ons bedekken van zonden van anderen zijn: Liefde bedekt veel zonden (1 Cor. 13,6; 1 Petr. 4,8; vgl. Spr. 10,12).
4, Ons geluk bestaat heel centraal in de vergeving van onze zonden. Dit geluk ook met deugd in verband te brengen, is mogelijk. Denk aan 2 Petr. 1,5vv, waar geloof en deugd samengaan. Maar het geloof gaat in 2 Petr.1,5vv aan deugd vooraf. Het geloof wordt geschraagd (NBG) of verrijkt (NBV) met de deugd. Er groeit een christelijke levensstijl, die opbloeit uit het geloof en opvallende deugden laat zien, zoals zelfbeheersing, standvastigheid, vroomheid en (broeder)liefde. Laat het geloof (vertrouwen op God) altijd op de eerste plaats staan! Het geluk wordt nooit een menselijke kwaliteit, blijft altijd een gave die God schenkt op onze levensweg die om waakzaamheid vraagt (32,6.8vv).
32.5. VERANTWOORDING
32,1v. De drie Hebr. woorden voor het schuldig handelen van de mens zijn achtereenvolgens:
1) pèšaᶜ, samenhangend met ‘rebelleren’ > overtreding, misdaad. Het woord typeert zonde vooral als een breuk in de relatie met God en in die tussen mensen.
2) ḥāṭāᵓā of ḥāṭāt, ‘wangedrag’, dat ingaat tegen de normen en eisen die binnen een relatie gelden.
3) ᶜāwōn, het meest voorkomende van de drie: ‘zonde(schuld).
We vinden hier drie van de meest voorkomende aanduidingen voor wat wij ‘zonde’ noemen. Alle drie samen treffen wij ze, behalve in Ps. 32,1v, ook aan in Ex. 34,7; Ez. 21,29 en Dan.9,34. De termen komen in verschillende combinaties voor. Ze blijken uitwisselbaar te zijn (C. Houtman, Exodus I,40v, Kampen 1986).
32,1a. Zie voor de Hebr. uitdrukking ᵓašrē (‘gelukkig’), het betreffende artikel in ThWZAT I,481vv (H. Cazelles). De schrijver citeert W. Käser, die in de uitdrukking de verkondiging ziet van de door genade geschapen relatie tussen God en mens binnen het levensverbond van de genade, (a.a., 485).
32,1b over het bedekken van zonden heeft o.m. tot de sterke uitdrukking geleid dat ‘God onze zonden achter zich werpt in de zee van eeuwige vergetelheid’. Zo letterlijk staat dat nergens in de Bijbel. Twee stukjes Bijbeltekst (Jes. 38,17; Micha 7,19) zijn in deze uitdrukking samengevoegd, terwijl de ‘diepten van de zee’ tot beeld van ‘eeuwige vergetelheid’ geworden zijn.
32,7 bevat een hapax legomenon (rōn), dat als plur. infin. van rnn (‘juichen’) gelezen kan worden en met het volgende woord pallēṭ (pi inf. constr. van plṭ, ‘doen ontsnappen>bevrijden) wordt verbonden (NBG: met jubelzangen van bevrijding; NBV: met gejuich van bevrijding). Anderen stellen wijzigingen van de grondtekst voor, zoals H.J. Kraus, Psalmen I,254, die vertaalt : ‘mit rettenden Schilden’.
32,8 bevat opnieuw een woordje dat problemen geeft: ᵓèdyō, door sommigen vertaald met . ‘trots’ of ‘kracht’, in aansluiting bij het Hebr. woord cādi, dat ‘juweel’ of ‘sieraad’ betekent (bv. Ex. 33,4-6). De overgang van ‘sieraad’ naar ‘kracht’ is niet erg overtuigend. Daarom wordt deze vertaling door anderen sterk betwijfeld, zo bv. door J. van der Ploeg, Psalmen I,210, die met anderen kiest voor de vertaling ‘zijn draf’ (‘wier draf door toom en gebit wordt bedwongen).
Ook is er geen eenstemmigheid over het slot van 32,9. NBV vertaalt: ‘dan zal geen kwaad je treffen’; NBG: ‘opdat het u niet te na kome’, nl. het dier dat, bestuurd door toom en bit, zo uit onze buurt blijft. Weer anders vertaalt de Einheidsübersetzung: (toom en bit zijn nodig voor genoemde dieren), ‘sonst folgen sie dir nicht’. Veel onderling verschil dus, zonder dat de hoofdzaak onduidelijk blijft. De betekenis van 32,9 lijkt mij heel goed getroffen door de Psalmberijming van 1773 en door berijmingen die in dat spoor gaan: ‘Gebit en toom, door ‘s mensenhand bestierd, beteug’len ‘t woest en redeloos gediert’. Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen. Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen’, etc. Deze parafrase geeft ook een duidelijke overgang naar de vss. 10 en 11.
Voor Rothuizen, zie zijn Landschap, dl I,166, Kampen 1965.
PSALM 33
33.1. UITLEG
Psalm 33 heeft geen opschrift, zoals veruit de meeste uit het eerste deel 1-41 van Psalmen. Bij Ps. 1 en 2 is het ontbreken van een opschrift te verklaren, omdat wij deze beide psalmen als inleiding op het hele Psalmboek kunnen beschouwen. Ps. 10 mist een opschrift, omdat het met Ps. 9 een eenheid vormt. Maar waarom ontbreekt het bekende opschrift ‘Een psalm van David’ boven Ps. 33? De meest voor de hand liggende verklaring is de duidelijke overgang van 32,11 naar 33,1. De oproep aan de rechtvaardigen en de oprechten van hart in 32,11 om Jahwe te bejubelen vindt z’n directe herhaling én uitwerking in 33,1vv.
Het is best mogelijk dat Ps. 33 later is ingevoegd. De 22 verzen doen aan de 22 letters van het Hebreeuwse alfabet denken en geven de indruk dat we met een weloverwogen geheel te maken hebben. Deze psalm is duidelijk een lofpsalm, of een hymne, waarin de woorden alsook de zang en de muziek gericht zijn op de eer van Jahwe.
Over de omstandigheden waarin deze psalm gedicht is, kunnen we niets met zekerheid zeggen. Wel kan de uitspraak in vs. 20 dat men ‘op Jahwe wacht’, erop wijzen dat Israël in moeilijke omstandigheden verkeert. Veel verklaarders menen dat we te maken hebben met een psalm uit de tijd na de ballingschap, of (nog later). Dat is niet hard te maken. Maar het feit dat we met een lofzang op Jahwe te maken hebben, sluit zeker niet uit dat de zangers Jahwe’s ingrijpen hebben gemerkt én verwacht in hun toenmalige omstandigheden.
Psalm 33 kan als volgt ingedeeld worden:
1) Inleiding op de psalm (1-3);
2) Eerste deel van de lof op Jahwe (4-12);
3) Tweede deel van de lof op Jahwe (13-19);
4) Afsluiting van de psalm (20-22).
ad 1) In de inleiding van Ps.. 33 wordt vijf keer opgeroepen om Jahwe te eren: ‘jubelt’, ‘looft’, ‘psalmzingt’, ‘zingt’ en ‘speelt’ (NBG). Dat sluit aan bij de drievoudige oproep in 32,11: ‘verheugt u’, ‘juicht’ en ‘jubelt’ (NBG). De mensen die daarvoor worden opgeroepen in beide teksten, zijn de ‘rechtvaardigen’ en ‘oprechten’ (van hart). Daarmee zullen zowel het tempelpersoneel alsook het toegestroomde gelovige volk dat bij het heiligdom aanwezig was, zijn aangesproken. We kunnen ons voorstellen dat een voorzanger zowel het tempelkoor met de musici als het volk opriep in actie te komen. De muzikale begeleiding is nadrukkelijk aanwezig. Citer (lier) en tiensnarige harp worden vermeld. Het musiceren moet ‘goed’ gebeuren (3b), d.w.z. vakkundig, muzikaal verantwoord zijn. Het moet ‘schoon’ klinken. Zie ook 1 Sam. 16,17; Ez. 33,32. De muziek tot eer van Jahwe zal luid geklonken hebben (3b: ‘onder geschal’).
Of de zang van deze psalm over verschillende groepen verdeeld werd, kunnen we niet meer nagaan. Beurtzang laat zich denken, waarbij de voorzanger 1-3 zong, het volk 4-5, en (een gedeelte van) het tempelkoor de vss. 6-12 en 13-19. Het slot kan door allen zijn aangeheven. Maar deze indeling blijft gissen; ook andere verdelingen zijn voorgesteld.
Het past de oprechten Jahwe te loven (NBG). Zij moeten Hem loven (NBG). Waarom? De directe aansluiting op Ps. 32 kan reeds het antwoord geven: Jahwe vergeeft de overtreding van allen die hun zonden belijden, Hij wijst de weg die ieder gaan moet en men kan op Hem aan! Het vertrouwen op Jahwe is opnieuw een belangrijk thema in Ps. 33. De zang moet een nieuw lied ten gehore brengen (3a). Dit veronderstelt dat er ook oude liederen waren, die (geregeld) in de tempeldienst werden gezongen. Maar ook nieuwe zijn nodig, zoals we hier en op andere plaatsen in het Psalmboek lezen (40,4; 96,1; 98,1; 144,9; 149,1). Een nieuwe openbaring van Jahwe’s macht, verlossing en trouw kan daarvoor de aanleiding zijn, zoals uit de geciteerde teksten blijkt. Maar in 33,3a zal de enthousiaste terugblik op Jahwe’s scheppingsmacht en op de blijvende bescherming van zijn volk, zoals die in 33,4vv worden bezongen, een dichter aangespoord hebben om een nieuw lied te componeren.
ad 2) De passage 33,4 en 5 begint met het woordje ‘want’ (NBG), dat NBV vaak onvertaald laat. Hier heeft het zin om met ‘want’ te vertalen en de tekst zelf te laten vertellen waarom een (nieuw) lied gewenst was. Het woord van Jahwe is oprecht, alles wat Hij doet is betrouwbaar. Hij heeft recht en gerechtigheid lief (vs.4.5a). Al deze woorden zijn er niet op gericht de macht en majesteit van Jahwe te onderstrepen, maar zijn betrouwbaarheid. Voordat we in vss. 6vv over de schepping van de hemel, de zee en de aarde wat te horen krijgen, staat al vast dat alles wat Jahwe doet (4b: ál zijn ‘werk’, dus ook scheppen etc.), de mens bemoedigt. Al Jahwe’s werk is betrouwbaar, d.w.z. getuigt van een vastheid waarop de rechtvaardigen bouwen kunnen. Op Jahwe’s woord kan men aan. Waarom zou een mens die op Jahwe vertrouwt, angst hebben voor wat op hem afkomt (32,6) en wat andere mensen hem aandoen (56,5; vgl. 105,42v; 106,24)? Het woord van Jahwe houdt altijd beloften in (119,25).
Dat valt ook op te maken uit vs. 5b: de aarde is vol van de trouw van Jahwe. Het hier gebruikte Hebr. woord (ḥèsèd) wijst op de relatie tussen Jahwe en zijn volk – een relatie waaraan Jahwe trouw blijft. Zijn volk kan rekenen op zijn liefde, genade, trouw, of hoe het Hebreeuwse woord in z’n verband ook maar vertaald moet worden. In ons tekstvers past het woord ‘trouw’ uitstekend (zie zowel NBG als NBV). De tekst zegt dat de aarde vol is van deze trouw van Jahwe (zo ook in 119,64). We kunnen daarbij concreet denken aan bv. de geschiedenis van het volk Israël tussen de volken op aarde. De trouw van Jahwe bleek in het land Egypte en in het verslaan van allerlei andere volken toen Israël op weg ging om het land Kanaän in bezit te nemen. De trouw zou ook blijken uit de terugkeer van ballingen uit Babel. Zo licht Ps. 136 de trouw van Jahwe toe aan de hand van de gebeurtenissen in het land Egypte, de doortocht door de Rietzee en het doden van de koningen van de Amorieten en Basan. Naast deze overwinningstocht van Jahwe’s trouw in de geschiedenis blijkt die trouw ook uit zijn scheppingswerken (136,5vv) en uit het feit dat Hij brood geeft aan alles wat leeft (136,25).
Deze trouw van Jahwe ontvouwt de dichter zowel wanneer hij aan Jahwe’s scheppingswerk denkt alsook aan Israëls geschiedenis (33,6-11). Door het woord en (daarmee synoniem) door de adem van zijn mond heeft Jahwe de hemel en ‘al hun heer’ gemaakt. Met dat laatste zullen de sterren bedoeld zijn (6). Het water en het droge heeft Hij gescheiden door de watermassa’s als een dam te verzamelen, d.w.z. door de wateren te verhinderen dat zij het vasteland (blijven) overstromen. Hij bergt de watervloeden op in schatkamers. We zullen daarbij niet moeten denken aan schatkamers in de diepte, maar boven het uitspansel. Zie Gen. 1 over de scheiding tussen de wateren boven en beneden het firmament (Gen. 1,7.9v). Vanuit de schatkamers boven zendt Jahwe de regen, die de aarde vruchtbaar maakt. Maar het water kan Hij ook in massa’s over de wereld uitstorten en daarmee grote vernielingen aanrichten. Denk aan de zondvloed (Gen. 7,11vv)!
Deze tekstpassage geeft opnieuw aan de rechtvaardigen en oprechten (vs. 1) een bewijs van Jahwe’s trouw. De wereld heeft Hij door de scheiding tussen water en land bewoonbaar en vruchtbaar gemaakt. Dat deed Hij door ‘slechts’ te spreken. Hij sprak en het was er. Hij gebood en daar stond het (9). Deze macht van Jahwe moet heel de wereld met al haar bewoners ertoe brengen Jahwe te vrezen (8). Met zijn stem realiseert Jahwe het grote plan dat Hij met zijn schepping en zijn volk heeft. Volken kunnen plannen beramen tegen Jahwe’s volk, maar Hij verijdelt die plannen. Zijn plan (NBV) of raad (NBG) staat tegenover dat van de volken. Geslacht op geslacht zal Jahwe trouw blijven aan zijn volk Israël (10v). We zien hier hoe ook de schepping en het onderhouden van de schepping in dienst staan van het grote plan dat Jahwe met zijn eigen volk heeft.
Vs. 12 kunnen we als afsluiting van het eerste deel van deze lofpsalm beschouwen. Het volk heet gelukkig omdat het Jahwe als zijn God heeft. Hij koos het uit als zijn erfdeel (Hebr.: naḥalā). Met dat woord geeft de psalm Jahwe’s bijzondere relatie tot Israël aan. Israël is Jahwe’s onvervreemdbaar bezit, zijn kroonjuweel (Kraus). Werd in 32,1 de mens gelukkig gesproken aan wie Jahwe geen schuld meer toerekent, in 33,12 heet het volk gelukkig, dat Jahwe als God heeft.
Vanwege de parallellie tussen 12a en 12b worden er twee woorden voor ‘volk’ gebruikt: het algemene woord (Hebr. (gōy, volk, vooral in het meervoud: heidenvolken) alsook het woord dat we meestal voor Israël aantreffen woord (cam).
ad 3) In het volgende deel van Ps. 33 wordt duidelijk wat die bijzondere positie van Israël inhoudt, als we letten op de aandacht waarmee Jahwe vanuit de hemel let op alle mensen (13-17) én op hen die Hem vrezen (18-19). Jahwe slaat gade wat alle mensenkinderen doen. Het is Hem bekend wat voor plannen zij smeden. Hij vormt immers hun hart (vgl. Gen. 2,7), zoals een pottenbakker zijn materialen schept. Jahwe doorziet alle handelingen van de mensen. Hij ziet dat ze machtige legers op de been brengen en sterke paarden voor de uitvoering van hun plannen gebruiken. Maar koningen winnen de strijd niet met zo’n leger en ze ontkomen niet aan een nederlaag met hun krachtige paarden. Een leugen is het (te denken) dat het paard er is voor de overwinning (33,17)! We moeten hier denken aan het mislukken van wat heidense volken met krachtsvertoon tegen Israël proberen. Jahwe houdt de tegenstanders van zijn eigen volk goed in de gaten en verlamt hun acties.
Want – en nu komt de keerzijde aan het licht – het oog van Jahwe rust op hen die Hem vrezen en die hopen op zijn trouw (18). Hun leven redt Hij van de dood en behoudt Hij als zij van honger dreigen om te komen.
Dit tweeërlei ‘zien’ van Jahwe’s oog hebben we al eerder geconstateerd. Zie 32,8, waar het oog van Jahwe welwillend rust op hen die hun schuld beleden hebben en nu veiligheid vinden bij Jahwe. Dit bemoedigend ‘rusten’ van het oog van Jahwe op mensen vinden we o.a. in 10,14; 17,2; 18,24; 72,14; 101,6; 116,15. Maar het kan ook zijn dat Jahwe’s ogen argwanend speuren naar onrecht en geweld onder de mensen en volken. Verdwaasden houden geen stand voor zijn ogen (5,6) en met zijn ogen keurt Hij fronsend de mensen op aarde (11,4). Zie voor dit speuren naar onrecht door Jahwe ook 66,7.
ad 4) In de afsluiting van deze psalm valt het ons op dat opnieuw vertrouwen in Jahwe wordt uitgesproken, terwijl meteen daarop ook een gebed volgt om het bewijs van Jahwe’s trouw te mogen ervaren (20-22). De dichter spreekt in naam van velen (‘onze ziel’) uit, dat zij ‘wachten’ op Jahwe, die hun hulp en hun schild is. Het hier gebruikte werkwoord treffen we ook aan in 106,12v. Na de doortocht door de Rietzee, vertrouwde Israël op Jahwe’s woorden en bezong het zijn lof. Maar snel vergaten ze in de woestijn zijn daden en wachtten ze niet geduldig op wat Hij verder van plan was. Dat is het omgekeerde van wat 33,20 wil: erop rekenen dat Jahwe uitredding zal geven, mogelijk uit gevaren die op dat moment het volk bedreigden. Dat is de juiste houding: juichen over alles wat Jahwe gedaan heeft (zie heel Ps. 33!) en blijven wachten op zijn volgende uitredding (vgl. Jes. 30,18v; Sef. 3,8). Vs. 21 onderstreept dat nog eens: ja, in Jahwe verheugt zich ons hart over alles wat Hij gedaan heeft; ja, op zijn heilige naam vertrouwen wij, d.w.z. Hij zal ons ook verder uitredding schenken. Jahwe’s ‘heilige’ naam staat er garant voor dat Hij onze vijanden tot schrik en ons tot een hulp en een schild zal zijn!
Maar zowel het juichen over als het vertrouwen op Jahwe maken het gebed om hulp niet overbodig. Daarmee eindigt de psalm. Wat men beleden heeft (Jahwe’s trouw), daar vraagt men ook om. Toon uw trouw, op u is al onze hoop gevestigd (22)!
33.2. ALGEMEEN THEMA
Bijbeluitleg en dogmatiek
Soms biedt een psalm zoveel stof over een bepaald onderwerp, dat we er een stuk ‘theologie’ in kunnen vinden. Theologie houdt zich, zoals het woord zelf reeds zegt, bezig met de leer over God. De verwerking van die leer kan een dogmatiek opleveren. Welnu, Ps. 33 is bij uitstek geschikt ons te onderrichten in wie God is. Om een paar termen uit de theologie te gebruiken: wij vinden in Ps. 33 gegevens die spreken over het woord van God, over zijn schepping van de wereld, over zijn voorzienigheid (het blijvend bestuur van God over zijn schepping), over zijn plannen (in de dogmatiek zijn raad genoemd) en over het heil dat Hij aan mensen schenkt. Binnen een dogmatiek worden al deze en nog veel meer onderwerpen breed besproken in een bepaalde volgorde. Het is het goed recht van de dogmatiek om, aan de hand van alle Bijbelgegevens tot aparte behandeling van allerlei thema’s te komen.
Het mooie echter van de uitleg van een stuk Bijbeltekst is, dat we daarin tal van onderwerpen ineengevlochten aantreffen. Wij maken in de dogmatiek allerlei onderscheidingen, maar in de werkelijkheid van ons leven met God liggen de onderwerpen niet zo naast elkaar als in een dogmatiek.
Neem Ps. 33. We lezen over het woord van Jahwe, dat betrouwbaar is (33,4). Een belangrijk gegeven is dit voor het volk van God, omdat het in de moeiten van het leven op Hem aankan! Komt de schepping aan de orde (33,6.7), dan wil de boodschap dat Jahwe de geweldige watermassa’s aan banden heeft gelegd, de gelovige mens gerust stellen. Jahwe heeft deze wereld geschapen tot onze bemoediging. Niet als chaos schiep Hij de aarde, maar om haar door de mensen te laten bewonen (Jes. 45,18; Hand. 17,26). Denk aan de macht van het water zoals ook wij die kennen in bv. tsunami’s. In de dogmatiek kunnen we bij het onderwerp ‘schepping’ kwesties als de leer van de evolutie bespreken. Maar in Ps. 33 gaat het concreet om de betrouwbaarheid waarin de gelovige mens en het gelovige volk zich mag verheugen. Men moet zich zelfs door het geweld van tsunami’s niet laten afschrikken.
Hetzelfde kunnen we zeggen als het in Ps. 33 over de raad (het plan) van Jahwe gaat. In een dogmatiek komen legitiem vragen aan de orde hoe het zit met Gods raadsbesluiten van eeuwigheid en met de eindbestemming van de mens. De verhouding tussen Gods eeuwige raad en onze verantwoordelijkheid komt aan de orde. Maar leggen we Ps. 33 uit, dan is het vermelden van Jahwe’s raad van geslacht tot geslacht (33,11) bedoeld om ons in God te verheugen, omdat al zijn plannen in de concrete situatie op onze redding gericht zijn. Hij zet zijn (voor ons troostvolle) raad door, ten koste van alle plannen die anderen tegen zijn volk beramen.
Ook met betrekking tot het heil moeten we bedenken dat Ps. 33 vanuit een concrete situatie spreekt. In de dogmatiek kan het bij dit onderwerp gaan over thema’s als roeping, wedergeboorte, bekering, geloof, rechtvaardiging en heiligmaking. Maar Ps. 33 juicht over Jahwe, op wie men aan kan als onze hulp en ons schild, in geval de dood of een hongersnood dreigt (33,19).
Nogmaals, in deze psalm liggen veel elementen samengevlochten, die we in de dogmatiek naast elkaar bespreken. Deze psalm juicht over God die trouw blijft aan zijn verbond met Israël. In de ene bundel licht die de psalm uitzendt, kunnen wij allerlei kleuren gaan onderscheiden, die te maken hebben met wat in dogmatische onderwerpen afzonderlijk aan de orde komt. Maar het moet wel duidelijk blijven, dat we – zonder het recht, of ook de plicht van de dogmatische bezinning te ontkennen – een psalm (of welk ander gedeelte van de Schrift ook) niet ‘dogmatisch’ gaan uitleggen, maar eerst laten vertellen wat haar eigen concrete boodschap is. De dogmatiek en ook de Bijbelse theologie lopen niet voorop, maar volgen de uitleg van wat de Schrift onszelf te vertellen heeft.
Het verschil tussen de concrete Bijbeltekst en de meer begripsmatige lezing van de hele Bijbel in de dogmatiek lichten we aan een klein onderdeel van Ps. 33 nog toe. 33,6 zegt dat door het woord van Jahwe de hemelen zijn gemaakt en door ‘de adem van zijn mond’ al hun heer. Voor ‘adem’ wordt het Hebr. woord rūaḥ gebruikt dat ook ‘geest’ kan betekenen. Waarom zou hier reeds niet op het scheppingswerk van de Heilige Geest gewezen worden, vraagt men in oude commentaren zich af. Waarom zou dit geen bewijsplaats voor de godheid van de Geest en voor de Drie-eenheid zijn?! Maar reeds Calvijn wijst er in zijn verklaring van 33,6 op dat we op deze manier een tekst gaan pressen. Het ‘woord’ van Jahwe in 33,6a betekent precies hetzelfde als ‘de adem van zijn mond’ in 33,6b. En dus moeten we op grond van deze psalm niet over de godheid van de Heilige Geest gaan spreken. Exegese als uitleg van teksten is wat anders dan een oefening in de dogmatiek.
33.3. VAN OT NAAR NT
Een enkele maal worden we in het NT aan Ps. 33 herinnerd. Zo in Openb. 14,3 als over een ‘nieuw lied’ gesproken wordt (vgl. ook Openb. 5,9). Het wordt gezongen voor de troon van het Lam en in aanwezigheid van de 144000 mensen, die de naam van het Lam en van God op hun voorhoofd hadden staan. Het ‘nieuwe’ van het lied zal hier bepaald zijn door de omstandigheid dat niemand buiten de 144000 mensen het kon begrijpen. Een nieuw lied dus, omdat het tot eer van het Lam en van God over de bijzondere ervaringen van alleen deze groep mensen ging, die als een eerste oogst werd vrijgekocht van de aarde.
Als er over het woord van God gesproken wordt (Ps. 33,6), dan ligt het voor de hand om te denken aan Joh.1,1vv (Jezus als het Woord van God) en aan Hebr. 11,3 (de werelden zijn door het Woord van God toebereid). De schepping door het woord van God wordt in het NT aan Jezus Christus verbonden. We vinden die verbinding (uiteraard) nog niet in Ps. 33 en Gen.1. De schepping door het woord van God geeft in beide Bijbelpassages de macht van God aan, die enkel door zijn spreken de wereld heeft geschapen en gevormd. In Ps. 33 valt vooral de nadruk op de betrouwbaarheid van Gods spreken voor de rechtvaardigen en voor het volk waartoe zij behoren.
In het licht van het NT kunnen we ons juichen over God en over zijn betrouwbaar woord niet anders meer voorstellen dan daarbij ook altijd de naam van Jezus Christus te noemen. De betrouwbaarheid van het werk van God drukken we nu uit door aan Jezus te denken als ‘de weg, de waarheid en het leven’ (Joh. 14,6). Veilig in Jezus’ armen! En wie roemt, laat hij zich op de Heer beroemen’ (1 Cor. 1,30; 2 Cor. 10,18), waarbij de naam ‘Heer’ – ontleend aan Jer. 9,23 – nu niet alleen betrekking heeft op de Vader, maar ook op zijn Zoon Jezus Christus. Aan Hem is immers alle macht in de hemel en op de aarde gegeven (Matt. 28,18) en vanwege zijn hoge verhevenheid moet alle knie zich voor Hem buigen (Fil.2,20). Hem prijzen wij als God tot in eeuwigheid (Rom. 9,5).
3.4. VOOR VANDAAG
1. Bij de bespreking van Psalm 8 (een lofpsalm) heb ik onderscheid gemaakt tussen dank- en lofpsalmen Zie onder 8.2. In een dankpsalm brengt de enkeling of ook het volk aan God dank voor een speciale redding of voor een bijzondere gave die Hij geschonken heeft. In een lofpsalm wordt Jahwe geprezen om wie Hij is en wat Hij gedaan heeft. Daarmee is niet gezegd dat wij als mensen in een lofpsalm (hymne) buiten beeld blijven. Neem Ps. 33, waarin Jahwe uitbundig wordt geprezen, maar dan vooral over de trouw die Hij toont van geslacht tot geslacht. Wat ik bij de bespreking van Ps.9/10 (onder 4. Voor vandaag) gesteld heb, geldt ook hier: het prijzen hoeft niet zonder bijbedoelingen te gebeuren. Volstrekt ‘belangeloze’ liefde tot God, waarin we onszelf helemaal vergeten, bestaat er niet. Wij prijzen God met Ps. 33 wegens zijn trouw die Hij ons toont, in de geschiedenis die Hij van geslacht tot geslacht met ons gaat. De opmerking ‘het gaat niet om ons, maar om God’, is een onzuivere tegenstelling. Ps. 115,1 zegt: ‘Niet ons, HEER, niet ons, geef uw naam alle eer, om uw liefde en om uw trouw’ (NBV). Dat is wél een zuivere tegenstelling. Jahwe’s naam komt alle eer toe, maar het is juist die naam die aan ons liefde bewijst en trouw is aan zijn verbond met ons.
