Brief aan de GS Zuidhorn

Dr. J. Douma
Klaver 1
7772 NX Hardenberg
Tel. 0523-270724
E-mail: jochemdouma@wxs.nl

 

Aan: de eerstkomende generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland
P/a de Gereformeerde Kerk te Zuidhorn
Postbus 18
9800 AH Zuidhorn

 Hardenberg, 16 oktober 2001

  

Geachte broeders,

 Het is mij opgevallen bij het lezen van de Acta van de generale synode van Leusden 1999, dat velen onder ons zich afvragen, of het geen tijd wordt ons opnieuw te bezinnen op wat er zich rond het jaar 1967 in de gereformeerde kerken (vrijgemaakt) heeft afgespeeld. Uit het verslag van een schriftelijke enquête, die gehouden werd om kennis te verzamelen over plaatselijke samensprekingen met christelijke gereformeerde en Nederlands gereformeerde kerken, blijkt nogal eens te zijn ingevuld dat er “veel te weinig bereidheid is om een eerlijk stuk schulderkenning naar voren te brengen t.a.v. wat er rond het jaar 1967 gebeurd is”.
Onze deputaten voor kerkelijke eenheid hebben daarop gereageerd met een dubbele opmerking. Zij schrijven dat een schulderkenning heel moeilijk van deputaten kan komen en dat deze zaak daarom in de weg van de kerkelijke vergaderingen aan de orde moet worden gesteld. Zij voegen eraan toe dat er ook veel uitspraken gedaan zijn op lokaal en regionaal niveau, waarover een landelijke synode of landelijke deputaten nooit iets zal kunnen zeggen.[1]
Toch hebben diezelfde deputaten op de Landelijke Vergadering van de Nederlands gereformeerde kerken in Doorn 1998 namens onze kerken verklaard dat zij daar stonden met een beschaamd gelaat.  “Het gescheiden optrekken waarover wij als kerken ons schamen geeft reden om ons in te zetten om die breuk te helen, waarbij ons een houding van ootmoed jegens God past, omdat we ons verbonden weten met de zondeschuld van heel Gods volk”.[2]
Nu is het terecht dat wij ons verbonden weten met de zondeschuld van heel Gods volk. Maar is er naast deze opmerking, die door haar algemeenheid opvalt, ook geen reden concreter te maken wat er onzerzijds verkeerd gegaan is? Wij leven nu ruim vijfendertig jaar nadat de breuk zich voltrok. Er is in die periode veel nagedacht over de oorzaken die tot de breuk van 1967 hebben geleid. We hebben sindsdien als kerken ook een eigen ontwikkeling met duidelijke veranderingen doorgemaakt.
Dat brengt mij ertoe u te vragen om op synodaal niveau tot een herbezinning te komen inzake de gebeurtenissen rond 1967. Mijn verzoek wil ik toelichten, om aan te tonen dat er inderdaad goede redenen zijn voor zo’n herbezinning. 

Daarbij beperk ik mij tot wat stellig het belangrijkste punt is: de Open Brief van 31 oktober 1966, die de directe aanleiding tot de scheuring in de daarop volgende jaren is geworden. Van deze Open Brief, ondertekend door ruim twintig predikanten, sprak de generale synode van Amersfoort-West 1967 immers uit, dat de inhoud ervan de gereformeerde belijdenis disputabel stelde. Anders gezegd, een predikant die bij zijn ambtsaanvaarding de drie formulieren van eenheid had ondertekend en op die wijze zijn instemming had betuigd met de gereformeerde leer, zou door het enkele feit van zijn ondertekening van de Open Brief deze “waarachtige en volkomen leer der zaligheid” in twijfel hebben getrokken.
Er was nog een tweede punt dat de generale synode als aantasting van de leer beschouwde. Zij oordeelde dat de artikelen 27-29 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis in de Open Brief niet werden nagesproken waar het de vrijmaking van 1944 betrof.
Hiermee werd de breuk een feit. De generale synode, maar daarna ook andere kerkelijke instanties namen maatregelen tegen ondertekenaars van de Open Brief en tegen hen die de ondertekenaars in bescherming namen. Ds. B.J.F. Schoep werd niet als afgevaardigde ontvangen op de generale synode van Amersfoort-West. Andere ondertekenaars werden geschorst in hun ambtswerk. Kerkleden werden opgeroepen  vandaan te gaan achter kerkenraden die ondertekenaars van de Open Brief lieten voorgaan in hun diensten. De scheuring werd een feit. Veel protesten bij volgende synodes konden niet verhinderen dat de breuk bevestigd werd. Het confessionele geschil werd te ernstig geacht om de breuk te helen.

