Geestelijke leiding

Lezing gemeentevergadering Dronten-Noord, 3 mei 2011

H.J.C.C.J. Wilschut

Intro

Van uw kerkenraad kreeg ik het verzoek om te willen spreken over het onderwerp ‘Geestelijke leiding’. Daarbij werden mij de volgende aandachtspunten aangereikt: 

  1. Wat is de wereld waarin wij leven en hoe heeft dat invloed in de kerken waar we deel van uit maken?
  2. Wat zijn de gevaren die ons juist als kerken bedreigen en hoe zie je dat concreet?
  3. Hoe kunnen we echt geestelijk leven in die situatie en elkaar daarin ook geestelijk de weg wijzen?

Leiding

De titel ‘Geestelijke leiding’ heeft mij hoofdbrekens gekost. Moest ik nou spreken over hoe er geestelijk leiding gegeven moet worden binnen de kerk? Of werd er van mij persoonlijk een stuk geestelijke leiding verwacht?
Ik houd het erop dat het mes hier aan twee kanten snijdt. Of ik een richting wil aangeven, waarmee u als gemeente en kerkenraad verder kunt. Zoiets ga ik in ieder geval proberen.
Eerst iets over dat ‘leiding geven’. In de kerk stelt de Here ons verantwoordelijk voor elkaar. Op een bepaalde manier zijn we allemaal op eigen manier bezig om elkaar leiding te geven. Aanvaard elkaars gezag uit eerbied voor Christus, lees ik in Efeze 5:21. In het huwelijk geeft de man leiding aan zijn vrouw. In het gezin geven ouders leiding aan hun kinderen. In de gemeente geven we elkaar stuur in onderlinge bemoediging en vermaning. Dat is niet alleen de taak van de kerkenraad. Het is de roeping voor ons allen. In de kerk ben je je broeders hoeder. En die van je zuster.
De ouderlingschap geeft op eigen plaats stuur aan de gemeente: prediking en catechese, opzicht en tucht. Zoals de diaconie geestelijk leiding geeft aan de dienst van de barmhartigheid.
Ik ben niet bang voor de term ‘leiding’. Wel voor de term ‘leidsman’. Maar al te vaak kom ik in de pers die term tegen. Dat geestelijke of kerkelijke leiders bijv. ergens over vergaderen.
Dan denk ik: daar heb je de oude (roomse) onderscheiding tussen clerus en leken terug. Terwijl de Bijbel het priesterschap van alle gelovigen leert. Sinds Pinksteren heb je te maken met de mondige gemeente. Daarin heb je inderdaad mensen die leiding geven. Zonder dat het geestelijke of kerkelijke leiders worden.
Ik heb het liever over mensen, die hun ambt bedienen. Je krijgt van Christus een bepaalde taak en volmacht, een vorm van gezag. Maar niet van persoonlijk gezag. De Here gebruikt je om Zijn gezag te bedienen. Om als man tegenover je vrouw het beeld van Christus te vertonen. Om als ouders je kinderen de weg van de Here te wijzen. Om elkaar onderling aan te sporen om de Here te dienen. Om in het bijzondere ambt het spoor van Christus te wijzen.
Daarbij is je gezag niet heersend, maar dienend. In dienst van Christus. In dienst van de ander. Zoals de Mensenzoon niet kwam om te heersen, maar om te dienen.
Het lijkt misschien een kleinigheid. Dat is het niet. Aanvaard elkaars gezag uit eerbied voor Christus. Geestelijke leiding komt met het gezag van Christus. Daar ligt ook de grens. Het reikt slechts zover als het blijft binnen de kaders van het Woord van Christus.
Dat geldt dus ook voor wat ik hier vanavond ga zeggen. Ga ik buiten het Boek, dan ga ik mijn boekje te buiten. Leg het dan rustig naast u neer.

Klimaat

In wat voor geestelijk klimaat leven wij? Vat dat maar eens beknopt samen. Ik wil een poging doen.