2. De oproep om op God te vertrouwen, zoals we die in Ps. 33 duidelijk horen, onderscheidt zich in niets van wat wij in het NT ‘geloven’ en ‘hopen’ noemen. Omdat het over geloven in God gaat, kunnen we met Hebr. 11,1 het geloof de zekerheid noemen van de dingen die men hoopt en het bewijs van de dingen die men niet ziet (NBG). NBV mag het iets anders formuleren, maar het komt op hetzelfde neer: ‘Het geloof legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien’. Precies hetzelfde kunnen we zeggen van ‘vertrouwen op’ in het OT. Dat woord heeft meestal een negatieve betekenis als het gaat over het vertrouwen op mensen. Het vertrouwen op God is van totaal andere aard. We hebben dan met Hem te maken die de wereld door zijn woord heeft geordend (Hebr. 11,3), die de hemel met alle sterren heeft geschapen (1 Kron. 16,26) en die de wateren aan banden heeft gelegd (Ps. 33,5v). Kortom, wij hebben te maken met Hem als Schepper, wiens woord betrouwbaar was. Daarom hebben we geen enkele reden aan zijn betrouwbaarheid te twijfelen als het over zijn woorden inzake onze redding uit nood en dood gaat.
3. De schepping van de wereld en het onderhouden ervan door God is geen apart hoofdstuk voor ons geloof, maar het draagvlak daarvan. God die zo planmatig en ordenend te werk ging in zijn schepping, voert ook zijn woorden over onze redding uit. De geschiedenis van het heil is een voortzetting van de schepping. Nadat God de oceanen aan banden gelegd heeft, doet Hij dat ook met de rebellie van de volken die zich tegen Hem en zijn volk keren (vgl. ook Ps.66,vv). Lees naast Ps. 33 ook Hebr. 11 voor het geloof in de eenheid van schepping en verlossing, en merk dan op hoe vast het geloof blijkt te zijn voor mensen, zelfs als ze gemarteld werden en van geen vrijlating wilden weten, of als ze gestenigd, doormidden gezaagd, of door het moordend zwaard gedood werden (11, 35vv),
33.5. VERANTWOORDING
33,1vv. Het aantal van 22 verzen in Ps. 33 kan toevallig zijn, zoals er ook psalmen zijn met 21 of 23 verzen. Toch is de opbouw van Ps. 33 van die aard dat er aan een ‘studeerkamerproduct’ gedacht mag worden en we inderdaad met een alfabetiserende psalm te maken hebben. Een alfabetiserende psalm van (dus) 22 verzen moeten we wel onderscheiden van een alfabetische psalm, waarin de verzen het Hebreeuwse alfabet volgen. Een dergelijke psalm is een acrostichon. Zie daarvoor reeds 9/10.2. ‘Alfabetische psalmen’.
33, 3b heeft als Hebr. tekst: hētīvu naggēn. Alter, The Book of Psalms, 113, geeft dat weer met ‘play deftly’ en H.J. Kraus, BKAT Psalmen I met: ‘Macht gut das Spielen’. Het gaat in het musiceren tot eer van God ook om kundigheid en vaardigheid. Het in 3b gebruikte Hebr. woord terūcā betekent ook alarm- en oorlogskreet. We zullen daarom bij de zang en muziek tot eer van Jahwe’s macht en majesteit aan ‘dröhnender Jubelschall’ mogen denken (Kraus). E. Beaucamp, Le Psautier 1-72, Parijs 1976, 150 denkt bij terūcā aan hoera-geroep. Zie voor het volume van het gejuich ook Ex. 32,17; waar het juichende volk rondom het gouden kalf Mozes doet zeggen: ‘Ik hoor strijdkreten in het kamp’ (NBV). Eenzelfde geluidssterkte vinden we ook bij betere feestgelegenheden dan rond het gouden kalf, vgl. Ezra 3,13 en Neh. 12,43.
33,5. De uitdrukking dat ‘de aarde vol is van….’ treffen we vaker aan. De aarde is vol van ‘uw schepselen’ (104,24), van Jahwe’s heerlijkheid (Jes. 6,3), van Jahwe’s lof (Hab., 3,3). De aarde (of het land) kan ook vol zijn van slechte dingen, zoals van gewelddaden (Gen. 6,11), van afgoden (Jes. 2,8) of van bloedschuld (Ez. 7,23). De laatste constateringen nemen echter niet weg dat voor wie ogen heeft voor de geschiedenis van Jahwe’s volk en voor het werk in zijn schepping ook overal de grote daden van Jahwe’s trouw kan ontdekken. Zie ThWAT IV,879 (L.A. Snijders).
33,7b. De schatkamers (Hebr.: ōṣerōt) zullen we niet in de oceanen ‘beneden’, maar ín de wateren ‘boven’ moeten zoeken, zoals Gen. 1,7 daarover spreekt. Zie over deze ‘schatkamers’ ook Deut. 28,12 en Job 38,22, die over de bergplaatsen van regen, sneeuw en hagel spreken.
33. Het Hebr. woord voor ‘wachten’ op Jahwe is ḥḵāh, dat vaak het wachten op Jahwe’s ingrijpen in moeilijke omstandigheden slaat. Denk ook aan Jes.8,17; 30,18v (Jahwe wacht zelf op een gelegenheid om in te grijpen); Hab. 2,3 (het visioen wacht op die gelegenheid). Zie ThWAT II,915vv (Chr. Barth).
33,21. A. Jepsen, (ThWAT I,610vv) heeft laten zien dat het werkwoord ‘vertrouwen’ (Hebr.: bṭḥ), als het gebruikt wordt voor het vertrouwen op mensen en menselijke zaken, bijna altijd een negatieve klank heeft. Wie op mensen vertrouwt, komt bedrogen uit. Maar totaal anders is het wanneer we op God vertrouwen, want dat geeft zekerheid. In noodsituaties is er geen andere ‘Existenzmöglichkeit’ dan toevlucht te nemen tot Jahwe, a.w. 614.
PSALM 34
Psalm 34 is een acrostichon, omdat in de Hebreeuwse tekst de verzen het Hebreeuwse alfabet volgen. Zie voor het acrostichon, dat we reeds in Ps. 9/10 en in Ps. 25 vonden, onze opmerkingen in 9.2 ‘Alfabetische psalmen’. Ook in Ps. 34 is het alfabet niet geheel compleet. De vijfde letter (wāw) ontbreekt, terwijl er, evenals in 25,22, aan het slot (34,22) een regel is toegevoegd, met de Hebr. letter pē aan het begin. Hetzelfde verschijnsel vinden we in Ps. 25, zonder dat daarvoor een duidelijke verklaring valt te geven.
In Ps. 34 dankt de dichter voor de redding door Jahwe uit al zijn angsten en noden (34,5.7). In zoverre is hier sprake van een dankpsalm. Aan zijn persoonlijke uitredding(en) knoopt de dichter de oproep aan de ootmoedigen (NBG) of nederigen (NBV) vast om met hem te genieten van de goedheid van Jahwe en ontzag voor Hem te hebben (43.3v).
Vanaf vs. 12 spreekt de dichter als een wijsheidsleraar, zodat onze psalm een dubbel karakter vertoont: dank- en wijsheidspsalm. Psalm 34 zal zijn gedicht of uitgelegd met Davids leven op de achtergrond (34,1). De ‘angsten’ die David uitstond bij de Filistijnse koning van Gat (1 Sam. 21,13vv), verlevendigen onze lezing van wat 34,5 over angsten zegt Vergist de dichter zich als hij over Abimelech in plaats van over Achis als koning van Gat spreekt? Al vanaf de Middeleeuwen (Rashi e.a.) is erop gewezen dat Abimelech een ambtsnaam kan zijn geweest voor alle Filistijnse koningen, zoals in Egypte de naam farao voor alle vorsten van Egypte gebruikt werd.
Ik kies bij de uitleg van Ps. 34 voor de volgende indeling:
1. De dichter wil Jahwe prijzen en wekt anderen tot hetzelfde op (2-11);
2. Hij wil zijn ‘kinderen’ ontzag voor Jahwe bijbrengen en vertelt wat dit inhoudt (12-15);
3) Hij toont het verschil tussen wat Jahwe doet voor de goeden en tegen de kwaden (16-23).
ad 1) De dichter wil Jahwe prijzen, vs. 2. Dat zal hij ook gedaan hebben, al is er geen enkel vers in onze psalm waarin hij zich rechtstreeks tot Jahwe wendt. Zijn voornemen om het te doen, is niet gereserveerd voor een ogenblik, maar voor heel zijn leven, in een voortdurend roemen van Jahwe. Uit het vervolg blijkt dat concrete uitreddingen die Jahwe hem geschonken heeft, het motief vormen voor zijn aanhoudende lofzang. Voor het ‘prijzen’ van Jahwe wordt het woord ‘zegenen’ gebruikt. De vraag kan opkomen hoe iemand Jahwe, die toch alles bezit, nog ‘zegenen’ (2), of ‘grootmaken’ (4) kan. Dat kan, want door zelf klein te worden en op de knieën te gaan, wordt Jahwe groter. Zie verder onder 20.2 ‘Zegenbeden’.
De dichter wil dat zijn leven een loflied op Jahwe zal zijn (3). Dat moet doordringen tot de gelovige Israëlieten. We kunnen het Hebr. woord dat in vs. 3b gebruikt wordt ( canāw), ook door ‘arme’ of ‘behoeftige’ vertalen. Wie daarmee bedoeld worden, leg ik in 34.2 uit (‘De armen en hun leed’). Duidelijk is reeds uit vs. 3b dat zij zich aangesproken zullen voelen als de dichter over Jahwe’s uitreddingen in zijn leven zal spreken. Kennelijk bevatten die uitreddingen ook voor de ‘armen’ een hoopvolle boodschap bevatten. Laten zij samen met de dichter Jahwe’s naam dan verheffen (4)!
Wat is er gebeurd in zijn leven? De dichter zocht Jahwe en kreeg antwoord. Het ‘zoeken van Jahwe’ kan concreet een gang naar de tempel veronderstellen, waar Hij woont. Daar mag op het zoeken en vragen ook een ‘antwoord’ verwacht worden, bv. via een priester. Jahwe redde hem uit al zijn angsten (5). Het hier en in vs. 7 gebruikte meervoud zal wijzen op verschillende noodsituaties waarin de dichter verkeerd heef. Denkend aan David lag het voor de hand dat men bij de uitleg van Ps. 34 ook aan de geschiedenis uit 1 Sam. 21,10vv dacht. David meende dat hij aan het vijandige hof van koning Achis anoniem kon blijven, maar toen men daar ontdekte wie hij was, sloeg bij David de angst toe. Hij ging als een waanzinnige te keer, zodat koning Achis hem wegzond. Daaruit trekt de dichter lering voor anderen: Wie naar Jahwe opzien, stralen van vreugde, in plaats van dat hun gezicht schaamrood wordt (6). Het zal hier gaan over de nederigen, de armen die in vs. 3 genoemd zijn. Als zij hun blik op Jahwe gericht houden in hun moeiten, is de vreugde op hun gezicht af te lezen en zullen zij niet van schaamte voor hun tegenstanders wegkruipen, maar de strijd volhouden en overwinnen.
De schrijver wijst in vs. 7 weer naar zichzelf en zegt: ‘Deze ellendige’ (of: arme) riep en Jahwe hoorde hem (NBG). Hij werd uit tal van benauwde situaties gered en moedigt nu zijn gelovige volksgenoten aan met het wijzen op de engel van Jahwe, die zijn legerkamp opslaat rondom de mensen die Jahwe vrezen (8). We denken hierbij aan Gen. 32,1v, waar Jakob uitroept: ’ Een leger (engelen) van God!’ Zie ook Ex. 14,14.19 (waar de engel van Jahwe tussen het leger van de Egyptenaren en de Israëlieten plaatsneemt) en Joz. 5,13vv (de engel bij Jericho). Ook in Ps. 34 is de engel van Jahwe een militaire figuur die als hoofd van een leger engelen alle godvrezenden beschermt. In Psalmen komt de ‘engel van Jahwe’ tweemaal voor (34,8; 35,5v). Engelen (mv.) treffen we vaker aan (91,11; 103,20; 104,4; 148,6).
Vs. 9a kan wijzen op een offermaaltijd, die naar aanleiding van de uitredding van de dichter georganiseerd is: ‘Smaakt en ziet dat Jahwe goed is’ (NBG), of: ‘Proef, en geniet de goedheid van Jahwe’ (NBV). De mensen die mee genieten, zullen weer de ‘nederigen’ of de ‘armen’ zijn. Het is ook mogelijk dat we vs. 9a meer overdrachtelijk moeten opvatten. Smaak en zie hoe goed Jahwe is, als je let op wat de dichter heeft meegemaakt. Daardoor wordt hier ook concreet ingevuld wat het betekent dat Jahwe goed is. Wat de engel van Jahwe uitvoert, kenmerkt Jahwe zelf: Hij waakt, zoals vs. 8 reeds zei, over wie Hem vrezen en Hij bevrijdt hen.
In vs. 9b prijst de dichter ieder gelukkig die ontzag heeft voor Jahwe. Zie 32.2 voor de uitdrukking ‘Gelukkig is hij, die…!’
De dichter beschouwt ‘de vreze van Jahwe’ (NBG) of het ‘ontzag voor Jahwe’ van zeer groot belang voor de vromen. Hij spreekt erover in 34,8,10 en12. In het volgende gedeelte kom ik op dit thema terug. Nu roept hij alle ‘vromen’ op Jahwe te vrezen. Zij die hier ‘vromen’ heten, zijn ongetwijfeld dezelfde mensen die in deze psalm ‘armen’, ‘heiligen van Jahwe’ (10, NBG), ‘rechtvaardigen’ (16), ‘gebrokenen van hart’ (19) of dienaren van Jahwe’ (23) genoemd worden. In al deze aanduidingen komt uit dat het mensen zijn die in hun gedrag laten zien dat het hun menens is naar Jahwe te luisteren en Hem te dienen. De aanduiding van Jahwe’s volgelingen als ‘zijn heiligen’ (NBG) komt zelden voor. Ik verwijs voor Psalmen nog naar 16,3 (NBG), waar van de heiligen op de aarde gesproken. Ook daar zijn het mensen (geen afgoden, zoals NBV meent). In het OT worden niet alleen de priesters heilig genoemd (Lev. 21,6vv), maar geldt de oproep voor ieder: wees heilig, want Ik ben heilig (o.a. Lev. 11,44v; 19,2). Zij die ‘heilig’ zijn, onthouden zich van alles wat onrein en slecht is.
Op het bevel Jahwe te vrezen, volgt de belofte dat zij die dit doen, geen gebrek lijden (10b). Bedoeld kan niet zijn dat het de mensen die Jahwe vrezen, alleen maar voor de wind gaat. Zie daarover ons volgende onderdeel 34.2. Maar daarom is er wel de belofte dat zij uit hun nood eens gered zullen worden. De dichter heeft op grond van zijn eigen bevrijdingen daarvan getuigd. Jonge leeuwen lijden ontbering en honger, hoe sterk en roofzuchtig ze ook zijn. De leeuw komt om als hij geen prooi vindt (Job 4,11). God geeft hun dan géén voedsel (104,21). Maar zij die Jahwe vrezen, mogen op zijn hulp rekenen en zullen in tijden van hongersnood blijven leven (33,19).
ad 2) In de vss. 12-15 komt de dichter terug op wat het betekent Jahwe te vrezen. Hij richt zich daarvoor tot zijn toehoorders als een vader die zijn kinderen gaat onderrichten. We worden herinnerd aan de wijsheidsleraar die zijn leerling als ‘zoon’ aanspreekt (o.a. Spr. 1,8; 2,1; 3,1.11), waarbij het de leermeester erom ging het bij zijn zoon in te prenten hoe belangrijk de vreze (NBG) of het ontzag (NBV) voor Jahwe is (Spr. 1,7 e.a.p.). Het woord ‘vrees’ kan de indruk wekken dat men bang moet zijn voor Jahwe. Maar dat is duidelijk in strijd met wat vs. 13 beoogt: Wie is de man die het leven begeert en naar veel dagen verlangt om het goede te genieten (NBG)? Of nog duidelijker: ‘Hebben jullie het leven lief, wil je goede jaren genieten’ (NBV)? Welnu, dat wil ieder. Maar de sleutel om (lang) van het leven te genieten, is nu juist het ontzag voor Jahwe. Daarvoor geeft Ps. 34 drie aanwijzingen: 1) men moet zich onthouden van leugen en bedrog; 2) men moet het kwade mijden en het goede doen; 3) men moet de vrede zoeken en die najagen (14,15).
Wat 1) betreft, leugen en bedrog vergiftigen de onderlinge verhoudingen. Zie reeds in 15,3; 24,4. Het is niet in te zien dat het hier (alleen) over leugen en bedrog in de relatie tussen de mens en Jahwe gaat. In die relatie kan de leugen ook een rol spelen (zie bv. 17,1). Wie de leugen laat regeren, zet het breekijzer in de menselijke samenleving en verstoort de vrede (derde aanwijzing). Zie ook 52,4vv. Het boek Spreuken wijst telkens op het kwaad van de leugen (6,17; 12,19; 15,4; 17,4; 18,21 e.a.).
T.a.v. 2) kunnen we stellen dat hier heel algemeen een richtlijn wordt gegeven. Wat betekent het concreet dat het kwade gemeden en het goede gedaan moet worden? Dezelfde oproep vinden we in 37,27. Vgl. Am. 5,14: ‘Zoek het goede, niet het kwade’. Meer dan eens zegt Spreuken dat het kwade gemeden moet worden (Spr.3,7; 13,19; 16,6.17). Aanduidingen als ‘het goede’ en ook ‘het kwade’ komen heel vaak voor in Spreuken, Prediker en Psalmen, zonder een concrete aanduiding wat het goed of het kwade is. Dat is ook niet nodig wanneer we bedenken, dat in het leerproces de leermeester zijn ‘zonen’ onderricht zal geven in de Schriften, in de wet en in de wijsheid van Israël. Ps. 34,12-15 geeft enkele aanwijzingen, maar geen overzicht van alles wat tot ontzag voor Jahwe leidt.
T.a.v. 3) geldt dat ‘vrede’ (Hebr.: šālōm) hier over meer gaat dan alleen het beëindigen van een oorlog. Het jagen naar vrede is een gebod binnen alle menselijke relaties. Waar vrede is, kan men echt ontvangen wat 34,8 als doel ziet: het goede genieten.
ad 3) De laatste verzen (16-23) sluiten zonder meer aan bij de wijsheidstaal van 34,12-15. Een verschil is dat het gedeelte vanaf vs. 16 niet meer in de gebiedende wijs spreekt, maar een serie constateringen bevat. Daarbij zou het meer voor de hand liggen dat vs. 17 aan vs. 16 voorafgaat. Vs. 17 sluit goed aan bij vs. 15. Toornig is Jahwe op de mensen die kwaad doen. Hij zal ervoor zorgen dat hun namen (‘hun gedachtenis’, NBG) uitgeroeid worden en van de aardbodem verdwijnen, De vss. 16 en 18 laten zien hoe Jahwe’s ogen ontfermend gericht is op de rechtvaardigen en zijn oren luisteren naar hun hulpgeroep. We hebben hier weer een voorbeeld van de tweeërlei manier waarop Jahwe op de mensen let en naar hen luistert. Zie reeds bij Ps. 32,8 en 33,18 (en mijn aantekeningen aldaar). Het doen van het kwade leidt tot de dood, het doen van het goede tot bevrijding uit alle nood.
Jahwe helpt de rechtvaardigen, die vs. 19 worden aangeduid als ‘gebrokenen van hart’ (NBV: gebroken mensen) en parallel daarmee de ‘verslagenen van geest (NBV: zij die zwaar worden getroffen). Het zou een misvatting zijn de uitdrukkingen ‘gebroken van hart’ of ‘verslagen van geest’ subjectief op te vatten in de zin van geestelijke gebrokenheid door besef van eigen schuld tegenover Jahwe. Hieraan kunnen we denken in 51,19, omdat we daar een psalm hebben waarin de dichter zijn schuld belijdt en Jahwe het offer van zijn ‘gebroken geest’ brengt. In Ps. 34 is de context geheel anders. Men is gebroken en verslagen van hart en geest door de boosdoeners (20,17: rampen treffen de rechtvaardige), terwijl Jahwe deze ‘zwaar getroffen mensen’ juist komt uitredden uit de nood die hun hart en geest heeft getroffen. ‘Hart’ en ‘geest’ zijn als synonieme aanduidingen op te vatten. De gebrokenen en verslagen van hart en geest gingen er diep onder door!
Opvallend is de volgende uitspraak, dat talrijk de rampen zijn die de rechtvaardige treffen, al worden ze uit al die rampen door Jahwe gered (20). Uit deze psalm zou men de indruk kunnen krijgen dat het de mensen die ontzag hebben voor Jahwe, alleen maar goed gaat (8vv;18). Er zijn uitleggers die in Ps. 34 niets anders kunnen lezen dan een naïeve vergeldingstheorie: de gelovigen gaat het goed, de boosdoeners gaat het slecht. Maar in vs. 20 lezen we dat de rechtvaardigen veel te lijden hebben. Kennelijk ligt het geluk van de ‘rechtvaardigen’ niet zo aan de oppervlakte als een snelle blik op een aantal verzen in deze psalm zou doen vermoeden.
Wel blijft gelden dat Jahwe te allen tijde waakt over de rechtvaardige mens. Vs. 21 drukt die zorg uit door erop te wijzen dat Jahwe niet zal toelaten dat één van de beenderen van de rechtvaardige wordt verbrijzeld. Kennelijk kan diens hart of geest door vijanden wel ‘verbrijzeld’ worden, maar Jahwe zal niet toelaten dat zijn beenderen verbrijzeld worden. Dat overkomt wel de boosdoener die uitgeroeid wordt en wiens naam van de aardbodem verdwijnt. Maar de beenderen van de rechtvaardige zullen in het graf rusten! We kunnen hier samenhang veronderstellen met o.a. Ez. 37, waar uitgedroogde doodsbeenderen tot nieuw leven komen.
Nog eens wordt op de tegenstelling met de goddeloze mens gewezen. Het kwaad doodt de bedrijver, want een slecht mens komt om door z’n eigen kwaad (22, NBV). Dat is een bekende opvatting in Psalmen. De slechte mens is uit op de ondergang van de rechtvaardige, maar hij gaat zelf te gronde. Wie een kuil graaft of een net spant voor een ander, zal zelf in die kuil vallen of in het net verstrikt raken. Zie 5,11 en de daar genoemde andere teksten.
Anders gaat het met de dienaren van Jahwe (23). Hij redt hun leven. Letterlijk staat er dat hij hun leven loskoopt. Allen die bij Hem schuilen, zullen niet boeten. Zij worden niet schuldig bevonden en hebben daardoor niets te boeten. Zij ontkomen aan het oordeel dat in vs. 22a over de slechte mensen geveld zal worden.
34.2. De ‘armen’ in Psalmen en hun lijden
Er zijn verschillende woorden waarmee de vaak droevige situatie van de ‘rechtvaardigen’ in Psalmen wordt aangegeven. Zij kunnen arm, zwak, behoeftig, nederig, verdrukt, gebroken van hart, etc. genoemd worden. Vormen al deze mensen een partij of een richting in Israël, bv. als de groepering van de trouwe volgelingen van Jahwe? Is het een aanduiding met een ‘geestelijke’ betekenis? Of behoren zij tot de armen in onze ‘sociale’ zin van het woord en dus tot de lagere klassen in Israël?
Twee Hebr. woorden springen er in Psalmen bijzonder uit: ᶜānī en ᶜānāw, beide waarschijnlijk afgeleid van eenzelfde wortel (Hebr.: ᶜānāh) en vaak door elkaar gebruikt, Het is mogelijk dat het woord ᶜānī meer naar ‘arm’ tendeert en het woord ᶜānāw meer naar ‘ootmoedig’, ‘nederig’. Erg belangrijk voor de uitleg van teksten waarin deze beide woorden voorkomen, lijken mij hun verschillen niet. Vooral niet als we op het volgende verschijnsel letten: In het overgrote deel van de gevallen in het boek Psalmen, treft het ons dat we de ‘arme’ en ‘nederige’ in samenhang met de vijanden aantreffen. Ze zijn niet arm of ootmoedig zonder deze achtergrond. Terecht kan H.J. Kraus schrijven, dat de ‘armen’ geen partij vormen, maar het slachtoffer zijn van de vijanden.
Ik verwijs naar wat ik reeds bij Ps. 22 ad 3b) schreef: De aanduiding met ‘ellendigen’ heeft in Psalm 22 niet te maken met een sociale status van armoede. De dichter werd ellendig door de verdrukking die mensen hem aandeden. Dat gold blijkbaar ook voor de ellendigen die samen met hem een plaats aan de tafel ontvangen (22,27). Zij zijn vernederd, maar mogen evenals de dichter eten en verzadigd worden.
Het verband dat ik hier aanwijs, is gemakkelijk in tal van psalmen na te gaan. Bv. 9,14 (de ellende is door zijn haters veroorzaakt; 10,2.9, verband houdend met 10,12-14; 12,6 en de samenhang met 12,2vv; 18,28 (Jahwe redt het vertrapte volk en brengt de hoogmoedigen ten val); 25,18 (ellende en moeite, door vijanden die hem dodelijk haten, 25,19); 31,8 en 9 (ellende, maar Jahwe geeft hem aan de vijand niet prijs); 44,25 (waarom verbergt u uw gelaat, vergeet u onze ellende, onze nood?); 72,4 (redding van de armen door het neerslaan van de onderdrukker); 119,50 (ellende en vs. 51 over bespotting); 119,92 (en 94v bidden om verlossing van goddelozen).
Wij moeten dus voorzichtig zijn de armoede en ellende te vergeestelijken, al wordt over eigen schuld en zonde niet gezwegen (o.a. 25,18) en kan de ellende (bv. door ziekte) in verband worden gebracht met de toorn van Jahwe (88,10 én 15vv).
We kunnen, gelet op 34,20, zelfs zeggen dat juist omdat de rechtvaardige God vreest, het lijden hem niet bespaard blijft. De wereld is in handen van zondaars, rechtvaardigen moeten in die wereld vaak schreeuwen (34,18) en krijgen door vijandige bejegeningen een gebroken hart en een verslagen geest.
Bij aanduidingen als ‘arm’, ‘ootmoedig’ en ‘nederig’ moeten we in Psalmen dus voortdurend rekening houden met de druk die vijanden op de rechtvaardigen in Israël leggen. Dit betekent niet dat de genoemde uitdrukkingen alleen daardoor gestempeld worden. Het kan zijn dat het ook de sociaal armen zijn die in het bijzonder worden uitgebuit door de ‘vijanden’. En nederig-zijn kan meer inhouden dan door de vijanden vernederd worden, maar ook een innerlijke houding verraden, waarin men nederig en ootmoedig alle ellende in Jahwe’s hand legt. Het wordt uit Psalmen ook duidelijk dat zij, die arm en deemoedig zijn, niet het heft in eigen handen nemen om zelf met de vijanden af te rekenen, maar de wraak aan Jahwe over laten.
34.3. VAN OT NAAR NT
Psalm 34 keert in het NT relatief gesproken vrij vaak terug. Dat kan onopvallende parallellen betreffen, zoals 34,2 en Hebr. 13,15, in het prijzen van God te allen tijde. Het kan blijken in de overeenkomst tussen 34,3vv en Luk. 1,46vv, waar Maria in haar lofzang God ‘groot maakt’. Of 34,9 over het ‘smaken’ dat Jahwe goed is, dat in 1 Petr. 2,3 terugkeert.
Opvallender is de vrij letterlijke weergave van 34,13-17 in 1 Petr. 3,10-12 inzake de mensen die het leven liefhebben en gelukkig willen zijn. En dus hun tong in bedwang houden, het kwade uit de weg gaan, het goede doen en voortdurend vrede nastreven. (vgl. ook Hebr. 12,14).
Wat we hierboven onder 34.2 over het arm-zijn en het lijden geschreven hebben, kan een verrassend licht werpen op Matt. 5,3: ‘Zalig zijn de armen van geest’ (NBG). M.i. is NBV hier veel duidelijker: ‘Gelukkig wie nederig van hart zijn’. In zijn Hebr. vertaling van het NT geeft Frans Delitzsch het woord ‘arm’ (NBG) weer met het meervoud van ᶜānī. Voor hen is het koninkrijk van de hemel, en niet voor allen die zich vijandig opstellen tegen Gods rechtvaardigen en armen. Zoals oudtestamentisch gezegd het land Israël wel voor Jahwe’s armen en nederigen was, maar niet voor de goddeloze vijanden van (en binnen) zijn volk, van wie de namen, zoals ook Ps. 34 reeds veronderstelt, worden uitgeroeid van de aarde (34,17).