 Laat ik beginnen met de passage uit de Open Brief die de grootste aandacht kreeg en zonder meer reeds beslissend werd geacht om het ‘onaanvaardbaar’ over de hele Open Brief uit te spreken. Deze passage luidt: 

“Wij schrijven nu vanuit de kerkelijke situatie in het jaar 1966. De situatie van gescheurdheid van het reformatorisch volksdeel in Nederland, dat zich eens liet vergaderen op het fundament van Gods Woord en de drie formulieren van enigheid, samenlevend naar de regels van de Dordtse Kerkenordening; de situatie tevens, waarin dat volk in velerlei stijl bouwend op dit fundament zoekt naar de grenzen van zijn kerkelijke gemeenschap; waarin, gestuwd naar het niveau van denken in wereldproporties, ieder zich opnieuw afvraagt, of het historisch fundament van de Nederlandse Gereformeerde kerken ook samenvalt met het fundament van de heilige, algemene Christelijke kerk.
Zo ja, hoe is dan de verhouding tot andere kerken in binnen- en buitenland, die kennelijk Gods kinderen vergaderen, maar die niet onze belijdenisgeschriften hebben, noch onze samenlevingsregels kennen?
Zo nee, hoe heeft dan dit historisch fundament in eigen gemeenschap en naar buiten te functioneren? Wij zijn van oordeel, dat de kerkelijke werkelijkheid door deze probleemstellingen in de toekomst zal worden bepaald. We worden met ons vaak klein vaderlands gedoe als Gereformeerde kerken in Nederland weggeroepen naar het niveau van de wereldkerk. En dat zal steeds meer gebeuren, of we dat wensen of niet. Daarheen dringt ons Christus’ leiding van de wereldgeschiedenis”. 

