In gesprek met professor J. Kamphuis

 Aan de rand van Ommen, dichtbij de rivier de Vecht, woont het echtpaar Kamphuis-  Gijsbers.  Mevr. Kamphuis mocht reeds de leeftijd van 90 jaar  bereiken; haar man hoopt het, als God het geeft, dit jaar te worden. Het is al weer 17 jaar geleden dat zij Kampen verlieten, de plaats waar professor J. Kamphuis jarenlang als hoogleraar verbonden was aan de Theologische Hogeschool/Universiteit aan de Broederweg. Eerst als hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht en daarna in de dogmatiek. We zochten professor Kamphuis en zijn vrouw op in hun ruime serviceflat aan de Dikkersstraat nr. 1.

Professor, hoe kijkt u op die tijd terug? Hoe hebt u uw hoogleraarschap  kerkgeschiedenis en kerkrecht ( 1959-1979) en daarna in de dogmatiek ( 1979-1985) beleefd? Het zou fijn zijn als u daarbij ook uw publicaties kunt betrekken. Om op die manier ook een generatie die u niet als hoogleraar in actieve dienst heeft ‘gekend’ over uw werk te informeren. 

  Kamphuis:
“Ik heb me altijd thuis gevoeld in de studeerkamer (vooral bij de voorbereiding van colleges) èn in de collegezaal, bijvoorbeeld bij kerkrecht. Er waren zoveel mooie onderwerpen. Het lijkt misschien dor, technisch, maar het is zo  mooi. Mijn voorganger de ‘oude’ professor P. Deddens typeerde kerkrecht als: ‘het recht van Christus in de kerk van Christus’. Prachtig bondig èn van theologisch niveau! Maar nu  concreet. Eén voorbeeld: hoe moeten we de ouderlingen in de kerk zien? Hoe te handelen als er gebrek is en steeds ontheffing wordt gevraagd? Tegenwoordig speelt dit – naar mij ter ore komt- in nogal wat gemeenten. Dan is het uitgangspunt: het rècht van Christus op onze dienst aan Hem, in zijn kerk èn de rijkdom en heiligheid van het ambt. Zó spreekt de  apostel Paulus tegen de ouderlingen in Efeze, Handelingen 20: 28:  Zorg voor uzelf en voor de hele kudde waarover de heilige Geest u als herder heeft aangesteld; u bent de opzieners van Gods gemeente, die hij verworven heeft door het bloed van zijn eigen Zoon. In het ouderlingen-ambt hebben we met het werk van de Heilige Geest te doen èn met de koop door het bloed van Gods eigen Zoon . Dàt is het niveau waarop de kerkenraad moet handelen! Ook als er moeite is. De gemeente moet ook onderwézen worden over het ‘zoeken naar betrouwbare mensen’ die het evangelie kunnen dóórgeven aan opvolgers (2 Tim. 2: 2). De pastorale brieven van Paulus staan er vol van! Zie hoe mooi Paulus het ouderlingen-ambt aan Timoteüs voorhoudt (1 Tim. 3: 1) en de opdracht aan Titus (Titus 1: 5). Denk ook aan Petrus  (1 Petrus 5: 2). Er zou hier een serie preken over te houden zijn!”

 Kijk verder

Kamphuis formuleert bedachtzaam.  En hij doet dat rustig. De krachten zijn sterk afgenomen. Toen we vanuit de gang naar de ruime studeerkamer liepen en goed en wel zaten, was het eerste wat hij zei: ‘je merkt jongen, dat ik achter adem ben, mijn  hart is niet sterk meer.’ In het spreken komt op kernmomenten zijn sterke betrokkenheid uit als het gaat om de dienst aan God, momenten waarbij de stem zich ietwat zangerig kleurt. Als zat ik weer bij professor Kamphuis in de collegezaal, al weer 35 jaar geleden. Die ons ook verder liet kijken dan de theologie. Voor hem openen dichters en prozaschrijvers vensters op de tijd waarin we leven. En zo schreef  Kamphuis een viertal boeiende essays over Gerrit Achterberg, H. Marsman, Simon Vestdijk en J.H. Leopold. Want, zo schreef hij in de bundel waarin de essays zijn opgenomen ( ‘Tolken van hun tijd’, pag. 7): ‘we moeten weet hebben in welke wereld we leven’. Daarom schreef hij ook over Maarten ’t Hart  in ‘Nietzsche in Nederland’. En altijd ‘koers zetten naar de einder’, aldus Kamphuis  in ‘Tolken van hun tijd’.

