Independentisme rond de middagdienst

 ds. A. Bas

 Op 10 november jl. hield ds W. van der Schee in Zwolle een lezing over de tweede dienst op zondag, die hij publiceerde op zijn website. In zijn studententijd stond hij bekend als iemand met een grote voorliefde voor moeilijke woorden. Maar in zijn lezing blijkt daar niets meer van: het is een glashelder verhaal. Wel roept het een moeilijk woord op: independent.

 Kern van het betoog van Van der Schee is, dat gemeenten zelf moeten uitmaken of ze al dan niet behoefte hebben aan een tweede kerkdienst. En zo ja, welke invulling ze daaraan geven. Of ze er een echte kerkdienst van maken, of toch meer een doelgroepen-activiteit. De praktijk zoals die tot voor kort onder ons algemeen gebruikelijk was, is volgens hem ‘historisch bepaald, en heeft geen directe boodschap uit de bijbel achter zich’. Het gewicht van de bepaling die tot op heden in artikel 65 van de Kerkorde staat, ‘is niet bijzonder groot’. Immers, die stamt pas uit 1978 en is niet meer dan een verwoording van de destijds bestaande praktijk.

 Independent

Dan nu het moeilijke woord, waar ik dit artikel mee begon: independent. Kort en goed wil dat zeggen, dat je als plaatselijke gemeente vooral je eigen gang gaat. En je maar weinig gelegen laat liggen, aan het verband van kerken waar je deel van uit maakt. En dat is precies, wat het betoog van Van der Schee behelst. Hij is naar Zwolle gekomen, ‘om te pleiten voor constructief nadenken en doorpraten over wat je als gemeente samen doet. Als de conclusie daarvan in uw gemeente is dat je samen op zondag een tweede kerkdienst wilt houden, doe dat vooral, vrolijk en enthousiast, en laat je door niemand aanpraten dat het achterlijk is en toch wel zal verdwijnen. Als de conclusie is dat je samen iets anders wilt, doe dat vooral, even vrolijk en enthousiast, en laat je door niemand aanpraten dat het eigenlijk niet mag.’
            Van der Schee komt tot deze benadering op grond van een analyse van de veranderingen die de afgelopen tien, twintig jaar onder ons gaande zijn. Het typerende daarvan noemt hij, dat het niet gaat om veranderingen of gebeurtenissen die geregisseerd of georganiseerd worden door bepaalde mensen. Ze ‘gebeuren’ gewoon, en dus moet je er ook wat mee. Het domste wat we doen kunnen, is proberen de boel te bevriezen en de status quo te handhaven. Genoemde veranderingen vragen om creativiteit, en oplossingen moeten in de plaatselijke gemeente gevonden worden. Het is immers de gemeente, die de ‘eigenaar’ van de kerkdienst is. Het moet gezegd: Van der Schee voelt feilloos aan wat veel mensen vandaag de dag verwachten, en sluit daar ook naadloos bij aan. Minder, of eigenlijk: geen aansluiting is er, bij wat de kerken gezamenlijk besloten hebben. En evenmin bij de geschiedenis van die kerken. En dat noemen we dus ‘independent’.

 Geschiedenis

Feit is en blijft, dat de tweede dienst onder ons al een lange geschiedenis heeft. Al in 1586 bepaalden de kerken gezamenlijk: ‘de Dienaars zullen alomme des Zondags ordinaarlijk in de namiddagsche predikatie de somma der Christelijke leer, in den Catechismus vervat, kortelijk uitleggen, alzoo dat dezelve jaarlijks mag geëindigd worden, volgens de afdeeling des Catechismus zelven daarop gemaakt’. Sindsdien heeft een dergelijk soort bepaling ook altijd in onze kerkorde gestaan, en dus is het wat flauw van Van der Schee om te stellen dat de opdracht om twee kerkdiensten te beleggen van betrekkelijk recente datum is. Want impliciet staat de tweede kerkdienst al ruim vier eeuwen lang in onze kerkorde…..
            Daar komt nog iets bij, wat eigenlijk nog veel belangrijker is. De kerken hebben destijds ook goede argumenten gehad om de middagdienst op te nemen in hun kerkorde. Want die was niet bedoeld om ’s middags nog eens dunnetjes over te doen wat ’s morgens ook al gebeurd was, maar om de gemeente onderwijs te geven in de leer van de Schrift. Vanuit de toenmalige omstandigheden laat zich dat ook goed verklaren: het evangelie van genade alleen was net weer onder een eeuwenoude laag stof vandaan gehaald, en dus moesten de broeders en zusters daar weer mee vertrouwd worden gemaakt. Oftewel, de middagdienst is nadrukkelijk ingesteld als leerdienst.[1]
            Nu zou iemand erop kunnen wijzen dat de omstandigheden van destijds allang de onze niet meer zijn. We leven niet meer in de tijd van de Reformatie en de gemeente is al eeuwen lang onderwezen in de leer van de Schrift. En daarom: zijn de omstandigheden inmiddels niet zozeer veranderd, dat we met een gerust hart afscheid kunnen nemen van de middagdienst? Nu, om eerlijk te zijn: dat zou je misschien wensen, maar de praktijk is een andere. Zelfs Van der Schee geeft dat toe als hij stelt: ‘als ik nu rondkijk in de gemeenten zie ik nog steeds behoefte aan onderwijs, sterker nog, ik zie er steeds meer behoefte aan, mee door het wegvallen van de kwaliteit in het algemene onderwijs.’ Maar waarom dan toch de middagdienst niet verdedigd?

