Kort commentaar 16-17

[16] Prof. J. Kamphuis overleden 

  In het Nederlands Dagblad van 15 december jl. heb ik een ‘In memoriam’ geschreven naar aanleiding  van het overlijden van prof. J. Kamphuis (1921-2011). Wat ik daarin geschreven heb, ga ik hier niet herhalen, omdat de meeste lezers van deze site ook het Nederlands Dagblad kennen. Ik breng alleen in herinnering dat ik op een strijd heb gewezen, die Kamphuis en mij verenigde: de strijd voor het behoud van de gereformeerde confessie als grondslag van ons kerkelijk leven. Dat wij het soms met elkaar oneens waren, is secundair vergeleken met wat ons verenigde. Er waren verschillen, maar overzie ik ons beider leven binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), dan herhaal ik toch maar even het slot van mijn ‘In memoriam’ : wat ons als vrijgemaakt-gereformeerden soms had verdeeld, deed niets af aan wat ons als gereformeerde belijders bleef verbinden.
Toen ik afscheid van hem nam, was het eerste wat Kamphuis tegen mij zei: Ik verlang er naar te sterven en dan Jezus Christus te mogen zien! Dat was een eenvoudige, aanschouwelijke weergave van wat volgens  Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus de gelovige mag zeggen als hij sterft: mijn ziel wordt na dit leven terstond tot haar hoofd Christus opgenomen. Het is hetzelfde als wat de man die met Jezus gekruisigd werd te horen kreeg: ‘Nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn’ (Luk. 23,42). Wie dergelijke dingen zich indenkt en er amen op zegt, heeft als theoloog een kinderlijk geloof. Hij moet in de dagen van strijd en studie honderden geleerde bladzijden doorwerken over  hoe het zit met ‘lichaam en ziel’, met tussentoestand en eindgericht, met Jezus die toch nog eerst in het graf zou liggen voordat hij naar het paradijs ging,  enz. enz. Theologie kan ingewikkeld zijn, het geloof van de theologen spreekt de Here Jezus na of doet het niet.
Om het behoud van de gereformeerde religie is heel wat te doen geweest in het leven en werken van prof. Kamphuis. Om hetzelfde behoud is het ons op deze website te doen. Onderlinge verschillen waren er in de afgelopen veertig jaren van de geschiedenis van onze kerken. Onderlinge verschillen zullen er ook op deze website aangewezen (kunnen) worden. Maar het moet mogelijk blijven hoofdzaken van bijzaken te onderscheiden, al is dat reeds moeilijk genoeg. Onder hoofdzaken reken ik de christelijke leer en het daaraan beantwoordende christelijke leven, zoals daarvan duidelijk getuigd wordt in onze formulieren van eenheid.
Wij zijn niet van plan, evenmin als prof. Kamphuis dat deed, de gereformeerde kerken te verlaten, ook al durven wij van verval in het kerkelijk leven te spreken en lijden wij daaronder. God moet ons de weg wijzen om én precies én tolerant te zijn. Niet zwijgen dus als de christelijke leer wordt aangevallen of als minder belangrijk dreigt onder te sneeuwen. Dan moeten we precies zeggen wat er dreigt, ‘precies’ als destijds toen Zondag 22 werd bestreden. Maar tegelijk moeten we tolerant zijn door niet altijd en overal de lat aan te leggen van: is het nog een  ‘ware’ of al een ‘valse’ kerk? De maatstaf van waar en vals vinden we inderdaad in onze confessie (NGB, art. 29). En zij moet gebruikt worden. Maar dat vraagt om iets anders dan er altijd en overal mee te zwaaien. De nieuwtestamentische brieven laten duidelijk zien dat er soms heel veel mankeert aan kerken, zonder dat zij als kerken van Christus hebben afgedaan. Vervallen kerken zijn nog geen valse kerken, al kunnen ze het worden. Dat maakt ons voorzichtig en alert.

