“Er is een tijd om te huilen en een tijd om te lachen…” (Pred. 3: 4a)

P.L. Storm

Een paar bekende woorden uit het boek Prediker heb ik als kop voor dit artikel gekozen. Uit een hoofdstuk waarin verzenlang opgesomd wordt dat er voor alles een tijd is. Prof. dr. J. Douma merkt erover op: “De op het eerste horen nogal vanzelfsprekende bewering in dit hoofdstuk, dat alles onder de hemel zijn uur en tijd heeft, krijgt een diepe betekenis. We moeten nl. bedenken dat het hier gaat over God, die alle dingen laat plaatsvinden op de tijd die Hij bepaald heeft. God heeft alles de goede plaats gegeven in de tijd (Pred. 3: 11).” En even later: “Het onbegrijpelijke van allerlei goddelijke beslissingen belet Prediker niet te zeggen dat God voor alle dingen de tijd bepaalt.” (uit: Spreuken Prediker Hooglied, Kampen 2006, p. 62v.).

 Vreugde en verdriet

 Ik herinner daaraan nu ik in dit artikel kort iets wil schrijven in verband met een tweetal medewerkers aan deze site.
De ene is prof. Douma zelf. De afgelopen week, op 23 november, mocht hij zijn tachtigste verjaardag vieren. Om die leeftijd te mogen halen in goede lichamelijke en geestelijke gezondheid is een voorrecht, een goede gave van de God die over onze tijden gaat. Er is een tijd om te lachen… Met hem zijn we de HERE er dankbaar voor. En we prijzen ons gelukkig als medewerkers aan deze site dat hij nog steeds waardevolle bijdragen eraan wil en kan leveren. We hopen dat de HERE hem nog een poos daarvoor de energie en scherpte van geest wil blijven geven. Wat zou het een vreugde voor hemzelf zijn, wanneer zijn analyses uit de afgelopen jaren van de koers in ons kerkelijk leven eens echt inhoudelijke aandacht (bijval of geargumenteerde weerlegging) zouden ontvangen!
De andere is ds. H.G. Gunnink. Hij moest op diezelfde 23e november aan het graf staan van één van zijn kinderen. Een zoon van hem overleed na maanden van ernstige ziekte op 34-jarige leeftijd, een vrouw en vijf kinderen achterlatend. Er is een tijd om te huilen en een tijd om te rouwen…
En het is God die de tijd bepaalt dat wij als zijn kinderen hier een weg hebben te gaan. Dat blijf je ook bij zo’n verdrietig sterven zeggen, hoezeer het voor ons onbegrijpelijke van deze goddelijke beslissing ook een beproeving is. We bidden ds. Gunnink, zijn vrouw, alle betrokken familie en in het bijzonder de weduwe en haar jonge gezin veel houvast toe in de beloften van de God die alles van ons door Hem gegeven leven in zijn boekrol heeft opgetekend, zodat aan de dagen van ons bestaan er niet één ontbreekt (Psalm 90: 16). Ook de jonggestorven br. J.H. Gunnink behoort Christus toe en zal dus opstaan wanneer Christus komt. Dat te mogen weten voorkomt niet dat we bij zulk sterven diepverdrietig treuren. Maar niet ‘zoals zij die geen hoop hebben’ (1 Tess. 4: 13).

 Interview

Aan de verjaardag van prof. Douma is aandacht geschonken door het Reformatorisch Dagblad. Op de bewuste 23e november publiceerde Maarten Stolk een interview met hem. En dat met als kop: ‘Prof. Douma lijdt aan de kerk’. Die kop is vooral ontleend aan het slot van het interview, wanneer Douma gevraagd wordt naar zijn zorgen over de gang van het kerkelijke leven in ons kerkverband. De zorg daarover en betrokkenheid daarbij is iets wat hem en de andere medewerkers aan deze site verbindt. Als ook de liefde voor die kerken, waarin we ons nog steeds voluit onze plaats en roeping zien, zoals in het interview ook uitkomt. Zo geldt ook rond deze mijlpaal van het behalen van de tachtig jaar: het is een tijd om te lachen én een tijd om te huilen. Laat ik iets uit het lezenswaardige interview mogen doorgeven.