Ten slotte vinden we 34,21 terug in Joh. 19,36. Het feit dat Jezus’ beenderen na zijn kruisdood niet werden verbrijzeld, wordt in genoemde tekst als vervulling gezien van Ps. 34,21. Opvallend is dat in veel commentaren Ps. 34,21 minder letterlijk wordt genomen dan Joh. 19,36. Men meent dat de ‘beenderen’ in 34,21 opgevat moeten worden als het ‘wezen’, de ‘structuur’ of het ‘ik’ van de persoon. Joh.19 zou dan veel letterlijker over de beenderen van Jezus spreken. Maar waarom kunnen we het spreken over ‘beenderen’ in Ps. 34 niet letterlijk nemen? De opstanding van Jezus Christus uit de doden, met behoud van zijn lichaam – met ongebroken beenderen – is inderdaad de vervulling van een belofte die in Ps. 34,20 al lag opgesloten: begraven worden met een ongeschonden lichaam, in de verwachting van een nieuw leven.
Ik heb al gewezen op het lijden van de rechtvaardigen, waarvan 34,20 getuigt. Het NT laat ons dat nog duidelijker zien. Het lijden behoort bij de navolging van Christus. ‘Wie niet zijn kruis op zich neemt en Mij volgt, is mij niet waard’ (Matt. 10,38). Dat is delen in het lijden van Christus (2 Kor. 1,5vv; Fil. 3,10; 1 Petr. 4,13). Tegelijk weten we dat dit lijden in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard (Rom. 8,18). In Jezus Christus staat ons deze hoop veel levendiger voor ogen dan Ps. 34 daarvan nog kon spreken.
4.4. VOOR VANDAAG
1. Het is heel leerzaam op de tweedeling in Ps. 34 te wijzen. Het danken in het eerste deel (2-11) activeert kennelijk het denken, zoals het tweede deel (12-23) laat zien. Na vermelding van concrete reddingen, waarvoor de dichter God wil blijven prijzen en anderen daartoe oproept, komt hij tot een algemene onderwijzing van onze eerbied voor Jahwe en van de zekerheid dat Hij hulp biedt in tijden van nood. Beide aspecten van ‘hart’ en ‘hoofd’ zijn voor onze vroomheid onmisbaar. Om het theologisch te zeggen: het concrete leven gaat samen met theologische reflectie, terwijl ook het omgekeerde geldt. De leer van de kerk is aan het leven van de christen verbonden. Wie een tegenstelling maakt tussen een bruisende, emotionele omgang met God en een theologie die slechts dor en droog kan zijn, is verkeerd bezig. Let op Ps. 34. Let op eenzelfde overgang in Ps. 51, waarin de dichter zijn schuld belijdt over wat hij gedaan heeft (David-Batseba!) en om vergeving vraagt. Meteen laat hij daarop volgen dat hij overtreders Gods wegen wil leren, zodat zondaars zich zullen bekeren (51,15).
2. Het is vaak moeilijk helder te maken dat het ontzag voor God het genieten in het leven niet bederft, maar juist mogelijk maakt. Daarvoor is een eerlijke opening van zaken nodig. Op de vraag van 34,13: ‘Hebben jullie het leven lief, wil je goede jaren genieten?’, wordt een volmondig ‘ja’ verwacht. Maar dat genieten kunnen we alleen als we de leugen haten, het kwade mijden, het goede doen en vrede met onze naasten najagen (4,14v). Dat geeft spanning. Wij willen genieten, maar wij zijn zondige mensen. Als ik een ‘eerlijke opening van zaken’ voorsta, wijs ik daarmee oppervlakkige beweringen af, zoals: ‘Wij mogen zijn die we zijn’, ‘God neemt ons zoals we zijn’, ‘Hij houdt van alle mensen’, en meer van zulke hele of halve onwaarheden. Uit onze psalm 34 valt al op te maken dat God niet van alle mensen houdt en dat we niet kunnen genieten zoals wij het willen, maar zoals Hij het ons gunt binnen de grenzen van zijn wil en wet.
3. Kraus constateert dat bijna alle commentaren ongunstig en zonder begrip over Ps. 34 oordelen. Zij zouden volgens hem er een naïef eudaemonisme in lezen, d.w.z. een opvatting over het streven naar geluk, dat er zeker van is dat God dit geluk zijn volgelingen onvoorwaardelijk schenkt. Zo van: Geloof in God en het gaat je altijd voor de wind! We hebben gezien dat het zo niet toegaat. Het lijden speelt in het leven van de rechtvaardigen vaak een grote rol. Maar het vertrouwen – nieuwtestamentisch: het geloof in Jezus Christus – kan sterk zijn. Je loopt zeker niet altijd als christen met het hoofd in de wolken. Wel is er de overtuiging dat, ondanks de talrijke rampen die godvrezende mensen kunnen treffen, zij uit al die rampen gered zullen worden (34,20). Als deze redding niet in dit leven realiteit wordt, houden we ons vast aan de opstanding uit de doden en het eeuwige leven.
34.5. VERANTWOORDING
34,1vv. Het is opvallend dat in het acrostichon de letter wāw ontbreekt en het laatste vers (34,22) met de letter pē begint. Dit vers zal toegevoegd zijn om op 22 verzen te komen, zoals het Hebr. alfabet 22 letters telt. Waarom ontbreekt de letter wāw? Er is op gewezen dat vs. 6b al met een wāw begint en daarom verder ontbreekt. Waarom begint 34,22 met de letter pē? Het antwoord is al evenmin met zekerheid te geven. Interessant is wat J.M. Brinkman , Psalmen I,160 opmerkt. Hij constateert dat samen met de eerste en de middelste Hebr. letter uit Ps. 34 het woord ‘alef’ gevormd wordt, dus de eerste letter van het Hebr. alfabet. Dat zou dan nog eens een (m.i. een vrij overbodige) aanwijzing zijn, dat we met een acrostichon te maken hebben.
34,11. Er is geen reden i.p.v. het Hebr. woord voor jonge leeuwen (kefīrīm) te lezen kevēdīm (rijke mensen), of kabbīrīm (geweldigen), of het Aramese woord kōfīrīm (afvalligen). De bedoeling van 34,11 zal zijn om een scherpe tegenstelling te formuleren: zelfs leeuwen kan het ontbreken aan voedsel, ondanks hun kracht en vraatzucht; maar de godvrezende mens die Jahwe zoekt, ontbreekt het aan niets.
In 34,14 moeten we zeker leugen en bedrog als fenomeen in de onderlinge menselijke verhoudingen in rekening brengen. Daarom overtuigt J. Goldingay, Psalms 1-41,483 niet als hij de nadruk legt op de leugen in de relatie tot God.
De volgorde van de vss 16-18 wordt niet zonder reden aan de orde gesteld. Als we de volgorde 17,16,18 aannemen, is dat in het Hebr. alfabet de volgorde van sāmeḫ, pē en cayin – een volgorde die we ook in vinden in Ps. 9/10 (deels), en de alfabetische gedeelten in Klaagliederen (2; 3; 4, maar niet in Klaagl.1).
M.b.t. 34,19 wijst J. Goldingay, a.w.,484, er terecht op dat het daar niet gaat over ‘spiritual brokenness’, maar dat deze mensen lijden onder ‘the overwhelming depression and discouragement’ ten gevolge van het feit dat zij binnen hun gemeenschap verworpen worden. Zie ook hierboven onder 34.2: De ‘armen’ in Psalmen en hun lijden.
Ik sluit me voor de uitleg van 34,20 geheel aan bij H.J. Kraus, Psalmen I, 270v, als hij over het regeren van God zegt, dat dit niet ‘planmatig’ werkt door de gelovigen een luxe leventje (‘Wohlleben’) te bezorgen. Das ‘Glück’, von dem der Psalmist spricht, liegt in einer tieferen Schicht verborgen. Die ṣaddīqīm (rechtvaardigen, J.D.) sind die Leidenden, sie tragen viele Schmerzen’. Zie voor 34.2 over samenhang tussen arm-en-ellendig zijn én het lijden, vooral H.J. Kraus, Psalmen I,82v; E.S. Gerstenberger, ThWAT VI,247vv (artikel over de Hebr. wortel ᶜānāh II); M. Oeming, Das Buch der Psalmen. Psalm 1-41,198.
Voor 34,21 verwijs ik naar het artikel van K.M. Beyse in ThWAT VI, 326vv (over het Hebr. woord cèṣèm), waarin hij met aanhaling van K. Bornhäuser, wijst op de volledigheid en ongeschondenheid van de beenderen als vooronderstelling van de lichamelijke opstanding ten tijde van het NT. Zonder dat daarmee ontkend wordt dat God machtig is de verminkte lichamen van martelaren tot nieuw leven te brengen.
Over het naïef eudaemonisme dat velen in Ps. 34 lezen, zie Kraus, a.w.,I,271v.
PSALM 35
Psalm 35 is een klaagpsalm, waarin de dichter herhaaldelijk om uitredding smeekt (35,3.17.22v). Velen onderscheiden in de psalm terecht drie delen (1-10; 11-18 en 19-28), vooral gelet op de drievoudige aankondiging dat de dichter Jahwe dank zal brengen na zijn uitredding (35,9 en10; 18 en28).
Er is veel voor te zeggen bij de dichter aan een koning te denken, aan David of een van zijn nazaten. Zowel de oorlogstaal die we in 35,1vv aantreffen, zijn naam ‘dienaar van Jahwe’ (35,27; vgl. 36,1), alsook het feit dat hij Jahwe wil prijzen waar heel Gods volk bijeen is (35,18), wijzen erop dat de dichter geen particulier persoon is. Ook de bevrijding van de zwakken en armen uit de macht van hun onderdrukkers (35,10), is een zaak die de koning ter harte moet gaan (Ps. 72,4). Terwijl hijzelf vernederd wordt, dringt hij er nu bij Jahwe op aan dat hij uit die situatie zal worden bevrijd, zodat er voor zowel voor hem als voor de ‘stillen’ (SV en NBG) of de ‘weerlozen’ (NBV) , vs. 20, in het land vrede aanbreekt.
We kunnen de driedeling van Ps. 35 als volgt formuleren:
1) De dichter smeekt Jahwe om redding, door verderf over zijn vijanden te brengen (1-10);
2) Hij klaagt over hun leugenachtig gedrag en hun vergelden van kwaad voor goed (11-18);
3) Hij bidt dat Jahwe hem recht zal doen, zodat hij met anderen Jahwe kan loven (19-28).
ad 1) In tegenstelling tot de voorafgaande psalmen 33 en 34, die rust uitstralen en tot lof en dank aan Jahwe oproepen, valt in Ps. 35 de grote nood op van de dichter. Die brengt hem ertoe Jahwe op te roepen tot een oorlog tegen de vijanden die het gemunt hebben op het leven van de dichter. ‘Bestrijd, Jahwe, wie mij bestrijden en vecht tegen wie mij bevechten’ (NBV). Het woord voor bestrijden betekent vaak ‘een rechtsgeding voeren’. De dichter zal het twistgeding in vs. 23 ook aan de orde stellen, zodat Jahwe als rechter beslist in het geding tussen hem en zijn vijanden. Eerst gebruikt 35,2 en 3 beelden voor het vechten in de oorlog, die de dichter Jahwe wil laten voeren tegen zijn vijanden.
Oorlogstuig moet daarvoor gebruikt worden, zowel om de vijanden af te weren, met het kleine ronde en het grote schild, alsook om hen te doen terugdeinzen, door speer en strijdbijl te gebruiken (vss. 2 en 3). Uit het vervolg blijkt dat de dichter ook aan de engel van Jahwe denkt (35,5), die de vijanden zal afwenden, opjagen of neervellen met de genoemde wapens. De God van de hemelse legermachten (vgl. 24,10) moge hem hulp bieden. De dichter dringt aan op deze interventie, in de verwachting dat Jahwe zal opstaan (tot de strijd) en tot hem zal zeggen: ‘Jouw redding ben Ik’ (3b).
Deze oorlog van Jahwe zal voor de vijanden van de dichter slecht aflopen. Dat stelt de dichter niet alleen, dat wenst hij ook. Hij hoopt dat zij, die hem naar het leven staan, beschaamd en vernederd worden. Laten zij verwaaien als kaf in de wind (vgl. 1,4), wanneer de engel van Jahwe ingrijpt! Deze engel die zich in 34,8 beschermend om de godvrezende mensen legert, zal Jahwe’s vijanden laten merken wat vernietiging is. Vgl. voor deze dubbele actie Ex. 23,21v. De weg zal voor de vijanden donker en glibberig zijn, zoals het geval is in het duister op de rotsachtige gladde paden in de bergen (vgl. Jer. 23,12). Zij krijgen hun verdiende straf. In 35,7v wordt erop gewezen dat ze voor de dichter een net hebben gespannen en een kuil hebben gegraven (het beeld van de oorlog gaat hierover naar dat van de jacht). Ze worden daar nu zelf het slachtoffer van. Zonder reden hebben ze die vallen gezet, d.w.z. zonder dat de dichter er enige aanleiding toe gegeven had, wilden ze hem ten val brengen. Nu krijgen ze hun verdiende loon. Ze raken in hun eigen netten verstrikt en vallen in de kuil die voor een ander hadden gegraven (7v)! Die gedachte wordt veel vaker uitgesproken, o.a. in 7,16; 9; 119,85. Zie ook Spr. 23,27; 26,27; 28,10 en Pred. 10,8.
Uit het slot van het eerste deel (35,9.10) blijkt dat hij op de ‘redding’, waar hij in vs. 3 om gevraagd had, terugkomt na de tekening van zijn ellende (vs. 9). Hij is van die redding, ook al heeft Jahwe haar nog niet bewerkt, heel zeker. Laat Jahwe zijn macht tonen tegen de vijanden van de dichter (en van Hemzelf!), dan zal de dichter juichen over zijn redding uit de grond van zijn hart (NBV), of ‘met hart en ziel’. NBG vertaalt: ‘met al zijn beenderen’. Hij zal zeggen: Jahwe, wie is gelijk aan U (vgl. Ex. 15,3.11), die de ellendigen redt uit de macht van hem die sterker is dan hij, en die de ellendige en arme redt uit de handen van zijn berover? We hebben al vaker in Psalmen gemerkt dat dichters met een beroep op Jahwe’s macht en met het oog op hun verlangen om Jahwe na hun redding te kunnen loven, hun schreeuw om redding ondersteunen. Ze zijn nog niet gered, maar ze vertrouwen erop dat hun sterke God dat kan en wil bewerken.
ad 2) De dichter klaagt over het leugenachtig gedrag van zijn tegenstanders. Valse getuigen proberen hem gewelddadig onder druk te zetten. Zij beschuldigen hem van dingen waarvan hij geen weet heeft. Hij voert in 35,12vv een sterk argument tegen hun optreden aan. Zij vergelden goed met kwaad! Hij voelt zich van ieder verlaten. Letterlijk staat er: ‘Ik word van kinderen beroofd’ (NBG). Het hier gebruikte Hebreeuwse woord voor deze beroving komt voor als het gaat over een berin die van haar jongen beroofd is (2 Sam. 17,8; Spr. 17,12; Hos. 13,8), of over een weduwe die kinderloos achterblijft (Jes. 47,8v). Zouden we ons in de situatie van koning David verplaatsen, dan kon hij wijzen op zijn kinderen Tamar, Amnon en Absalom. Maar velen vatten 35,12b figuurlijk op en menen dat de ‘kinderloosheid’ slaat op een eenzaamheid waarin de dichter verkeert. Zo ook NBV. Terwijl hij met zijn huidige vijanden begaan was toen zij in grote moeite (van ziekte) verkeerden, laten ze hem nu in de kou staan, ja belasteren ze hem van dingen waarvan hij niets afweet.
In zijn vroegere meeleven met hen, trok hij een rouwkleed aan en onthield hij zich door te vasten van alle geneugten. Het vasten kan ook een boetedoening zijn om Gods barmhartigheid op te wekken en zijn toorn te stillen. Denk aan David die vast tijdens de ernstige ziekte van het kind dat hij bij Batseba verwekt heeft (2 Sam. 12,15vv). Zo bad de dichter van Ps. 35 tot God voor genezing van zijn vrienden(13). Vgl. Jer. 18,20, waar Jeremia zich er ook over beklaagt dat goed met kwaad vergolden werd.
Hij bad voor zieken, die hij als vrienden en broers behandelde, al waren ze dat kennelijk toen geen van beide. De dichter zegt dat zijn gebed ‘in zijn boezem terugkeerde’ (NBG). De betekenis van die laatste uitdrukking zal zijn dat de dichter, toen het gebed onverhoord ‘terugkeerde’, opnieuw begon te bidden. Dat lijkt me meer voor de hand te liggen dan dat hij nu ophoudt voor hen te bidden, omdat zijn vrienden tot vijanden zijn geworden. We krijgen niet de indruk dat zijn huidige haters destijds zijn vrienden waren. En bovendien, op vs. 13 volgt immers nog een vers waarin de dichter duidelijk maakt hoe serieus hij bezig bleef met het ziek-zijn van zijn vrienden. Hij ging in het zwart gehuld en liep gebogen, alsof hij in de rouw was over zijn moeder (14).
Maar heel anders gedragen zich nu zijn vijanden tegenover de dichter! Zij verheugden zich toen hij dreigde te vallen (NBV) of ging strompelen (NBG). Waarin dit strompelen of (bijna) vallen bestond, wordt ons niet duidelijk gemaakt. Lezen we de hele psalm, dan is het twijfelachtig om hier aan ziekte bij de dichter te denken. Nergens bidt hij om genezing. Wel is er iets gebeurd dat hem doet wankelen. Meteen grijpen zijn vijanden de kans aan zich daarover openlijk te verheugen. Van meeleven is geen sprake, van laster en geweld en tegen hem te hoop lopen wel. Ze willen hem wel verscheuren. Ze knarsen hun tanden tegen hem, waarschijnlijk niet zozeer uit woede, maar als een vorm van spot (vgl. Klaagl. 2,16). NBV denkt daarom aan een grijns op hun gezicht.
Het is heel moeilijk de vss. 15 en 16 goed te vertalen. Er zijn bijna zoveel vertalingen als er vertalers zijn, zegt een commentator. Ik sloot me hierboven zo dicht mogelijk aan bij NBG en NBV.
Onder de bittere vijandige omstandigheden waarin de dichter verkeert, is het begrijpelijk dat hij uitroept: ‘Hoelang nog, Jahwe, zult u toezien?’ Zijn leven is in groot gevaar. Jahwe moge zijn leven redden uit de handen van zijn haters. Het gaat toch om zijn ‘eenzame ziel’(NBG), of vanwege het enige dat hem nog gebleven is, zijn ‘kostbaar leven’ (NBV). Jahwe moge zijn vege lijf redden uit de klauwen van z’n vijanden die als (jonge) leeuwen op hem aanvallen (17)!
Ook dit deel van de psalm eindigt met een toezegging van de dichter. Als hij onder de druk van zijn vijanden vandaan is, zal de dichter Jahwe loven in een talrijke gemeenschap. Hij zal Hem prijzen te midden van een volk dat geweldig in aantal is (18). Het spreekt vanzelf dat dan Jahwe’s grote daden van redding bezongen zullen worden. De aankondiging van dit grote gebeuren, waaraan de dichter niet twijfelt, ondanks de ellende waarin hij nog steeds verkeert, is voor hem tegelijk een oproep aan Jahwe hem nu te hulp te komen. Zie reeds bij 35,9v.
ad 3) De dichter begint opnieuw over de valsheid van zijn vijanden en hoopt dat Jahwe zal ingrijpen, zodat ze zich niet langer over hem vermaken. Of dat ze ‘met de ogen knippen’, zonder dat ze enige reden hebben hem te haten,. Het is moeilijk na te gaan wat er bedoeld is met het knippen van hun ogen. Is het een blik van triomf die ze elkaar toewerpen (NBV)? Of is het een oogcontact waarmee ze elkaar aangeven hoe zij de dichter verder in het nauw zullen drijven? Het woord ‘vrede’ komt niet over hun lippen en tegen de ‘stillen in het land’ smeden zij hun bedrieglijke plannen (20). De uitdrukking ‘stillen in het land’ komt alleen hier voor. Tot de ‘stillen’ in het land (NBG) zullen we de mensen moeten rekenen, die onder het lijden gebukt gaan, dat zij evenals de dichter hebben te dragen. NBV spreekt van de ‘weerlozen in het land’. Hier merken we dat de dichter niet alleen staat in zijn strijd. Maar die strijd brengt de dichter en de andere ‘stillen in het land’ er niet toe zelf het heft in handen te nemen. We mogen hier denken aan een tekst als Jes. 30,15, waar geduld en vertrouwen gevraagd wordt. En aan Klaagl. 3,26, met de boodschap om geduldig te hopen op Jahwe die redding zal brengen. Geweld van de vijanden moet niet met geweld door Jahwe’s volgelingen, maar door Jahwe zelf beantwoord worden!
De valse beschuldigingen van de vijanden zijn duidelijk bedoeld om de dichter in een bedenkelijk licht te plaatsen. Het stelt hem schuldig. Spottend roepen ze luidkeels uit: ‘Ha, ha, ons oog heeft het gezien (NBG)!’ Wat dit oog heeft gezien, wordt er niet bij verteld, maar we kunnen raden dat ze de dichter van misdrijven betichten (21).
Terwijl de vijanden deze misdrijven ‘gezien’ hebben, beroept de dichter zich op wat Jahwe ‘gezien’ heeft. ‘U hebt het gezien, Jahwe, zwijg daarom niet en houd u, Heer, niet ver van mij’ (22). We hebben al vaker geconstateerd dat Jahwe vanuit de hemel alles ziet en registreert. Zie m.n. mijn aantekening op 33,13. Welnu, dit ‘zien’ van Jahwe geeft de dichter alle vrijmoedigheid Jahwe tot actie op te roepen. ‘Ontwaak en sta op om mij recht te doen, mijn God en mijn Heer om mijn rechtszaak te verdedigen!’ (23) Hartstochtelijk herhaalt hij dit verzoek in vs. 24, voor de derde keer met een dubbele aanroeping: o Jahwe, mijn God’. En met herhaling van wat hij in vs. 17 al had gezegd: God kan toch niet toestaan dat zijn vijanden zich om hem vermaken? Laten zij bij zichzelf niet kunnen zeggen: Ha, wat beleven wij een plezier aan hem, en: wij hebben hem verslonden! (25).
Evenals in 35,4 hoopt de dichter dat het tegendeel gebeurt, nl. dat zijn vijanden, die zich verheugen op zijn ondergang, beschaamd en vernederd het toekijken zullen hebben. Jahwe moge hem redden, terwijl allen die zich boven hem verheffen, in schaamte en schande gehuld zullen gaan (26).
Voor de derde keer kondigt de dichter dat hij Jahwe zal prijzen nadat Hij hem heeft gered uit de nood. De tegenstelling is duidelijk. Terwijl zijn vijanden voor schut staan, zullen allen van vreugde juichen die nu verlangen dat aan de dichter (door Jahwe) recht wordt gedaan. Zij zullen dan uitroepen dat Jahwe groot is die er behagen in schiep aan zijn dienaar (de dichter) vrede te schenken. Het valt op dat in deze derde aankondiging van lofprijzing eerst de anderen (de ‘stillen in het land’) genoemd worden om Jahwe te prijzen (27), terwijl daarna de dichter ook zelf Jahwe’s gerechtigheid, die (ook) aan Hem recht deed, dag aan dag zal bezingen met zijn tong – een duidelijke tegenstelling met het gebruik van de tong, waarmee zijn vijanden leugen en laster over hem hebben uitgestort (28).
35.2. ALGEMEEN THEMA
Het raadsel van het kwaad
De opmerking over vijandschap en haat die zich ‘zonder reden’ (Hebr.: ḥinnām) keert rechtvaardige mensen, treffen we vaker aan. Zo pleit Jonathan bij zijn vader Saul voor David, die zoveel goede dingen voor Saul en Israël gedaan heeft, dat Saul zich niet moet vergrijpen aan hem (David). Hij zou dan David doden ‘zonder oorzaak’ (NBG), of ‘zonder dat er aanleiding toe is’, NBV). Zo wordt ook David door Abigaïl opgeroepen niet ‘zonder oorzaak’ Nabal en zijn familie uit de weg te ruimen (1 Sam. 25,31. Ik wijs verder op Job 2,3, waar de satan Job had geprobeerd ‘zonder reden’ te gronde te richten. Dat argument van ‘zonder reden’ zal Job overigens ook gebruiken als hij niet begrijpt waarom God hem zo laat lijden (Job 9,17).
Ps. 35,19 vinden we ook terug in 69,5, met precies dezelfde betekenis als in 35,19: Zij die in deze psalm de dichter haten, doen dat eveneens zonder oorzaak. We kunnen ook nog wijzen op 109,3 en 119,161.
Het element waar het mij in dit ‘Algemene thema’ om begonnen is, gaat over het vaak onbegrijpelijke karakter van het kwaad. Tot drie keer toe spreekt Ps. 35 ervan. Hoe is het toch verklaarbaar dat men, zonder dat er enige reden voor is, netten spant en kuilen graaft voor een ander om hem van het leven te beroven? Hoe kan het toch dat men iemand zonder enige reden haat? En dan nog wel iemand die zelf zoveel liefde aan de dag heeft gelegd voor mensen, die vroeger niet zijn vijanden waren (35,13vv)? In het kwaad steekt vaak een groot raadsel. Hoe is het mogelijk dat de zonde vormen kan aannemen die volstrekt onbegrijpelijk zijn? De bemanning van het schip waarop Jona vervoer kreeg op zijn vlucht voor Jahwe, gooien hem voor de voeten: ‘Hoe heb je dat kunnen doen (Jona 1.10, NBV)?’. De dwaasheid van Jona was voor hen evident. Hoe kun je nu denken dat je Jahwe’s invloed wel blijft voelen als je honderden kilometers oostwaarts naar Nineve moet reizen, en je aan Hem meent te kunnen onttrekken als je op een schip honderden kilometers westwaarts wilt reizen?!
Deze raadselachtigheid is ons ook uit het NT bekend. Ik denk aan de geschiedenis van Ananias en Saffira, waar Petrus tot driemaal toe een vraag stelt over hun kwaad, met de volgende vragen: Waarom heeft de satan je hart vervuld en heb je de Heilige Geest bedrogen (Hand. 5,3); wat heeft je bezield om je zo te gedragen (5,4) en hoe heb je (Saffira) durven besluiten om de Geest van de Heer te trotseren (5,9)? Petrus stelt deze vragen zonder een antwoord te geven. We peilen de onredelijkheid van het bedreven kwaad dieper wanneer we het raadsel raadsel laten!
Het duidelijkste voorbeeld van deze raadselachtigheid wordt ons gegeven in het leven en werken van Jezus Christus. Hij citeert Ps. 35,19 (of 69,5) in Joh. 15,25 en spreekt daar van vervulling van deze oudtestamentische woorden. We kunnen op grond van Ps. 35,12 ook zeggen dat vergelding van goed met kwaad parallel loopt met de betekenis van het zondigen ‘zonder reden’. De parallellie zien we heel duidelijk in Ps. 109,3.5. Ook daar rijst de vraag hoe het toch mogelijk is dat goed met kwaad, en liefde met haat beloond wordt.
35.3 VAN OT NAAR NT
Onze psalm wordt slechts eenmaal uitdrukkelijk geciteerd. En wel, zoals hierboven al vermeld werd, in Joh. 15,25. Jezus kan daar overigens ook Ps. 69, 5 voor zijn geest gehad hebben. De boodschap die voor de volgelingen van Jezus is deze: Als zij gehaat worden, moeten ze bedenken dat de wereld Hem eerder haatte dan hen (Joh. 15,18). De onverklaarbare haat is het tegenbeeld van Jezus’ grote liefde, tot en met voor zijn vijanden, zoals Hij aan het kruis getoond heeft (Luc. 23,39vv). Jezus’ oproep om zelfs vijanden lief te hebben (Matt. 5,43vv) overtreft nog het goed-doen van de dichter van Ps. 35. Hoewel hij andere mensen te hulp kwam, die niet tot zijn vrienden en broers behoorden, getuigt Jezus aan het kruis van zin bewogenheid met uitgesproken vijanden die Hem kruisigden, terwijl Hij voor hen om vergeving bad (Luc. 23,34).