 

[17] Mevrouw Kamphuis

  Toen ik mijn ‘In memoriam’ in het Nederlands Dagblad schreef, had ik daarin ook een passage willen opnemen over de vrouw van prof. Kamphuis. Maar ik was aan een bepaalde omvang van mijn stuk gebonden en daarom moest ik schrappen. Gelukkig krijg ik nu de kans er wat over te schrijven. Kamphuis heeft in zijn lang en gelukkig huwelijk veel steun ondervonden van zijn vrouw. Zelf was hij niet erg technisch en liet hij alles wat hij nog met zijn pen schreef, uittypen door zijn vrouw die dat uitstekend kon, zodat zijn verhalen keurig bij de drukker binnenkwamen.   Zijn vrouw heeft hem geholpen, ongetwijfeld ook hiermee dat niet alles wat haar man schreef, zo in de krant belandde. Tenminste die ervaring heb ik zelf als je het voorrecht bezit, dat je in je vrouw altijd een kritische meelezer hebt. Mevrouw  Kamphuis wist ook prima wat er gaande was in de kerken. Zij was jarenlang presidente van de Bond van Vrouwenverenigingen.
Mevr. Kamphuis bewaakte ook de agenda van haar man. Vrouwen zijn doorgaans beter in staat ‘nee’ te zeggen dan mannen als het over zijn agenda gaat. Niet altijd wint zij het dan. Ik herinner mij een passage uit Met open vizier, waarin Peter Bergwerff en Tjerk S. de Vries uitvoerig Kamphuis interviewden. Op een beslissende vergadering over de voortzetting van het blad De Reformatie werd op Kamphuis een beroep gedaan, toen prof. H.J. Schilder voor deze eer bedankte, de rubriek ‘Kerkelijk leven’ voor zijn rekening te nemen. Dat was en werd veruit de meest gelezen, maar ook de meest omstreden rubriek! Kamphuis zwichtte, hoewel zijn vrouw tegen hem gezegd had: ‘Je komt niet terug als redacteur kerkelijk leven. Dan kun je je studie wel opgeven en je bent ook niet zo’n beer wat je gezondheid betreft’.  Hij durfde zijn vrouw na de vergadering niet goed onder de ogen te komen. Maar zijn Rotterdamse collega ds. Knoop, die met hem van de bewuste vergadering naar huis reisde, zei tegen hem dat hij dan wel naar boven zou gaan om de beslissing van haar man tegenover haar te verdedigen!
Hoe waakzaam zij was om haar man zoveel mogelijk te sparen, heb ik ook zelf eens ondervonden. Ik was toen nog predikant in Rijnsburg. In die tijd heb ik eens een brief naar Kamphuis geschreven met kritiek op ik weet niet meer welke passage uit een Reformatie-artikel van hem. Wat hij daarin schreef, vond ik te ver gaan. Kort daarop kreeg ik een telefoontje van zijn vrouw, die mij zei dat zij mijn brief niet naar haar man had doorgespeeld, omdat hij er lichamelijk of geestelijk op dat moment vrij slecht aan toe was. Ik had bewondering voor haar moed een brief te onderscheppen en mij daarvan op de hoogte te brengen! Ze kon wat mij betreft met de brief doen wat ze wilde.
Mocht ik ooit getwijfeld hebben aan de onderlinge genegenheid tussen prof. Kamphuis en zijn vrouw, dan zouden de  laatste jaren die zij samen hebben doorgebracht, mij alleen maar kunnen weerspreken. Zij was heel doof geworden, zodat hij zich moest inspannen voor zichzelf, maar ook voor anderen om contact met haar te leggen. Blindheid, zegt men, wekt medelijden, doofheid wekt irritatie. Wat heeft hij zich ingespannen haar te helpen om het ernstig mankement van haar doofheid zoveel mogelijk te verzachten! Zijn inzet en zorgzaamheid blijven voor mij  een voorbeeld van geduld en van liefde.
Ik mag aannemen dat mevr. Kamphuis dit ‘Kort commentaar’ nog kan lezen. Daarom zend ik het haar toe als bewijs van onze hartelijke genegenheid, niet alleen voor onze overleden vriend en broeder, maar ook voor haar, die zijn steun en toeverlaat was!

 

Reacties zijn gesloten.