Kort commentaar 18-22

 [18] Azijn

In het Nederlands Dagblad en in verschillende andere bladen is aandacht gegeven aan een artikel van Wim Berkelaar over het ‘kwaad’ dat prof. J. Kamphuis heeft aangericht. Het artikel van Berkelaar is te vinden op de website www.protestant.nl. Wat had Kamphuis misdreven? Na de dood van K. Schilder begon hij gewetensdwang te beoefenen en anderen die twijfelden aan de gedachte van de ‘ware kerk’ week in week uit de maat te nemen in het weekblad de Reformatie. Dit optreden van prof. Kamphuis kwalificeert Berkelaar als een misdaad. Een collega van Kamphuis (H.J. Jager) belandde erdoor in een psychiatrische inrichting en een Kamper predikant (O.W. Bouwsma) overleed nadat hij in een psychiatrische kliniek was verpleegd.
Het Nederlands Dagblad nam stukken uit het artikel van Berkelaar over. Daarop volgden veel verontwaardigde reacties. Ik heb in het ND niet één ingezonden gelezen dat het voor Berkelaar opnam. Het zou hem gesierd hebben als hij zijn stuk terugnam. Dat deed hij echter niet, zoals blijkt uit zijn reactie in het ND van woensdag 1 februari jl. Hij gaat zelfs nog even door met het noemen van namen, o.a. die van ds. J. Groen uit Groningen en ds. J. R. Wiskerke uit Middelburg. Wie alleen maar het Handboek van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) van 1969 erop naslaat, aldus Berkelaar, kan lezen dat niet hij (Berkelaar), maar de schrijvers van het ‘In memoriam’ van deze overledenen de kerkstrijd noemen als ‘een oorzaak van de afnemende gezondheid en dood van de beide genoemde predikanten.
Mijn reactie: Ik geloof die schrijvers, maar ik geloof Berkelaar niet. Want die in-memoriam-schrijvers suggereren niet dat Kamphuis aan de dood van Groen en Wiskerke heeft meegewerkt en Berkelaar insinueert dat wel. Zolang Berkelaar niet royaal uitdrukkingen als ‘misdadig’, ‘gewetensdwang’ en ‘karaktermoord’ terugneemt, verklaar ik dat zijn verhaal over de strijd rond 1967 niets met fijnmazig historisch onderzoek te maken heeft, maar grofmazige onzin is.
In zijn visie op de kerkstrijd als ‘wond die niet geheeld is’ (kop boven het ND-artikel van 1 febr.) werk hij met azijn. Hij kan nu in het tweede artikel wat heen en weer spartelen om de ergste uitspraken die hij deed te verzachten, maar dat lukt niet goed. Het hele verhaal blijft: anti-Kamphuis. Zo wordt Kamphuis even naast Schilder gezet. Laatstgenoemde was een begenadigd theoloog, kunstzinnig en noem maar op. Maar daarna… Kamphuis!

 [19] Wierook

 Wat ik via het Nederlands Dagblad nog niet wist, bleek mij toen ik op de website protestant.nl werd gewezen en het hele artikel van Berkelaar onder ogen kreeg. Daarin worden ook aan mij enkele opvallende passages gewijd. Zo zou ik mij in de jaren zeventig hebben laten kennen als het ‘progressieve uithangbord van de vrijgemaakt-gereformeerden’. Dat is kennelijk als prijzend bedoeld. Maar vandaag ben ik niet meer progressief, want in mijn ’In memoriam’ (Ned. Dagblad 15 december 2011) toon ik mij een hardliner, die zich pal achter Kamphuis opstelt. Het was een ‘braaf’ in memoriam, waarin het ‘religieuze geweld van Kamphuis met de mantel der liefde werd bedekt’. De ooit zo progressieve Douma bekritiseert nu, zo lees ik, degenen die in openheid hun gereformeerde geloof belijden. Notabene in navolging van Douma zelf, die in de jaren zeventig ruimte zocht. In plaats van een bewierokende (!) herdenking van zijn collega te schrijven, had Douma er beter aan gedaan zich eens kritisch te buigen over de vrijgemaakte erfenis.
Ook uit het artikel van Berkelaar van 1 februari blijkt dat hij zich geërgerd heeft aan mijn In memoriam. Weer krijg ik te horen dat ik vroeger toch zo anders was. In de zeventiger jaren nam ik zelf de vrijheid om de gereformeerde belijdenis in rapport te brengen met de ‘vragen des tijds’. Maar nu liet ik in het In memoriam niet na de lezers nog eens mijn zorg over de koers van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in te wrijven. Aldus Berkelaar.
Dat ik mijn In memoriam gebruikt heb om met de wierookkwast te zwaaien, had ik nog niet eerder gehoord.
Hoe zit het met mijn bewieroking van Kamphuis?