Betekent de houding van Jezus een breuk met de wens van de dichter van Ps. 35, dat het optreden van vijanden gewroken wordt (35,5v.8.26)? Ik verwijs naar mijn opmerkingen onder 21.2. Algemeen thema: De roep om wraak. Zie ook 21.3, waar ik erop wijs dat God en Jezus Christus wraak uitoefenen – een wraak die echter de gelovigen niet zelf ter hand mogen nemen. Dat streeft ook de dichter van Ps. 35 niet na, wanneer hij Jahwe vraagt om wrekend in te grijpen. Wat is er verkeerd aan als de martelaars in de hemel God smeken om hun bloed te wreken aan hen die op aarde leven (Openb. 6,10)?
Ps. 35 bevat verschillende elementen die ook het lijden van Jezus Christus gekenmerkt hebben. We denken dan aan de manier waarop men Hem heimelijk naar het leven stond (vgl. 35,4 met o.a. Matt. 26,4v; Marc. 14,1). Getuigen die met leugen en geweld te werk gingen, hebben ook Jezus aangeklaagd (vgl. 35,11 met Matt. 26,59vv; Marc. 14,55vv). Over het haten zonder reden en het vergelden van goed met kwaad heb ik hierboven al gesproken. Pilatus’ vraag wat voor kwaad Jezus dan gedaan heeft, leidt er alleen maar toe dat ze nog harder om zijn kruisiging roepen (Matt. 27,23). De spot die de dichter ondervond, herkennen we in de procesgang en kruisiging van Jezus (vgl. 35,15v met Matt.26,67v; 27,27vv.39vv).
35.4. VOOR VANDAAG
Het is van belang bij ons spreken vanuit Ps. 34 dieper in te gaan op het haten ‘zonder reden’. Veel christenen kunnen daarvan in hun leven voorbeelden geven. Je staat voor je gevoel in je recht, en toch keren anderen zich tegen je, zonder dat daarvoor een goede reden gegeven wordt en kan worden. Het woord ‘zaaksgerechtigheid’ hebben we al vaker gebruikt als het ging om dichters die Jahwe vragen om aan hen recht te doen (vgl. 7,9; 17,1vv; 26.2). Er kan alle reden zijn om onze ‘zaaksgerechtigheid’ te verdedigen, die op allerlei manieren, tot op kerkelijk terrein toe, een rol speelt. Wie het hoogmoedig en farizeïstisch vindt om op te komen voor het eigen inzicht tegenover dat van de meerderheid, heeft de Schrift tegen zich. Wel komt het erop aan in eigen levensstijl liefde aan de dag te leggen, zelfs tegenover vijanden. Wat de dichter van Ps. 35 getuigt over zijn gedrag in z’n vroeger meeleven met hen die niet zijn vrienden of broers waren, is reeds een belangrijk gegeven voor ons eigen gedrag. Wij moeten ook liefde te bewijzen aan hen die verder van ons afstaan dan familie en vrienden. En nog te meer geldt dit na Jezus’ oproep om zelfs onze vijanden lief te hebben (Matt. 5.43vv).
We moeten oppassen dat wij mensen die ons ‘zonder reden’ haten, gaan vervloeken. Maar wij hoeven ook niet lief te doen tegen hen door te zwijgen over Gods toorn. Niet mijn eer alleen is in geding, maar bovenal zijn eer tegenover alle onrecht, waarvan wij overtuigd zijn dat dit met geen enkele argument kan worden goedgepraat. In Ps. 35 kan de dichter krachtige woorden tegen zijn vijanden gebruiken, maar hij grijpt niet zelf naar de wapenen om zijn tegenstanders uit te schakelen. Hij weet zich een van de ‘stillen’ in het land, die hopen dat God zal ingrijpen. We kunnen nog zo in ons recht staan en scherpe woorden gebruiken, wij zijn het niet die een revolutie tegen de kwaden mogen ontketenen. De navolging van Christus legt ons aan banden, hoe oprecht ook onze woede kan zijn.
Het is een grote troost dat wij zelden helemaal alleen staan. In Ps. 35 zijn het de ‘stillen’ in het land met wie de dichter zich verwant weet. Ze hoeven zich niet te roeren om te weten dat zij aan je kant staan. Dat geeft ons altijd moed. Gedeeld leed vanwege de haat die ons treft, zal ons ook doen verlangen om gezamenlijk verheugd te zijn in de verwachting dat er een einde aan onze moeiten zal komen. De dichter weet bij het schrijven van zijn psalm dat hij nog steeds in moeite verkeert. Maar zijn verwachting om gered te worden, houdt hem op de been. Nieuwtestamentische gezegd is het de kerk van Jezus Christus waarbinnen wij lief en leed met elkaar mogen delen. Zelfs als men in die kerk ons bejegent met afkeer of zelfs haat, zijn er altijd gelovigen te vinden die verstaan wat wij onrecht en recht noemen.
35.5. VERANTWOORDING
35.1. Het Hebr. woord in vs. 1 dat NBG met ‘twist’ en NBV met ‘bestrijd’ vertaalt, komt van de Hebr. wortelstam rīv en betekent vaak ‘een rechtsgeding voeren’, en kan ook in 35,1. 23 die betekenis hebben. Zie TWAT VII,496vv (H. Ringgren). Een duidelijk voorbeeld is de rechtsstrijd tussen David en Saul ( 1 Sam. 24,16) Ringgren geeft Ps. 35,1a weer met: ‘leid de zaak tegen mijn rechts-tegenstanders, a.w., 498.
35,12. Het substantief ‘beroving’ (Hebr.: šeḫōl) van kinderen’ en de vormen van de grondstam šḫl zijn meestal letterlijk op te vatten (zie de hierboven genoemde teksten en b.v. Gen. 42,36; Lev. 26,22). Maar in onze psalm kan het woord beter figuurlijk worden opgevat. De dichter die zelf met zijn naasten meeleefde in hun moeilijke omstandigheden, voelt zich vandaag eenzaam, omdat nu niemand met hem begaan is, maar velen zich juist tegen hem keren. Het is onnodig tot een tekstwijziging over te gaan, zoals H. Schmoldt (TWAT VII,1327) doet, in navolging van H.J. Kraus.
35,13 (slot) wordt door M. Oeming, Das Buch der Psalmen I,201 zo uitgelegd dat wat de dichter destijds bad nu moge terugkeren in zijn boezem. Zo ook L.F. Hossfeld in Hossfeld-Zenger, Die Psalmen I,221. Het zou een terugroepen zijn van zijn voorbeden, omdat zijn vrienden van destijds intussen tot vijanden zijn geworden en goed met kwaad hebben vergolden. M.i. is dat niet te plaatsen in het verband, omdat de dichter in vs. 14 gewoon verder gaat met de schildering van zijn toenmalig meeleven, door in zak en as te gaan, voortdurend voor hen te bidden en met hen mee te leven alsof het een rouwbetoon voor een moeder zou betreffen.
35,15 en 16. De opmerking die ik weergeef over de vele variaties in de vertaling van deze verzen is van M.I. Gruber in zijn aantekeningen op Rashi’s Commentary on Psalms, Leiden 2004, 309.
In 35,25a kan het Hebreeuws nafšēnu goed worden weergegeven met ‘onze begeerte’ (NBG). Nèfèš kan ook ‘keel’ of ‘mond’ betekenen, waardoor de vijanden met veel lust de dichter willen verslinden (25b). Ik volg hier H.J. Kraus, Psalmen I, 278, die op zijn beurt zich aansluit bij H. Gunkel.
PSALM 36
36.1 UITLEG
Het is niet zo gemakkelijk Psalm 36 te typeren. Vaak wordt het tot de klaagliederen gerekend, maar daarvoor kan tekstueel alleen vs. 12 aangehaald worden. De spanning van het klagen is in onze psalm zeker aanwezig, maar twee andere elementen vallen minstens zozeer op. De vss. 2-5 passen in een wijsheidspsalm, waarin ons de geaardheid van de boosdoener geschetst wordt. En de vss 6-10 vormen een lofpsalm op Jahwe. Onze psalm maakt duidelijk dat de indeling van alle psalmen in klaag-, lof-, wijsheidspsalm e.d. slechts een beperkte waarde heeft. We komen onder de psalmen nogal wat mengvormen tegen. Ps. 36 is daarvoor een van de duidelijkste voorbeelden. Laten we uit verlegenheid maar over een wijsheids-/lof-/klaagpsalm spreken!
In 36,1 heet David de dienaar van Jahwe, evenals in 18,1. Deze titel vinden we heel vaak bij Mozes (Deut. 34,5; Joz. 1,1 etc.), maar ook bij anderen, zoals bij de aartsvaders, Job en Jozua. Met deze aanspreektitel van David in 36,1 is er ook een verbinding met 35,27, waar ‘zijn dienaar’ eveneens op David betrekking heeft. Zie verder wat het dichterschap van David betreft bij Ps. 3.2 ‘Een psalm van David’.
De indeling van de psalm geeft geen moeite:
1) De dichter laat zien hoe de boosaardige mens door het kwaad beheerst wordt (2-5);
2) Hij prijst Jahwe als het tegenbeeld daarvan, in diens liefde, trouw en gerechtigheid (6-10);
3) Hij roept Jahwe’s hulp in tegen de boosaardigen, en verwacht hun uitschakeling (11-13).
ad 1) De vertaling van 36,2 en 3 is moeilijk. De hoofdstrekking is echter duidelijk. Het gaat over de goddeloze mens die door het kwaad beheerst wordt. Hij is in de greep van het kwade, dat in vs. 2 als een persoon wordt voorgesteld. Zo kan in Gen.4,7 de ‘zonde’ als een persoon worden voorgesteld. Ze ligt daar op de loer, begerig als ze is om iemand in haar greep te krijgen. De ‘persoon’ in 36,2 is het ‘kwaad’ dat tot de goddeloze mens diep in zijn hart spreekt. Voor ‘spreken’ wordt gebruik gemaakt van het Hebr. woord neᵓūm, dat meestal wijst op een boodschap (spreuk, godsspraak) van Jahwe, die overgebracht wordt door bemiddeling van o.a. een koning (David in 2 Sam. 23,1) of een profeet (Bileam in Num. 14,28). In onze psalm krijgt de goddeloze mens woorden ingefluisterd, alsof het woorden van God zijn. Diep in het hart van de goddeloze mens dalen ze neer; hij aanvaardt ze met heel zijn hart. Deze woorden vleien hem ‘in zijn eigen ogen’. Dat zal in tegenstelling staan tot wat hem wél ‘voor ogen’ zou moeten staan, nl. schrik voor God (2b). Hij drinkt de woorden van de boze geest in, wat hem ertoe brengt twee dingen te doen: 1) uitvinden wat hij aan ongerechtigheid van zijn kant zou kunnen verrichten, en 2) haten. Wat er uit zijn mond komt, is slechts onheil en bedrog (3a).
Door de beide punten die hij op zijn program heeft staan, laat hij na om het tegenovergestelde te doen van wat vs. 4b zegt: 1) wijs en dus rechtvaardig te handelen, en 2) goed te handelen en dus liefde bewijzen aan andere mensen (vs. 4b). In plaats daarvan is hij dag en nacht bezig onheil te beramen. Ook als hij op zijn bed ligt, bedenkt hij verderfelijke dingen. Andere mensen liggen wakker om aan Jahwe’s onderwijs en redding te denken (1,2; 16,7;63,7), of in hun verdriet Hem te zoeken (6,7; 22,3, etc.). Maar de boze wordt in zijn denken door het kwade beheerst. Hij bewandelt bewust hier een weg waarop hij zich dag en nacht bevindt. Hij verwerpt het kwade niet, maar koestert het juist (vs. 5).
We zien ook hier een verband met Ps. 35. Daar zegt de dichter dat zijn tegenstanders hem ‘zonder oorzaak’ haten. Zie Ps. 35.2 over ‘Het raadsel van het kwaad’. De afkeer die de goddelozen aan de dag leggen tegenover goede mensen en hun streven om onheil te veroorzaken, komen voort uit een grondeloze haat. Ze doen het tegendeel van wat normaal menselijk is: het goede nastreven en de naaste liefhebben. Hier gaat het over mensen die we boosaardig kunnen noemen, d.w.z. tot in de wortel van hun bestaan hebben ze de boosheid lief.
ad 2) Het lijkt alsof de dichter nu tot een heel ander onderwerp over gaat, maar dat is schijn. De hymne op Jahwe die nu volgt (6-10), laat het tegenbeeld zien van wat de boosaardige mens beheerst. Het verdient vermelding dat in deze psalm tegenover de goddeloze mens niet de godvrezende mens geplaatst wordt, zoals bv. Ps. 1 doet. Het zijn Jahwe’s liefde, zijn trouw, zijn rechtvaardigheid en zijn gerichtshandelingen die hier in contrast staan met het onheil, de haat en alle boosaardige handelingen van mensen. We treden een heel andere wereld binnen als het over Jahwe gaat. Letterlijk staat er: In de hemel is zijn liefde (of: goedertierenheid). Gelet op het vervolg zal dit betekenen dat zijn liefde (goedertierenheid) hemelhoog is, zoals NBG en NBV ook vertalen. Jahwe’s trouw reikt tot in de wolken (6). De maten van het goede overtreffen alles wat er over het kwade gezegd kan worden! Gods recht(vaardig handelen) is hecht als de machtige bergen (7). De vonnissen die Hij velt zijn wijd als de watermassa’s.
Deze alles overtreffende maten hebben ook een spits: ‘Jahwe, u bent de redder van mens en dier’ (7, slot). Hoogte en diepte van Jahwe’s liefde, etc. lopen uit op dit slot en op het gebed dat de dichter zo meteen laat horen. We moeten hier ook al aan vs. 11 en 12 denken. Als Jahwe zo machtig is in zijn liefde en trouw jegens de mensen, dan zal hij ook de dichter te hulp komen! De lofzang op Jahwe’s alomtegenwoordig reddend handelen is niet bedoeld om aan het kwaad alle realiteit te ontnemen. Het kwade en de boosaardigen die het kwaad bevorderen, zijn en blijven heel reëel en heel present. Maar Jahwe is machtig om overal zijn reddende macht te tonen.
Opvallend is dat zijn redding zich ook uitstrekt over de dieren. Daarvoor kunnen we wijzen op de ark van Noach, waarin Jahwe ook de dieren liet overleven. Denk verder aan Jona 4,11, waarin Jahwe in de geschiedenis van Jona niet alleen opkomt voor de kleine kinderen, maar ook voor het vee. Zie over de dieren ook Ps. 104,14vv; 145,15vv; 147,9.
De dichter weet van de rijkdommen die met Jahwe’s liefde meekomen. Zijn liefde is kostbaar, van grote waarde, en daarom wonderbaarlijk voor de mensen. In onze tekst gaat het om het bijzondere feit dat de mens bij deze grote God kan schuilen, in de schaduw van zijn vleugels (vs. 8), zoals de kuikens van een hen zich veilig weten onder de vleugels van hun moeder. Ook kan gedacht zijn aan de cherubim, de vleugels die boven de ark waren aangebracht. In Jahwe’s huis – en daarmee zal de tempel bedoeld zijn – kan men overvloedig eten van het vet (NBG), dat als een lekkernij beschouwd werd. Ook is er volop te drinken uit een stroom van geneugten. Het daarvoor gebruikte Hebr. woord voor deze heerlijkheden (NBG) of vreugden (NBV) herinnert aan de rivier van Eden, die zich in vier stromen splitste (Gen. 2,10vv). Denk ook aan Ps. 65,10, waar het water van de rivier van God het land vruchtbaar maakt. Er is geen reden al de rijkdommen die hier vermeld worden, alleen maar geestelijk op te vatten. In de tempel als het huis van God is aan het offeren vaak ook eten en drinken verbonden.
De dichter belijdt in vs. 10 dat alle rijkdom bij Jahwe vandaan komt als bron van alle leven. Jahwe maakt ons de weg naar het leven bekend, dat voor overvloedige vreugde zorgt (16,11). De bron daarvan is Jahwe. Dit kan ook nog onder een ander beeld gezegd worden: ‘In uw licht zien wij het licht’ (NBG 36,10b). Leven en licht horen bij elkaar. De bron van dat licht is weer alleen in God te vinden. Hier wordt bij ‘uw licht’ niet aan de zon gedacht, maar aan God zelf. Hij is licht en uit dit licht vloeit alle ‘licht’, in de betekenis van ‘leven’ voort. Vgl. ook 49,20; Job 3,16, waar van gestorvenen (in de onderwereld) en van een misgeboorte wordt gezegd dat zij het licht – en dus het leven – niet (meer) aanschouwen.
ad 3) In het derde deel (11-13) komt waarschijnlijk de bedoeling van de psalm voor het voetlicht. De dichter dreigt te worden vertrapt door de voet van de hoogmoedigen, of op de vlucht gejaagd door de (hand van) de goddelozen(12). Het zijn dezelfde mensen van wie we in het eerste deel gehoord hebben. De lofpsalm, aangeheven op Jahwe’s overal aanwezige liefde en rechtvaardigheid, loopt uit op een gebed. Daarin wil de dichter Jahwe ertoe bewegen zijn hemelhoge liefde en zijn rechtvaardigheid, hecht als machtige bergen (vgl. vs. 6v), nu ook te tonen aan hen die Hem kennen (11). Tot die laatsten rekent zich ook de dichter. Zij die oprecht Jahwe prijzen, rekenen op zijn uitredding uit de hand van de boosaardigen, die hen willen vertrappen of verdrijven.
Zoals vaker in Psalmen, zien zij – vast vertrouwen – hun tegenstanders al neergeveld. ‘Daar liggen zij die verderf zaaiden (NBV). Of iets anders vertaald: ‘Daar zijn de bedrijvers van ongerechtigheid gevallen (NBG). Het woordje ‘daar’ geeft niet zozeer een plaats aan, evenmin als onze uitroep ‘daar heb je het!’ Het beklemtoont in onze tekst de vaste overtuiging: de booswichten zijn gevallen! Ze zijn neergestoten, zonder nog de kracht te hebben om weer op te staan (13)! We kunnen deze combinatie van ‘bidden om uitredding’ en ‘zeker zijn van de verhoring’ vaker aantreffen. Zie bv. 3,8; 10,16; 18,28; 20,9; 31,24
36.2. ALGEMEEN THEMA
De ‘werkers der ongerechtigheid’
Wie vertrouwd is met de Statenvertaling, of met de NBG-vertaling, kan weten dat in het boek Psalmen de uitdrukking ‘werkers (NBG: bedrijvers) der ongerechtigheid’ vrij vaak voorkomt. Welgeteld 23 maal. Ieder kan dat controleren aan de hand van een concordantie. We treffen de uitdrukking aan in 5,6; 6,9; 14,4; 28,3; 36,13 tot aan 141,4.9. Beschikten we alleen over de NBV uit 2004, dan zouden we die ene en overal gelijke Hebreeuwse uitdrukking (pōᵓalē ᵓāwèn) niet herkennen, omdat de vertaling van de Hebreeuwse woorden vrijwel elke keer weer anders is. ‘Ze heten in de NBV ‘gewetenlozen’, ‘kwaadstichters’, ‘kwaadwilligen’, ‘onrechtvaardigen’, ‘zij die onrecht begaan’, etc. Het gaat er mij nu niet om een oordeel te geven over de vele vertalingen van eenzelfde Hebr. uitdrukking. Wel doen de verschillende weergaven vermoeden dat de vertalers niet gedacht hebben aan een duidelijk te omschrijven groep tegenstanders van Jahwe en van de rechtvaardigen in Israël.
Nu is daar vroeger wel anders over gedacht. Hele studies zijn verschenen naar aanleiding van de opvatting van de Noorse geleerde S. Mowinckel, die de mening was toegedaan dat de ‘werkers der ongerechtigheid’ vooral tovenaars en demonen zouden zijn, die ziekte en ander onheil veroorzaakten. De tovenaars zouden beschikken over een geheime macht en hun praktijken uitoefenen in nacht en duisternis. Door hun verkeer met demonen en geesten van doden, in hun riten en gebaren zouden ze een verderfelijke invloed op mensen uitoefenen. Denk o.a. aan Bileams woorden over Israël, waarin hij onder meer zegt dat men geen onheil en rampspoed in Jakob en Israël ziet (Num. 23,21), terwijl hij (parallel daarmee) even later zegt: ‘Er bestaat geen bezwering tegen Jakob, noch waarzeggerij tegen Israël ( Num. 23,23),
Toch is Mowinckel terecht bestreden, omdat toverij als macht over mensen in het boek Psalmen niet valt aan te tonen. In hun ziekte zien de dichters niet de tovenaar, maar Jahwe bezig (o.a. 6,2v; 38,18v).
Er valt daarom veel voor te zeggen dat de Hebr. woorden, die SV en NBG vrijwel telkens op dezelfde manier vertalen (‘werkers van ongerechtigheid’) niet op een duidelijk vast te stellen vorm van ongerechtigheid slaan, maar verschillend kunnen worden vertaald. Het Hebr. woord ᵓāwèn kan zowel algemener als concreter worden vertaald: onheil, kwaadwilligheid, onrechtvaardigheid, misdaad, goddeloosheid, etc.
Van groot belang blijft het om niet alleen op de activiteiten van deze tegenstanders van Jahwe en hun misdaden tegenover zijn volgelingen te wijzen, alsook op het kwaad zoals het diep huist in de harten van deze mensen. Er is een buiten- en een binnenkant aan te wijzen, zoals ook Ps. 36 dat doet. De misdadigers slaan toe, zij bedreigen Jahwe’s rechtvaardigen met woord en daad. Maar dat doen ze omdat ze beheerst worden door de macht van het kwade, dat zich diep in hun hart genesteld heeft. Dat kwaad ontsprong aan hun haat tegen Jahwe en tegen zijn mensen. Ze zijn tot in de nacht toe bezig hun plannen te beramen. Mowinckel c.s. mogen dan de plank hebben misgeslagen toen zij aan toverij en waarzeggerij dachten, maar zij zagen heel goed dat het kwaad een diepgewortelde macht over mensen kreeg. Let erop hoe vaak in het boek Psalmen op de haat gewezen wordt. Jahwe haat de goddelozen (bv. 5,5; 11,5) en zij haten Hem (21,9; 68,2; 83,3). Zij haten Hem met een diepe haat (25,19). Zij haten ook de rechtvaardigen (34,22; 35,19; 38,20; 41,8; 44,8.11; 69,15; 86,17; 89,24). De haat tegenover de mensen hangt samen met die tegen Jahwe. ‘Zou ik niet haten wie u haten, o Jahwe(139,21)?’ Het beeld van de ‘bedrijvers van ongerechtigheid’, die in 36,13 neergeveld worden, is in 36,2-5 treffend getekend, tot in de haat toe waardoor ze aangedreven worden!
36.3 VAN OT NAAR NT
In het NT wordt Ps. 36,2 geciteerd door Paulus in Rom. 3,18: ‘De vreze Gods staat hun niet voor ogen’ (NBG), of: ‘Angst voor God kennen zij niet’ (NBV). De boosaardigheid waarin de goddeloze mens terecht kan komen als hij door het kwade beheerst wordt, laat zich illustreren aan Judas, die Jezus verraden heeft. We lezen dat de satan bezit van Judas nam (NBV) door in hem te varen (NBG), Luc. 22,3. Wat de satan bij de andere leerlingen van Jezus geprobeerd heeft (Luc. 22,31; Joh. 13,27), gelukte bij Judas. Zo kreeg de satan na Pinksteren ook de kans het hart van Ananias en Saffira te vervullen (Hand. 5,3). Zij besloten om de Heilige Geest (die zo krachtig in de eerste christelijke gemeente werkte) te trotseren (Hand. 5,9). De keuze die zij hadden gedaan om de apostelen te bedriegen, deden zij welbewust.
Toch is het beeld van de mens die door het kwaad beheerst wordt in het NT genuanceerder dan in Ps. 36. In deze psalm is er geen enkele toekomst voor de boosaardige mens. Hij is door en door slecht en gaat de vernietiging tegemoet (36,13). In het NT lezen we van Juda’s berouw (Matt. 27,3), al leidt dit niet tot zijn behoud (vgl. Joh. 17,19). Wat Ananias en Saffira betreft, erkennen uitleggers als Augustinus en J.A. Bengel dat hun straf (ze vallen dood neer) nog niet hoeft te betekenen dat zij voor eeuwig verloren zijn gegaan. Paulus’ woord over de grove zondaar in 1 Kor. 5,5 speelt daarbij een rol. Paulus wil dat de gemeente deze man aan de satan uitlevert tot verderf van zijn vlees, opdat zijn geest zal worden behouden op de dag van de Here Jezus.
We mogen aannemen dat de liefde tot onze vijanden, die in het NT sterker naar voren komt dan in het OT, ook doorwerkt in de voorzichtigheid om een hard eindoordeel over de boosaardige mens te vellen. Jezus zelf gaat erin voor als Hij aan het kruis om vergeving vraagt voor mensen die in hun boosaardig optreden niet weten wat zij doen (Luc. 23,34). Deze tekst laat tegelijk uitkomen dat Jezus de diepte van het kwaad zelf niet met de mantel der liefde bedekt. Zie hiervoor ook onder 35.2. Algemeen thema ‘Het raadsel van het kwaad’.
Wat over God gezegd wordt in Ps. 36,6-10, brengt ons telkens bij de woorden die Jezus over zichzelf gesproken heeft. Hij heeft gewezen op Gods liefde, waardoor Hij (Jezus) als diens enige Zoon zijn leven heeft gegeven om eeuwig leven te verwerven voor de mensen die in Hem zouden geloven (Joh. 3,16; vgl. Ps. 36, 6.10a). Hij gaf water te drinken, waardoor niemand meer dorst zou krijgen (Joh. 4,10; vgl. Ps. 36,9b). Hij noemde zich het licht van de wereld (Joh. 8,12; vgl. Ps. 36,10b). Wie Hem gezien heeft, die de weg, de waarheid en het leven is (Joh. 14,6), heeft de Vader gezien (Joh. 14,9).
36.4. VOOR VANDAAG
1. Het spreekt vanzelf dat we aandacht moeten geven aan de diepte van het kwaad, zoals Ps. 36 daarover spreekt. We kunnen immers moeilijk negeren wat er altijd weer onder de mensen gevonden wordt: leugen en bedrog, racisme en moord. Er kwam een einde aan Hitlers uitroeiing van de Joden, maar niet aan het antisemitisme. De Berlijnse muur werd geslecht, maar andere muren, bv. tussen Joden en Arabieren, staan nog recht overeind. Het kwaad verplaatst zich, maar grijpt altijd weer nieuwe kansen. De duivel gaat rond als een brullende leeuw, altijd weer op zoek naar een prooi (1 Petr. 5,8).
2. De spits van Petrus’ woord in de aangehaalde tekst is overigens niet gericht op de ‘wereld’ die door de duivel geteisterd wordt met geweld, bedrog en massamoordenaars. We hebben al gehoord dat de duivel niet alleen het hart van Judas, maar ook dat van christenen zoals Ananias en Saffira in zijn greep kreeg. Petrus waarschuwt juist de christenen. Zij moeten zich tegen de duivel wapenen met hun geloof. Het leed dat zij ondervinden, moeten zij dragen in het besef dat ook elders de christenen lijden. De kerk moet de duivel dus niet alleen zoeken buiten haar muren, maar hem ook binnen haar eigen wereld geen kans geven. Wij moeten strijden tegen de leugen en alle wrok en drift en boosheid, alle geschreeuw en gevloek. Waar de Heilige Geest bedroefd wordt, wint de duivel terrein (Ef. 4,25vv). We hebben de wapenrusting van God nodig om tegen de listen van de duivel stand te kunnen houden (Ef. 6,11vv). Er kunnen schijnapostelen optreden, die een vermomming van Satan zijn. Hij kan zich immers voordoen als een engel van het licht (2 Kor. 11,13).