Professor, hoe is uw ervaring als het gaat om de kerkgeschiedenis? Als u ook terugdenkt aan wat u daarover hebt geschreven.

Kamphuis:
“Het eerste wat ik in die hoedanigheid schreef, was:  ‘Een fragment uit de strijd van dominocratie contra Dominocratie’, uit  1959. Daarin gaf ik aan, hoe de Remonstranten in de kerkelijke leiding alle accent legden op de positie van de predikant. Een raad van ouderlingen deed er niet toe. Met als desastreus gevolg dat vrijzinnigheid de kerk in haar greep kon krijgen.
Bij kerkgeschiedenis wordt vaak gedacht : kerkgeschiedenis is taai, niet interessant. Ja, als je bij de hoofdlijnen in een handboek blijft ! Maar hoe meer in detail, hoe spannender! Je ontmoet ménsen van Gods kerk,  mèt hun moeiten, aanvechtingen en overwinningen. Hoe dichter je bij Hendrik de Cock komt ( Afscheiding, 1834) hoe spannender het wordt: De Cock in zijn geloofsmoed en in zijn misslagen. Denk aan:  de gezangenkwestie, naar aanleiding De Cocks medewerking aan een geschrift over de gezangen van de hand van Jacobus Klok uit Delfzijl; aan de vriendschap met ds. H.P.Scholte  èn de verwijdering tussen deze twee hartsvrienden (zie HarmVeldman: Hendrik de Cock). Mijn studie richtte zich vooral op de 19 eeuw. Ik schreef ‘Isaäc da Costa en de Afscheiding van 1834’. Ik richtte me vooral op Groen van Prinsterer, als historicus (met z’n Geschiedenis van het  Vaderland) en als staatsman ( z’n ‘Ongeloof en Revolutie’).  En vooral op Groen als de centrale figuur van het Reveil. Boeiend is de verhouding van Groen tot A.Kuyper. Het waren medestanders, maar wát een karakterverschillen. Lees de correspondentie tussen die twee!”

 Toen kwam die nieuwe fase: van de kerkgeschiedenis naar de dogmatiek. Nogal een overgang. En  naar de mens gesproken had u toen nog maar zes jaar als actief hoogleraar te gaan.

Kamphuis:
“Ik had zo graag een boek over de 19-e eeuw gegeven. Het is er niet van gekomen. Maar toch: hoe fijn om dogmatische onderwerpen eerbiedig proberen te benaderen met het geloofszicht op God – in – Christus. ’k Ben begonnen met een schets van de strijd over ‘verbond’. Vandaar mijn: ‘Een eeuwig verbond’. Ik raakte steeds meer geboeid door de eschatologie (de leer van de laatste dingen) . Ik schreef: ‘Uit verlies winst- het beeld van God en het komende koninkrijk’. En vervolgens was er mijn afscheidscollege over het thema: ‘Het Lam van God in het nieuwe Jeruzalem’ (1985). Daarin stelde ik ook kritische vragen aan mijn leermeester K.Schilder (bekend van zijn  boek: ‘Wat is de hemel?’).”

 Mag ik toch nog een vraag over uw schrijven stellen? Op welke publicatie ziet u het liefst terug?