 Wie zoveel jaren na het verschijnen van de Brief deze passage leest, kan nog evenzeer als destijds pijnlijk getroffen worden door de denigrerende opmerking over ‘ons klein vaderlands gedoe’ van destijds, dat dan vergeleken wordt met het ‘niveau van de wereldkerk’ waarop wij ons zouden moeten begeven. Het ligt voor de hand bij ‘klein vaderlands gedoe’ te denken aan b.v. de drukte die er onder ons ontstond over de opvatting van ds. B. Telder inzake het leven na de dood. Slapen wij in het graf tot de jongste dag, of leven we als gelovigen na onze dood bewust bij de Here in de hemel? Dat waren belangrijke zaken, die niet tot klein vaderlands gedoe gerekend kunnen worden. En letten we op de grote woorden die de Open Brief wijdt aan het denken in ‘wereldproporties’, dan zal dat na alle fiasco’s van de Wereldraad van Kerken en haar huidige onmacht eerder grotesk dan serieus op ons overkomen.
Toch waren het niet allereerst deze woorden waartegen de generale synode van Amersfoort-West zich richtte. Zij concentreerde zich op de vraag van de Open Brief, of het historisch fundament van de Gereformeerde Kerken ook samenvalt met het fundament van de heilige, algemene, Christelijke kerk. Die vraag mocht naar het oordeel van de synode geen vraag zijn. Want daardoor werd de ‘waarachtige en volkomen leer der zaligheid’ in twijfel getrokken.
Is deze conclusie die de synode destijds trok, een dwingende conclusie die uit de Open Brief getrokken kan worden? Dat kan m.i. met recht bestreden worden.
Allereerst is het niet duidelijk wat met het fundament van de heilige algemene christelijke kerk bedoeld wordt. Volgen we het bijbelse spreken daarover, dan moeten we met 1 Cor.3 zeggen: “Een ander fundament dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen”.[3] Maar het zou vreemd zijn te zeggen dat het historisch fundament van de gereformeerde kerken, zoals we dat omschrijven als Gods Woord en de drie formulieren van eenheid, samenvalt met Jezus Christus. Het historisch fundament van de gereformeerde kerken kan getuigenis afleggen van Jezus Christus, maar valt als een bundeling van geschriften niet samen met de persoon van Jezus Christus.
Laten we het ons iets gemakkelijker maken door uit te gaan van Gods Woord als het fundament van de heilige, algemene, christelijke kerk. Dan is immers een vergelijking te trekken tussen het historisch fundament van de gereformeerde kerken en dat van de heilige algemene christelijke kerk. In concreto is dan de vraag: valt de inhoud van de drie formulieren van eenheid, als het historisch fundament van de gereformeerde kerken, samen met Gods Woord als het fundament van de kerk van alle tijden?
Daarop kan zeer legitiem met ‘nee’ geantwoord worden. Het komt er maar op aan wat men onder ‘samenvallen’ verstaat. De vloer van mijn huiskamer valt niet samen met de fundamenten van mijn hele huis. Zij valt slechts samen met een gedeelte van de fundamenten van mijn huis. Zo geldt ook van de drie formulieren van eenheid dat zij niet samenvallen met de hele Heilige Schrift. Een confessie, hoe voortreffelijk ook, heeft de totale inhoud van de Heilige Schrift niet in zich opgenomen. De confessie is geen repetitie van de Schrift die men daarom verder wel dicht kan laten. De kerk kent één onuitputtelijke bron – Gods Woord – terwijl de belijdenisgeschriften hoofdpunten uit het Woord van God naspreken. Zij vormen als gereformeerde confessie, om een onder ons geacht theoloog na te spreken, slechts een minimum waarover wij het als gereformeerden volkomen eens moeten zijn[4].
Daarmee sluiten we alle confessionalisme uit, alsof er een gelijkteken gezet zou kunnen worden tussen de Heilige Schrift en de confessie. Verder tonen we oog te hebben voor de werkelijkheid dat andere gelovigen op hetzelfde fundament van de kerk van alle tijden kunnen staan zonder dat zij onze belijdenisgeschriften bezitten. Wij versmallen de kerk niet tot de Gereformeerde Kerken in Nederland.