1.  Allereerst zijn wij mensen van een moderne tijd. Daarmee bedoel ik: wij leven na de zgn. Verlichting. Dan heb je het over de denkrichting, die zich vanaf 1700 laat gelden. Je laat je niet langer leiden door het gezag van Schrift en kerk, maar door je redelijk inzicht, door je verstand. ‘Verlichting is de uitgang uit een toestand van onmondigheid waar de mens zelf schuldig aan is. (…) Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen … ‘(KantIk zal u alle ins en outs van de Verlichting besparen. Op één ding wil ik wel wijzen. Vanaf de Verlichting vindt er een boedelscheiding plaats tussen geloof en wetenschap. De denkende mens kijkt om zich heen en beoordeelt wat hij aan feiten en gegevens heeft verzameld, zónder dat daarin plaats is voor God en Zijn Woord. Wetenschappelijk is alleen wat bewezen kan worden. Of wat – omgekeerd – in aanmerking komt voor falsifiëren. Bijbel en kerk zijn een terrein apart. Daar kun je niet bewijzen, daar moet je geloven. Vandaar dat men het soms maar moeilijk vindt om theologie een echte wetenschap te vinden.
Het praktisch gevolg is, dat wij sinds de Verlichting met andere ogen naar de werkelijkheid om ons heen kijken. Voor Calvijn en de andere reformatoren was de schepping een boek van algemene Godskennis. God en mens bevinden zich nog binnen één raamwerk. De natuur en de geschiedenis worden ervaren als verwijzingen naar God.
Daaraan kwam met de Verlichting een einde. We hebben er als mensen van de moderniteit allemaal last van, ook als kerkmensen. De wereld om ons heen – die niet alleen goddeloze maar ook godloze wereld – en de wereld van God (Bijbel, kerk, enz.) ga je ervaren als twee gescheiden circuits. Je leefwereld ademt voor je besef niet meer in alles God.
Ik merk dat ook onze jongeren in toenemende mate moeite hebben om die twee werelden met elkaar te verbinden. Wie Psalm 104 van binnenuit heeft leren zingen – hoe alles in de natuur van Gods majesteit getuigt – die roept niet meer om bijzondere Godservaringen. Die heeft – uiteraard onderwezen door de Schrift – God al lang en breed ervaren in de natuur. Die antenne dreigen we steeds meer kwijt te raken.

2.  Wij zijn tegelijk mensen van een posmoderne tijd. Er is geen absolute waarheid meer. De tijd van de ‘grote verhalen’ (allesomvattende systemen) is voorbij. Geen wonder dat de oude Sovjet-Unie bezweek en de Muur in Berlijn viel. Het communisme werkte niet langer als samenbindende ideologie. Het is alleen nog met harde hand overeind te houden, zoals in China, Noord-Korea en op Cuba.
Dus stellen we nu onze eigen waarheid samen, die we uit verschillende hoeken bij elkaar harken. Ook die geesteshouding werkt door in de kerk. Wie durft nog op te komen voor de absolute waarheidsclaim van de gereformeerde leer? Alsof wij de waarheid in pacht hebben! Hoogstens spreek je nog over wat jij voorlopig en theologisch juist acht. Hier sta ik. Maar ik kan nog best anders. Je merkt het aan de manier, waarop soms binnen de GKv over het dopen van kinderen gesproken wordt. Jawel, persoonlijk ben ik er wel voor. Maar ik zal degenen die er anders over denken niet veroordelen. Waarheid wordt iets relatiefs.
Veel belangrijker wordt dan, of iets goed voelt en authentiek overkomt. In feite is dat de wending naar een complete subjectivering, waarbij je niet meer vanuit een norm denkt, maar vanuit de mens.
Hier raken moderniteit en postmoderniteit elkaar. De Verlichting was – feitelijk beschouwd – de overstap van theocentrisch denken (= denken vanuit God) naar antropocentrisch denken (= denken vanuit de mens). De mens wordt de maatstaf.

3.  Mensen van de moderniteit en postmoderniteit zijn sterk individualistisch. Je denkt niet meer vanuit het geheel, waarvan jij een deel bent. Maar vanuit jezelf bepaal je je positie tegenover de grotere groep. Waarom zou ik ’s middags naar de kerk gaan, als ik daar geen zin in heb? Dat de geméénte samenkomt en dat jij als lid van die gemeente dus gaat – die vanzelfsprekendheid lijkt te sneuvelen. Dan spreekt ook het feit dat Christus je roept niet meer zo sterk. Daar hebt u de kerkelijke vorm van onverbondenheid, waar heel de maatschappij last van heeft.
Daarmee tegenstrijdig lijkt, dat onze maatschappij – en zeker de jeugd – werkt met allerlei netwerken. Jawel, maar ook al die netwerken die je via de elektronische snelweg onderhoudt, doorbreken het individualisme niet. Achter je pc zit je nog steeds alleen en ben je nog heel erg op jezelf.