Kamphuis:
“Dat wisselt al naar gelang ik nu nog met bepaalde zaken bezig ben. In het algemeen geloof ik met  veel dankbaarheid terug te mogen zien – wat betreft kerkgeschiedenis/kerkrecht-  op de studie ‘Kerkelijke besluitvaardigheid’ (1970). Omdat ik meen dat ik als het gaat om art. 31 van de K.O. , de zaak van de ratificatie van kerkelijke besluiten, verder heb mogen brengen. En als het gaat om de 19-e eeuwse kerkgeschiedenis, denk ik met heel veel genoegen terug aan wat ik heb mogen schrijven over Groen van Prinsterer. Niet eens zozeer om de inhoud.  Het beoordelen van de kwaliteit ervan past mij niet. Maar omdat ‘Groen’ zo gaaf is: het is een man die eigenlijk nooit teleurstelt, zoals Rolf Bremmer eens opmerkte. Met hem bezig te zijn geweest, is zo’n grote verrijking  van mijn leven geweest dat ik er klein van word. Over Groen schreef ik herhaaldelijk, vooral ook over zijn methode van geschiedschrijving.”

Professor, u bewoog zich sterk in het kerkelijk leven. Op allerlei manier. Informerend,  adviserend. Ook in kerkelijk spannende tijden. Hoe kijkt u tegen de kerkelijke situatie van vandaag aan?

 Kamphuis:
“Een man van bijna 90 jaar past in het uitbrengen van een publiek oordeel bescheidenheid. Ik heb de tijd achter mij, dat ik aan het publieke debat heb meegedaan. Maar iets wil ik nog wel kwijt. Laat me iets mogen zeggen over de zogenaamde Nationale Synode waarover veel te doen is èn is geweest. Ik beperk mij tot één enkele opmerking die m.i. ieder kan controleren. Ik heb de naam waarmee deze geruchtmakende beweging in het openbaar is opgetreden onjuist gevonden: Nationale Synode. Men heeft zich beroepen op de letterlijke betekenis van de term Nationale Synode, nl.: Nationale Samenkomst. Synode, zo zei men, is namelijk ‘samenkomst’. Dus eigenlijk is de naam onschuldig. Dat is onjuist. Er is een Latijns gezegde ‘verba valent usu’. Dit wil zoveel zeggen als: de woorden krijgen hun betekenis door het gebruik. Welnu, door het gebruik heeft de naam ‘synode’ de betekenis van een  kèrkelijke samenkomst. En dat is deze ‘Nat. Synode’ niet. Dus wordt verwarring gesticht, terwijl men verenigend wil werken. Ik ben er dankbaar voor dat ònze synode  (zoals  het ‘vergadernieuws’ van 27-05-2011 aangeeft) deputaten die er naar toe gaan oproept  om in de contacten het ‘katholieke gereformeerde belijden naar de Schriften’ in te brengen. Maar ik sta wat verwonderd te kijken naar wat er aan vooraf gaat: ‘zonder dat eenheid als doel wordt nagestreefd’. Ik geloof dat wezenlijk voor het  ‘katholieke gereformeerde belijden’ altijd is:  de tendens tot de begeerte naar Christelijke éénheid. Ook begrijp ik niet zo goed wat in dit verband ook wordt gezegd: ‘contact met andere protestantse kerken (kan) vrijmoedig en onbekommerd worden aangegaan’. Dus zonder  dat eenheid als doel wordt nagestreefd. Vooral het ‘onbekommerd’ klinkt mij als al te onbekommerd!
Het zou goed zijn m.i. als men van de kant van de deelnemers aan de Nat. Synode eens naging hoeveel moeite Groen van Prinsterer zich in zijn tijd met de beweging van de ‘christelijke vrienden’- wat een mooie naam in dit verband- heeft gegeven, waarin hij als voorzitter een centrale plaats had. In alle voorzichtigheid stelde hij de éénheid van de kerk steeds aan de orde, waarbij hij de kerkelijke belijdenis èn haar rechten in het oog wilde hebben. Groen zei: in de belijdenis hebben we te doen met de autobiografie van de kerk. Maar tenslotte moest hij aanzien dat de beweging verliep.”