3. In plaats van ongegrond optimist te zijn (het kwaad valt mee, zowel buiten als binnen de kerk), kunnen we optimist zijn als we geloven wat we (nog) niet zien: de alles overwinnende kracht van Gods liefde. Die is reeds duidelijk beschreven in Ps. 36,6-10) en staat ons helder voor ogen als we aan Jezus Christus denken. In het hoofdstuk waarin Hij aan zijn leerlingen zijn en hun lijden aankondigt (Matt. 16), had Hij eerst al gezegd, dat de poorten van het dodenrijk de kerk niet zullen kunnen overweldigen (16,18). Wie echter van lijden niet wil weten, zoals aanvankelijk Petrus, krijgt te horen dat Satan daarmee probeert Jezus van de goede weg af te brengen (16,23). De overwinning volgt, maar dan wel langs het pad van het lijden, waarop de duivel zowel Jezus als ons niet graag zag en ziet lopen.
4. Het is (opnieuw) mooi om te zien dat een psalmdichter gelooft in Gods overwinning en tegelijk een beroep doet om uit zijn eigen benarde omstandigheden bevrijd te worden. Hij prijst Gods grootheid en liefde, maar doet dat ook om zijn verlangen naar z’n bevrijding kracht bij te zetten. Ook de materiële genoegens (Ps. 36,9) versmaadt hij niet. Voor ons is er geen reden 36,9 te vergeestelijken. Wij mogen om een vrij en rijk leven vragen, als we bereid zijn ook het lijden achter Jezus aan niet te schuwen. De beloning van het geloof is er niet alleen in de eeuwigheid, maar kán ons ook nu ten deel vallen (Marc. 10,30).
36.5. VERANTWOORDING
Vooral Ps. 36, 3 wordt zeer verschillend vertaald, zoals reeds uit de beide vertalingen blijkt die we geregeld citeren. NBG: ‘Zij (de zonde) vleit hem (nl. de goddeloze) in zijn eigen ogen, totdat men z’n ongerechtigheid ontdekt en haat’. De vraag rijst wie die ‘men’ zijn. NBV vertaal zeer vrij: ‘De zonde sust zijn geweten in slaap – geen besef van schuld en geen afkeer van het kwaad’. Bij deze vertaling vraag ik mij af of er niet meer aan de hand is dan dat de goddeloze geen besef van schuld en geen afkeer van het kwaad heeft. Bedrijft hij niet heel bewust het kwade en is hij niet vervuld van haat?
Geen van beide vertalingen is bevredigend. M.i. is moeten we rekening houden met de parallellie die de Hebr. tekst tussen telkens tweemaal twee infinivi constructi in de vss. 3 en 4 gebruikt. Vs. 3: De boosaardige mens krijgt woorden ingefluisterd om ‘zijn ongerechtigheid te vinden (te zoeken, te bedrijven) en om te haten (Hebr. limṣōᵓ … liśnōᵓ); vs. 4: Zo laat hij na wat hij zou moeten doen, nl. wijsheid te betrachten en goed te doen (Hebr.: lehaśkīl lehēṭīv). De inf.cstr. worden asyndetisch samengevoegd. Ik volg in mijn vertaling gedeeltelijk o.a. Franz Delitzsch, Die Psalmen, t.a.p. Hij vertaalt vs. 3b eveneens doelgericht: het vleien van het gepersonifieerde kwaad brengt de goddeloze ertoe ‘um ihn in Schuld zu stürzen, zu hassen’. Anders dan Deltitzsch vat ik echter het haten absoluut op: de goddeloze wordt door de vleitaal tot haten aangezet en erdoor beheerst. Dat sluit goed aan bij 35,19: haten zonder daarvoor enige reden te hebben!
Ik sluit mij aan bij H.A. Visser. De Psalmen in onze tijd, 2,112, die de in Ps. 26 beschreven goddelozen typeert als boosaardigen. Dat geeft de diepte van hun kwaad goed weer.
De in 36,6v genoemde deugden van Jahwe zijn moeilijk scherp te onderscheiden. Wel krijgen wij de indruk dat zijn liefde of goedertierenheid (Hebr.: ḥѐsѐd), die Hij binnen zijn verbond aan zijn volk bewijst, de boventoon voert.
In 36,8 wordt het woord ‘kostbaar’ (Hebr.: yāqār) gebruikt. Het hebr. woord kan verschillende nuances hebben. Als in de dagen van Samuël openbaringen van Jahwe schaars zijn (1 Sam.3,1), dan kan het Hebr. woord gebruikt worden, omdat schaarse dingen vaak tegelijk kosttbaar zijn. Kostbaar in de zin van ‘kostelijk’ zijn Gods gedachten (139,17). Kostbaar, in de betekenis van ‘beroemd’, kan iemands naam worden, zoals die van David (1 Sam. 18,30).
36,9 spreekt over een ‘stroom van ‘lieflijkheden’ (NBG) of ‘vreugden’(NBV). Het Hebr. woord (ᵓadānīm) vinden we ook in Gen. 2,8.10.15, waar we over de tuin van Eden (Hebr.: ᵓēden) lezen. Samen met het woord ‘stroom’ (Hebr.: naḥal) ligt het voor de hand hier aan paradijselijke heerlijkheden te denken.
Zie voor het 36.2 ‘Algemene thema’ o.a. N.H. Ridderbos, De ‘werkers der ongerechtigheid’ in de individuele Psalmen, Kampen 1939 en R. Knierim in THAT I,81-84. Knierim wijst er o.m. op dat nergens het voor onheil gebruikte Hebr. woord (ᵓāwèn) op een activiteit van God betrekking heeft. Hij kan het kwade zenden (Hebr.: rāᶜā), maar van alles in de ᵓāwèn-sfeer houdt Hij zich verre, a.w.,83v.
Voor 36.3 en de dood van Ananias en Saffira wijs ik o.a. op J. A. Bengel, Gnomon Novi Testamenti, die daarin aantekent bij Hand. 5,5: ‘Quod gravitati poenae in corpore accessit, in anima potuit decedere’. Let op de voorzichtige uitspraak dat de zware lichamelijke straf kan hebben geleid tot behoud van het (eeuwige) leven voor Ananias en Saffira!
PSALM 37
37.1. UITLEG
Ps. 37 draagt duidelijk het stempel van een wijsheidspsalm. Deze psalm zou ook opgenomen kunnen zijn in het boek Spreuken. De psalm is opgebouwd als een acrostichon. Zie onder 9/10.2. Algemeen thema (‘Alfabetische psalmen’). In Ps. 37 zijn aan elke letter twee verzen verbonden.
In een acrostichon komt vaak herhaling van bepaalde gedachten voor. Een vloeiende opbouw van het betoog moeten er niet in verwachten. Wel ontvouwt onze psalm een boodschap die van het begin tot aan het eind planmatig is. De tegenstelling tussen rechtvaardigen en goddelozen trekt door de hele psalm heen. De aanleiding om de psalm te schrijven is de boosheid van iemand die de voorspoed van slechte mensen moeilijk verkroppen kan. De boodschap van de dichter is dat men geduld moet oefenen. Eens zullen de rechtvaardigen het land beërven, terwijl de goddeloze mensen verdelgd worden.
Over de vraag of David de dichter van Ps. 37 is, of – zo niet – waarom deze psalm op zijn naam is gezet, valt niets met zekerheid te zeggen. Zie bij 3.3. Algemeen thema (‘Een psalm van David’).
We kiezen voor de volgende indeling:
1) Erger je niet aan de goddelozen, want Jahwe zal hen verdelgen, terwijl de zachtmoedigen het land zullen beërven (1-11);
2) De bedreigingen van de goddelozen tegen de rechtvaardigen zullen mislukken (12-20);
3) De rechtvaardigen hebben toekomst door hun houding, in tegenstelling tot de goddelozen (21-29);
4) De rechtvaardigen dragen de wet in hun hart, wankelen niet en moeten wachten op Jahwe, die hun toekomst garandeert, terwijl de goddelozen kortstondig leven (30-40).
ad 1) De dichter snijdt in de vss. 1-11 meteen een kwestie aan die de hele psalm zal beheersen. Het gaat de ‘bedrijvers van ongerechtigheid’ (NBG) of de ‘slechte mensen’ (NBV) vaak voor de wind. Wat hun slechtheid betreft, zie onder 36.3. Algemeen thema (‘De werkers van het kwaad’). Ook in deze psalm is de kloof tussen goede en slechte mensen onoverbrugbaar. Onder de rechtvaardigen (negenmaal in deze psalm zo genoemd) zijn er die woedend zijn over de voorspoed van goddelozen Driemaal wordt dat in dezelfde bewoordingen gezegd, vs. 1,7 en 8. Achter de woede op die mensen, zal er kritiek op Jahwe zijn: Hoe kan Hij het toelaten dat goddeloze mensen het zo goed hebben? Zijn er dan geen beloften dat het de goeden goed en de kwaden kwaad zal vergaan?
De dichter maant de critici zich rustig op te stellen. De bedrijvers van het kwaad zullen snel verdorren als het gras, vs. 2. Voor de kortheid van het goddeloze leven wordt vaker gras als symbool gebruikt (90,5; 129,6). In plaats van te klagen, moeten de rechtvaardigen op Jahwe vertrouwen en het goede doen, vs. 3. Zij moeten hun geluk zoeken bij Jahwe en dus niet in de rijkdom, waarin goddeloze mensen zich verheugen. Wie zich over Jahwe verheugt, zal ervaren dat Hij zal geven wat iemands hart verlangt, vs.4.
De blik moet op Jahwe gericht worden om geluk en voorspoed te ontvangen ‘Wentel uw weg op Jahwe en vertrouw op Hem’, dan zal Hij het maken‘, vs. 5. Zoals de een Jahwe kan vragen of Hij de smaad die hem ten deel is gevallen, van hem af wil wentelen (119,22), zo kan de dichter hier vragen: ‘Leg je weg in handen van de HEER, vertrouw op Hem, Hij treedt op’ (WV, zie ook NBV). In plaats van klagen over de voorspoed die slechte mensen ontvangen, moeten de rechtvaardigen Jahwe laten werken. Hij zal verrichten wat Hij beloofd heeft. Hij zal (op zijn tijd) de goddelozen uitschakelen. Hij zal recht doen, vs. 6, zo zeker als het morgenlicht aanbreekt en de zon ‘s middags op haar hoogtepunt straalt.
Wat de rechtvaardigen moeten doen, is stil zijn voor Jahwe en op Hem wachten, vs. 7. Hier wordt iets ingrijpends gevraagd: Mensen die Jahwe willen volgen, ergeren zich aan het welslagen van mensen die slecht zijn en daarvoor ongeoorloofde praktijken gebruiken. Wie zou niet woedend worden? Maar ze krijgen te horen dat ze stil moeten zijn (NBG), of kalm moeten blijven (NBV). Ze winden zich op en … veroorzaken onheil (NBV) of stichten enkel kwaad (NBG), vs. 8. In plaats van door hun levenshouding een heel ander beeld te vertonen dan de boosdoeners, vallen ze in het kwaad van hun tegenstanders. Die verheugen zich immers in de val van de rechtvaardigen, vgl. Ps. 35,13-15.
De rechtvaardigen moeten hun woede dus laten varen en rust vinden in de overtuiging dat de kwaaddoeners verdelgd worden. Zij hebben immers geen toekomst. Die is er wel voor de rechtvaardigen. Zij alleen die op Jahwe hopen, zullen het land bezitten, vs. 9.
Spr. 24,19v gebruikt nog een ander argument tegen het luchten van onze woede op slechte mensen. Jahwe kan daar zo kwaad op worden, dat hij zijn toorn op een goddeloze dan juist laat varen! We zien al de contouren van onze liefde tot de vijand over wiens val wij ons niet moeten verheugen.
Met ‘land’ is het land Israël bedoeld, waarin de Israëliet die aan Jahwe trouw blijft zijn erfdeel voor altijd zal bezitten, vgl. vs.18. Nog even, dan zijn de goddelozen verdwenen, zo radicaal dat er van hen, van hun leven, werken en hun rijkdom niets meer te vinden is. Zelfs hun graf zal in het land Israël niet meer te vinden zijn (vgl. 103,16). Dan gaat in vervulling wat de godvrezenden mogen verwachten. Zij beërven het land en leven er in grote vrede, vs. 11.
ad 2) In het tweede gedeelte van de psalm, vss. 12-20, meldt de dichter dat de rechtvaardigen niet bang hoeven te zijn voor wat hun vijanden van plan zijn. Die vijand knarst zijn tanden, iets wat in verband met het volgende vs. 13 geen uiting van woede, maar van spot zal betekenen (vgl. 35,16). Laat de vijand maar spotten, Jahwe lacht hen uit, want Hij ziet zijn dag al aankomen, vs. 13! Dit kan slaan op de dag van de ondergang van de vijand. Het is ook mogelijk hier aan de ‘dag van Jahwe’ te denken, waarop Hij met al zijn vijanden afrekent.
De goddelozen zullen proberen met zwaard en boog de rechtvaardigen, die Jahwe vrezen – ellendig en arm als ze zijn – uit te schakelen. Maar in plaats van hén af te slachten, zal het omgekeerde gebeuren. Het zwaard zal de goddelozen in hun eigen hart treffen en hun bogen zullen worden verbroken, vss. 14 en 15.
De rechtvaardige krijgt verder de raad om tevreden te zijn met het weinige dat hij heeft. Dat weinige is beter dan de rijkdom van veel goddelozen (vgl. 4,8). Waarom? Opnieuw zegt de psalm dat de goddelozen in hun macht gebroken zullen worden, terwijl Jahwe de rechtvaardigen zal ondersteunen, vss. 16 en 17. Het is de toekomstige verlossing waarop de rechtvaardigen in hun huidige omstandigheden moeten vertrouwen.
Wie even mocht denken dat de dichter weinig begrijpt van de boosheid en moeiten rechtvaardigen, moet wel bedenken dat hij ook zelf spreekt van rijkdom bij veel goddelozen (NBV: ‘talloze’), vs. 16.
In iets andere bewoording wordt opnieuw de tegenstelling tussen de rechtvaardigen en de goddelozen getekend. Jahwe kent de dag van de vromen (NBG), d.w.z. Hij trekt zich hun lot aan (NBV), vs. 18. Komen de kwade dagen, dan zal Jahwe hen helpen. In een tijd van hongersnood zullen ze te eten hebben, vss. 18 en 19. Maar de goddelozen gaan ten onder en verdwijnen als ‘bloemen in het veld’ (NBV), of vergaan als de pracht der landouwen (NBG). De precieze vertaling is moeilijk, maar duidelijk is de bedoeling. Wat sierlijk lijkt, zal kort van duur zijn. De gedachte van vs. 2 wordt in vs. 20 herhaald. De pracht van het veld verdwijnt als rook.
ad 3) In de vss. 21-29 springt naar voren dat de rechtvaardigen, met hoe weinig ze ook tevreden moeten zijn, zie vs. 16, toch zegen verspreiden. Terwijl de goddeloze wel te leen vraagt, maar het geleende niet terugbrengt, ontfermt de rechtvaardige zich over zijn naaste en geeft op milde wijze. Nadat we eerst gehoord hebben dat de rechtvaardige niet het kwade moet doen, m.n. zich opwinden over en jaloers zijn op de goddelozen, krijgen we nu de andere kant te zien: ‘Doe het goede’, zoals ook in vs. 27 zal worden gezegd.
Dat goede laten de rechtvaardigen zien in hun hulp aan de armen in Israël. Weer wordt op het contrast gewezen. De door Jahwe gezegenden, begaan met de armen, zullen het land blijven bewonen. Maar de door Jahwe gevloekten zullen uitgeroeid worden, vss 21v.
Jahwe ondersteunt de mensen die Hem welgevallig zijn, zodat ze niet struikelen. Vallen ze toch, dan richt Hij hen weer op, vss. 23v. De dichter, die we in vs. 24 als een oude man leren kennen, vertelt dat hij vanaf zijn jeugd geen rechtvaardige heeft gezien die door Jahwe verlaten werd. Voor hem en zijn kinderen was er altijd te eten. Z’n kinderen hoefden niet om brood te gaan bedelen. Ook met zijn bescheiden bezit, vs. 16, is de rechtvaardige in staat anderen (en dan allereerst zijn kinderen) van het noodzakelijke levensonderhoud te voorzien. Altijd ontfermt hij zich en leent hij geld of goed uit aan hen die in nood verkeren, vss. 25v.
Vs. 27 kunnen we beschouwen als een samenvatting van het voorafgaande: Mijd het kwade en doe het goede, dan zul je voor altijd blijven wonen in het land! Zie hierna onder 37.2. Algemeen thema (‘Stil zijn en het goede doen’).
De volgende verzen bevestigen opnieuw dat Jahwe, die het recht liefheeft, niemand in de steek laat die Hem trouw is. Zij blijven voor altijd bewaard, terwijl het nageslacht van de goddelozen verdelgd wordt. De rechtvaardigen hebben toekomst, de goddelozen verdwijnen, zonder nageslacht, vs. 28v.
ad 4) In de vss. 30-40 komt opnieuw het verschil tussen de rechtvaardige en de goddeloze aan de orde. De mond van de rechtvaardige spreekt wijsheid, zijn tong getuigt van wat recht is, terwijl (omdat) hij de wet van God in zijn hart draagt. Dat bewaart zijn voeten voor struikelen, vs. 30v. In zijn denken, spreken en optreden bewandelt hij de weg van Jahwe. De goddeloze mens echter loert op de rechtvaardige om hem te doden. Maar Jahwe zal de rechtvaardige niet in zijn macht geven. Mocht het tot een rechtsgeding komen, dan zal Hij zijn dienaar niet schuldig laten verklaren, vs. 33.
We kunnen ons voorstellen dat de rechtvaardigen, die in de praktijk van hun leven zoveel andere dingen zien dan hier worden aangekondigd, opnieuw tot het volgende worden opgeroepen: Wacht op Jahwe en blijf op de weg die Hij wijst! Dan zal Jahwe u eren door u het land te laten bezitten. Tegelijk zal de verdelging van de goddelozen onder de ogen van de rechtvaardigen een feit worden, vs. 34. NBG gaat m.i. te ver in haar vertaling dat de rechtvaardigen met vreugde de uitroeiing van de goddelozen zullen zien. Dat staat er niet en zou m.i. ook niet overeenkomen met de vermaning zich aan de voorspoed van de goddelozen niet te ergeren.
De dichter vertelt opnieuw uit zijn eigen ervaring (vgl. vs. 25). Wat overkwam een geweldenaar onder de goddelozen? De man schoot als een sterke plant naar alle kanten uit (NBV: als een woekerende laurier; NBG: als een weelderige woekerplant; WV: als een reuzenboom spreidde hij zijn takken). Maar opeens was hij er niet meer. ‘Ik zocht naar hem, maar hij was niet meer te vinden’, vs. 36. Wat we in vs. 10 reeds lazen, wordt hier herhaald.
De man van vrede heeft een toekomst, nl. nakroost, vs. 37, terwijl de zondaars tezamen worden vernietigd. Ook wordt (daarmee) hun nakroost uitgeroeid, vs. 38.
De bevrijding van de rechtvaardigen is aan Jahwe te danken, Hij is hun toevlucht in bange tijden, vgl. vs. 19. Hij helpt hen, Hij brengt hen, ontkomen aan de goddelozen, in veiligheid. Hij bevrijdt hen, Waarom? Zij schuilden bij Hem, vss. 39-40!
37.2. ALGEMEEN THEMA
Stil zijn en het goede doen
In Ps. 37 wordt een man aangesproken die het heel moeilijk heeft met de voorspoed waarin slechte mensen zich verheugen. Er zit duidelijk spanning in onze psalm, wanneer we er attent op zijn dat in de eerste zeven verzen driemaal een vermaning in dezelfde Hebr. bewoording wordt uitgedeeld: ‘Wind je niet op!’. Je moet je niet kwaad maken, je niet ergeren als het goddeloze mensen goed gaat.
Die boosheid is begrijpelijk, óók vanuit de rest van Ps. 37. Jahwe zal immers de rechtvaardigen geven wat zij verlangen, vs. 4. Hun voeten wankelen niet, Jahwe bevrijdt hen uit de handen van hun vijanden. Zij zullen uiteindelijk het land bezitten en zij hebben toekomst (nageslacht). Voor de goddelozen geldt over heel de linie het omgekeerde. Maar wat de woedende man constateert, is de huidige werkelijkheid waarin goddeloze mensen welvarend leven en de rechtvaardigen het slecht, of in elk geval veel minder goed hebben. Wekt dat geen wrevel?
Ja, en juist daarom geldt voor ieder die zich kwaad maakt, de boodschap om stil te zijn voor Jahwe, vs. 7, en zich niet te ergeren. Want niet hij, maar Jahwe voert het program uit dat uiteindelijk de volle zegen zal schenken aan de rechtvaardigen en tot de ondergang van al Jahwe’s tegenstanders zal leiden. ‘Stil zijn’ houdt in dat men op Jahwe’s woorden vertrouwt en op zijn daden kan wachten. Dat wachten op Hem is essentieel. Hij zal ‘het’ maken (NBG), Hij zal het voor je doen (NBV).
In plaats van te ‘wachten’ op Jahwe lezen we vaker nog, dat men het van Hem moet verwachten, of op Hem moet hopen. Zie 25,3.5.21; 27,4; 37,9.34; 39,8; 69,7, etc. Die drie gaan samen: Stilheid, verwachten en hopen. Neem Klaagl. 3,26: Het is goed in stilheid te wachten op de redding van Jahwe. Dat doet ook de dichter van Ps. 62,1 wiens ziel zich stil tot God keert (NBG) en alleen bij Hem rust vindt (NBV). Wie zó stil is, verwacht zijn uitredding van Jahwe, 62,6. Hij grijpt niet zelf naar de middelen om zich van zijn vijanden te ontdoen.
Stil zijn houdt niet alleen in dat geen uiting aan bepaalde emoties (boosheid bv.) geeft, maar ook bepaalde acties nalaat. Zo moet men in Jesaja’s dagen z’n vertrouwen niet stellen op paarden, om daarop weg te vluchten. Want Jes. 30,15 roept op om In bekering en rust redding te zoeken. Uit Jes. 30 wordt opnieuw duidelijk dat men op Jahwe moet wachten in plaats van zelf de regie in handen te nemen. Jesaja had dezelfde boodschap al eerder aan koning Achaz gebracht, die te horen kreeg dat hij in verband met de oprukkende Syro-Efraïmitische troepen rustig moest blijven en niet moest vrezen, Jes. 7,4.
Het stil zijn is voor de mens ook heilzaam, als we aan het effect van boosheid en ergernis denken. De ergernis die iemand aan de dag legt als hij ziet hoe voorspoedig goddelozen kunnen zijn, lijdt er gemakkelijk toe dat men zelf kwaad sticht, vs. 8. Men valt in de strikken van de goddelozen door een eenzelfde mentaliteit te gaan vertonen.
We voelen aan dat het geen kleinigheid is om stil te zijn en zich rustig op te stellen. Dat kost zelfbeheersing. Stil zijn is geen vrucht van geestelijke zelfconcentratie, maar van zelfoverwinning!
Leidt dit stil zijn of kalm blijven niet tot een vorm van lijdelijkheid? Dat is reeds onmogelijk als we bedenken hoe we ons moeten inspannen onszelf te verloochenen. Maar Ps. 37,3 zegt ook dat het vertrouwen op Jahwe samen moet gaan met het doen van het goede. Er is een dubbele opdracht. nl. het kwade te mijden en het goede te doen, vs. 27. Wat het goede is, hebben we bij de bespreking van de vss. 21-26 al gezien. Men moet zich niet ergeren aan de voorspoed van de goddelozen, maar arme volksgenoten te hulp komen.
37.3. VAN OT NAAR NT
Bij Matt. 5,5 ‘Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen de aarde bezitten’ (NBG), kunnen we aan Ps. 37,11a denken. In verband met de vervulling van de wereldwijde beloften in Jezus Christus lijkt het mij juister in Matt. 5,5 niet over ‘het land’ (NBV), maar over ‘de aarde’ NBG te spreken. Waarom vertaalt NBV in Matt. 5,5 met het land, terwijl deze vertaling even later hetzelfde Griekse woord in 5,13 weergeeft met ‘jullie zijn het zout van de aarde’?
Veel in OT en NT blijft gelijk. Geen wonder dat we die gelijkenis zien tussen vs. 4 (‘Zoek je geluk bij Jahwe, Hij zal geven wat je hart verlangt, NBV) en Matt. 6,32: ‘Zoek liever eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid, dan zullen al die andere dingen je erbij gegeven worden’ (NBV).
Als we onze eerste aandacht op Gods trouw richten, kunnen we kalmer alles verwerken wat om ons heen in strijd met zijn wil gebeurt. Wij volharden dan evenals Mozes, die leefde alsof hij de Onzienlijke zag (Hebr. 11,27). Denk ook aan Noach, die in gehoorzaamheid aan God de ark bouwde. Hij wist wat er zou gebeuren, nog voordat dit voor iemand zichtbaar was (Hebr. 11,7).
De man die zich ergert aan de voorspoed van de goddelozen, is te veel bezig met het heden en te weinig met de beloften over de toekomst. Het vertrouwen op Jahwe in Ps. 37 richt zich, evenals het geloof in het NT, op de dingen die anders zullen worden dan wij ze om ons heen zien. Het vertrouwen op Jahwe in het OT is al duizenden jaren in de kern van de zaak volkomen gelijk aan het geloven in het NT. Hebr. 11 bevestigt deze gelijkheid met tal van voorbeelden.
Opvallend is ook de gelijkheid in de verwachting van een spoedige afrekening. Nog even en de zondaar is verdwenen, vs.10; God ziet al de dag van zijn ondergang, vs. 13. De rechtvaardige zal beleven dat zondaars worden verdelgd, vs. 34. Vgl. 1 Kor. 7,29; Rom. 13,11v; Jak. 5,8.
37.4. VOOR VANDAAG
1. Ps. 37 uitleggen gaat niet zonder de spanning te laten voelen van de drievoudige vermaning ‘Erger je niet!’ Die vermaning zorgt niet voor een moralistisch praatje, maar brengt ons bij een grote aanvechting in het leven van veel mensen. Waarom loopt het ons zo tegen, terwijl we in God geloven en zulke mooie beloften hebben ontvangen? Het is goed ons te realiseren dat deze spanning ook in de dagen van veel ‘openbaring’ via Mozes, de profeten, psalmdichters en wijzen in Israël even groot was als ze in onze tijd kan zijn. Ook Jahwe’s aanwezigheid in de tempel te Jeruzalem betekent nog niet dat het leven voor de rechtvaardigen die bij Hem schuilden, gemakkelijker was dan nu.
Als we de bekende berijming van Paul Gerhardt van Ps. 37 (‘Beveel gerust uw wegen’, Liedboek Gez. 427) tegen het licht houden van de psalmtekst zelf, constateren we met een vrije bewerking van onze psalm te maken hebben, en dat de hierboven genoemde spanning er vrijwel geheel in ontbreekt.
2. De woede is echter misplaatst. De beloften van God zijn waar, maar de tijd van de vervulling ervan bepaalt Hij en niet wij. Daarom moet de gelovige, in plaats van lawaai te maken over zoveel onrecht om zich heen, stil zijn en op God wachten, vs. 7. Dat vereist geloof en geen woede. Kalm blijven, God laten werken! Als Hij lacht, vs. 13, hoeven wij niet woedend te zijn. Leg je leven in handen van Jezus Christus, die zwaar geleden heeft, maar dacht aan de vreugde die vóór Hem lag (Hebr. 12,2).
3. De woede is ook schadelijk. Er komt onheil van. Of nog sterker vertaald; Zij sticht enkel kwaad, vs. 8. Waarom is die woede zo kwaadaardig? Die woede en de daarbij horende ontevredenheid en jaloersheid zijn kenmerkend voor de haat waarin de goddelozen zich willen vergrijpen aan de rechtvaardigen. Gelovigen moeten de stijl van hun tegenstanders niet overnemen. De woede waarover het hier gaat, komt voort uit iemands onvrede met z’n eigen leven.
Wie hier nog meer over wil zeggen dan onze psalm doet, moet Spr. 24,17v erbij betrekken. Men is bij God aan het verkeerde adres als men zich zou verheugen over de val van z’n vijanden. God kan er zo ontstemd over zijn, dat hij dan juist zijn woede op je vijand laat varen! We hebben bij Ps. 37,34 al gezien dat daarin van vreugde over de val van onze vijanden geen sprake is.