4.  Een wereld zonder God wordt een gesloten circuit. Daar schijn je als mens prima jezelf te kunnen redden. Het levert een geseculariseerde maatschappij op, waarin God uit beeld is verdwenen. Waarin ook kerkmensen hun dagelijks werk doen. Het kan je zo maar beïnvloeden. Zodat je gaat denken dat je in de praktijk van alledag je eigen leven kunt maken. Totdat een ongeneeslijke ziekte je ineens hardhandig stil zet. Zo maakbaar is het leven dus ook weer niet.
Deze schets van onze tijd is niet tobberig bedoeld. Dit tijdsbeeld is een gegeven. We ondergaan er allemaal de invloed van, of we dat nou leuk vinden of niet. Ik wil er graag twee dingen van zeggen:

1.  Een kind van God moet zijn eigen tijd aanvaarden als tijd van God. Prediker zegt: ‘Vraag jezelf niet af waarom het vroeger beter was dan nu’ (Pred. 7, 10). Die tekst moet je niet slordig lezen, zo in de stijl van: Zie je, Prediker zegt ook al dat de goede oude tijd nooit bestaan heeft. Dat zegt hij nou juist niet. Hij ontkent niet dat je over vroeger kunt spreken als een betere tijd dan nu.
Alleen, hij wil niet dat je over je eigen tijd gaat klagen. Ga niet piekeren en jammeren: Ach, hoe heeft toch zo ver kunnen komen? Dan ben je niet wijs = je hebt geen oog voor God. Ook je eigen tijd komt bij God vandaan. Hij maakt de goede en de slechte dagen (Pred. 7, 14). Alle tijd is geschikt om God te dienen. In alle tijden is God Zijn volk ook helpend nabij.

2.  In de gaten hebben wat er in je eigen tijd speelt, helpt om er kritische mee om te gaan. Je leert je eigen tijd en je eigen plekje daarin te stellen onder de kritiek van Gods Woord.
Tegelijk, de Here wil dat ik hier en nu Hem dien en gehoorzaam ben. Dan kun je niet volstaan met alleen maar de antwoorden van vroeger te repeteren. Eigentijdse vragen roepen om eigentijdse antwoorden, om actuele toepassing van het aloude en blijvende Woord van God.