 [20] Vroeger en nu 

Dat iemand van mening verandert, kan een goede zaak zijn. Ook ik ben wel veranderd, maar niet zoals Berkelaar denkt. Over mijn ‘In memoriam’ zal ik mij tegenover hem niet uitlaten, omdat ik zijn opmerkingen daarover volstrekt ongepast vind. Wel wil ik hem wijzen op zijn falen als historicus als het over mijn publicaties in het algemeen gaat.
Merkwaardig moet het heten dat ik in de zeventiger jaren ‘progressief’ was, terwijl die jaren direct volgden op de breuk van 1967 en op de generale synode van Hoogeveen (1969-1970), waarop ik een werkzaam aandeel heb gehad in beslissingen die te maken hadden met de breuk. Nergens heeft Berkelaar kunnen lezen dat ik in de zeventiger jaren mij kritisch heb opgesteld tegenover mijn toenmalige veroordeling van de Open Brief. Ik ben pas in de tachtiger jaren tot het inzicht gekomen dat het spreken over ware en valse kerk genuanceerder diende te gebeuren dan onder ons het geval was. Ik bestreed het kerkisme, zoals dat o.a. in een gesloten en alleen voor vrijgemaakten toegankelijk GPV het geval was.
In mijn geschrift Hoe gaan wij verder?  uit 2001 heb ik, voor zover ik mij herinner, voor het eerst publiek kritiek geleverd op de gang van zaken rond 1967. Daarbij trok ik het boetekleed aan over een schorsing waar ik zelf bij betrokken was.
Kort daarop stuurde ik een uitvoerige brief naar de generale synode van Zuidhorn 2003, waarin ik mij keerde tegen de te ver gaande kritiek, die onder ons op de zgn. Open Brief van 1966 was geoefend en die ook kwalijke gevolgen had. De tekst van deze brief kan men op deze website onder de rubriek Archief vinden.
Ik meen in mijn brief te hebben aangetoond dat de schorsing van een predikant niet op het enkele feit van zijn ondertekening van de Open Brief had moeten plaatsvinden. In de lijn van mijn bezwaarschrift, heb ik in een ‘Moreel Beraad’ geweigerd de Kamper predikant ds. J.O. Mulder een ‘wolf in schaapskleren’ te noemen, zoals Kamphuis dat had gedaan.
De Open Brief heb ik altijd slecht gevonden, vanaf het ogenblik dat ik hem voor het eerst las tot op vandaag toe. Maar als ik terugzie op het hanteren van deze Brief als schorsingsgrond, zijn mijn twijfels steeds groter geworden en besloot ik het er niet bij te laten zitten, maar mij tot de generale synode wenden. Ik geloof dat ik de enige theoloog geweest ben in de vrijgemaakte kerken die zoiets gedaan heeft.
Het resultaat? Mijn brief werd op kerkrechtelijke gronden onontvankelijk verklaard. De synode verrichtte naar aanleiding van een andere brief wel enig onderzoek. Maar kwam tot de conclusie dat herziening van de besluiten uit de jaren 1967 en volgende op wezenlijke punten niet noodzakelijk was. We zijn nu bijna tien jaar verder. Nog steeds sta ik volledig achter de uitvoerige brief die ik aan de synode van Zuidhorn heb geschreven. Mocht de zaak weer aan de orde komen, dan zal ik mijn brief weer indienen.
 Tegelijk voel ik niets voor een waarheids- en verzoeningscommissie, bestaande uit deskundigen, o.a. historici van beide kanten van de scheidslijn. Historici mogen van mij alles onderzoeken, als zij serieus zijn. En dan niet à la Berkelaar die zó vooringenomen is dat studie feitelijk niet meer nodig is. Historici kunnen ook verhalen over Kamphuis schrijven. Maar als het over vroegere besluiten gaat, o.a. die van de synode van Hoogeveen 1969-1970 en over die van Zuidhorn 2003, dan is het allereerst de taak van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) hun verantwoordelijkheid te verstaan. Niet het oordeel over Kamphuis is dan ook maar ergens de sleutel, maar het oordeel dat een volgende synode over voorgaande synodes moet vellen. Over besluiten en gevolgen van besluiten van synodes over de Open Brief en niet over Kamphuis.
Ik wijs daarom de weg af die Berkelaar voorstelt. Hij roerde de trom en vindt dat er een waarheidscommissie moet komen. Prof. dr. E.A. de Boer wil de waarheidsvinding door deskundigen uit beide kerken laten verrichten, om het resultaat vervolgens dan bij de kerken op tafel te leggen. Daarna is het aan de kerken is om na te gaan wat ze ermee willen doen (ND van 27 januari ). Ik zou zeggen dat het bij de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) moet beginnen om de bij haar binnengekomen en binnenkomende bezwaren tegen het hanteren van de Open Brief en tegen eventueel ten onrechte uitgesproken vonnissen te onderzoeken. Ook heeft zij te beslissen welke mensen zij voor noodzakelijk onderzoek zal aantrekken.