4. De woede is altijd terug te voeren op ontevredenheid. Wij willen dat het anders loopt dan het gaat. Wachten en hopen vragen om zelfbheersing. Ze veronderstellen tevredenheid met wat wij in God reeds bezitten
5.. De dichter zegt dat hij als oude man in z’n leven nooit had meegemaakt dat een rechtvaardig mens was verlaten (door Jahwe) of dat diens kinderen moesten bedelen om brood. vs. 25. Dat is geen visie van een wereldvreemd mens. Hij wist van de spanningen tussen rijk en arm en besefte ook dat de tegenstelling tussen rechtvaardigen en goddelozen er een van leven en dood was. Maar kennelijk leefde hij niet in een periode waarin zich een grote hongersnood heeft voorgedaan. Ook in ons eigen land kunnen gelovigen in ons rijke land zoiets nazeggen.
De dichter verklaart de rechtvaardigen niet alleen rijk, als zij op God vertrouwen. Hij wijst de gelovigen, die niet rijk bedeeld zijn met aardse goederen, op de mogelijkheden die ze desondanks hebben daarmee het goede te doen. Zij die sober (moeten) leven, kunnen anderen met hun geld en goed te hulp komen.
6. Je moet het kwade mijden en dus onder meer ophouden woedend te zijn op ongelovige mensen. Maar je moet als gelovige juist het goede doen, tot zegen voor de naaste. Nieuwtestamentisch gezegd: Doe voor iedereen het goede, vooral voor je geloofsgenoten (Gal. 6,10). Maar ook tegenover onze vijanden moeten we wat anders tonen dan woede over hun voorspoed en vreugde over hun val. Denk aan de vurige kolen op zijn hoofd. Laat je niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede (Rom. 12,20v).
7. Als het doen van ‘het goede’ wordt ingevuld in onze psalm, gaat het erover hoe je je naaste kunt helpen, vss. 21 en 26. Maar deze medemenselijkheid ligt ingebed in een krachtig geloof. De volgorde van eerst geloof in God en daarna je liefde bewijzen aan de naaste is onomkeerbaar. Dat laat Ps. 37 goed zien. Wie zijn leven in de hand van God kan leggen, zal een blijmoedige gever zijn. Hij heeft zijn woede over de rijkdom van anderen laten varen en kan uitdelen God heeft lief wie blijmoedig geeft (2 Kor. 9,7).
37.5. VERANTWOORDING
Ps. 37 kent een spanning die we in het drievoudige Hebr. ᵓal-titḥar uit de vs. 1,7 en 8 vinden. Erger je niet, maak je niet kwaad, maar wacht op Jahwe. Het gaat om echte woede, zoals uit het gebruik van het Hebr. ḥrh valt op te maken. Zie D.N. Freedman in ThWAT III,183vv over deze woede bij God en de mensen.
Ps. 37,5 spreekt over het ‘wentelen’ (Hebr. gōl) van z’n weg op Jahwe. Zo kan men z’n plannen met alle daaraan verbonden zorgen (als een steen) op Jahwe afwentelen (Spr. 16,3), d.w.z. ze aan Hem toevertrouwen. De spotters roepen de rechtvaardige man in Ps. 22 toe dat hij het moet ‘wentelen’ op Jahwe. Laat Hij hem verlossen (22,9)!
De in het Hebreeuws gebruikte werkwoorden die we met wachten, verwachten en hopen kunnen weergeven, hangen met elkaar samen. Zie m.n. de bespreking van de wortel qwh door G. Waschke in ThWAT VI,1225. Hij wijst op de samenhang van wachten, verwachten en hopen, die trouwens ook in onze taal gemakkelijk te leggen valt. Verder maakt hij ons attent op woorden als yḥl (hopen) en bṭḥ (vertrouwen). Zie voor dmh II en dmm/dūm (zwijgen, stil zijn) A. Baumann in ThWAT II,277vv.
Belangrijk is hier ook šqṭ hi. (rustig zijn). Vgl. E. Bons, THWAT VIII,453, waar hij Jes. 30,15 met de vier kernwoorden als: in Umkehr und Ruhe liegt Israels Rettung, im Ruhig sein (be hašqēt) und im Vertrauen seine Stärke. Vertrouwen moet men op Jahwe’s ingrijpen, in plaats van op paarden te vluchten voor de vijand. In Jes. 7,4 wordt met hetzelfde Hebr. werkwoord šqṭ koning Achaz op geroepen rustig te blijven, d.w.z. af te zien van militair ingrijpen.
SV en NBV vertalen terecht in Ps. 37,34 niet dat de rechtvaardigen met vreugde de uitroeiing van de goddelozen zullen zien (zoals NBG). Over vreugde spreekt de Hebr. tekst niet. En in het licht van vs. 8 zou dat m.i. ook moeilijk kunnen.
Zie voor de verklaring van Spr. 24,17v o.a. W.H. Gispen (1954),200v en O. Plöger (1984),283.
PSALM 38
38.1. UITLEG
Psalm 38 is een klaagpsalm. Het gaat over een ernstig zieke, die lijdt onder de toorn van Jahwe. Hij zoekt hulp bij Hem en bidt om uitredding. Deze psalm is een van de zeven kerkelijke boetepsalmen en staat daarmee in de rij van Ps. 6; 32; 51; 102; 130 en 143. Ps. 38,2 is vrijwel gelijk aan 6,2.
De psalm telt 23 verzen. Het wordt vaak als een alfabetiserende psalm opgevat, van 22 regels, overeenkomstig het aantal letters van het Hebr. alfabet, waaraan dan vs. 23 is toegevoegd. Zie onder 9/10. 2. Algemeen thema (‘Alfabetische psalmen’).
Vs. 1 vermeldt David als dichter. Zie daarvoor onder 3.2. Algemeen thema (“Een psalm van David’). Er volgt dan een aanduiding waarvan de betekenis onzeker is. Gaat het over een gedenkoffer, zoals NGB e.a. menen? Er wordt dan gedacht aan Jes. 66,3, waar ongeveer hetzelfde woord gebruikt wordt als het over (het offeren van) wierook gaat. Of moeten we vertalen met ‘ter herinnering’, of ‘ter gedachtenis’? Onduidelijk blijft dan wie er aan wat moet worden herinnerd. NBV, die aanvankelijk vertaalde met ‘ter herinnering’, geeft in de uiteindelijke versie van 2004 de uitdrukking weer met: ‘een dringend gebed’. Blijkbaar vanuit de gedachte dat de psalm bedoeld is als een gebed waarin Jahwe luid (dringend) herinnerd wordt aan de nood van de dichter. We blijven echter gissen. Boven Ps. 80 komt hetzelfde opschrift voor.
Ps. 38 is overzichtelijk opgebouwd, zodat het geen moeite kost de psalm in te delen:
1) De dichter is ernstig ziek en gaat gebukt onder Jahwe’s toorn (2-11);
2) Zijn naasten ontlopen hem, zijn vijanden beschuldigen hem leugenachtig (12-21);
3) Hij smeekt Jahwe hem te redden (22-23).
ad 1) De psalm begint met Jahwe aan te roepen, vs. 2. Evenals in 6,2 wordt hier gevraagd of Jahwe zijn woede wil laten varen. Jahwe’s pijlen dalen op hem neer. Job spreekt eveneens over pijlen die de Almachtige in hem steekt (Job 6,4; 16,13; Klaagl. 3,12). Het neerdalen van de pijlen ervaart de dichter als de hand van Jahwe die hem slaat, vs. 3.
De gevolgen zijn desastreus. Er is geen gezonde plek meer aan zijn lichaam (vgl. Jes. 1.6). Zijn vlees en gebeente zijn zwaar gehavend. Hij weet dat de oorzaak daarvan te zoeken is in zijn zonde, vs. 4. Die zonden drukken op hem als een last die te zwaar wordt. Wellicht wordt daarbij gedacht aan de lasten die een oosterling op zijn hoofd draagt. De zondenlast wordt hem te hoog en te zwaar, vs. 5.
Hij erkent in vs. 6 nogmaals zijn schuld, door over dwaasheid ervan te spreken. Het Hebr. woord voor ‘dwaasheid’ komt heel vaak in Spreuken voor, en buiten dit boek tweemaal in Psalmen (38,6 en 69,6). NBV geeft het woord hier en in 69,6 met ‘lichtzinnigheid’ weer. Wat er in zijn leven gebeurd is, worden we niet gewaar. De gevolgen van zijn dwaze houding tegenover Jahwe zijn zichtbaar in zijn gekromde lichaam, waarin de wonden zweren en etteren, vs. 7. Het doet ons Job 2,7v denken. Is de dichter soms door huidvraat (melaatsheid) getroffen?
Zijn zonde en de daarop volgende ellende laten hem gebogen en heel diep gebukt door het leven gaan. Het woord voor ‘gebogen’ hangt samen met een Hebr. woord voor ‘zonde’, zodat dit buigen met het zondebesef van de dichter te maken heeft. Ook het feit dat hij in het zwart gehuld gaat, hangt hiermee samen. Dat zal meer een beeld van rouw (over zijn zonde) zijn dan dat het op zijn kleding slaat, vs. 7. Nogmaals legt de dichter nadruk op het feit dat er niets meer gaaf is aan zijn lichaam. In zijn lendenen woeden ontstekingen (NBV: woedt de koorts), vs. 8. Hij is totaal uitgeput, een gebroken man. Vanwege zijn bonzend hart schreeuwt hij luid, vs. 9, mogelijk bevangen door angst.
Opnieuw richt de dichter zich tot Jahwe. Na alles wat hij in zijn gebed (vs. 1) gezegd heeft, doet hij een appel op Jahwe. Jahwe weet toch wat hij verlangt? Zijn zuchten is voor Hem toch niet verborgen, vs. 10? Hij vult de tekening van zijn ellendige toestand nog aan door erop te wijzen dat zijn hart tekeer gaat, zijn kracht vermindert en zelfs zijn gezichtsvermogen het laat afweten, vs. 11. Diepe ellende en tranen van verdriet verhinderen het zien (vgl. 6,8; 31,10; 88,10).
ad 2) In het volgende gedeelte, vss. 12-21, snijdt de psalm een andere moeite aan, die de dichter vooral psychisch kwelt, nl. de eenzaamheid waarin hij verkeert. Hij is verlaten door zijn vrienden en bekenden, die zich op een afstand houden, vs. 12. Ook elders vinden wij een dergelijke vermelding (31,12; 88,19). Men houdt zich op een afstand wegens de ‘slag’ of de ‘plaag’ die iemand getroffen heeft. Het woord kan gebruikt worden voor de plagen waarmee Jahwe Egypte treft, Ex. 11,1 (vgl. Gen. 12,17), of waarmee mensen door huidvraat getroffen worden, vgl. Lev. 13,2vv. De afzichtelijke aanblik van de patiënt zorgt ervoor dat zelfs de mensen die hem het naast staan (huisgenoten, familie), uit de buurt blijven.
Nog erger is het dat de vijanden van de dichter tegen hem samenspannen. Ze proberen hem in de val te lokken, omdat ze het op zijn leven gemunt hebben. Letterlijk staat er dat ze ‘zijn ziel zoeken’ (vgl. 35,4). Ze zijn erop uit hem kwaad te doen en maken dag in dag uit gebruik van leugen en bedrog om hem uit te schakelen, vs. 13.
De reactie daarop van de dichter is geheel in de lijn van 37,5vv. Hij blijft kalm als zijn vijanden hem beschuldigen. Verweer levert hij niet. Hij stelt zich op als een dove en een stomme, alsof hij niet luisteren en spreken kan, vs. 14v.
Die houding verraadt niet dat hij zich (ook) tegenover zijn vijanden schuldig voelt. We zullen zo meteen zien dat het tegendeel het geval is. Maar hij vertrouwt erop dat Jahwe zal ingrijpen. Op Hem is zijn hoop gericht. ‘U zult antwoorden, mijn Heer en mijn God’, vs. 16. Dit heeft dan niet alleen betrekking op zijn verlangen naar genezing. Het antwoorden van Jahwe zal fataal worden voor zijn vijanden. De dichter denkt (natuurlijk) bij zichzelf na over hun felle tegenstand. Hij wil niet dat zij zich over zijn val verheugen en triomfantelijk optreden als hij wankelt. Daarom legt hij zijn zorg voor aan Jahwe, om Hem ertoe te bewegen in te grijpen, vss. 17.
Nu hij op het punt staat te struikelen en pijn hem voortdurend kwelt, erkent hij nogmaals zijn schuld tegenover Jahwe: ‘Ik belijd u mijn schuld en ben bezorgd over mijn zonde’, vss. 18v. Maar schuld bekennen tegenover zijn vijanden doet hij niet. Zijn vijanden genieten van het leven en zijn machtig. Talrijk zijn zij die hem ten onrechte haten, vs. 20. Zij vergelden goed met kwaad en vallen mij aan omdat ik het goede najaag. Ik geef hier de voorkeur aan SV en NBG boven NBV. ‘Omdat’ laat het raadsel in het optreden van de vijanden goed zien: Omdat ik het goede nastreef, gaan zij mij haten! Zie daarvoor ook 35,12 en 109,4. Ik wijs op wat ik onder 35.2. Algemeen thema (‘Het raadsel van het kwaad’) geschreven heb.
ad 3) In deze psalm doet de dichter nogmaals een dringend beroep op Jahwe hem te helpen. Hij wil weer ervaren dat Jahwe hem niet in de steek laat en niet op een afstand blijft staan, vs. 22. Hij dringt op haast aan, vanuit zijn krachtig geloof dat er niemand anders is die hem kan helpen. ‘Heer, u bent mijn redding’. De roep om haast herinnert ons aan de klager in 22,20, die met dezelfde woorden om snelle hulp vraagt.
Het verschil in het benoemen van God is m.i. niet meer dan afwisseling. De dichter begon in vs. 2 met Jahwe aan te roepen, noemde Hem in vs. 10 Heer, in vs. 16 mijn Heer en mijn God. In vs. 22 spreekt hij over Jahwe, mijn God. En terwijl hij in vs. 4 de naam Jahwe gebruikte, sluit hij af met Heer in vs. 23. Hij kent Jahwe als de God van het verbond met Israël. Hij gelooft in de trouw van Jahwe en in de macht van zijn Heer, om hem uit zijn nood te redden. De dichter is met Jahwe’s toorn begonnen, vs. 2, hij doet aan het einde een beroep op Gods genadige uitredding.
38.2. ALGEMEEN THEMA
De zieke en zijn vijanden
Altijd heeft het de aandacht getrokken dat er in de psalmen zo vaak over vijanden gesproken wordt. Dat valt ook op als we de psalmen bekijken waarin van ziekte sprake is en de zieke lijdt onder het gedrag van zijn vijanden. Voor ons gevoel is het aannemelijker dat vijanden zich terugtrekken als iemand ernstig ziek wordt. Maar in de psalmen lijkt het er soms op dat de vijanden van de dichter juist bij ziekte heel actief worden.
Een radicale oplossing voor het probleem van de zieke en zijn vijanden zou zijn om in die vijanden de veroorzakers van ziekte te zoeken. Ik verwijs naar 6.2. Algemeen thema (‘Ziekte in het Oude Testament’). Daar heb ik erop gewezen dat uitleggers gedacht hebben aan de vijanden als tovenaars, die ziekten konden verwerken, bv. door daarvoor demonen op te roepen. De Noorse geleerde S. Mowinckel heeft met o.a. deze veronderstelling de psalmen bestudeerd. Bij hem en anderen werd het aantal ziektepsalmen vaak ook groot. Alles wat op psychische en lichamelijke moeiten wees, werd tot ziekte die door vijanden veroorzaakt werd. Anderen, zoals J. en N.H. Ridderbos, hebben een veel kortere lijst van ziektepsalmen; 30; 38; 41; 88; 107,17-22. Ik sluit me bij hen aan, al vul ik het hier vermelde lijstje aan met Pss. 6 en 39.
Lezen we deze psalmen, dan wordt – op Ps. 6 na – altijd ook over vijanden gesproken. Dat zij niet als de veroorzakers van de ziekte worden gezien door de dichters, blijkt duidelijk uit het vermelden van Jahwe’s toorn over hun zonden, vgl. 6,2; 30,6; 38,2.5v.19; 39,9.12; 41,5. Jahwe zendt ziekte, Jahwe kan die ook genezen.
Dan blijft wel de vraag hoe het toch kan dat de vijanden zo’n grote rol spelen in het leven van een ernstig zieke persoon. Daarvoor is een verklaring te geven. Het gaat maar niet over een willekeurige zieke, maar over een persoon die een publieke rol in de samenleving speelde. Wat van de meeste godvrezende zieken in Israël niet zo voor de hand ligt, geldt wel voor met name hooggeplaatste personen die ziek zijn en dreigen te sterven. Met zulke zieken hebben wij te maken als zijn tegenstanders op zijn dood en het bekladden van zijn naam uit zijn.
Dat geldt waarschijnlijk niet voor de zieke uit Ps. 88, maar in die psalm is evenmin als in Ps. 6 sprake van vijanden. Ps. 101 overtuigt er ons echter van dat de bewoner van een groot huis, met vele bedienden en in het bezit van grote rechterlijke macht, vgl. vs. 8,, zijn handen vol had om het vleien, roddelen, lasteren en ook de hofintriges tegen te gaan. Machtsuitoefening roept altijd verzet op. Zelfs als een koning goed handelt, blijft de haat ‘zonder oorzaak’ sluimeren.
We kunnen daarom in de ziektepsalmen meestal aan een koning denken. Hún ziekte en eventueel dreigende dood zet haast per definitie de tegenstanders aan om hun kansen te grijpen! Denk ook aan Ps. 2, al lezen we daarin niet van ziekte. Maar wel hebben we te maken met een psalm die over troonopvolging gaat. Op zo’n moment proberen onderworpen volken zich los te maken van de nieuwe of oude koning van Israël.
Daarmee is nog niet beweerd dat alle ziektepsalmen, waarin het sinister gedrag van vijanden vermeld wordt, afkomstig zijn van koning David. Het ‘van David’ betekent nog niet ‘door David geschreven’. Zie onder 3.2. Algemeen thema (‘Een psalm van David’).
38.3. VAN OT NAAR NT
Nergens wordt Ps. 38 in het NT rechtstreeks aangehaald. De woorden ‘ter gedachtenis’ uit het opschrift zijn in verband gebracht met wat Jezus bij de instelling van het avondmaal heeft gezegd: ‘Doe dit tot mijn gedachtenis’, 1 Kor. 11,25. Maar het leggen van dit verband is niet meer dan een klankovereenkomst. Bovendien staat de betekenis van de woorden in 38,1 niet vast, zoals we gezien hebben.
Anders ligt het met het verband dat men legt tussen 38,12 over de vrienden en bekenden, die niet in de buurt van de zieke dichter (willen) komen én Luc. 23,49. Ook alle mensen die Jezus gekend hadden, waren op een afstand blijven staan van zijn kruis op Golgotha. Kennelijk gold dat niet voor een aantal vrouwen, onder wie Jezus’ moeder en evenmin voor Johannes, de leerling van wie Hij ‘veel hield’ (Joh. 19,25). Jezus verbindt dan zijn moeder Maria aan Johannes, die vanaf dat moment Maria in huis nam. Het laat zich denken dat deze liefdevolle handeling van Jezus tegelijk ook zijn eenzaamheid vergrootte, als ook de genoemde personen vanaf dat moment de kruisheuvel verlaten hebben.
Er zijn meer trekken in Ps. 38 die ons aan het lijden van Jezus doen denken. Als de lijdende dienaar van Jahwe was Hij vertrouwd met ziekte, vgl. Jes. 53,3vv. Evenals in dit bekende hoofdstuk (vs. 7) doet ook de dichter in Ps. 38,14 zijn mond niet open. De blinde (leugenachtige) haat in 38,20 stemt overeen met wat Jezus over de haat ‘zonder reden’ gezegd heeft in Joh. 15,25, met uitdrukkelijke verwijzing naar wat de ‘wet’ (de Schrift) daarover gezegd heeft (Ps. 35,19; 69,5).
Duidelijk is uiteraard het verschil tussen Jezus’ lijden en dat van de dichter van Ps. 38, als wij aan de zonde denken. De dichter is zich van zijn eigen zonde bewust en ziet er de oorzaak van zijn ziekte in. Jezus nam de zonden van anderen op zich en leed in alle vrijwilligheid om ons te bevrijden van de toorn van God (Rom. 3,23vv; 5,9; 1 Tess. 1,10).
38.4. VOOR VANDAAG
1. Ps. 38 legt een zeer duidelijk verband tussen ziekte en persoonlijke zonde. De toorn van God en de eigen schuld daarin komen ook in de andere psalmen ter sprake (6,2; 30,6; 41,5; 88,8.17; 102,11), of kunnen eruit worden afgeleid. Maar nergens zijn beide zo uitdrukkelijk aaneengekoppeld als in onze psalm. De dichter ziet de toorn van Jahwe als een gevolg van z’n eigen dwaze (lichtzinnige) leven. Ook wij moeten het verband tussen zonde en Gods toorn niet uitsluiten, alsof in de nieuwtestamentische tijd van die toorn geen sprake meer zou zijn, nadat Christus ons van Gods toorn bevrijd heeft. Het is waar dat we in het NT ziekte meer leren zien als Gods beproeving van ons geloof, zoals een vader zijn kinderen straft voor hun bestwil. Maar als wij ons schuldig weten aan ziekte (verslaving e.d.), rust Gods toorn daarom op ons. Met een beroep op zijn liefde in Jezus Christus bidden wij om genezing, zodat Gods toorn van ons wijkt (vgl. ook 1 Kor. 11,30).
2. Van betekenis is ook dat het belijden van zware schuld tegenover God bij de dichter samengaat met een beroep op God om hem recht te doen tegenover zijn vijanden. De dichter erkent zijn schuld en weet toch dat hij een rechtvaardige is. Uiteraard verspelen we onze geloofwaardigheid onder de medemensen als we lichtzinnig leven. Maar wie zijn schuld tegenover God belijdt, mag zich op zijn zaaksgerechtigheid beroepen als het zijn verhouding met andere mensen betreft. Een zwarte ziel hebben bij God betekent nog niet dat mensen met ons kunnen doen wat ze willen.
3. Wel maakt schuldbewustzijn tegenover God ons ootmoedig in ons handelen tegenover onze naasten, inclusief onze vijanden. In aansluiting bij wat in Ps. 37 helder naar voren kwam, is het altijd zaak z’n leven in handen van God te leggen, kalm te blijven en op zijn ingrijpen te wachten. Dus: het woord aan God laten en de boel niet in de war sturen door ontijdige initiatieven (Beaucamp).
38.5. VERANTWOORDING
Het opschrift in vs. 1 (Hebr.: lehazkīr) betekent letterlijk: om te gedenken, te vermelden, te prijzen etc. Het ‘prijzen’ vinden we terug in WV, die vertaalt met ‘om eer te bewijzen’. Brengt men het woord in verband met de cultus (vgl. Jes. 66,3), dan zou het een wierookoffer betreffen, dat de gebeden tot Jahwe doet opstijgen, vgl. Ps. 141,2. EÜ vertaalt 38,1, met Weihrauchopfer. Helderheid over de vertaling is uit de teksten van Ps. 38 en Ps. 70 niet te verkrijgen.
Bij Ps. 38,5 volg ik J. van de Ploeg (1971,245) die denkt aan het beeld van de lastdragers in het Nabije Oosten. Zonde drukt op hem als een last. Anders R. Alter (2007),135, die aan het gevoel van verdrinken denkt.
T.a.v. Ps. 38,11 doet J.M. Brinkman de suggestie dat we bij ‘ogen’ moeten denken aan de mensen die voor de dichter het ‘licht van z’n ogen’ vormen, de mensen die hem het liefst zijn. Zij zijn niet ‘bij hem’, terwijl dan in vs. 12 een volgende groep vermeld wordt, nl. zijn vrienden en bekenden. M.i. vallen de mensen die de dichter het liefst zijn onder de qerūbay (verwanten) uit vs. 12, voorafgegaan door de ᵓōhavay werēᶜay (vrienden en bekenden; NBV: liefste vrienden). Het ‘licht van z’n ogen’ moeten we, gelet op soortgelijke uitdrukkingen in de psalmen letterlijk blijven opvatten.
In 38,20a stellen sommige voor om het Hebr. ḥinnām (‘zonder oorzaak’) te lezen i.p.v. ḥayyīm. Zo bv. H.J. Kraus (1960,293v), N.H. Ridderbos (1962,411) en Craigie (1983,302) Het is waar dat de vijanden de dichter ‘zonder oorzaak’ haten, maar dat valt uit de vss. 20 en 21 ook af te lezen zonder tekstverandering. Het woord ḥayyim moeten we niet opvatten alsof de vijanden (slechts) leven, maar kunnen we pregnant verklaren: Zij genieten van het leven, in tegenstelling tot de dichter. Zij zijn levenskrachtig, vergeleken met de wegkwijnende dichter.
Voor 38.2 (Algemeen thema) heb ik veel ontleend aan J. Ridderbos (1955),392vv. Zie ook en N.H. Ridderbos (1962),29. Volgens Ridderbos wordt door sommigen ten onrechte gedacht dat men zich in Israël van de zieke afwendde, op grond van de overtuiging dat de zieke als een door geslagene zou worden beschouwd. In haar algemeenheid is deze visie onjuist, aldus Ridderbos, met verwijzing naar Ps. 35,13v (meeleven met de zieken) en naar de oproep in psalmen om de ellendigen, die door ramp en tegenspoed getroffen worden, te hulp te komen.
PSALM 39
39.1. UITLEG
In de aanhef is er naast de ‘koorleider’ (zie bij 4,1) sprake van ‘voor Jedutun’. Deze Jedutun is waarschijnlijk het hoofd van een familie, door David aangesteld, om in de tempel leiding te geven aan de zang en de muzikale begeleiding van liederen (1 Kron. 25,1vv; 2 Kron. 5,12, vgl. Neh. 11,17). De naam Jedutun komen we verder nog tegen in Ps. 62,1 en 77,11. We kunnen ook aan een combinatie van Jedutun en de ‘koorleider denken, met als vertaling: ‘Voor de koorleider en wel voor Jedutun’.
We hebben duidelijk met een klaagpsalm te maken. Een ernstig zieke man, vss. 11v, klaagt over zijn ellende in een gebed tot Jahwe.
Ik deel de psalm als volgt in:
1) De dichter zwijgt voor Jahwe en de mensen over zijn diepe ellende (2-4);
2) Toch gaat hij spreken, klagend over Jahwe, de enige die hem kan redden (5-12);
3) Hij bidt om genezing als ‘vreemdeling’, die nog enige vreugde wil beleven (13-14).
ad 1) De man in deze psalm wilde zijn ‘wegen’ bewaren, d.w.z. ervoor waken dat hij geen zondige dingen zou doen. In dit geval gaat het over zonde met de tong. Hij zou verkeerde dingen kunnen zeggen als hij zijn tong niet in toom hield.
Hij bleef sprakeloos en zweeg, vs. 3. Het slot van dit vers geeft moeilijkheden. NBG vertaalt met (‘ik zweeg’), verstoken van het goede. Dat zou dan wijzen op de algemene situatie van de zieke, die in zeer beroerde omstandigheden verkeerde. Zo bv. EÜ. WV meent dat de man zweeg ‘om beterswil’, d.w.z. uit bestwil. Zwijgen dus omdat hij dit een opdracht (van Jahwe) vond. Weer anderen menen dat hij zweeg ‘meer dan goed voor hem was’ (o.a. Goldingay). Waarschijnlijk denkt NBV in dezelfde richting: ‘Ik zweeg en vond geen verlichting’. Het is moeilijk hier met overtuiging voor een vertaling te kiezen.
Tegenover wie en waarover wilde de zieke aanvankelijk zwijgen? Allereerst tegenover mensen. Hij verklaart immers dat hij zijn mond met een muilband wilde bedwingen, ‘zolang de goddeloze voor mij stond’ (NBG). NBV vertaalt vrijer: ‘te midden van mensen zonder God of gebod’, vs. 2.