Daarom kon de Open Brief na de vraag over het al of niet samenvallen van het historisch fundament van de gereformeerde kerken met het fundament van de algemene kerk terecht de volgende vraag opwerpen: Stel dat de fundamenten van de gereformeerde kerken wél samenvallen met die van de algemene kerk, “hoe is dan de verhouding tot andere kerken in binnen- en buitenland, die kennelijk Gods kinderen vergaderen, maar die niet onze belijdenisgeschriften hebben, noch onze samenlevingsregels kennen?”
Het opvallende is nu, dat zowel de generale synode van Amersfoort-West als ook die van Hoogeveen 1970/71 hebben uitgesproken dat zij zich niet tegen deze vraag van de Open Brief keerden[5]. Dat is begrijpelijk, omdat geen enkele gelovige die oog heeft voor de breedheid van de algemene christelijke kerk, deze vraag uit de Open Brief ongeoorloofd kan vinden. Toch is het opvallend te noemen dat de generale synode van Amersfoort-West deze tweede vraag in de Open Brief ongemoeid liet, terwijl zij met zo grote stelligheid de eerste vraag ongeoorloofd achtte. Want deze synode eiste immers dat de ondertekenaars volmondig ‘ja’ moesten antwoorden op de vraag of het historisch fundament van de Nederlandse Gereformeerde kerken ook samenvalt met het fundament van de heilige, algemene Christelijke kerk. Maar blijkbaar kan men de eerste vraag in de bewuste passage van de Open Brief ook zo lezen dat de daarop aansluitende tweede vraag (‘zo ja’, etc.) ontkennend beantwoord wordt. Maar hoe kon de synode een onvoorwaardelijk ‘ja’ eisen op de eerste vraag, en het tegelijk niet veroordelen dat de Open Brief zelf in de tweede vraag dit ‘ja’ disputabel stelt?! Is daarmee de veroordeling van de eerste vraag, als een evident in twijfel trekken van de waarheid van de gereformeerde confessie, niet te snel en te massief geweest?
Nu is er zeker aan de lezing van de generale synode van Amersfoort-West ook een goede zin te geven. We mogen aannemen dat de synode onder ‘samenvallen’ wat anders verstond dan ik er onder kan verstaan met behulp van het voorbeeld van een kamervloer en de fundamenten van een huis. Men kan – om in hetzelfde beeld te blijven – ook antwoorden dat de beide fundamenten wél samenvallen. De vloer van mijn huiskamer rust geheel op de fundamenten van mijn huis en steekt geen meter door de buitenmuur heen. Zij past op de fundamenten. Toegepast op de gereformeerde belijdenis kunnen we dan zeggen: de belijdenis van de gereformeerde kerken rust geheel op Gods Woord en valt in dat opzicht samen met het fundament van de heilige algemene christelijke kerk. Er is geen tegenstrijdigheid tussen wat wij belijden in onze confessie en wat er in de Heilige Schrift staat. ‘Samenvallen’ betekent nu ‘in overeenstemming zijn met’.
De afwijzing van de Open Brief laat zich verklaren uit het verschillend gehalte van de tweede vraag (‘zo ja’, etc.) en de derde vraag (‘zo nee’, etc.) De derde vraag gaat ervan uit dat het fundament van de gereformeerde kerken niet samenvalt met dat van de algemene kerk en komt zo tot de vraag: “hoe heeft dan dit historisch fundament in eigen gemeenschap en naar buiten te functioneren?” Reeds in 1966 heb ik erop gewezen dat hier niet dwingend kan worden geconstateerd dat de inhoud van de confessie disputabel gesteld wordt, maar dat het over de volledig binding aan de confessie gaat.[6] Uiteraard kan het een met het ander samenhangen.[7] Maar hoezeer het een met het ander ook samengaat, een onjuiste visie op kerkelijke tolerantie wettigt nog niet de beschuldiging dat iemand de hoofdsom van de waarachtige en volkomen leer der zaligheid in twijfel trekt, zoals de generale synode van Amersfoort-West van alle ondertekenaars van de Open Brief heeft beweerd.