 [21] Verzoening?

 Het schijnt voor sommigen nogal vanzelf te spreken dat een waarheidscommissie meteen ook een verzoeningscommissie is. Het zoeken naar de waarheid moet, zo lijkt het, uitlopen op de verzoening tussen twee gescheiden kerkelijke groeperingen. Maar de waarheid is weerbarstig. Kunnen er bij het ontdekken van de waarheid ook aspecten zijn die niet tot verzoening leiden?
De lezers kunnen uit veel wat ik vanaf mijn dissertatie in 1966 tot mijn boekje ‘Hoe gaan wij verder?’ in 2001 heb geschreven, zonder enige moeite concluderen dat ik nooit een navolger van J. Kamphuis door dik en dun ben geweest. Ook vandaag niet, nu ik (volgens Berkelaar dan) veranderd ben in een man die in zijn ‘verontrusting’ alle kenmerken vertoont van angst, conformisme en wantrouwen, waarvoor Kamphuis destijds verantwoordelijk was.
Mijn antwoord komt op het volgende neer. Ik ben evenals Kamphuis een belijder van het gereformeerde geloof. Ik ben er ook een verdediger van, zoals destijds bij mijn aanstelling als hoogleraar gevraagd werd. Nimmer heb ik aan de grondslag van onze kerken getornd, zoals we die in de Formulieren van Eenheid bezitten. Ik ben evenmin van plan mij neer te leggen bij welke schending ook van dit akkoord, dat de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) samenbindt. Over mij is wel eens beweerd dat ik een driedubbele binding aan de belijdenis voorsta. Ik antwoord dan dat een ondubbelzinnige binding vereist is.
Deze ondubbelzinnige binding heb ik in mijn boekje ‘Herinnering en verwachting’ (1969) verdedigd tegen allen die het maar ‘klein vaderlands gedoe’ (aldus de Open Brief) vonden om zich druk te maken, met name over Zondag 22. Het moest toch ook kunnen dat iemand als ds. Telder verdedigde dat de gelovigen niet naar de hemel gaan en daar met Christus verenigd worden direct na hun dood?!
Dit relativerende spreken is vandaag mogelijk een nog grotere aanvechting voor de vrijgemaakte kerken dan in de dagen toen de kwestie-ds.Telder een rol speelde. Daarom heb ik over verval in deze kerken gesproken. Niet omdat ik van progressief conservatief, angstig en wantrouwend ben geworden, maar omdat ik gereformeerd was, ben gebleven en hoop te blijven.
Laat ik er een voorbeeld van geven, dat te maken heeft met de huidige samensprekingen tussen GKV en NGK. Er was plaatselijk te Bunschoten-Spakenburg  een grote mate van overeenstemming bereikt over het gezag van de bijbel en de binding aan de belijdenis, las ik. Maar… in de praktijk zou deze binding verschillend gehanteerd worden. Volgens de NGK moest er een mate van verdraagzaamheid zijn. Daartoe rekent deze kerk ook bv. de zieleslaap (Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus), de opvatting over de ambten, het toelaten van kinderen aan het Heilig Avondmaal. De GKv ter plaatse verwierp deze tolerantie. Binding aan Woord en belijdenis, in de zin van het ondertekeningsformulier voor ambtsdragers, – dat overigens ook door de plaatselijke NGK gehanteerd wordt – bood volgens de GKV geen ruimte voor het tolereren van ‘afwijkingen’.
Ik ben het daarmee eens. Een breuk helen op een gereformeerde grondslag vraagt om ondubbelzinnige instemming met de Drie Formulieren van eenheid. Verdraagzaam moeten we altijd zijn. Bij afwijkingen die we onder eigen leden constateren in leer of leven, moeten we geduld oefenen. Maar verdraagzaamheid inbouwen als het over belijdenispunten gaat, omdat we zo graag kerkelijke eenheid willen bereiken, moeten we verwerpen. Wij hoeven de waarheid ten aanzien van onze binding aan de gehele confessie niet meer te ‘vinden’.
Dat geldt ten aanzien van de strijd rond Zondag 22, waarover de hierboven genoemde en helaas zo jong gestorven ds. J. R. Wiskerke uitnemende dingen geschreven heeft. Dat geldt ook voor de kinderdoop als eis binnen de gereformeerde kerken. Het geldt niet minder voor het verwerpen van de homoseksuele relatie als de kerk haar standpunt daarover onder woorden brengt (moet brengen).
Bereiken we daardoor geen eenheid als GKV met de NGK, dan is dat jammer. Waar de GKV in haar synodebesluiten destijds verkeerd gegaan zijn, behoren zij dat te erkennen. Maar zij moeten de waarheid, die de grondslag voor de gereformeerde kerken is, niet als twijfelachtig voorstellen, waarbij de een in zijn interpretatie deze en de andere die kant uit kan gaan.