 Dat ‘te onbekommerd’ zou Kamphuis ook zien als het zou gaan om een  gezamenlijk studieproject van GKV en NGK over het vraagstuk van homoseksualiteit.

Kamphuis:
“Daarin heeft de NGK immers al standpunten  ingenomen.”


Als het om standpunten en ruimte gaat binnen de kerk, Kamphuis herinnert zich een vraag die een predikant uit de NG kerk onlangs aan hem stelde: ‘hoe kijkt u nú tegen ons aan?’

 Kamphuis:
“Ik heb  toen gezegd: Telder en Vonk hebben destijds een wezenlijk punt van de belijdenis geschonden.  En ik weet dat u het met hen eens bent. Ik heb hem toen duidelijk gemaakt dat het ‘nee’ tegen Zondag 22 een nee is tegen de gereformeerde belijdenis. Dat is toch een van de rijkdommen van de catechismus en dat verloochent u. En de catechismus is ook een katholieke belijdenis. Telder heeft tegenspraak gevonden bij mensen als J. van Genderen  en ook bij iemand als G.C. Berkouwer. Dit kan niet. Dat vind ik een wezenlijk punt. Niet dat die stelling van Vonk (‘De doden weten niets’) door veel mensen meer onderschreven zal worden. Want zoiets loopt weer een keer weg. Maar het kan binnen de NG kerken! ’t Is een kwestie van tolerantie, van verdraagzaamheid. Als de christelijke belijdenis weersproken wordt, moet de kerk waakzaam wezen, tot het uiterste! (Daarom vind ik het boek van Jelier Wiskerke zo goed: Léven tussen sterven en opstanding). Maar het is net of dat eigenlijk niet meer naar voren mag komen. Terugkomend op het vraagstuk van de homoseksualiteit: docent Rose in Kampen heeft daarover een voortreffelijk verhaal geschreven. Hij noemt het een onheilsweg.”

 Professor, er gaan stemmen op die zeggen dat de kerk moet aangeven dat voor het aangaan van een homoseksuele relatie ruimte moet zijn zonder dat iedereen het daarmee eens hoeft te zijn. Als deze gedachte binnen de kerk aanvaarding gaat vinden,  horen we dit dan in elkaar te dragen of kan dit niet?

Kamphuis:
“Als er beslissingen komen die tegen Gods waarheid zijn en als dan de synode, als kérken in synodeverband,  daarvoor kiezen, als aangevoerde bezwaren niet helpen,  dan moet je dat goed argumenteren uiteraard maar dan zou de tijd kunnen komen dat je een scheidbrief moet geven. In dit geval is sprake van vrijzinnige ethiek, onder dwang van de huidige cultuur. Maar het is zelfs al onjuist om zo’n mogelijkheid om zo te zeggen te ‘plannen’. De kerk is geen vereniging, ook niet van religieuze mensen; zelfs niet van gereformeerde mensen. De kerk is van Christus. Rondom Hém ontstaat een nieuwe gemeenschap.” 

In de vrijgemaakte kerk zijn ook recent helaas opnieuw breuken geslagen. En dat doet wat met een  mens. Zeker ook bij professor Kamphuis.

Kamphuis:
‘Ds. Heres glipt weg, ds. Hogendoorn heeft nog wat geprobeerd, ook weg, en ds. Van Gurp is weg. Toen Van Gurp, een oude studievriend, die stap zette, heb ik daar nachten van wakker gelegen. Maar bij alle zorg om de kerk die ik toen had, kon ik Van Gurp niet volgen. Ik heb destijds ook wel gedacht: ben ik nou te slap? Maar daar ben ik met overtuiging boven uit gekomen. Ik behoorde te blijven. Er is ook het ‘lijden aan de kerk’.‘Weggaan’ was geen optie. Het was ver van mij.  En dat is nog mijn vaste overtuiging. Aan een kerk in moeite geef je geen afscheidsbrief. ‘t Is de kerk van Christus. En dan moet gezegd worden: wat kan Calvijn daar zachtmoedig over praten. Hij zegt ‘dat er niemand is die niet door een lichte nevel van onwetendheid omhuld is’. En in het verdere betoog zet hij nog zwaardere accenten! Het is de kerk van Christus. Híj vergadert zijn gemeente.”