 Voordat ik iets schrijf over het oordeel dat de generale synode van Amersfoort-West over de Open Brief gaf inzake de visie op de vrijmaking die daarin (niet) verwoord werd, stel ik een ethische kwestie aan de orde. Er moet ons iets opvallen, als wij in het huidige, mildere klimaat van oordelen en veroordelen terugzien op wat er in en na 1967 gebeurd is. Er was alle reden om bij de ondertekenaars van de Open Brief navraag te doen inzake onduidelijkheden binnen de bewuste passage over  de confessie. Want om de juiste lezing vast te stellen, rijzen er vragen. Het ligt voor de hand dat men in zulke gevallen de schrijver(s) van een stuk om nadere informatie vraagt. In het geval van de Open Brief ging het om een veroordeling met kerkelijke consequenties. Zelfs al zou een synode vinden dat alles klaar en duidelijk was, dan nog zou het van een goede rechtsgang hebben getuigd wanneer de beschuldigde (in dit geval ds. Schoep) gehoord was voordat men over hem uitsprak dat hij als niet-meer-gereformeerd onaanvaardbaar werd om deel uit de maken van een synodale vergadering.
Op de generale synode van Amersfoort-West is het echter zo niet toegegaan. Ds. Schoep werd als afgevaardigde van de particuliere synode Noord-Holland niet toegelaten, nadat de synode, zonder enige vorm van hoor en wederhoor, tot het oordeel kwam dat (ook) deze ondertekenaar van de Open Brief de hoofdsom van de waarachtige en volkomen leer der zaligheid in twijfel trok. Het doet er nu niet toe dat hij in andere geschriften duidelijk blijk gaf van opvattingen die hem wel moesten vervreemden van de gereformeerde confessie. Hij trok uit de Open Brief, die de verschillen met de synodaal-gereformeerde kerken minimaliseerden, de consequentie door kort na 1967 de gereformeerde kerken te verlaten. Maar dit doet  niets af aan het recht van hoor en wederhoor van ieder die kerkelijk gevonnist wordt. De synode van Amersfoort-West heeft  haar besluit tot heenzending van ds. Schoep genomen zonder ds. Schoep te horen. Dat had anders gekund. De synode had kunnen zeggen: wij hebben grote moeite met wat (ook) u in de Open Brief geschreven hebt; wij menen dat u de gereformeerde confessie in twijfel trekt met uw zin over de fundamenten van de kerk; wat is daarop uw antwoord? Maar de synode nam haar besluit zonder ds. Schoep te horen. Daarna kwam er uit de vergadering een voorstel om aan hem de vraag voor te leggen of hij zich door het besluit der synode had laten overtuigen. Het werd met een kleine meerderheid van stemmen verworpen.[8] Het zou ook wel vreemd geweest zijn ds. Schoep na afloop aan het woord te laten voor het aanhoren van een simpel ‘ja’ of ‘nee’, zonder dat hij vooraf de gelegenheid had gekregen zich te verantwoorden. Maar men oordeelde het niet nodig verduidelijking te ontvangen in een zaak die naar eigen overtuiging zo klaar als kristal was.[9]
De vraag naar de ethische kant van deze zaak is overigens al veel eerder gesteld. Zij heeft zelfs een rol gespeeld bij de schorsing van een predikant. Ds. B.J. Wesseling, destijds predikant te Rotterdam-Charlois, werd door zijn kerkenraad, mede op aandringen van de particuliere synode van Zuid-Holland, geschorst omdat hij de vraagstelling van de fundamentzin uit de open Brief zo zonder meer niet verwerpelijk achtte. Let wel, ds. Wesseling had de Open Brief niet ondertekend en zou dat ook niet kunnen, omdat hij tegen de Brief ernstige bezwaren had. Maar hij achtte het geheel onjuist dat een ondertekenaar van de Open Brief werd veroordeeld voordat men hem had aangehoord. Hij beriep zich op de Schrift, waarin gezegd wordt dat niemand als een valse profeet mag worden gebrandmerkt zonder degelijk onderzoek. Hij verwees daarvoor naar o.m. Deut.13, 14 en naar de uitleg die prof. B. Holwerda van deze verzen gegeven had.
De generale synode van Hattem 1972 sprak uit dat de schorsing van ds. Wesseling onrechtmatig was. Het is in de uitvoerige behandeling van deze zaak ter synode van Hattem opvallend, dat ds. Wesseling enerzijds werd vrijgesproken van elke beschuldiging alsof hij de confessie disputabel zou hebben gesteld, terwijl anderzijds de synode het betreurde “dat de appellant niet zag, dat de fundamentenzin-op-zichzelf, zonder nadere toelichting de belijdenis disputabel stelt”. Ds. Wesseling bleef daarom in de ogen van deze synode toch een man met ‘zwakheden en moeilijkheden’, hoezeer die dan ook verdragen moesten worden (met verwijzing naar Rom.15, 1; Gal.2, 6). Het getuigde van zwakheid dat hij de betreffende fundamentenzin niet zonder meer wenste te veroordelen![10] Moeten wij niet eerder zeggen dat wat de generale synode de zwakheid van ds. Wesseling noemt, zijn kracht is geweest? En moeten wij ook niet zeggen dat het van zwakheid van deze synode getuigt, dat zij het beroep van ds. Wesseling op Deut.13 noch toestemmend noch afkeurend heeft beantwoord, maar er geheel aan voorbijging? Hij kwam op voor een goede rechtsgang, die m.i. zelfs gewenst was als de fundamentenzin in zichzelf zonder meer duidelijk was geweest – wat ik hierboven in twijfel heb getrokken.