Naar het ‘waarom’ van dit zwijgen tegenover de goddelozen kan het vervolg van de psalm ons wellicht duidelijkheid verschaffen. We zullen moeten denken aan smaad en laster van de tegenstanders van de zieke man. Zodra hij zich openhartig zou uitlaten over de moeite die Jahwe hem aandoet, zouden zij zich verheugen. De dwazen zouden hem dan honen, vs. 9. Zoals de vrienden van Job Jahwe’s straffende hand in ziekte tegen Job hebben misbruikt om het leven hem nog zwaarder te maken dan het al was, zo vreest ook de dichter van Ps. 39 voor soortgelijke reacties als hij openlijk gaat klagen over wat Jahwe hem aandoet.
We kunnen zeggen dat de dichter aanvankelijk ook tegenover Jahwe zweeg. Hij zal er op gerekend hebben dat Jahwe hem uit zijn ziekte zou verlossen. Toen dat niet gebeurde, werd de innerlijke strijd van de dichter steeds zwaarder. Aanvankelijk zei hij helemaal niets, maar in het zwijgen vond hij geen verlichting. Zijn pijn werd heviger, het laaide als een vuur op in zijn binnenste. Het waarom van zijn ellendige situatie en het uitblijven van genezing gingen zo op hem drukken, dat hij kon het zwijgen niet langer kon volhouden, vss. 3 en 4. Nu gaat hij spreken, maar niet ten overstaan van zijn vijanden. Hij legt zijn klacht voor aan Jahwe, in een gebed, vss. 5vv.
ad 2) Het gebed draagt een eigenaardig karakter. De zieke klaagt over de kortheid van het leven, maar met de bedoeling om te weten wat Jahwe met hem voor heeft. Is zijn einde aanstaande? Hij wil weten wanneer het einde komt, en de maat van zijn dagen vol is, Duidelijk gaat de zieke ervan uit dat hij niet meer lang te leven heeft. Er klinkt toch iets van een verwijt door, zoals uit het vervolg zal blijken. Jahwe maakte zijn dagen een handbreed lang (NBV), vs. 5! Het begrip handbreedte (zie ook 1 Kon. 7,26; Jer. 52,21) werd bepaald door de breedte van vier aaneengesloten vingers, die een breedte vormen van 7 tot 9 cm. Het was een van de smalste maten die men gebruikte. Dat de dichter deze maat voor zijn levensdagen gebruikt, wijst duidelijk op een heel korte levensduur, vs. 6. In Jahwe’s ogen moet dat gelijk staan aan niets.
Om die nietigheid nog te accentueren, gaat hij de hem toegemeten levensduur in algemene zin toepassen op alle mensen. Het bestaan van de mens is niet meer dan een ademtocht (NBG), niet meer dan lucht (NBV). Het woord voor lucht (in Prediker 1 door SV en NBG vertaald met ‘ijdelheid) wordt hier tot driemaal toe, vss. 6,7 en 12, gebruikt om de kortheid van het leven te accentueren. Letterlijk zegt de tekst, dat ieder mens er staat als een ademtocht (NBG). Dat ‘staan’ kan misschien nog wat lijken, maar het betekent niets.
Er volgt een tweede ‘niet meer dan’: De mens is in zijn levensgang ook niet meer dan een schaduw. Voor ‘schaduw’ wordt hetzelfde woord gebruikt als in Gen. 1 om daar aan te geven dat de mens naar het beeld van God geschapen is. Er is van een duidelijke verschuiving in betekenis sprake. De mens die in zijn hoogheid (Genesis 1) beeld van God heet, is in Ps. 37 slechts beeld, of (in de vertaling van anderen) slechts een droombeeld, of een schaduw, die snel weer verdwijnt.
Nog een derde keer volgt er een ‘niet meer dan’: Wat de mens rusteloos nastreeft, nl. goederen verzamelen, geeft evenmin enige vastheid. Hij weet immers niet aan wie zijn goederen zullen toevallen als aan zijn korte leven een einde komt, slot vs. 7.
Het kan even lijken alsof de zieke berust in de kortheid van zijn leven en in zijn spoedige dood. Maar dat is niet het geval. Kennelijk is heel de redenering over de kortheid van het leven bedoeld om op Jahwe een dringend beroep te doen. Wat heeft hij nog te verwachten? WV vertaalt nog krachtiger: ‘Ik sta op U te wachten!’ Het antwoord is helder. Als er nog wat te verwachten valt, moet het in elk geval van Jahwe komen, vs. 8.
Hij beseft dat zijn hoop op Jahwe gevestigd moet worden, waarbij hij zich bewust is dat hij enerzijds slechts kan vragen en niets te eisen heeft. Hij moet nl. van zijn zonden bevrijd worden, die hij als oorzaak aanwijst van zijn misère.
Wat er onmiddellijk volgt, is het ‘anderzijds’, dat hij waarschijnlijk met meer vrijmoedigheid aan Jahwe voorlegt: ‘Bespaar mij de hoon van dwazen’, vs. 8! Daarmee snijdt hij het onderwerp van zijn zwijgen aan, dat hij zichzelf had opgelegd. Hij zweeg, omdat hij wist dat Jahwe hem ‘dit alles’ aandeed (NBV). De inhoud van het woordje ‘dit’ en van het door NBV daaraan toegevoegde ‘alles’ slaat op de grote ellende die de zieke ondervindt. Niemand anders dan Jahwe heeft dit bewerkt, vs. 10 (vgl. vs. 12). Jahwe brengt hem ertoe dat hij, ondanks erkenning van zijn eigen zonden, Hem in verwijtende zin aanspreekt: ‘Houd op mij nog langer te kwellen’ (NBV). Of iets minder scherp: ‘Neem uw plaag van mij weg’ (NBG). Hij bezwijkt onder de slaande hand van Jahwe, vs. 11.
Zeker, opnieuw erkent de zieke dat Jahwe’s kastijding een straf is op iemands zonden, vs. 12. Maar Jahwe gaat daarbij tegen de mens te keer als een mot, die de schoonheid van de zondaar teloor doet gaan (NBG). NBV geeft wat er gebeurt iets vrijer, maar zakelijk toch trefzeker weer met: ‘Als een mot vreet u weg wat hij (een mens) begeert’. Zoals de mot kleren en kleden wegvreet, zo gaat de lichamelijke gaafheid eraan onder Jahwe’s toorn.
Het beeld van de mot treffen we vaker aan. Vgl. Hos. 5,12, waar Jahwe voor Efraïm een mot en voor Juda een beeneter is (NBG), en Jes. 50,9, waar de vijanden van God zullen vergaan als een kleed dat door de mot wordt weggevreten.
Sommige verklaarders komen hier tot de veronderstelling dat de zieke als een melaatse wegteert, vgl. Ps. 88. Opnieuw concludeert de zieke aan het slot van deze passage in vs. 12 dat de mens niet meer is dan lucht.
De zieke heeft dit (langzame) proces van afbraak ondergaan en kan zich nu niet langer stilhouden. Jahwe moet ingrijpen, nu of nooit. Anders zal de zieke het mikpunt van spot worden voor zijn tegenstanders.
ad 3) Alle ernstige klachten en verwijten aan het adres van Jahwe monden uit in een hartstochtelijke roep om hulp. Van berusting in en aanvaarding van wat de dichter overkomt, is geen sprake. Het leven van de mens mag slechts een ademtocht zijn, maar toch vraagt de man uit deze psalm aan Jahwe niet te blijven zwijgen. Hij verkeert in nood en huilt, vs. 13. Hij doet daarbij een beroep op zijn status als vreemdeling en bijwoner (gast), zoals ook zijn voorouders dat voor Jahwe waren. Als de zieke zich een ‘vreemdeling’ noemt, moeten we dat niet negatief opvatten. Zie hiervoor onder 39.2. Algemeen thema (‘De vreemdeling en gast’). Hij is te gast bij God en vraagt op grond daarvan om hulp. Aan vreemdelingen behoorde men in Israël onderdak en hulp te bieden. Zo vraagt ook de zieke uit onze psalm aan de grote Bezitter van heel het land Israël om hem te hulp te komen in zijn grote nood.
Het valt veel uitleggers op dat de zieke Jahwe vraagt zijn blik van hem af te wenden. Meestal vraagt iemand in zijn nood dat Jahwe zijn blik niet afwendt, maar op hem zal richten, o.a. 9,14; 10,14; 13,4; 25,18; 37,37; 59,5. Toch beweert 39,14 niet iets anders. De zieke vraagt dat Jahwe zijn straffende blik zal afwenden, zoals NBV terecht weergeeft, al komt het woordje ‘straffend’ zelf in dit vers niet voor. Maar als Jahwe zijn straffende blijk afwendt en vriendelijk gestemd is, zal de zieke vreugde kunnen beleven. Hoe kort het leven ook is, hij wil zo graag nog blijdschap na alle moeite ervaren, voordat hij heengaat en er niet meer is, vs. 14.
39.2. ALGEMEEN THEMA
Als vreemdeling te gast
Ps. 39,13 gebruikt twee woorden die we vaker in de Bijbel tegenkomen. Het gaat over de vreemdeling die te gast is bij Jahwe (NBV). Of in de vertaling NBG: de vreemdeling en de bijwoner. We doen er verstandig aan uit te gaan van het begrip ‘vreemdeling’(Hebr. gēr). De vreemdeling is iemand die als enkeling of met zijn familie z’n eigen woonplaats of stam verlaat, bv. wegens oorlogsomstandigheden (2 Sam. 4,3), of een hongersnood (Ruth 1,2; Elia bij de weduwe in Sarefat bij Sidon,1 Kon. 17,20), of om andere redenen. Hij vestigt zich in een land of stam, waar hij wel als een vreemde wordt beschouwd, maar toch een min of meer draaglijk leven kan leiden. Uit Ps. 39,13 is duidelijk dat de woorden ‘vreemdeling en ‘gast’ of ‘bijwoner’ parallellismen zijn, d.w.z. ze geven ongeveer hetzelfde aan. Iemand die bijwoner of gast heet, vertoeft wel in Israël, maar van origine is hij geen Israëliet. Denk aan Elimelech en zijn vrouw Noömi. Zij waren Israëleten, trokken vanwege een hongersnood weg uit Betlehem om zich als vreemdelingen te vestigen in het land Moab. Later keert Noömi terug naar haar eigen stam in Betlehem, begeleid door haar Moabitische schoondochter Ruth die zich dan als vreemdeling mag vestigen in Bethlehem. Tegen die achtergrond is het gebruik van de aanduidingen ‘vreemdeling’ en ‘bijwoner’ voor de zieke uit Ps. 39 opvallend. Hij is immers duidelijk een zoon van Israël, vgl. vs. 13 slot! Maar ook de Israëliet moet bedenken dat niet hij, maar Jahwe de eigenaar van het land Israël is. Denk aan de wetgeving in Israël. Het was de Israëliet verboden de grond te verkopen, die hem en zijn familie ten deel was gevallen. Want Jahwe was daarvan de eigenaar. Van de ‘huurders’ gold: ‘Jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn’ (Lev. 25,23). Wanneer iemand aan lager wal was geraakt, mocht hij wel het gebruik van het land (dus de oogsten) verkopen, maar niet het land zelf. In het jubeljaar (eens in de vijftig jaren) moest alle grond weer toevallen aan de oorspronkelijke families. Er moest een losser optreden om dit voor zijn naaste verwant financieel te regelen. Zo deed Boaz dat, toen hij het verloren gegane bezit van Naomi’s man en kinderen opkocht en de naam van deze man (Elimelech) kon ‘voortleven’ op zijn land (Ruth 4,10). Met het opkopen nam Boaz Ruth tot vrouw, zodat nog duidelijker werd hoe onder Jahwe’s zegen de naam van de familie te Bethlehem in stand kon blijven (Ruth 4,10vv).
De wet van Mozes schreef voor dat vreemdelingen goed behandeld moesten worden, waarbij erop gewezen werd dat de Israëlieten vreemdelingen in Egypte waren geweest (Ex. 22,20; 23,9). Ja, men moest de vreemdelingen met liefde behandelen en hen liefhebben als zichzelf (Lev. 19,34; Deut. 10,19). Zo moest bv. de rust van de sabbat ook hun ten goede komen (Ex. 20,10; 23,12).
De vreemdeling wordt vaak samen met wees en weduwe genoemd. Ze verdienden bescherming te ontvangen in hun sociaal gezien moeilijke omstandigheden ( o.a. Deut. 16,11; 27,19; Ps. 146,9).
De sterke afhankelijkheid van Jahwe beseft ook de dichter van Ps. 39. Het korte leven dat de mens beschoren is, maakt dat het bezit wat iemand verwerft, weer verdwijnt als hij sterft. Hij is immers geen blijvende eigenaar van grond, geld en goed. Jahwe blijft, de mens vertrekt. Hier wordt de toon aangeslagen die we ook bij David vinden in 1 Kron. 29,14v: ‘Net als onze voorouders zijn wij slechts vreemdelingen die als gasten bij u verblijven. Ons bestaan op aarde is als een schaduw, zonder enige zekerheid’ (NBV).
Deze ‘vreemdelingschap’, die voor alle Israëlieten gold, kon nog een bijzondere kleur krijgen. In Ps. 119 (vs. 19 en 54) zegt de dichter dat hij een vreemdeling is en in een huis verkeert waar hij als vreemdeling woont. Mogelijk dat daarin ook verwoord wordt wat ik hiervoor reeds geschreven heb over de kortheid van het leven, etc. Maar ongetwijfeld is er ook een ander element aanwezig. De dichter zelf beleeft grote vreugde aan de wet van Jahwe, in een omgeving die zich om die wet niet bekommert. Aan Jahwe verbonden wordt hij een vreemdeling in de wereld die zich tegen Jahwe verzet en zich vijandig tegen de dichter opstelt.
39.3. VAN OT NAAR NT
Ps. 39 vinden we niet uitdrukkelijk aangehaald in het NT. Het vergelijken van het brandende hart van de dichter in vs. 4 met dat van de Emmaüsgangers in Luc. 24,32 gaat slechts op de klank af. Bij de uitspraken over het menselijk leven, dat niets meer is dan lucht (Ps. 39,6 en 12) kunnen we verwijzen naar Jak. 4,14: ‘U weet niet eens hoe uw leven er morgen uitziet. U bent immers maar een damp, die heel even verschijnt en dan al verdwijnt’ (NBV). Maar ook hier blijft de vergelijking oppervlakkig. We krijgen de indruk dat voor de zieke Ps. 39 alle dagen tergend gelijk zijn, iets wat de gezonde handelaars in Jak. 4 hem niet nazeggen. Ook heeft het weinig zin bij Ps. 39,7 aan de rijke dwaas te denken, die schatten verzamelt en niet rijk is in God (Luc. 12,21). Wie Ps. 39 op zich laat inwerken mag zich afvragen of de zieke, die helemaal geen schatten kón vergaderen, toch rijk was in God. Zouden we hem met Luc. 12 willen troosten, dan maken we het ons te gemakkelijk. Zie onder 39.4.
Lever ik hier kritiek op het register van verwijzingen naar het OT, dat te vinden is in de Nestle-Aland editie van het Griekse NT? Ik maak er altijd met respect gebruik van. Maar ieder moet er wel voor oppassen dat hij (zij) niet op een goedkope manier vergelijkingen trekt tussen OT- en NT- gegevens.
Veel meer levert een laatste verwijzing op, die we in de genoemde editie geciteerd vinden: Wat de zieke in Ps. 39,13 over zichzelf als ‘vreemdeling’ en ‘gast’ zegt, kan vergeleken worden met wat Hebr. 11,13 vermeldt over veel nakomelingen van Abraham: Ze zijn gestorven zonder ooit iets te hebben zien van wat aan hun voorvader en aan hen beloofd was. Ze zijn namelijk gestorven zonder dat ze het beloofde land binnengingen: Ze stierven allen in het geloof, terwijl ze slechts een glimp van de vervulling begroet hebben. Ze zeiden van zichzelf dat zij op aarde leefden als vreemdelingen en gasten. Ze bleven geloven in God, zoals ook de zieke het in 39,8 uitroept: ‘Wat heb ik dan te verwachten, Heer? Mijn hoop is alleen op u gevestigd’. Varen op het kompas van het geloof en hoop op een betere toekomst houden, dwars tegen alles in wat zich afspeelt in ons leven, is ons behoud. Het hechte fundament van ons geloof en het grote voorbeeld ervan is Jezus Christus zelf. We moeten de blik gericht houden op Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof. Denkend aan de vreugde die vóór Hem lag (NBV; die in het verschiet lag), liet Hij zich niet afschrikken door de schande van het kruis.
39.4. VOOR VANDAAG
1. Het is niet gemakkelijk de betekenis van Ps. 39 te bepalen. Wie in deze psalm nauwelijks het licht meer opmerkt, kan denken dat Ps. 39 veel weg heeft van existentialisme uit de 20e eeuw: De mens is schuldig, z’n leven loopt op een mislukking uit en zijn dood maakt een einde aan zinloos leven. Zelfs de nabijheid van God is onaangenaam. Om met Sartre te spreken: De hel, dat zijn de anderen, en onder die anderen bevindt zich ook God, wiens blik de zieke verhindert vrolijk te worden.
Deze opvatting over Ps. 39, is te vinden bij M. Oeming. Maar anders dan in het existentialisme belijdt de zieke zijn persoonlijke schuld en kan hij de straffende blik van Jahwe niet verdragen. Hij hunkert juist naar het ingrijpen door Jahwe. Zou iemand het leven een en al absurditeit vinden, dan is niet te verwachten dat hij zijn hoop richt op Jahwe om toch nog gered te worden, vs. 8.
2. Aan de andere kant moeten we niet doen alsof het allemaal wel meevalt met de man uit Ps. 39. Hij is met God in een conflict gewikkeld dat binnen de psalm niet tot een oplossing leidt. Een afronding met de uitroep dat God hem uitredding zal geven, of dat hij na Gods ingrijpen zijn naam zal prijzen, ontbreekt. Zijn innerlijke worsteling blijft in tegenstrijdigheden steken. Hij wil blijven zwijgen, maar gaat spreken. Het leven van de mens (en dus ook dat van hemzelf) is niet meer dan lucht en zó voorbij, maar hij haakt desondanks naar nog een beetje levensgeluk vóór hij zal sterven. Hij vestigt zijn hoop op Jahwe, maar het is de hoop van een wanhopige.
3. Het is geen wonder dat Calvijn kritiek levert op uitdrukkingen die de zieke in Ps. 39 tegenover God gebruikt. Wat volgens de meeste lezers de somberste psalm is (88), kon m.i. voor Calvijn wel eens Ps. 39 zijn. Toch doen we er verstandiger aan geen kritiek te oefenen, maar ons die mensen voor de geest te halen, die zeker aan God verbonden zijn, maar weinig vreugde in hun leven genoten hebben. Het zijn de mensen die wij willen troosten, zonder dat wij de woorden van troost voor het grijpen hebben. Het is minder moeilijk mensen op te beuren die veel moois beleefd hebben, ook al moeten ze nu de dood onder ogen zien. Maar we voelen ons vaak machteloos mensen te troosten die in continu rampzalige omstandigheden verkeren. Het is zo te begrijpen dat zij nog naar een beetje geluk verlangen voordat zij moeten sterven.
4. Het houvast dat Ps. 39 ons biedt, is het geloof in Gods leiding van ieders leven, ook als er verder niets is wat we tot opbeuring kunnen zeggen. Laten we wijzen op de ‘vaderen’, die de zieke in vs. 13 noemt, aan wie beloften zijn geschonken zonder dat zij in dit leven de vervulling van die beloften ervaren hebben. Laten we getuigen van wat er na het aardse leven komt en reikhalzend leren uitzien naar een beter vaderland dan ons hier gegeven was (Heb. 11,16). Onze hoop, vs. 8, is op Jezus Christus gericht. Christus is in u, Hij is uw hoop op goddelijke luister (Kol. 1,27), na alle aardse ellende.
5. Het is goed op Ps. 8 te wijzen als contrast met Ps. 39. Ps. 8 maakt het begrijpelijk dat we aan God de Schepper eer moeten brengen, maar ook dat we vreugde mogen beleven aan het verrichten van onze opdracht in deze wereld. Verlangen om van ons aardse leven te genieten, is even Bijbels als de bereidheid om het aardse leven los te kunnen laten.
6. Het feit dat iedereen zondigt, betekent niet dat ernstige rampen op ernstige zonden in iemands leven wijzen. Ook de zieke man uit Ps. 39 hoeft dat niet te hebben gedacht. Een vergelijking van zijn gedachten met die van Job en de Prediker kan nuttig zijn. Ook Job wist dat hij een zondaar was (Job 9,2vv; 10,14v), maar kan weigeren zijn grote ellende aan grote persoonlijke zonden toe te schrijven, zoals zijn vrienden dat willen. Ik heb de indruk dat in Ps. 39 de klacht in de richting van Jahwe gedempter en minder uitdagend is dan bij Job. Aan de andere kan is de toon in Ps. 39 minder berustend dan van Prediker, die zich neerlegt bij de feiten van ‘lucht en leegte’ en van eindeloze, vermoeiende herhalingen in alle dingen.
39.5. VERANTWOORDING
T.a.v. Ps. 39,3 slot wijs ik voor de zeer uiteenlopende vertalingen naar A.P. Ross (2011),843, die zelf kiest voor de gedachte dat blijven zwijgen de zieke geen goed deed.
Ps. 39,6.7 en 12 gebruikt voor ’lucht’ het Hebr. woord hèvèl. Daarmee slaat hier niet op de herhaling van gebeurtenissen in het leven, die daardoor de indruk van zinloosheid kunnen geven, zoals in het boek Prediker. In Ps. 39 ligt de nadruk op de kortheid van het leven. Het woord wordt altijd in negatieve zin gebruikt. Abel uit Gen. 4 heet in het Hebr. hèvèl, om het vluchtige en sterfelijk karakter van het menselijk leven sinds de zondeval aan te geven. Zie K. Seybold in ThWAT II,337, die er verder op wijst dat de gedachte aan het korte en nietige menselijke leven ook te vinden in Ps. 62,10v en 144,4.
T.a.v. 39, 6.7.12 valt het viervoudig voorkomende Hebr. woordje ᵓak op, dat verschillende betekenissen kan hebben: zeker, slechts, maar, toch. NBV vertaalt hier m.i. heel juist met: ‘niet meer dan’. Dit past beter in het gedeelte dat op de kortheid van het leven nadruk legt dan de vertaling met ‘ja’ en ‘immers’ (NBG). Onze psalm heeft verwantschap met Ps. 60, waar een nog frequenter gebruik van het woordje ᵓak voorkomt. Daar vertaalt NBV het ook in restrictieve zin, met ‘alleen’ of ‘niets dan’.
T.a.v. 39,7 (zie ook 73,20) wijs ik erop dat het Hebr. woord ṣèlèm, dat Gen. 1 gebruikt als beeld in zeer positieve zin voor de mens als beeld van God, in 73,20 slaat op goddeloze mensen, die God bij zijn opstaan verjaagt als beelden uit een droom (NBV). Dat is ook duidelijk de bedoeling van het woord in 39,7, al slaat het hier op alle mensen. Het leven van de mens is even voorbijgaand als een droom, als een schaduw.
Zie voor de woorden ‘vreemdeling’, bijwoner e.d. D. Kellermann, art. gūr in ThWAT I,979vv. Hij schetst de ontwikkelingen, die ertoe leidden dat het begrip ‘vreemdeling uitmondde in dat van de proseliet, die geheel in Israël werd opgenomen. Veelal synoniem met het Hebr. woord gēr voor vreemdeling is het Hebr. aanduiding noḫrī. Zie daarvoor B. Lang, art. noḫrī in ThWAT V,456vv.
De opvatting dat Ps. 39 in de buurt komt van het existentialisme, is te vinden bij M. Oeming (2002),213v. Voor Calvijn, zie zijn uitleg van Ps. 39. Hij gebruikt woorden als ‘dwaling’ en ‘wanhoop’ in zijn uitleg van vs. 14. De geest van de man in deze psalm was zo van bitterheid vervuld, aldus Calvijn, dat hij het niet op kon brengen zijn gebed te kruiden met de zoetheid van het geloof. Voor commentaar op dit standpunt van Calvijn, zie Rothuizen (1965),198v.
Zie Goldingay (2006), I,564v. voor een vergelijking van de opvattingen in Ps. 39 met Job en Prediker.
PSALM 40
40.1. UITLEG
In Psalm 40 moet het ieder opvallen dat na de eerste twaalf verzen, waarin de dichter Jahwe dankt en prijst, hij in het tweede gedeelte Jahwe smeekt om uitredding uit grote nood. Lang geleden schreef een uitlegger (Franz Delitzsch) dat de psalm een val maakt van het uitbundige Magnificat naar de diepe klacht De profundis. Met de door ons gebruikte indeling van de psalmen in klaag-, dank-, lofpsalmen etc. kunnen we van Psalm 40 zeggen dat het een dank- en klaagpsalm is. Toch is het niet moeilijk om de eenheid van Psalm 40 te verdedigen. Wij zien hier eenzelfde verschijnsel als in sommige andere psalmen: De dichter begint met Jahwe te danken en te prijzen voor een vroegere redding. Maar zijn dank en lofprijzing voor een vroegere uitredding leggen de grond waarop hij opnieuw om redding bidt uit de nood waarin hij dat moment verkeert. Men zie voor die volgorde van danken en klagen ook Ps. 9/10; 27 en 89.
Psalm 40 is opnieuw een psalm (uit de bundel) van David. Zie hiervoor onder 3.2. In deze psalm kan het van bijzondere betekenis zijn, zoals we onder 40.2 zullen zien, dat het over David of over een koning uit het huis van David gaat. Zie over de aanduiding ‘voor de koorleider’ onder Ps.4,1.