 [22] Waar het op aan zal komen

 In mijn brief aan de generale synode van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) heb ik reeds in 2003 reeds de volgende aantekening (in een noot) gemaakt:

 ‘Als ik een confessie of punten daaruit niet zo belangrijk vind, zal ik ook gemakkelijker pleiten voor een losser functioneren van de confessie binnen de kerken. Afwijkingen, zoals van ds. Telder, moeten dan geduld worden, ook al schrijft hij een boek dat duidelijk afwijkt van de belijdenis uit Zondag 22. Wie dergelijke afwijkingen zonder meer wil dulden, zal zich vaak heftig verzetten tegen hen die vinden dat het ondertekeningsformulier hier in geding is. Terwijl toch de afspraak is dat hij die afwijkt van de belijdenis, zich verplicht moet weten zijn afwijkend gevoelen via de kerkelijke weg aan de orde te stellen’.

 Ook Berkelaar maakt zich duidelijk niet druk over afwijkingen van de gereformeerde confessie. Volgens zijn betoog op de website protestant.nl. is de leer over de ware en de valse kerk op zichzelf al een dwaasheid. Die leer verraadt een door en door onhistorisch denken en moet als hoogmoedig getypeerd worden. Als er een ware kerk is, dan is er immers ook een valse kerk. En wie zal dat bepalen, volgens Berkelaar?!
Wie zoiets beweert, zal een afkeer hebben van gereformeerde belijders als Kamphuis en niet minder van mij. Wij belijden wat er staat in de artikelen 27-29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Om de zeer eenvoudige reden dat er in de Heilige Schrift doorlopend gesproken wordt over Gods volk dat tal van malen veranderde in een volk dat zich tegen Hem keerde. Wie niet van waar en vals wil spreken, kan het boek van de kerkhistorie wel voor gesloten verklaren. Hij moet de mensen dwaas vinden die voor hun geloof de brandstapel opgingen en met de kerk en de paus van Rome niets meer te maken wilden hebben. Hij moet ophouden Hendrik de Cock en Abraham Kuyper als reformatorische voorgangers in de gemeente van Christus te beschouwen. Hij moet voor de Vrijmaking van 1944 zijn schouders ophalen, ook al was Schilder nog zo geleerd en kunstzinnig. Hij zal met de atheïst ds. Hendrikse in de PKN geen moeite hebben. Hij zal de Visienota van de PKN van harte onderschrijven, waarin op pag. 27 staat dat er tussen de Protestantse kerken geen reden tot voortzetting van kerkscheiding is. Dat is te begrijpen, als men ook aan de vrijzinnigheid alle ruimte gunt.
Over ware en valse kerk moeten we dus onze mond houden. Gereformeerden zullen dat niet van plan zijn en daarom ik ook niet. Ik heb mij aanhoudend verzet tegen enghartige toepassing van het onderscheid tussen waar en vals. Maar ik verzet mij even krachtig tegen het opruimen van het onderscheid tussen waar en vals en tegen alle valse oecumene.
Wie aan deze oecumene weigert mee te doen, krijgt ervan langs. Dat heb ik begrepen en dat heb ik gevoeld. Ook van historici, die wetenschappers heten, maar heel duidelijk laten merken wie zij in de kerk bij voorbaat bijvallen en wie zij in een hoek zetten.
Het zal er voor ons op aankomen rustig te blijven en kalm onze gereformeerde belijdenis te verdedigen.

 

 4 februari 2012

Reacties zijn gesloten.