Gevaren

Wat zijn nu de specifieke gevaren van deze tijd voor de kerk? Dat was de tweede vraag die mij werd voorgelegd. Die vraag heeft iets eenzijdigs. Of deze tijd alleen maar gevaren oplevert voor de kerk. Niet dus. Deze tijd biedt ook eigensoortige uitdagingen en mogelijkheden.
Daarmee wil ik beginnen. In onze Westerse maatschappij krimpt de kerk. Al staat daar groei en bloei in Afrika en Azië tegenover. Die krimp in onze samenleving heeft iets benauwends. Hoe krijgen we greep op zaken als kerkverlating en de toenemende secularisering om ons heen?
Met secularisering bedoel ik niet alleen dat het dagelijks leven los komt te staan van God en Zijn Woord. Maar dat mensen ook innerlijk helemaal los van Hem raken. Vanaf de Verlichting probeerde men op allerlei manieren het Godsgeloof te redden. Door God te zoeken in het geweten (Kant). Of in het afhankelijkheidsgevoel (Schleiermacher). Je kon het hebben over een vorm van ‘volksgeloof’.
Die tijd is voorbij. Het begon al voor WO II, daarna heeft de ontwikkeling zich stormachtig doorgezet: voor de grote massa heeft het geloof in God de vanzelfsprekendheid verloren. Je kunt een boel religiositeit ontmoeten, al is het soms in de minimale vorm van het ‘ietsisme’ (= geloven dat er ‘iets’ is).
Maar het geloof in een persoonlijke God, die dan ook nog eens de God van de Bijbel is, wil er bij het gros van de mensen niet meer zo best in. Er lijkt een zekere onvatbaarheid voor het evangelie te zijn gegroeid. Waar hébben christenen het in vredesnaam over?
Natuurlijk, ik teken een (te) ongenuanceerd beeld. Nog steeds wordt de Heilige Geest mensen te sterk met Gods Woord. En toch. Het lijkt wel alsof er geen landingsbaan meer is voor de bijbelse boodschap.
Ik tref dat ook wel binnen de kerk aan. Jongeren die zich totaal niet aangesproken voelen door de Bijbel (saai!), de preken op zondag (nog saaier!) of doen wat God van je verwacht (het toppunt van saaiheid, je mag toch nooit eens wat!).
Zeker, er zijn ook jongeren, die laaiend enthousiast zijn voor de dienst van God. Daarnaast zie ik nog anderen. Op hun manier ook best positief. En toch is er nauwelijks sprake van een eigen omgang met God. Voor jezelf uit de Bijbel lezen? ‘Ik kom er meestal niet aan toe, dominee.’ En ik heb niet de indruk dat het als gemis ervaren wordt. Bidden? ‘Nou ja, ik probeer het wel te doen, al schiet het er wel eens bij in: ’s morgens te druk, ’s avonds te moe. Maar om nou te zeggen dat ik het fijn vind om te bidden? Niet echt.’
Persoonlijk ervaar ik dat als een uitdaging van onze tijd. Hoe ga je ermee om? Moet je je als kerk verregaand aan de wereld aanpassen, om begrijpelijk en aantrekkelijk te worden?
Binnen de PKN is in dit opzicht iets van een tegenbeweging gaande. Ik denk aan stemmen als van A. van de Beek en W. Dekker. Je hoeft het heus niet in alles met hen eens te zijn. Maar het is een verademing om te horen hoe ze pleiten voor een kerk die principieel zichzelf blijft en haar kracht zoekt in een stevige prediking. Uiteraard in de taal van vandaag. Maar zonder inhoudelijke inflatie. En zonder de kerkdienst op te leuken met reli-entertainment.
Ik vind het eveneens een uitdaging om met jong en oud te spreken over het leven met God. Soms moet je heel basaal bezig zijn. Onze jeugd kan met heel andere vragen bezig zijn dan wij. Is er wel een God? En zo ja, waarom dan per se de God van de Bijbel? Waarom merk ik zo weinig van Hem? En hoe moet ik christen zijn in de praktijk? De Here geeft ongedachte kansen. Begin met goed luisteren. Neem vragen serieus. En zoek samen met de jeugd naar een bijbels antwoord.
Het houdt je klein en afhankelijk. Dat vind ik de winst van onze tijd. We weten dat we van genade moeten leven. Toch kunnen wij van die geweldige doeners zijn. In plaats van dat wij wachten op de Here. Dat is geen pleidooi voor werkeloos neerzitten. Het helpt wel tegen het kwaad van het activisme in de kerk. Die uiteindelijk – als het puntje bij het paaltje komt – een vorm van eigengerechtigheid is.
De Here neemt ons heel wat vanzelfsprekendheden af. Zowel in de maatschappij als binnen de kerk zelf. Ik kan er grote zorgen over hebben. Tegelijk leer ik, dat er maar één echte zekerheid is: dat is de Here Zelf, de God die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft. Ik kan geen steun ontlenen aan ons kerkzijn, ik kan geen houvast meer vinden in een algemeen denk- en leefklimaat. Al die zekerheden vallen als schijnzekerheden door de mand. Ik houd alleen de Here over. En dat stelt mij in de ruimte.
Goed, dat moest mij eerst van het hart, voordat ik iets ga zeggen over de gevaren die onze tijd meebrengt voor ons als kerken. En dan beperk ik mij tot de GKv.
In mijn boekje ‘Afscheiding?’ heb ik geprobeerd een brede analyse te geven van ons kerkelijk leven. Mijn hoofdstelling was en is, dat de kern van de problematiek binnen onze kerken is terug te brengen op geestelijke secularisatie. Waarmee ik bedoel: niet langer begint het denken bij God, maar bij de mens. De Bijbel komt in beeld vanuit het menselijk perspectief en vanuit de menselijke behoefte. In plaats van dat de eerste vraag is: Wat zegt de Here?
Ook wanneer je die vraag wel voorop stelt, is het gevaar aanwezig dat je de Bijbel vanuit jezelf leest. Je neemt altijd iets van jezelf mee bij het lezen van de Schrift. Dat besef wil ook hier extra kritisch maken tegenover jezelf. Zoek ik in de Bijbel nu de wil van God of lees ik mijn eigen denkbeelden in?
Hier zie ik binnen de GKv een wissel omgaan. Ik vind het terug in:

1.  Een prediking, die mensmiddelpuntig wordt.
2.  Een liturgie, die afgestemd wordt op wat mensen boeit en aanspreekt.
3. De manier van kerkelijk samenleven. Regels en afspraken lijken steeds minder te functioneren.
4.  Een ethische oriëntatie, die niet start bij Gods geboden, maar bij wat voor mensen van de 21e eeuw haalbaar is.