Wie het hele interview wil lezen kan dat ook via internet doen. Gewoon klikken op deze link: http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/prof_douma_lijdt_aan_de_kerk_1_604930

In het eerste deel wordt het een en ander opgehaald uit de tijd van zijn predikantschap en hoogleraarschap. Hij benadrukt dat hij in al zijn werk altijd de gewone man in de gemeente voor ogen heeft gehouden. Hij zegt op een gegeven moment: “Je blijft dienaar van het Woord. Ik preek overigens nog geregeld en zal er pas mee ophouden als mijn vrouw of een ander die mij kritisch volgt, van mening is dat ik het bijltje erbij neer moet gooien.”
Gevraagd naar de uitgangspunten voor een Bijbelse ethiek merkt hij op: “Ik ga uit van het gezag dat de Bijbel over heel ons leven met al z’n uitingen heeft. Daarom was voor mij de beoefening van de ethiek de bezinning op het morele handelen, vanuit het perspectief dat ons in de Heilige Schrift geboden wordt. Dat uitgangspunt zie ik jammer genoeg niet terug in het moderne ethische debat. Als de kerken leeglopen en zelfs vaak niet de moed meer hebben om standpunten te verdedigen die al vanaf de oude kerk werden ingenomen, moet je niet verwachten dat je in het algemene debat nog veel christelijks terug zult vinden.” 

Douma legt vervolgens uit dat je niet op een goede manier ethiek bedrijft puur ‘door een serie Bijbelteksten op een rijtje te zetten’. Ook al zijn er zelfs bij een heleboel onderwerpen geen directe Bijbelteksten te vinden, dan heeft de Schrift toch nog veel te zeggen, wanneer je maar op de hoofdlijnen let. Hij geeft een voorbeeld: “Neem homofilie. Ik blijf bij mijn onderscheid tussen homofilie als geaardheid en homoseksualiteit als beleving van die geaardheid. Die geaardheid is bij velen een werkelijkheid. Maar zich homoseksueel gedragen door met iemand van hetzelfde geslacht samen te leven en zelfs een huwelijk aan te gaan, is een verkeerde keus. Dat noemen we nog geen sodomie, alsof Genesis 19 en Romeinen 1 zomaar op de huidige homoseksueel van toepassing zijn. Dat vind ik biblicisme. Maar vanuit de schepping en vanuit Christus gesproken is er alleen binnen het huwelijk seksuele gemeenschap mogelijk.” Douma laat zich bij dit onderwerp niet verleiden om uitspraken te doen over de onmacht van de synode van de CGK die dit jaar niet tot eensluidende richtlijnen inzake homofilie kon komen. Daarvoor kent hij achtergronden niet genoeg. “Wel kan ik in het algemeen zeggen dat de druk vanuit de samenleving om Bijbelse standpunten te laten varen, heel groot is. Je moet als kerk durf tonen.”

De onderlinge verdeeldheid binnen de kerken maakt het volgens Douma niet gemakkelijk om voor standpunten uit te komen die de kerk vroeger nog als vanzelfsprekend innam. Hij zegt in dat verband:  „Wat denkt u ervan dat in de visienota van de Protestantse Kerk in Nederland een zin over het ‘ongeboren leven’ weer verdwijnt omdat te veel synodeleden daarin lazen dat de PKN tegen abortus zou zijn? Dat dúrft deze kerk niet meer te zijn. Ik las een paar dagen later een tweet waarin stond: „Een kind van vijf jaar mag je geen tik geven, maar een kind van enkele maanden mag je wel in stukken knippen.””

Het gesprek gaat vervolgens over zijn Medische ethiek (uit 1997), waar Douma nog steeds achterstaat wat  de ingenomen standpunten betreft, al zouden de vele nieuwe medische ontwikkelingen hem vandaag toch dwingen om veel aan het boek te veranderen om up tot date te kunnen zijn.