 Gebod

Een antwoord op die vraag zou kunnen zijn, dat de Schrift ons die niet direct gebiedt. En op zich is dat een juiste constatering. Maar is daarmee alles gezegd? Er zijn zoveel dingen die niet terug gaan op een direct bijbels gebod, maar die we toch hartstochtelijk verdedigen. Sterker nog: Van der Schee doet dat zelf ook, als hij aan het slot van zijn lezing sterk benadrukt dat de morgendienst een eredienst heeft te zijn. Doel daarvan ‘is de verering van God en de viering van zijn evangelie’. De gemeente staat immers voor het hemelse Sion (Hebreeën) en moet aansluiten bij wat er in de hemel gebeurt volgens de schets van Openbaring 4 en 5.
            Hier zou heel wat over te zeggen zijn. Zo staat in de Catechismus mijns inziens veel meer de ‘verkondiging’ van het evangelie centraal dat ‘gehoord’ moet worden, dan de ‘viering’ ervan. Maar hoe dit verder ook zij, duidelijk is dat ook dit gebod (‘de morgendienst heeft een eredienst te zijn’) ons niet direct door de Schrift geboden wordt. Toch lijkt Van der Schee hier sterk aan te hechten, voert hij Schriftgedeelten aan die het zijns inziens ondersteunen en trekt hij er allerlei conclusies uit. En waarom zouden de kerken gezamenlijk dan niet precies hetzelfde mogen doen als het om de middagdienst als leerdienst gaat?

 Schrift

Verhelderend is op dit punt het rapport dat deputaten Eredienst hebben uitgebracht aan de Generale Synode van Leusden (1999). Dat rapport begint zo’n beetje, met te stellen dat er met betrekking tot de middagdienst geen sprake is van een goddelijke voorschrift. Maar desalniettemin wordt het een gulden regel genoemd om op zondag twee kerkdiensten te houden, en worden er tal van Schriftgegevens aangevoerd, die ter ondersteuning van die praktijk kunnen dienen. Zo wordt er bijvoorbeeld op gewezen, dat de gemeente van Christus met haar twee diensten laat uitkomen dat de zondag in zijn geheel ‘rustdag’ is. Als christenen vinden we onze rust ten diepste bij onze God en in de gemeente van zijn Zoon Jezus Christus, en daarom wordt de rustdag beheerst door de kerkgang.
            Een ander aspect is, dat wij in de diensten van elke rustdag als Gods kinderen de hemelse Vader en zijn Zoon Jezus Christus door de Heilige Geest het offer van onze dankbaarheid brengen. Een dankbaarheid die voortkomt uit het werk dat de Here Jezus voor ons gebracht heeft aan het kruis op Golgotha. In dat offer rusten wij en door dat offer ontvangen wij in de weg van schuldbelijdenis en gebed om vergeving, verzoening van onze zonden. Anders gezegd: Gods Woord is een onuitputtelijke bron om uit te drinken. En als je echt naar God verlangt, dan wil je uit die bron ook drinken. Zodat je leven zich vult met dankbaarheid.

 Nogmaals: independent

Betekent dit nu, dat een ieder zich hierdoor ook moet laten overtuigen? We onze ogen moeten sluiten voor de reële problemen die de middagdienst op dit moment oplevert, en er geen vragen bij mogen stellen? Nee, natuurlijk niet. Maar wel is er een bepaalde grens aan de manier waarop je als plaatselijke kerk met die vragen omgaat, en vorm geeft aan je eigen inzichten op dit punt. Immers, we hebben als kerken in artikel 65 van onze kerkorde de afspraak gemaakt dat ‘de kerkenraad de gemeente op de dag des Heren tweemaal zal samenroepen voor de eredienst’.
            (Ook) dit is één van de artikelen die krachtens artikel 84 van de kerkorde in gemeenschappelijk overleg zijn vastgesteld en in eensgezindheid aanvaard. Dit betekent niet, dat ze niet gewijzigd, aangevuld of verminderd kunnen worden. Alleen, en dat is het punt: een kerkeraad, classis of particuliere synode mag dit niet doen. ‘Zij zullen zich erop toeleggen de bepalingen van de kerkorde na te leven zolang ze niet door de generale synode zijn veranderd.’ Concreet betekent dit, dat het pleidooi van Van der Schee om zo nodig te stoppen met het beleggen van middagdiensten een pleidooi is voor kerkelijke ongehoorzaamheid.
            Daar komt nog bij, dat hij ook met het nodige dedain spreekt over de afspraken die de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) op het punt van de middagdienst gemaakt hebben. Het huidige artikel 65 van de kerkorde noemt hij ‘een kortzichtige en ondoordachte codificatie van gewoontes waarvan je uit de bijbel al kunt weten dat die “door het gebruik teloor gaan”’. En het voornemen om dit artikel in gewijzigde vorm ook in de nieuwe kerkorde op te nemen, noemt hij ‘kortzichtig en ondoordacht’. Al zal het praktisch niet veel uit maken: het gewicht van de regel is en wordt niet groter dan die van vuistregel. Het zijn dit soort uitspraken, die het woord ‘independent’ doen bovendrijven. En dat is bepaald geen compliment.



[1] Ik ga er hier nu aan voorbij, dat de christelijke kerk ook vóór de Reformatie aan deze onderwijzende taak al op een bepaalde manier vorm had gegeven. Wie hierover meer wil weten, verwijs ik onder meer naar de Acta van de GS Leusden 1999, blz. 375v.

Reacties zijn gesloten.