 De generale synode van Amersfoort-West bestreed niet alleen de hierboven besproken passage met de zgn. fundamentenzin, maar had ook onoverkomelijk bezwaar tegen wat er in de Open Brief over de vrijmaking van 1944 gezegd werd. Daarin werd het ‘vrijmakingsgeloof’ als ‘religieus zeer gevaarlijk’ afgewezen. Wat verstond de Open Brief onder dit ‘vrijmakinggeloof’? De Open Brief beschrijft dit ‘vrijmakingsgeloof’ als volgt:

 “De vrijmaking vond plaats overeenkomstig art. 28 N.G.B. Het zou geweest zijn een zich voegen bij de ene ware kerk, die onze geloofsbelijdenis conform de Schriften kent. Deze ware kerk wordt in deze landen vergaderd op de aloude grondslag van de Gereformeerde Kerken, nl. Gods Woord en de drie formulieren van enigheid, terwijl haar kerkelijk samenleven alhier wordt geregeld door de Dordtse Kerkenordening. De vrijmaking, die tegen confessionele insluipsels en kerkrechtelijke misgrepen en verschuivingen het historisch Gereformeerd karakter van de kerk alhier handhaafde, bewaarde ons zo bij Gods ene kerk op aarde”.

 Laat ik even aannemen dat hier niet wordt nagesproken wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis in de artikelen 27-29 over de kerk zegt. Dan is daarmee nog niet gezegd dat deze gereformeerde belijdenis hier wordt tegengesproken. Tegengesproken wordt dat  de vrijmaking gekwalificeerd zou moeten worden met woorden als: zich afscheiden van de valse kerk en zich voegen bij de ware kerk. Dat is kennelijk wel een eis van de generale synode van Amersfoort-West. Want in een latere zitting wilde zij geen genoegen nemen met de erkenning van de particuliere synode van Noord-Holland, die over de vrijmaking sprak als “gehoorzaamheid aan Gods gebod” en die vond dat nadere kwalificatie daarvan aan ieders vrijheid diende overgelaten te worden. De generale synode ging duidelijk verder: “Wie weigert een door de Here gewerkte reformatie te zien als schriftuurlijk-confessioneel bepaald, neemt tegenover dat geschenk een niet gehoorzame houding aan”.[11]
Dat is een verregaande uitspraak, die ertoe zou moeten leiden dat allen de vrijmaking behoren op te vatten als een zich afscheiden van de valse (synodaal-gereformeerde) kerk en een zich voegen bij de ware (vrijgemaakt-gereformeerde) kerk in Nederland. Deze eis is vroeger nimmer gesteld. Als zij zou voortvloeien uit onze belijdenis, dan konden wij niet zeggen wat een van onze theologen in 1967 schreef: “Er is onder ons verschil van opinie over de vraag, hoe wij de synodaal-gebonden kerken zullen kwalificeren. Maar zolang iemand de ware kerk weet te vinden, zal hij geen last mogen ondervinden”.[12] De synode van Amersfoort-West vroeg juist wél om een confessionele kwalificatie van de vrijmaking in de termen die over ware en valse kerk in de Nederlandse geloofsbelijdenis te vinden zijn.
De tijd die er sinds 1967 is verlopen, heeft m.i. ook duidelijk gemaakt dat de Open Brief terecht kritische opmerkingen kon maken over het zgn. ‘vrijmakingsgeloof’. Met deze term werd aangegeven dat de vrijmaking een bijzonder werk van God was dat bepaalde consequenties voor heel het gereformeerde leven meebracht. Een citaat van een van onze predikanten, gehaald uit het weekblad De Reformatie werd in de Open Brief aangehaald als bewijs voor dit vrijmakingsgeloof: “Wil de zaak van Jezus Christus nog een toekomst hebben in ons land, dan zullen degenen die bij deze zaak betrokken zijn, elkander vóór alles hebben te vinden in de benoeming en waardering van dat wat in 1944 in Nederland is geschied binnen de Gerefomeerde Kerken”. De bedding van Christus’ werk liep via de vrijgemaakte kerken. En de reformatie van de kerk in 1944 vroeg om reformatie van heel het leven. Dat hield onder meer in dat verschillende vormen van samenwerking met niet-gereformeerden veroordeeld werden. De belijdenis omtrent de (ene) ware kerk werd zó uitgelegd, dat samenwerking met hen die buiten de (ware) kerk stonden, o.m. voor bezinning op en deelname aan het  politieke leven niet mogelijk werd geacht. Tegenwoordig wordt daarover in zeer brede kring onder ons anders gedacht, zoals met name blijkt uit de oprichting van de ChristenUnie. Maar er moet wel bedacht worden dat de vroegere koers die om gesloten vrijgemaakt-gereformeerde organisaties vroeg, voortkwam uit een visie op de kerk: Is men kerkelijk niet één (d.w.z. maakt men geen deel uit van de kerk zoals die in Nederland via de vrijmaking tot reformatie was gekomen), dan is samenwerking binnen andere christelijke verbanden niet mogelijk. Dit exclusivisme heeft veel kwaad gedaan. Mensen die wel binnen zulke verbanden samenwerkten of dat wilden, werden van ontrouw beschuldigd. Ze ‘zagen’ de kerk niet meer, zo heette het; ze verloochenden de vrijmaking en durfden niet alleen te staan zoals eertijds Gideon en Daniël. Ook zelf heb ik die druk ervaren, toen het mij in de loop van de jaren duidelijk werd dat men van harte God kan danken voor de vrijmaking van de kerk en tegelijk op allerlei wijze, met christenen en ook niet-christenen kan samenwerken op politiek en ethisch gebied. Dat de Open Brief zich buitengewoon negatief over het vrijmakingsgeloof uitliet en dat geloof ‘religieus zeer gevaarlijk’ noemde, kan ons pijnlijk treffen. Zeker wanneer we denken aan de oprechte bedoelingen bij velen die hier beschuldigd worden. En ook wanneer we ons het vele goede herinneren dat ons via de kerkelijk gesloten organisaties geschonken is. Maar de eerlijkheid gebiedt om toe te geven dat er in 1967 grond was voor de bestrijding van het zgn. vrijmakingsgeloof. En wie vandaag geen moeite heeft om b.v. politiek samen te werken met christenen buiten de vrijgemaakt-gereformeerde kerken, zal in zijn of haar bezinning op de Open Brief inzake de vrijmaking van 1944 genuanceerder oordelen dan de synode van Amersfoort-West dat deed.