Nog graag iets over de School van de kerken die u zoveel jaren hebt mogen dienen.  Hoe is uw verhouding tot het huidige ‘Kampen’ in het  midden van de kerken?

Kamphuis:
“Ik kom eigenlijk niet meer in Kampen, noch op de universiteit noch in de bibliotheek. Helaas is de afstand een moeilijkheid geworden. Het zal dan een oordeel uit de verte zijn. Daar moet men voorzichtig mee zijn. Maar in het algemeen twee opmerkingen:
a.Ik heb veel bewondering voor de ijver  die ‘Kampen’ zich met betrekking tot onderzoek getroost, bijvoorbeeld in de indrukwekkende reeks promoties die aan de universiteit plaats vinden. We moeten niet onderschatten hoeveel werk hierin  geïnvesteerd is door de verschillende studiebegeleiders! Ik neem van de verschenen dissertaties vaak met veel respect kennis. Maar heb daarmee toch ook weer zoveel werk op me geladen dat ik hiermee al weer tijd tekort kom!
b.Iets anders is dat ik soms wel de indruk heb dat de reorganisatie van de universiteit die na het vertrek van de vorige generatie hoogleraren (waarvan ik er één was) plaatsvond niet zo gunstig heeft gewerkt op de intensiteit van de sámen-werking, zoal die er in ‘mijn tijd ‘ tussen docenten bestond: de samenwerking in senaatsverband èn daar buitenom in de vele contacten tussen de colleges door. Is die indruk juist dan bemoeilijkt dat een als het ware vanzelfsprekende eenheids-optreden naar buiten en in het midden van de kerken. Maar laten we nuchter zijn. In de loop van de jaren na de Stichting van de School in Kampen in 1854 trad Kampen ook lang niet altijd met  kracht als eenheid naar buiten naar de kerken toe. Toch – ondanks alle strubbelingen en soms tijdelijke verwijderingen, ook ondanks smartelijke bejegeningen (zo richting docent Steketee!) groeide er ‘éénheid – in verscheidenheid. Tegelijk groeide er ook eigenheid en herkenbaarheid  àls ‘Kampen’ als een gereformeerd theologisch instituut  met uitstraling naar buiten toe: een confessioneel bepaalde identiteit waar ieder van de docenten in deelde.”

 Zorg is er over de gereformeerde  pers. Zo mist Kamphuis in de kerkelijke pers vaak overtuiging en stimulans. Dat geeft een gevoel van eenzaamheid.