Het denken vanuit jezelf vertaalt zich m.i. ook in de omgang met de Schrift en met de gereformeerde belijdenis. Wie de Schrift gaat lezen door modern-hermeneutische bril, leest die vanuit eigen inzicht, in plaats van dat die Schrift voor zichzelf kan spreken.
D.J. Bolt heeft bestreden, dat ik met de secularisatie de basisproblematiek te pakken zou hebben. Op www.eeninwaarheid.nl schreef hij:

Secularisatie, verwereldlijking, is de diepste oorzaak, zegt dr. Wilschut. Maar is toch eigenlijk niet de verzwakking van het Schriftgezag de echte ‘basisproblematiek’? Daarmee wil ik niet ontkennen dat secularisatie een heel belangrijke factor is in de afval van onze kerken. En ook niet dat deze heel veel te maken heeft met het Schriftgezag. Er is zeker wederkerige beïnvloeding. Het geloof in het concrete gezag van de Schrift wordt ondermijnd door een permanent werelds leven. En omgekeerd: afnemende Schriftgezag verzwakt leven voor de Here. Maar ik ben er van overtuigd dat met een theologische universiteit die pal zou stáán voor de betrouwbaarheid van de Schrift secularisatie effectief kan worden bestreden. Het omgekeerde geldt helaas ook: met een TU waar voortdurend delen van de Schrift ter discussie komen wordt het wapen van de geestelijke strijd bot en heeft de wereld een gemakkelijke toegang tot het leven van Gods volk.

Ik denk dat Bolt zich op mijn hanteren van de term ‘secularisatie’ heeft verkeken. Daarmee bedoelde ik niet alleen een wereldse levensstijl, maar met name de geestelijke secularisatie = aanpassing aan het algemene denk- en leefklimaat, met als gevolg een sterke ikgerichtheid. Mogelijk had ik dat in mijn boekje ‘Afscheiding?’ duidelijker moeten aangeven. De term ‘secularisatie is nu eenmaal voor verschillende uitleg vatbaar. Dat de geestelijke secularisatie doorwerkt in de omgang met de Schrift, lijkt mij helder.
Denk je vanuit het eigen ik, dan wordt ook de gereformeerde belijdenis relatief. Eén van de vele menselijke meningen, die jij voor jezelf nog wel accepteert. Maar die je niet absoluut durft te stellen. Hoeveel vroomheid is er ook bij veel niet-gereformeerde belijders te vinden? Geen wonder dat dan ook het kerkelijk denken sneuvelt. Vrolijk gaan we naar de Nationale Synode in Dordrecht. Want er is meer dat ons met andere gelovigen verbindt, dan wat ons van hen scheidt.
Al is hierbij de geestelijke secularisatie de rode draad, hiernaast spelen meer factoren een rol. Ik denk aan onze openheid voor de cultuur, als gereformeerden in de lijn van A. Kuyper. En aan ons vrijgemaakte verleden met  bepaalde eenzijdigheden, waarvan we m.i. vandaag een rekening betalen.
Openheid voor de tijdgeest is er debet aan, dat in de GKv evangelikaal en zelfs charismatische denken voet aan de grond kon krijgen. Dan praat je over de versubjectivering ten top. Het past in een emocultuur. Het sluit ook naadloos aan bij het optimistische mensbeeld in onze maatschappij. Praat alsjeblieft niet meer over zonde en schuld!
Op deze manier komt het gereformeerd karakter van de GKv onder spanning te staan. Met veranderingen op zichzelf genomen is niets mis. Conservatisme is onvruchtbaar voor God en mensen. Je hebt vandáág gereformeerde kerk te zijn. Maar wel in principiële continuïteit met het verleden.