 Tot zover mijn kritische beoordeling van het besluit van de generale synode van Amersfoort-West inzake de Open Brief. U zult reeds begrepen hebben dat ik deze Brief niet kom verdedigen. Er staat genoeg in wat ik niet alleen destijds, maar ook vandaag nog van harte verwerp. Op grond van de Open Brief had het niemand moeten verwonderen wanneer alle ondertekenaars zich hadden aangesloten bij de Gereformeerde Kerken (synodaal). Samenspreking met deze kerken werd toegejuicht en de afstand tussen deze en onze kerken werd klein geacht. En ook al valt niet hard te maken dat men de gereformeerde belijdenis disputabel stelde, voor de verdediging van deze belijdenis tegenover het loslaten ervan in eigen kring (m.n. door ds. Telder) werd geen enkele alinea ingeruimd. Wat de broeders op de generale synode van Amersfoort-West hoog zat – de onverkorte handhaving van de gereformeerde confessie en de hartelijke verdediging van het zelfstandig bestaansrecht van de gereformeerde kerken, vond in de Open Brief geen weerklank. Het zou daarom dwaas zijn de ene partij (de generale synode) alleen maar te laken en de andere partij (de ondertekenaars van de Open Brief) alleen maar te prijzen. Er stond in 1967 veel op het spel voor de gereformeerde kerken om ook gereformeerd te blijven. Aan dat laatste heeft de Open Brief geen dienst bewezen, terwijl in haar begeerte om dat wel te doen, de generale synode duidelijke fouten heeft gemaakt. Zij heeft vonnis geveld zonder de ondertekenaar Schoep te horen. En zij heeft voor het vonnis argumenten gebruikt die aanvechtbaar zijn.
Ik meen daarvoor bewijzen te hebben aangevoerd, die concreet te maken hebben met ons aandeel in de schuld aan de breuk van 1967. Alle bezwaren die tegen de ondertekenaars van de Open Brief kunnen worden ingebracht, wassen onze handen niet schoon. Als de een zegt: “zij hadden toch de Open Brief ter wille van de eenheid kunnen intrekken?”, kan de ander opmerken: “wij hadden daarom toch nog niet het recht van hen te zeggen dat zij de waarachtige en volkomen leer der zaligheid in twijfel trokken?”
Dat laatste heeft de generale synode van Amersfoort-West in feite van alle ondertekenaars van de Open Brief gezegd. Hier werd een ernstige consequentie uit de Open Brief getrokken werden, die de ondertekenaars zelf er niet uit trokken. Veel ondertekenaars hebben niet de consequentie getrokken uit de Open Brief om synodaal-gereformeerd te worden, ook al kunnen wij (en ook ik deed het) dat als een consequentie van de Open Brief beschouwen. Veel ondertekenaars hebben in hun latere leven ons geen aanleiding gegeven te veronderstellen dat zij de gereformeerde leer van de zaligheid in twijfel trokken. Wat m.i. wel voor Schoep gold, gold nog niet voor alle ondertekenaars. Het behoorde daarom niet van doorslaggevend belang te zijn wat wij voor consequenties uit de Open Brief meenden te moeten trekken, maar welke consequenties zij er uit trokken, voordat er enig vonnis geveld kon worden.[13] Stel dat iemand een dubieus stuk geschreven heeft en wij hem daarop terecht aanspreken. Dan zullen wij hem aan zijn ‘nadere verklaring’ mogen houden, zonder hem op grond van onze lezing van het betreffende dubieuze stuk te veroordelen. Veel ondertekenaars waren zich misschien niet eens bewust van de consequenties van wat zij ondertekenden. Daarmee mag rekening worden gehouden, als we bedenken hoe gemakkelijk we zelf niet graag altijd willen worden afgerekend op wat we gezegd of geschreven hebben. De ander vastnagelen op consequenties die wij trekken, zonder rekening te houden met wat hijzelf bedoeld heeft of bij nader inzien bedoelt, werkt verwijdering in de hand.  

Ik zou hiermee mijn brief kunnen afsluiten. Maar ik meen nog twee opmerkingen te moeten maken. Allereerst  kan de vraag rijzen wat er zou moeten gebeuren als mijn verzoek om herbezinning op onze kerkelijke geschiedenis rond 1967 ingewilligd en mijn kritiek gehonoreerd wordt. Onze deputaten voor kerkelijke eenheid hebben  geschreven dat een eventuele schulderkenning in de weg van de kerkelijke vergaderingen aan de orde zou moeten worden gesteld. Daarop is mijn brief ook gericht. Er is volgens mij reden om publiek ons aandeel in de schuld aan de breuk van 1967 te belijden. Uiteraard kan wat destijds gebeurd is, niet meer ongedaan gemaakt worden. Maar wij kunnen wel uitspreken: het is gebeurd, maar het had zo niet moeten gebeuren. Dat kan een synode namens de kerken publiek meedelen. Zij kan deze mededeling in het bijzonder richten tot de kerken die zich na de scheuring als Nederlands Gereformeerde Kerken hebben georganiseerd. Dit zou een toenadering kunnen bevorderen. Een wederzijdse erkenning van eigen onvolkomenheden in die bittere jaren rond 1967 kan bijdragen aan de eenheid van die kerken, die samen gereformeerde kerken willen zijn op het fundament van Gods Woord, zoals dat in de gereformeerde confessies wordt nagesproken.
Genoemde deputaten schreven ook dat veel uitspraken destijds gedaan zijn op lokaal en regionaal niveau, waarover een landelijke synode of landelijke deputaten nooit iets zal kunnen zeggen. Ik betwijfel of dit juist is als het over een landelijke synode gaat. De beslissing die de generale synode van Amersfoort-West nam, had regionaal en lokaal haar uitstraling. En dan is het voor een generale synode die later haar tekortkomingen erkent, vanzelfsprekend dat zij de kerken oproept plaatselijk en regionaal te doen wat er in de lijn van haar schulderkenning te doen valt.