Kamphuis:
“Laat me één voorbeeld noemen. Ik ben verontrust over de ontwikkeling van het Nederlands Dagblad. Ook hier is nog altijd veel waardevols te noteren. Ik vind de journalistiek bijvoorbeeld van de buitenland–redactie indrukwekkend. Ik lees graag veel van de hoofdredactionele commentaren, maar anderzijds zijn er ook punten die vervreemdend werken, zoals bijvoorbeeld in het nummer van 16 april 2010. Daarin staat een artikel van dr. G.Harinck over K.Schilder’s publiek optreden na zijn gevangenschap in 1940 en vóór zijn ‘onderduiken’ in 1942. Het staat onder de titel: ‘van moed tot  bevreemdend zwijgen’. De moed in Schilder was er voor zijn gevangenschap. Maar na zijn gevangenschap  zegt Harinck: ja wat zei hij toen eigenlijk nog? Hij hield zijn mond. En dat is dan dat ‘bevreemdend zwijgen’. Nu, dat is de  mening van Harinck. Goed. Maar dat komt uitgebreid in het Nederlands Dagblad ! Het is zo mis als wat. Want Schilder kwam terug uit gevangenschap van 3½ maand. En hij had geen blad meer. Hij was geen man om in een illegaal blaadje te schrijven onder redactie van anderen. Hij was een man van een eigen blad. Dat, de illegale pers in,  heeft hij niet gedaan. ‘k Weet ook niet of hij daaraan ooit gedacht heeft.  Wat deed Schilder toen hij weer vrij was? Hij is gaan préken! Dat was zijn manier van protest. Harinck loopt daar wel wat luchtig over heen. Vanaf de kansel keerde Schilder zich tegen het ‘ras, bloed en bodem’ van het  Nazisme. En daar zijn  ontroerende voorbeelden van. Zo preekte hij op een zondag in Rotterdam-Delfshaven, vlak voordat hij onderdook. Ds. Smilde een collega predikant was net de vorige dag door de Gestapo gevangen genomen, vanwege een preek die hij had gehouden. En Schilder preekt dus die zondag in Delfshaven. En dan toornt hij tegen die ras , bloed en bodem theorie. In de preek zegt hij : ‘ik ken geen kafferkerk en ik ken geen blanke kerk. Ik ken de kerk van Jezus Christus’. Ook een J.Ridderbos in zijn dissertatie over K.Schilder zegt: dat was een moedige preek.  Dat was Schilder in zijn kracht van getuigen. Een preek in die bedreigende situatie in Delfshaven waar ze wisten dat de Gestapo op de loer lag en K.S. daarna moest onderduiken. Toen heeft Schilder een vlammend en ook evangelisch betoog gehouden. En dan zegt Harinck: ‘van moed tot bevreemdend zwijgen’. Nu als er één gesproken heeft, létterlijk gespróken , dan was het wel professor Schilder. Bevreemdend zwijgen? Nee. Van het Nederlands Dagblad? Vervreemdende journalistiek!”

Ook een andere scribent van het ND wordt door Kamphuis genoemd: professor  Van de Beek, met zijn strikt verticalistisch denken. “De man krijgt in het Nederlands dagblad alle ruimte. Onbegrijpelijk!”

De laatste fase.

Tijdens het gesprek serveert mevr. Kamphuis koffie. Keurig op de rollator vervoerd naar de studeerkamer, waar alle wanden met boeken ‘bekleed’ zijn. Het bureau is niet leeg. Nee, geen computer. Maar daar wordt gestudeerd. Het toont de eigenaar: een man in de dienst aan God bezig zolang hij kan.

Professor, u zei aan het begin van het gesprek : ‘Ik ben in de laatste fase van mijn leven op aarde aangekomen.’ Wat komt daarin sterk op u af?

Kamphuis:
“Ik moet me instellen op veranderingen. Ook als het om het spreken over geloof  en kerk met een jonge generatie gaat, zeg maar de tweede generatie  na ons . Ik heb ook een nieuwe  stijl moeten  aanleren, in contact met jongeren uit mijn naaste omgeving.
En wat ons beiden betreft. Er is verzwakking van krachten. Ik ben heel blij dat mijn vrouw en ik nog samen zijn en dat ik in de zorg veel voor haar kan betekenen. Ook onze kinderen bieden fijne hulp. Ik hecht aan dit leven en wil hier graag blijven. Maar tegelijk leeft bij mij het sterke verlangen om bij mijn Heer te mogen zijn. Om daar bij de Heer ook collega’s, met wie je jaren bent opgetrokken in Gods dienst, weer te mogen ontmoeten.”

Bij het afscheid een foto, van u beiden. Kan dat?

Dat kan. Kamphuis pakt liefdevol de hand van zijn vrouw en zo nemen we afscheid, van twee mensen in de broosheid van hun hoge leeftijd maar in een vast vertrouwen op hun hemelse Vader.

Ommen. 1 juni 2011.

ds. Alko Driest

 

 

 

 

 

 

 

 

Reacties zijn gesloten.