Geestelijk leven vandaag

Ik kom bij de laatste vraag die mij werd voorgelegd: Hoe kunnen we echt geestelijk leven in de geschetste situatie en elkaar daarin ook geestelijk de weg wijzen?
Ben ik eerlijk, dan vind ik dat de moeilijkste vraag, die u mij voorlegt. Ik heb niet de pretentie dat ik een pasklaar antwoord kan geven. Ik zie mensen om mij heen met soortgelijke vragen worstelen als waarmee wij in de GKv te worstelen hebben (ik noemde al de namen van A. van de Beek en W. Dekker). Het is echt een zoeken geworden, waarbij bidden om wijsheid beslist geen vrome formaliteit is. Here, maak ons door Uw Woord en Geest Uw wegen bekend.
Ik wil niet vluchten in vrome dooddoeners. Die kunnen op zichzelf helemaal waar zijn. Alleen, het worden algemeenheden, waarmee je concreet weinig kunt. Natuurlijk begrijpt iedereen dat de Bijbel het uitgangspunt moet zijn. Maar hoe ga je met die Bijbel om in de praktijk van 2011?
Laat mij een poging doen:

1.  Wie zoekt naar een geneesmiddel, moet allereerst een diagnose stellen. Wat is nou eigenlijk de kwaal? Is er wel sprake van een kwaal? Of maken we elkaar onnodig onrustig? Ik denk van niet. In mijn boekje ‘Afscheiding?’ en in mijn verhaal voor vanavond heb ik geprobeerd iets van een diagnose te geven. Ik beweer niet dat daarmee het laatste woord gezegd is. Je hoeft ook niet in alle opzichten over de diagnose eens te zijn. Maar het lijkt mij van belang om eerst tot een zekere consensus te komen over wat er feitelijk aan de hand is. Anders blijf je langs elkaar heen praten.

 2.  M.i. heeft ieder van ons – de spreker van deze avond incluis – eerlijke zelfkritiek nodig. In hoeverre zijn wij niet al te zeer mensen van deze tijd geworden? Het is onvermijdelijk dat je een kind van je eigen tijd bent. Maar daarom mag je nog wel kritisch kijken, naar wat je aan onbijbelse invloeden uit de tijdgeest in jezelf aantreft. Erg moeilijk, alleen al om dat aan de Here en jezelf toe te geven. Maar wel noodzakelijk. Ook de gereformeerde christen heeft dagelijks bekering nodig.

3.  Ik wil pleiten voor een intens leven bij de Bijbel als het Woord van de levende God. Dat dreigt misschien in de buurt van een vrome dooddoener te komen. Ik bedoel wat anders. Wil God echt ‘Iemand’ voor je zijn – ik merk dat mensen van de 21e eeuw dat moeilijk vinden – dan is de dagelijkse omgang met Hem nodig. Door naar de Bijbel te luisteren, niet als een boek met informatie over God, maar als een liefdesbrief, waarin de levende God je persoonlijk aanspreekt. Ben je niet met God vertrouwd, lééft Hij niet als ‘Iemand’ in je geloofsbesef, dan blijft er afstand. Alleen door de dagelijkse omgang met God krijgt het gebedsleven nieuwe impulsen. Bidden wordt pas bidden wanneer je steeds beseft dat je tegen Iemand praat, die werkelijk naar je luistert.

Uiteraard gaat het mij zowel om de persoonlijke als de gemeenschappelijke omgang met God. Mag ik – ook in deze drukke tijd – pleiten voor een vorm van huiselijke liturgie, waarin Schriftlezing en gebed een vaste plek hebben? En in hoeveel gezinnen wordt nog samen Gods lof gezongen?

 Komt zo de omgang met God weer centraal te staan, dan zal dat doorwerken in de liturgie. Die is er niet om ons religieuze gevoel te bevredigen. Maar om de ontmoeting met God te stroomlijnen, die ontmoeting van Woord en weerwoord. Dan komt veel liturgisch experiment te vervallen. Je weet de heilige God aanwezig, naar wie je eerbiedig luistert en die je in gebed en lied prijst.

 Wordt de kerkdienst voluit beleefd als dienst van het Woord en als bediening van de Geest, dan hoeft niet langer ingeleverd te worden op de inhoud van de prediking, ook niet om aantrekkelijk te zijn voor buitenstaanders. Natuurlijk moet de preek begrijpelijk Nederlands gebruiken. Maar je laat het Woord als Woord van de Geest ZIJN werk doen, zonder je in allerlei bochten te wringen.