Ik deel de psalm als volgt in:
1) De dichter dankt Jahwe voor een vroegere uitredding (40,2-6);
2) Hij biedt in plaats van offers zijn leven Jahwe aan (40,7-11);
3) Hij smeekt om opnieuw uit grote ellende gered te worden (40,12-18).
ad 1) De zin waarmee deze psalm opent, moeten we op de hele psalm betrekken, De dichter heeft vurig gehoopt op uitredding door Jahwe. De gebruikte tijdsvorm wijst op een gebeurtenis in het verleden. De dichter verkeerde destijds in grote nood. Van welke aard deze nood was, wordt ons (zoals zo vaak in Psalmen) niet verteld. De hoop van de dichter om toen gered te worden, ging in vervulling. Indirect is het begin van de psalm ook al een roep om uitredding uit de nood waarin de dichter nu verkeert. We krijgen te horen dat de dichter destijds vurig zijn hoop uitsprak en Jahwe om uitredding smeekte. Hij vond gehoor. Jahwe boog naar hem toe (neigde zich tot Hem, NBG). Meestal vinden we de uitdrukking dat Jahwe zijn oor neigde, 10,7; 31,3; 45,11 e.a. Hier is het sterker geformuleerd. Jahwe boog zichzelf naar de dichter toe. Hij trok hem uit de kuil van het verderf – een kuil waarin de dichter met zijn voeten in de modder stond. We kunnen hier denken aan een cisterne, waarin regenwater werd opgevangen, maar ook gevangenen konden worden opgesloten. Denk aan wat Jeremia overkwam, die ook wegzonk in de modder, Jer. 38,6. Zowel NBG als NBV denken meer aan de ‘kuil van het graf’. Jahwe redde de man van de dood, door hem in zijn uitzichtloze situatie omhoog te trekken. Hij plaatste zijn voeten, die anders in de modder zouden zijn weggezonken, op de vaste bodem van een rots, vs. 3. De man kan weer op eigen benen staan en mag weer leven! We vatten de beelden symbolisch op. Reëel is de nood, de verlossing en het herstel van een mens, terwijl de beelden op allerlei situaties kunnen slaan, zoals bv. op redding uit een dodelijke ziekte of na een overwinning op de vijanden. Vgl. met de tekening in Ps. 40 andere psalmen, zoals 18; 30 en 69. De dichter wilde aan zijn dankbaarheid voor deze uitredding uiting geven. Het bijzondere is hier, dat Jahwe zelf aan de dichter de woorden voor een nieuw lied in de mond legde, vs. 4. De dank is dus een gave van God. Een nieuwe openbaring van Jahwe’s wonderlijke uitredding leidt tot een nieuw lied, vgl. 33.1. Het werd een ‘loflied voor onze God’, met als doel dat veel mensen Gods wonderen, die in het lied bezongen worden, zullen opmerken (‘zien’). Zij zullen dan, evenals de dichter, hun vertrouwen stellen op Jahwe. Als er van ontzag of vrees (NBG) sprake is, gaat het over positief ontzag en niet over negatieve vrees (Goldingay). God is hoog en groot, vraagt ontzag, maar dan juist voor zijn wonderen die ons uitredding geven. Vs. 6 zal over de wonderen van Jahwe verder spreken. Eerst wordt nog in vs. 5 de mens gelukkig genoemd (‘welzalig’, NBG; zie onder 32.2), die op Jahwe heeft vertrouwd en zijn hulp heeft ondervonden. Dat vertrouwen moet niet in hoogmoedige mensen gesteld worden. Anderen vertalen hier dat het vertrouwen niet in afgoden gesteld moet worden. Het gebruikte Hebr. werkwoord betekent soms dat men zich wendt tot vreemde goden, bv. Lev. 19,4; Deut. 31,18.20. Steunen op hoogmoedige mensen leidt ertoe dat men verstrikt raakt in leugens. Wie op mensen (of op andere goden) vertrouwt, verlaat de waarachtigheid en trouw, die alleen bij Jahwe te vinden zijn, zie vss. 11v. In aansluiting aan het nieuwe lied meldt vs. 6 dat de wonderen van Jahwe, ‘mijn God’, talrijk zijn, evenals zijn gedachten jegens ons. Wat de dichter zelf heeft ondervonden, verbindt vs. 6 aan de (goede) plannen die Jahwe met zijn volk voor heeft. De wonderen en de gedachten (plannen) van Jahwe zijn voor ons bestwil, vs. 6a. Niets of niemand kan met Hem op één lijn gesteld worden. Zou de dichter van al die wonderen willen getuigen en spreken, dan zijn ze te talrijk om op te sommen, vs. 6b.
ad 2) De uitredding die de dichter in de vorige verzen beschreven heeft, bracht hem er ook toe zich met heel zijn leven aan Jahwe te wijden. Die toewijding plaatst hij tegen de achtergrond van wat Jahwe niet (allereerst) van hem verwacht, nl. het offeren van slacht-, spijs-, brand- en zondoffers. Als de dichter vier soorten offers noemt (zo in NBG), zal hij de hele offercultus op het oog hebben. Zoals het ‘nieuwe lied’ hem door Jahwe op de lippen gelegd is, zo is het ook met zijn nieuwe levensstijl, als antwoord op wat Jahwe gedaan heeft: Jahwe heeft nl. voor hem oren gegraven (NBV: geopend). We moeten hier niet denken aan het scheppen van oren, zoals Jahwe in ons lichaam (eens) de oren geschapen heeft. Het betreft hier een nieuwe gebeurtenis, die we met Jes. 50,4v moeten verbinden. Daar wordt over de ‘dienaar van Jahwe’ gezegd, dat Jahwe elke morgen zijn oor wekt, zodat het toegerust is om aandachtig te luisteren. Dat zal ook bij de dichter gebeurd zijn, wiens oren Jahwe geopend heeft om naar Hem te luisteren. De dichter verklaarde zich bereid Jahwe te dienen. ‘Zie, ik kom’, vs. 8a, betekent: ‘Hier ben ik’, bereid om U te dienen. Wat Jahwe van hem wilde, vond hij ook geschreven in ‘de boekrol’. Het ligt voor de hand hier aan de boekrol van de wet (de tora) te denken, vs. 8. In deze boekrol vond de dichter ‘wat mij is voorgeschreven’. De dichter van Ps. 40 was ervan overtuigd geraakt dat de wet hem voorschreef naar Jahwe te luisteren en zich aan Hem te wijden. In de lijn van deze vertaling (voorschrijven) denkt men dan soms dat de dichter David, of een koning uit zijn nageslacht, doelt op het afschrift dat de koning moest maken van de wet. Daarin moest hij voortdurend lezen, Deut. 17,18vv. Vaak wordt dit gecombineerd met het gegeven in 2 Kon. 11,12, waar bij de kroning van de jonge koning Joas sprake is van de ‘getuigenis’ (NBG) of de ‘kroningsacte’ (NBV). In deze getuigenis zal op de wet gewezen zijn om koning (en zijn volk) in te prenten dat zij naar wil van Jahwe moesten leven. Het Hebr. woord voor ‘getuigenis’ wordt voor de wet gebruikt, Ex. 25,16.21; 31,7; 40,20, en wel speciaal voor de twee tafels van de tien geboden., Ex. 31,18; 32,15; 34,29. ‘Voorschrijven’ lijkt me een goede vertaling. Een soortgelijke weergave met ‘voorschrijven’ vinden we eveneens in 2 Kon. 22,13. Maar er is een andere vertaling mogelijk, die we vinden we in NBG en NBV en bij veel exegeten. Ook de Griekse tekst (LXX) in Hebr. 10,7, waar Ps. 40,8 geciteerd wordt, vertaalt op die wijze. Niet met ‘wat mij is voorgeschreven’, maar ‘wat over mij is geschreven’. Jahwe opende de oren van de dichter, zodat hij begreep dat het in de wet aankomt op het volgen van de wil van God met hart en ziel, en niet op het brengen van offers die het hart niet raken. De dichter gaf in plaats van offers nu zichzelf aan Jahwe om diens wil te volgen. De wet koesterde hij in zijn hart, letterlijk: in zijn ingewanden, vs. 9. Het horen dat Jahwe mogelijk maakte, werd tot gehoorzamen. Ik ga ervan uit dat Psalm 40 zich niet absoluut tegen alle dierenoffers keert. Dat kan immers moeilijk als we bij de boekrol aan de tora moeten denken. Zie verder onder 40.2. Algemeen thema (‘Jahwe dienen met of zonder offers?’). Op scherpe wijze brengt Psalm 40 tot uitdrukking dat het Jahwe allereerst om het hart van de mens gaat Het komt aan op schuldbelijdenis (40,13) en op het liefhebben van Jahwe. Zie bv. Lev. 26 (o.a. over het onbesneden hart), Deut.5,10; 6,4vv; 8,1vv; 10,12. Uit de nederigheid die in de wet van de koning gevraagd wordt (Deut. 17,20), valt goed af te lezen dat hij met zijn hart Jahwe heeft te dienen. Om de wil van Jahwe te volgen moet men van Hem ogen ontvangen om te zien en oren om te horen, Deut. 29,4 (NBG) of Deut. 29,3 (NBV)! Over wat de dichter in zijn uitredding ervaren heeft, kan hij niet zwijgen. Hij ‘spreekt’ over Jahwe’s rechtvaardigheid wanneer het volk bijeen is (NBV), vs. 10a). In de NBG-vertaling klinkt de boodschap door van een verkondiging. NBV vertaalt te vlak met ‘spreken’ De dichter heeft een vreugdevolle boodschap te brengen over Jahwe’s reddende rechtvaardigheid. Het ligt voor de hand ook hier te denken aan een leider (koning), die het volk toespreekt. Hij kan niet zwijgen over Jahwe’s redding, zoals hij tot vijf keer laat blijken in de vss. 10 en 11. Hij spreekt vanuit zijn hart en kan de vreugde over Jahwe’s rechtvaardigheid, waar hij vol van is, onmogelijk voor zich houden. Hij moet ervan spreken. In Zijn spreken over Jahwe’s rechtvaardigheid kan hij ook andere kernwoorden gebruiken zoals Jahwe’s trouw, zijn heil (NBG) of hulp (NBV). Voor een groot gehoor komt hij ervoor uit hoe liefdevol en waarachtig Jahwe is.
ad 3) Al het voorafgaande is gericht op wat de dichter nu aan de orde zal stellen. Daarmee zeggen we niet dat wat hij tot nu toe uiteengezet heeft slechts middel is voor wat nu volgt. Het heeft z’n eigen betekenis als het over uitredding, een nieuw lied, een nieuwe levensstijl uit dankbaarheid, en over openlijke verkondiging gaat. Maar als de dichter nu gaat smeken om opnieuw uit grote ellende gered te worden, kan hij met een sterk argument beginnen: Jahwe zal hem – gelet op wat er gebeurd is – ook nu zijn ontferming niet onthouden. Jahwe’s liefde en trouw zullen hem opnieuw beschermen, vs. 12. Wat er precies aan de hand is, worden we niet gewaar. Uit vs. 15 kunnen we opmaken dat vijanden zijn leven bedreigen. De nood is hoog. Rampen omringen hem, zonder dat ze te tellen zijn. Hij ziet verband met zijn zonden die hem ‘inhalen’, achtervolgen (NBV) of achterhalen (NBG). Is hij teruggevallen in zonde, of ziet hij verband tussen wat hem nu overkomt en wie hij vroeger was, ook al heeft hij er intussen beslist voor gekozen de wil van Jahwe te doen (vs. 9)? Klagen de zonden van het verleden hem aan, vgl. 25,7? In elk geval drukken die zonden hem zodanig, dat hij ze talrijker vindt dan de haren op z’n hoofd. Ze verblinden hem. Letterlijk staat er: ‘ik kan niet zien’, vs.13. WV vertaalt met: ‘het schemert mij voor mijn ogen’. NBV omschrijft de woorden met: ‘ik zie geen uitweg’. De moed zinkt hem in de schoenen, vs. 13 slot. Vs. 14 bevat een kort, rechtstreeks gebed: ‘Het behage u, Jahwe, mij te redden’. Niet zonder opzet gebruikt de dichter een woord dat hijzelf in vs. 9 benut heeft om aan te geven, dat hij er behagen in heeft (NBG) Gods wil te doen. Hij dringt nu op haast aan bij Jahwe om hem te hulp te komen. Zoals reeds gezegd, bedreigen vijanden zijn leven. Al is hij zich bewust van het feit dat zijn ellende niet buiten het kwaad van z’n eigen zonden omgaat, toch veroordeelt hij tegelijk krachtig z’n vijanden. Hij hoopt dat zij die op zijn ongeluk uit zijn, beschaamd en vernederd zullen worden. Laten zij, die met hun ‘ha, ha!’ hem bespotten, verstommen van schaamte, vs. 16. Maar allen die Jahwe zoeken, wenst hij toe dat zij zich verblijden en verheugen. En laten allen die van Jahwe hun uitredding verwachten (letterlijk: deze uitredding liefhebben) steeds weer zeggen: ‘Jahwe is groot!’, vs. 17. Daarmee zal de nieuwe uitredding van de dichter, evenals de vorige, ertoe leiden dat een grote schare Jahwe gaat prijzen. Het slotvers is rechtstreeks tot Jahwe gericht, evenals vs. 12. De dichter roept tot Jahwe, zonder dat vijand en vriend nog in beeld zijn. Hij vraagt Jahwe aan de dichter te denken en niet langer te wachten om hem te helpen. Nogmaals belijdt hij dat hij zwak en behoeftig is en alleen van Jahwe uitredding kan verwachten, vs.18.
Psalm 40,14-18 vormen, afgezien van een klein aantal verschillen, Psalm 70 (2-6). Uiteraard heeft vooral deze doublure tot de discussie geleid of we in Psalm 40 met één of met twee psalmen te maken hebben. Ook is er verschil van mening over de vraag welke psalm origineel is. Is Psalm 70 aan Psalm 40 vastgeplakt, of is Psalm 70 van Psalm 40 losgemaakt? Ik heb erop gewezen dat Psalm 40 heel duidelijk een eenheid vormt. Dit wordt bevestigd door het feit dat allerlei woorden, die in het eerst deel van de psalm voorkomen, terugkeren in het tweede deel. Zie mijn slotaantekening onder 40.5.
40.2. ALGEMEEN THEMA
Jahwe dienen met of zonder offers?
Het zou vreemd zijn wanneer Ps. 40,7vv een radicaal verbod inhield van de Israëlitische cultus met haar offers. Wie het boek Psalmen doorneemt, zal merken dat drie van de vier soorten offers die in 40,7 genoemd worden voor en na Ps. 40 vaker voorkomen. Ik noem 4,6 (juiste offers brengen); 20, 4; 96,8 (brandoffer); 27,6 (juichend offers brengen); 50, 6 (‘Ik klaag je niet aan om je offers’); 50,14.23; 56,13; 100,1; 107,22; 116,17 (het lofoffer). Kritiek is er zeker op brand- en reinigingsoffers, zoals in 40,7; 51,18v; 69,32. Maar van een totale afwijzing van de offerdienst is nergens sprake. Mooi komt dat uit in Ps. 51. Daarin verklaart de dichter dat God van hem geen offerdieren wil en dat Hij in brandoffers geen behagen schept, vss. 18v. Maar het slot van de psalm luidt: ‘Dan zult u de juiste offers aanvaarden, offers in hun geheel verbrand, dan legt men stieren op uw altaar’ (NBV). Zo moeten we alle kritiek lezen, die in het OT tegen de offerdienst wordt ingebracht. Denk aan 1 Sam. 15,22, waar koning Saul door Samuël wordt veroordeeld, omdat Jahwe meer behagen schept in gehoorzaamheid dan in offers. Kritiek op de offerdienst breekt niet pas los na de ballingschap, maar is er altijd geweest als men probeert de cultus te gebruiken voor z’n eigen doeleinden in plaats van God daarmee te eren. Daartegen waarschuwen de profeten, te beginnen bij Samuël. Jes. 1,11vv maakt duidelijk dat Jahwe geen offers aanvaardt van mensen die bloed aan hun handen hebben. Hetzelfde geluid laat Jeremia horen. Wie niet de wegen inslaat die Jahwe wijst, kan rekenen op veroordeling van hun offerdienst (Jer. 6,16vv.20). Wat Hij geboden heeft, is: ‘Wees mij gehoorzaam, dan zal ik jullie God zijn en jullie zullen mijn volk zijn’ (7,21vv). Liefde wil Hij, geen offers. Met God vertrouwd zijn, is meer waard dan enig offer (Hos. 6,6). De ‘belijdenis van onze lippen’ (NBG), of oprechte woorden (NBV) zal men als offerstieren moeten brengen (Hos. 14,3). Sociaal onrecht bedrijven leidt ertoe dat Jahwe offers geen blik waardig keurt. Hij wil dat het recht stroomt als water en gerechtigheid als een altijd vloeiend beek (Amos 6,22vv). Toch mogen we een ontwikkeling aannemen, die reeds in het Oude Testament merkbaar is, van een cultus met dierenoffers naar een eredienst die het ook zonder dergelijke offers stellen kan. Met name in de tijd van de ballingschap zal dat besef verlevendigd zijn. Toen was het immers onmogelijk de tempeldienst voort te zetten. Wel betekende de ballingschap niet het afschaffen van de oude cultus. In de tijd van Ezra en Nehemia worden Jeruzalem en de tempel hersteld, met heel de oude eredienst die de wet aan Israël voorschreef. Het is onjuist de priesterstand, als verdedigers van de oude eredienst uit te spelen tegen de profeten, alsof deze profeten ooit slechts een ‘geestelijke’ eredienst’ zouden hebben voorgestaan zonder rokende altaren. Zerubbabel en Jozua kregen tijdens de herbouw van de tempel steun van Gods profeten (Ezra 5,2). De doorbraak naar een offerdienst-zonder-dieren zou pas plaatsvinden nadat Jezus Christus zichzelf op Golgota had geofferd.
40.3. VAN OT NAAR NT
Ps. 40,5-9 is het enige en ongetwijfeld ook het belangrijkste gegeven dat we uit deze psalm terugvinden in het NT. Dat we met een nieuwtestamentische uitleg van genoemde passage te maken hebben, blijkt uit het volgende:
a) Wat in Ps. 40,5 door een leider (koning) van het volk gezegd wordt, verbindt Hebr. 10,5v aan de komst van Jezus Christus in de wereld. Het woordje ‘toen zei ik’ (Ps. 40,8) slaat in de brief aan de Hebreeën op zijn menswording, waarin Hij zich bereid verklaarde om Gods wil te doen.
b) Offers en gaven heeft God niet gewild, maar Hij heeft voor Jezus Christus een lichaam bereid, dat als offer kon dienen, Hebr. 10,5.10. In plaats over het graven van oren, die in Ps. 40,7 genoemd worden, lezen we via de Griekse vertaling (LXX) in Hebr. 10,5 over het bereiden van het lichaam van Jezus Christus. Het is niet meer na te gaan, hoe deze verandering van ‘oren’ in ‘líchaam’ ontstaan is. Is het een simpele overgang van een deel (oren) naar het geheel (lichaam)? Berust het op een verschrijving? Of is het een bewust inlezen van Hebreeën 10,5 in de genoemde Griekse vertaling? We zijn van het antwoord niet afhankelijk om te concluderen, dat het zowel in Ps. 40 als in Hebr. 10 om een gehoorzaamheid gaat waarin de hele mens betrokken is. Maar het offer van Christus’ lichaam (aan het kruis) is niet uit Ps. 40 af te lezen; het is een christologische uitleg van Ps. 40.
c) Jezus Christus zegt eerst: Offers en gaven heeft God niet gewild, en daarna zegt Hij: Zie ik kom, om uw wil te doen. Daarmee heft Hij het eerste (de oudtestamentische offerdienst) op om het tweede van kracht te doen zijn, nl. het enige offer (Hebr. 10,11vv) van zijn lichaam, waardoor wij voor eens en altijd geheiligd zijn.
Van Ps. 40 kunnen we zeggen dat ze niet messiaans is, in die zin alsof de dichter en de eerste lezers hierbij aan de Messias gedacht hebben. Die zin krijgt ze door de nieuwtestamentische uitleg. Het beeld van Jezus Christus (zijn menswording, zijn lichamelijk offer op Golgota) vinden wij niet in Ps.40, waarin het over een mens gaat die van zichzelf weet dat hij een groot zondaar is (40,13). Ook heeft de dichter niet bewerkt of meegemaakt dat de oudtestamentische offers werden afgeschaft. Wat Ps. 40 en Hebr. 10 nog het duidelijkste verbindt, is de wil van de dichter tot een volledige gehoorzaamheid aan Jahwe, ook zonder dierenoffers te brengen. De bereidheid van Jezus Christus om de wil van zijn vader te doen en diens werk te voltooien (Joh. 4,34), is duidelijk een vervulling van Ps. 40 We kunnen ook zeggen dat Ps. 40 z’n vervulling vindt in Rom. 12, 1: Ons echte offer en onze ware eredienst bestaat hieruit dat wij onze lichamen, d.w.z. onze hele persoon naar lichaam en ziel, als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst stellen.
40.4. VOOR VANDAAG
1. Als we danken voor Gods vroegere verlossingen uit grote moeite, mag dat een start zijn Hem opnieuw om uitredding te vragen, Het kan lijken alsof we dan danken met een bijbedoeling: we danken wel (voor een vroegere uitredding), maar ‘eigenlijk’ is het ‘slechts’ een inleiding op ons bidden om een nieuwe uitredding. Iets soortgelijks kwamen we tegen bij de bespreking van Psalm 9/10, toen het over het prijzen van God ging. Toch liggen danken en bidden heel vaak verstrengeld. Wij bidden tot God, omdat we weten dat Hij in staat is ons te helpen. En waaruit weten we dat? Niet alleen uit de totale geschiedenis die God met zijn wereld en met zijn volk ging, maar vaak ook uit onze persoonlijke geschiedenis. Wie belijdt dat God van geslacht tot geslacht ons een toevlucht is geweest (Ps. 90,1), mag dat verleden aan God voorleggen met de dringende oproep om opnieuw ons zijn barmhartigheid te tonen.
2. Wel zou wat ik hierboven heb gezegd, waardeloos worden als uitredding door God het eindpunt zou zijn. Ps. 40 heeft geen egocentrisch, maar een theocentrisch slot. God kan redden en wij kunnen ons dan geheel in zijn dienst stellen. Het cadeau dat we God geven voor zijn uitredding, bestaat niet uit een paar offers in de tempel, maar uit de inzet van heel ons leven in zijn dienst (40,7vv). En het eerste wat de dichter na zijn uitredding zal doen, is getuigen van Gods trouw. Hij kan daarover niet zwijgen. Zijn blijdschap over Gods reddend ingrijpen moet hij kwijt aan het volk. Hij roemt over Gods trouw. Wat God zo vaak heeft gedaan, zal Hij ook verder doen!
3. Hebben we in de dichter met David of een koning uit zijn huis te maken, dan betrekt die koning zijn volk in de blijdschap die hem vervult. Hij doet dat als de koning die in Ps. 72 zijn programma ontvouwt, ten bate van de zwakken en onderdrukten, vss. 4,12vv. Zelf door God gered worden, betekent dat men anderen te hulp schiet. Het is onbestaanbaar dat machthebbers over hun ondergeschikten heen walsen, wanneer ze zelf als ‘arm en zwak’ (40,11) gered zijn.
4. Het valt op dat de dichter(-koning) zijn zonden belijdt als oorzaak van de ellende waarin hij zich bevindt. Ja, het is zelfs mogelijk dat de herinnering aan de zonden, die hij vroeger beleden heeft en hem door God vergeven zijn, opnieuw hem kwellen. Is het een normale ontwikkeling dat wij in onze moderne tijd niet zo klagelijk (moeten) spreken over onze zonden als de dichter van Ps. 40 deed, zoals een uitlegger meent? M.i. is er een onverbrekelijke verband tussen het christelijk geloof en de vergeving van zonden, zoals o.a. blijkt bij de doop (Hand. 2,28), bij het heilig avondmaal (Matt. 26,28), in het Onze Vader (5e bede). Christus is immers gestorven voor onze zonden, 1 Cor. 15,3.17; Gal. 1,4, Col. 1,14; 1 Petr. 2,24. Zondebesef hebben is geen zaak van een ogenblik, maar van heel ons leven, 1 Joh.1,8-2,2; Jac. 5,16.20. Het getuigt daarom wel van modern levensgevoel, maar niet van christelijk geloof om over zonde wat relativerender te spreken dan in OT en NT gebeurt.
40.5. VERANTWOORDING
Voor Delitzsch’s opmerking, zie Franz Delitzsch (1894),307.
N.a.v. vs. 4 maakt J. Goldingay (2006),571, zijn opmerking over ‘a positive reverence, not a negative fear’. 40,4b bevat de Hebr. woordspeling yirᵓū (zij zien) en yīrāᵓū (zij vrezen).
I.p.v. aan hoogmoedige mensen te denken in vs. 5b, concluderen andere verklaarders uit het Hebr. woord rehāvīm dat het over afgoden gaat. Verband wordt dan gelegd met Jes. 51,9; Ps. 89,11 e.a.p., waarin sprake is van Rahab, een mythisch monster dat door Jahwe verpletterd werd. Rahab kan ook een aanduiding voor Egypte zijn, Jes. 30,7. We kunnen in Ps. 40,5b uitgaan van de grondbetekenis van het woord ‘woestheid’ of ‘trots’, en aan trotse mensen (tegenstanders van de dichter) denken. Zie U. Rüterswörden, ThWAT VII,372vv, s.v. rāhav.
N.H. Ridderbos (1962), zoekt de inhoud van het nieuwe loflied kennelijk in de vss. 5 en 6. Het lijkt me in die verzen meer te gaan over het loflied dan dat het de (wel erg korte) inhoud ervan zou vormen.
In 40,7 is het graven (Hebr. krᵓ) van oren door Jahwe iets anders dan het doorboren (Hebr.: rṣᶜ) van een oor met een priem, zoals we dat in Ex. 21,6 vinden. Daar gaat het over een slaaf die met zijn gezin bij zijn meester wil blijven. Zijn oor wordt doorboord met een priem, om aan te geven dat hij voor altijd zijn heer zal blijven dienen.
Hebr. 10,5 citeert Ps. 40,7, maar spreekt dan over het bereiden van het lichaam (Gr: sooma) i.p.v. over het graven van oren (Gr.: ootia). Er is een opvatting dat de Griekse tekst oorspronkelijk ook het woord oren (ootia) zou hebben gelezen. Maar de slotletter van het voorafgaande Griekse woord ѐthelѐsas zou later aan ootia verbonden zijn, terwijl de letters ti van het woord ootia als de letter M werden opgevat, zodat ootia tot sooma werd. Meer voor de hand ligt het dat het woord ‘oren’ als pars pro toto door de LXX vrij werd weergegeven door ‘lichaam’.
In 40,8 wordt vaak ook aan een ander boek dan de tora gedacht. N.H. Ridderbos (1962),437 denkt aan het afschrift van de wet, dat David voor Gods aangezicht bij zich droeg tijdens zijn troonsbeklimming. Het woordje ‘toen’ in vs. 8a (NBG) zou op die bijzondere dag in zijn leven slaan. Dat is m.i. niet meer dan een veronderstelling, die niet uit Psalm 40 en uit wat wij weten van Davids troonbeklimming te bewijzen valt.
Een bijzondere uitleg vinden we bij Oeming (2000),220. Nadat hij o.a. de opvatting over een hemels boek (vgl. Ps. 56,9; 139,16; Mal. 3,16), waarin het lot van de bidder zou zijn ‘voorgeschreven’, heeft afgewezen, stelt hijzelf het volgende voor: De dichter heeft zijn eigen biografie in het kort beschreven op een rol, waarop ‘over hem geschreven is’. Hij geeft aan deze rol een plaats in de tempel. Hij keert zich tegen de priesterlijke traditie en viert niet het gebruikelijke dankofferfeest. Op de door hem geschreven rol, die de dichter als votiefrol in de tempel deponeert, zou ook het gebed uit 40,13-18 staan. Oeming oppert de veronderstelling dat het hele boek Psalmen zou kunnen teruggaan op een verzameling van dergelijke teksten met opgetekende religieuze ervaringen. Mij is niet bekend dat Oeming bijval heeft gekregen voor de veronderstellingen die hij hier lanceert. Gedeeltelijk zijn deze veronderstellingen al te vinden bij K. Seybold (1991),40v.
De vertaling ‘voorgeschreven’ is o.a. te vinden bij J. Ridderbos (1955),354, die zelf naar Hengstenberg, Gunkel e.a. verwijst. Ook J. van der Ploeg (1971),255 kiest voor deze vertaling. Ridderbos omschrijft zijn vertaling met: ‘schrijven, zodat het op iemand ligt (Hebr.ᶜal), dus ‘voorschrijven’.
In 40,10 wordt het Hebr. woord werkwoord bśr, pi. gebruikt en vaak op het brengen van een goede boodschap wijst. De Griekse vertaling (LXX) geeft het weer met het woord euangelizesthai weer, d.w.z. het brengen van een blijde boodschap. Vgl. O. Schilling in ThWAT I,845vv. Deze boodschap kan samengevat worden als Jahwe’s ‘rechtvaardigheid. Met deze rechtvaardigheid is duidelijk Jahwe’s reddende rechtvaardigheid bedoeld is. Denk aan het evangelie! Hij die bidt, kan zijn toevlucht zoeken in Gods gerechtigheid. Wie in (verbonds)relatie met Hem verkeert, mag rekenen op zijn recht. ‘Für wen Gott ist, der ist im Recht’, vgl. B. Johnson in ThWAT VI,904, die daar H. Cremer citeert.
In 40,14 begint de dichter met de imp. reṣē (het behage u…mij te redden!). terwijl hij in vs. 9 had gezegd dat hij ‘uw welbehagen of wil (Hebr. reṣōneḥā) wenste te doen.
Bij Craigy (1983),314 kunnen we de diverse woorden vinden die zowel in het eerste als in het tweede deel van Psalm 40 voorkomen: 1) ḥšv [vss. 6 en 18]; 2) ᶜṣm [vss. 6 en 13]; 3) mspr [vss. 6 en 13]; 4) ᵓmr [vss. 8,11,16,17]; 5) rᵓh [vss. 4 en 13]; 6) ḥfṣ [vss. 7,9,15]; 7) rṣh [vss. 9 en 14]; 8) tešūᶜāh [vss. 11 en 17]. Hij sluit zich aan bij H.N. Ridderbos, die in zijn Die Psalmen. Stilistische Verfahren und Aufbau, mit besonderer Berücksichtigung von Ps. 1-41, Berlijn: De Gruyter 1972, 290-297 dit ook al had betoogd.
Voor de bewering dat wij tegenwoordig niet zo klaaglijk over onze zonden spreken als in Ps. 40 gebeurt, zie H.A. Visser 1989, 2,159.