Vechten om de vrede te dienen

Ooit typeerde Douma zichzelf eens als een ‘man van vrede’. Hoe verhoudt zich dat tot Douma’s scherpe kritiek op veel ontwikkelingen binnen onze kerken? Daarvan zegt hij dat meer mensen zich dat afvragen. Eerst was hij breed denkend, zegt men dan, en keerde hij zich tegen vormen van extremisme binnen de vrijgemaakte kerken. En nu lijkt het wel alsof hij vindt dat binnen die kerken niets meer deugt. Hij zegt daarover: “Waar sommigen een tegenstelling tussen vroeger en nu constateren, zie ik samenhang. Ik heb gevochten tegen extremisme en rechtlijnigheid binnen de kerken die mij in mijn positie van hoogleraar de kans gaven ook aan zelfreflectie te doen. Ik ben dankbaar dat er van de enghartigheid in het verleden niet veel meer over is. Maar ik vocht destijds niet om gereformeerd af te worden. En dat zie ik vandaag in eigen kring gebeuren. Destijds was het een strijden tegen de gedachte dat wij de enige ware kerk in Nederland waren, nu zie ik dat de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt zich over leerstellige zaken niet meer zo druk maken en meegenieten van een oecumenisch zo prettig mogelijk klimaat, waarin je je niet meer druk maakt over de onderlinge verschillen. Alle kerken hebben hun sterke en hun zwakke kanten, zegt men. En laten we ons vooral niet meer druk maken over wat de Nederlandse Geloofsbelijdenis over de valse kerk schrijft.” Douma vindt dat de kop in het zand steken, en zegt ervan: „Zolang ik nog adem heb, wil ik getuigen van de rijkdom van het gereformeerde geloof. Daarmee dien ik de vrede, ook als ik ‘vecht.’”

Interessant zijn ook zijn opmerkingen over de verhouding tot de NGK. Zo’n tien jaar geleden ijverde hij voor schulderkenning voor wat betreft het aandeel van de GKv zelf in de scheuring van de jaren zestig. Hij zegt daarvan dat hij nog steeds van mening is terecht zwakheden in het kerkelijk optreden toen te hebben aangewezen: “Wij kwamen beslist niet brandschoon uit dat conflict.” En de verhouding vandaag dan? Douma: “Van nauwere samenwerking met de NGK ben ik geen voorstander: we kunnen beter naast elkaar leven dan met elkaar. Maar mijn stem is in de kerken zwak geworden. Ik zou niet weten wat voor bezwaren er nog tegen het samengaan van beide kerkengroepen kan worden ingebracht, als je let op de oecumenische richting waarin onze kerken zich bewegen.”

Vervolgens komt aan de orde dat Douma de laatste jaren toch weer veelvuldig in de pen is geklommen met betrekking tot de kerkelijke ontwikkelingen. Hij zegt daar o.m. van: “Ik nam het al op voor een aantal verontruste predikanten in 2009, toen het over de benoeming van dr. Stefan Paas aan onze theologische universiteit in Kampen ging. En ik klom al vóór de synode in de pen. Ik heb al mijn bezwaren intussen in geprinte vorm onder de titel ”De situatie in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)” ter beschikking gesteld. Meer dan eens heb ik aan de scribenten in onze kerken gevraagd: Geef rekenschap van wat u doet in het licht van uw gereformeerd vrijgemaakte verleden. Maar men laat mij praten. Ik ben intussen uitgepraat. Jongere theologen zullen wel in mijn spoor doorgaan.”

Douma benadrukt geen plannen te hebben om de GKV te verlaten. Hij zegt daarvan:  „Zolang ik in een gemeente zit waarin voor mijn vrouw en mij de kerkdiensten nog een vreugde zijn, blijf ik vrijgemaakt gereformeerd. Ik ben niet van plan mij bij een van de inmiddels gevormde kerken te voegen die zich van ons hebben afgescheiden. Hoe het er over vijf jaar voorstaat, als ik dan nog zou leven, dat zien we dan wel weer.”

Op de vraag of hij aan de kerk lijdt zegt hij: „Veel hoop heb ik niet als ik naar mijn eigen kerken kijk. Hun zelfstandig bestaansrecht wordt twijfelachtig. Toen ik in 2001 over een federatie van kerken schreef, in navolging van anderen, stond het er met de kerken waaraan ik verbonden ben en waarmee ik me nog altijd verbonden voel, beter voor dan nu. Of ik aan de kerk lijd? Jazeker. Maar ik geloof in een heilige algemene christelijke kerk die ook vanuit Nederland tot haar voltooiing zal komen. Dit geloof houdt me op de been.”

 

24 november 2011

Reacties zijn gesloten.