 4.  Daarnaast wil ik pleiten voor intensieve training in de bijbelse leer, zoals de gereformeerde belijdenisgeschriften die verwoorden. En dan niet als ‘buitenkantkennis’, u begrijpt wel wat ik bedoel. Mij gaat het om wat in gereformeerde bondskring genoemd wordt ‘de religie van de belijdenis’. Waarbij de bijbelse boodschap over zonde en genade, verbond en verkiezing, de kerk en Gods toekomst werkelijk in je hart leven. Zodat je Christus persoonlijk kent als jouw Verlosser en alles in jouw bestaan draait om de gemeenschap met Hem.
Nee, dat kun je niet eigenmachtig organiseren. Daar is de genade van de Heilige Geest voor nodig, die biddend gezocht wil zijn. Die Geest gebruikt daarvoor de bijbelse boodschap, de leer van de Schriften, zoals de belijdenis die verwoordt. Als we die nou eens met liefde en warmte kenden en aan elkaar doorgaven. Ik kan er naar snakken.
Daarom hecht ik aan een catechese, die uitgaat van de Heidelbergse Catechismus. Daarbij plaats ik twee kanttekeningen:

  • m.i. is een eigentijdse vertaling van de HC voor gebruik op de catechisatie nodig. Het huidige taalkleed staat ver bij de jeugd vandaan en wordt vaak maar moeilijk begrepen;
  • de HC als startpunt sluit het gebruik van moderne leermiddelen niet uit. Houd rekening met de huidige manier van leren!

5.  Ben je innerlijk vertrouwd met de bijbelse leer, dan krijg je ook een stuk ‘feeling’ hoe je daarmee moet omgaan in een de situatie van vandaag. Er zijn heel wat nieuwe vragen, waarover de belijdenis zich niet uitlaat. De belijdenis geeft wel de bijbelse richting aan. Ook voor de weg die je hebt te zoeken in heel praktische gedragsvragen.

6.  Daarmee annex is persoonlijke en gezamenlijke bezinning nodig op onze leefstijl als gereformeerde christenen. Zeker in onze leefstijl – zowel bij oud als bij jong – zie ik verontrustend veel wereldgelijkvormigheid, als het gaat om films, alcohol, sexualiteit. Het is sluipend gegaan. Veel uiterlijke religieuze vormen houd je dan in ere (Bijbellezen, gebed, kerkgang). Maar daaronder holt het werkelijk christelijk gehalte van je leven uit. Zonder te vervallen in een wettische houding lijkt mij het ontwikkelen van een eigen (en eigentijdse) gereformeerde levensstijl een must.

 7.  Van een plaatselijke kerkenraad mag – conform de belofte bij het aanvaarden van het ambt – verwacht worden, dat hij zich houdt aan Schrift, belijdenis, kerkorde en kerkelijke afspraken. Ook in een postmoderne tijd hoor je bij een Heer, die zegt dat jouw ‘ja’ werkelijk ‘ja’ moet zijn. Wanneer in de classis als nabij kerkverband zusterkerkenraden daarvan afwijken, moet een kerkenraad dat bespreekbaar maken op de kerkelijke vergadering. Als we allemaal onze mond houden, de ene kerkenraad doet het zus, de andere zo, en we gaan ieder onze eigen weg, zal – menselijke gesproken – de desintegratie van ons kerkverband niet meer te stoppen zijn. 

8.  Als plaatselijke kerkenraad heb je je verantwoordelijkheid binnen het geheel van de GKv te nemen. Wil het tot een werkelijk kerkelijk gesprek binnen de GKv komen – dus niet alleen in bladen en op sites, maar echt op kerkelijk niveau – dan zal het m.i. toch een keer geagendeerd moeten worden. Willen wij nu werkelijk gereformeerde kerk zijn en blijven – eigentijds, jazeker, maar principieel gereformeerd – of hechten we niet langer aan deze specifieke identiteit? Is evangelikaal ook een optie? Of is modern-theologisch denken over de Schrift toch legitiem? Willen we ook nog een gereformeerd gestructureerd kerkverband, of kiezen we voor een los-vast-kerkverband, waarin ieder doet wat goed is in eigen ogen? Voor mijn gevoel staan de GKv voor een niet te ontwijken keus. Niet praten is ook een keus. Dan gaan we blijkbaar door op de ingeslagen weg.
Huiswerk genoeg dus. Zonder dat we in paniek hoeven te raken. De Here zal ons de weg wijzen en de weg voor ons banen. Wees eenvoudig trouw op je eigen plek. Daar mag je – hoe dan ook – zegen op verwachten.

 

 

Reacties zijn gesloten.