 Mijn tweede opmerking heeft betrekking op het feit dat ik mij met deze brief tot uw vergadering richt. Het is bij velen bekend dat ik een rol heb gespeeld op de generale synode van Hoogeveen 1970/71. Deze synode heeft geen enkele  kritiek geleverd op haar voorgangster, maar heeft integendeel het in 1967 gevelde oordeel over de Open Brief bevestigd. Zij heeft alle protesten daartegen van de hand gewezen. Ik ben daar mee verantwoordelijk voor. Daarmee zijn de fouten die ik hierboven gesignaleerd heb, ook mijn fouten geworden. Ik erken dat ik schuldig sta aan zaken die ik nu bekritiseer. Het enige wat ik ter verontschuldiging aan kan voeren is, dat ik het destijds zo ‘zag’.
Deze brief is de vrucht van een veranderingsproces. Die verandering heeft niets te maken met enige mate van twijfel aan de rechtmatigheid van de vrijmaking van 1944. Ik heb er Gods weg in gezien dat ik binnen deze kerken dienaar van het evangelie mocht en nog mag zijn. Mijn dankbaarheid daarvoor is gebleven, en ik voel mij hartelijk verbonden aan mensen uit alle stromingen die er vandaag binnen onze kerken zijn, ook als zij moeite zullen hebben met deze brief. Maar ik moet tegelijk toegeven dat ik later pas ben gaan inzien wat anderen voor mij reeds zagen. Ik was destijds doof voor kritiek die ik ook toen had moeten horen. Nu sluit ik me aan bij de kritiek van b.v. ds. Wesseling, wat ik ook in 1972 op de synode van Hattem had kunnen doen.
Natuurlijk heb ik overwogen, of het niet beter was dat anderen en niet ik mij tot uw vergadering zou wenden. Maar ik heb onlangs een boek onder de titel ‘Hoe gaan wij verder?’ gepubliceerd, omdat niemand anders onder ons het jaar 2000 aangreep voor het verbinden van ons verleden aan het heden en de toekomst. In dat boek wees ik reeds op de noodzaak van een schuldbelijdenis. Waarom zou ik dat dan ook niet zelf voorleggen aan uw vergadering, die daarvoor de geschikte instantie moet heten?

 Uw broeder in Christus,

 J. Douma

  



[1] Acta Leusden 1999, 696.

[2] Acta Leusden 1999, art.84 (pag. 227).

[3] Zo verklaarde ds. Schoep dat hij onder het fundament van de kerk inderdaad Jezus Christus verstaan wilde hebben. Zie De Reformatie, 41e jg. (1965/66), 330. Het is aan te tonen dat voor ds. Schoep het fundament Jezus Christus in modern-oecumenische zin werd opgevat en zou moeten leiden tot een relativering van de gereformeerde confessie.

[4] K. Schilder, aangehaald  in De Reformatie, 37e jg. (1965/66), 146.

[5] Acta Amersfoort-West 1967, art. 162 B ad 3; Acta Hoogeveen 1970/71, 68.

[6] De Reformatie, 41e jg. (1965/66), 325.

[7] Als ik een confessie of punten daaruit niet zo belangrijk vind, zal ik ook gemakkelijker pleiten voor een losser functioneren van de confessie binnen de kerken. Afwijkingen, zoals van ds. Telder, moeten dan geduld worden, ook al schrijft hij een boek dat duidelijk afwijkt van de belijdenis uit Zondag 22. Wie dergelijke afwijkingen zonder meer wil dulden, zal zich vaak heftig verzetten tegen hen die vinden dat het ondertekeningsformulier hier in geding is. Terwijl toch de afspraak is dat hij die afwijkt van de belijdenis, zich verplicht moet weten zijn afwijkend gevoelen via de kerkelijke weg aan de orde te stellen.

[8] Acta Amersfoort-West, art.18.

[9]  In latere zittingen beoordeelde de generale synode van Amersfoort-West wel de bezwaren die de particuliere synode van Noord-Holland tegen het wegzenden van ds. Schoep inbracht. Waarom? De generale synode was van oordeel dat dit moest gebeuren, “omdat de mogelijkheid zou kunnen bestaan, dat de aangevoerde bezwaren haar noodzaken ds. B.J.F. Schoep alsnog als lid van haar vergadering te ontvangen”, art. 162. Terugredenerend had het voor de hand gelegen soortgelijke ‘aangevoerde bezwaren’ reeds uit de mond van ds. Schoep aan te horen voordat men tot het besluit kwam hem niet als afgevaardigde te ontvangen.

[10] Acta Hattem 1972, art. 226, m.n., m.n. pag. 254.

[11] Acta Hoogeveen 1907/71, pag. 164.

[12] C. Trimp,  Beding en Nieuw Beding, artikel in Gereformeerd Gezinsblad van 1 december 1967.

[13]  Als we b.v. in de Acta Amersfoort-West, pag.161vv een en andermaal lezen dat de particuliere synode van Noord-Holland de “strekking “ van een bepaalde passage uit de Open Brief niet juist heeft gelezen, kunnen we ons afvragen, welke garanties er zijn dat de generale synode wél de juist interpretatie geeft. Hoe kon men uit zulke kwesties geraken zonder dat het in elk geval met de betreffende ondertekenaar tot een gesprek was gekomen, voordat men met vrijmoedigheid kan verklaren: zó staat het er en niet anders?

Reacties zijn gesloten.