Bidden om eenheid

A.      Bas

 Op verzoek van deputaten Kerkelijke Eenheid hebben we afgelopen zondag gebeden om kerkelijke eenheid. Een noodzakelijk gebed, want de verdeeldheid op dat gebied leek de afgelopen jaren eerder groter dan kleiner te worden. Maar daarom ook: een wat moeizaam gebed. Want we bidden al zo lang, en er lijkt soms maar zo weinig van terecht te komen. 

Probleem opgelost?
Toch is het maar net, hoe je de dingen bekijkt. Professor A.L.Th. de Bruijne schreef in De Reformatie van 7 oktober jl., dat we vaak een verkeerde kijk op kerkelijke eenheid hebben. Als wij het over de kerk hebben, denken we doorgaans aan het instituut. Met als gevolg, dat het bij kerkelijke eenheid vaak uitsluitend gaat om de fusie van twee van die instituten.

                Volgens De Bruijne is dat niet terecht. Als we deze dingen weer meer (leren) bezien vanuit de bijbelse kern, zien ze er opeens heel anders uit. Ook als je tot verschillende instituten behoort, kun je dan al wel degelijk kerkelijk één zijn. En omgekeerd: ook al behoor je tot één en hetzelfde instituut, dan kun je desondanks toch nog wel kerkelijk verdeeld zijn.
                Immers, bijbels bezien draait het volgens De Bruijne bij kerkelijke eenheid niet zozeer om die instituten. ‘Eén ben je als je samen aan Christus verbonden bent en met elkaar het apostolische geloof deelt. Eén zijn betekent ook dat christenen en gemeenten elkaar merkbaar dienen in christelijke broederliefde. En bij eenheid hoort tenslotte dat je conflicten voorkomt of bijlegt.’

 Ook kerkelijk één?
Er zit ontegenzeglijk veel waars in de benadering van De Bruijne. Regelmatig kom je mensen tegen, met wie je verrassend veel blijkt te delen. En met wie je heel goed kunt spreken over de dingen van de HERE. Soms zelfs, op basis van de drie Formulieren van Eenheid. Tegelijk: als op zondag de wegen uiteen gaan, kun je dan zeggen dat je ook kerkelijk al één bent?

                Om eerlijk te zijn: ik meen stellig van niet. En wel, om wat ik lees in het boek Handelingen. Want wat doen de eerste christenen, als de Geest is uitgestort? Ze komen samen. ‘Ze bleven trouw aan het onderwijs van de apostelen’, zegt Lucas in Handelingen 2:42, ‘vormden met elkaar een gemeenschap, braken het brood en wijdden zich aan het gebed’.
                Met andere woorden: de eenheid die er is, krijgt ook zichtbaar gestalte. En later blijkt, dat wat voor individuele gelovigen geldt ook voor gemeenten geldt. Is dat immers niet de gedachte achter hetgeen we vandaag de dag het ‘kerkverband’ noemen? Dat ook gemeenten niet op zichzelf blijven staan, maar samen komen. Om het geloof te delen, en elkaar te helpen?

 Drie aspecten
Ik meen dat de aspecten die De Bruijne noemt, zelf ook in die richting wijzen. Want als je werkelijk één bent in Christus, en werkelijk het apostolische geloof deelt. Hoe kun je dan verantwoorden dat je kerkelijk gescheiden blijft optrekken? Je wel dezelfde Herder volgt, maar niet de ene kudde vormt? Het lijkt me, dat dat in bijbels licht onbestaanbaar is.

                Iets dergelijks geldt, voor het tweede aspect dat door De Bruijne genoemd wordt. Dat je elkaar merkbaar dient in christelijke broederliefde. Want hoe kun je dat doen, als je kerkelijk gescheiden blijft optrekken? Op zondag met elkaar en voor elkaar niet bidt? Je gaven niet geeft? Het brood niet breekt? En als gemeenten, elkaar niet tot een hand en een voet bent?
                Precies hetzelfde geldt tenslotte ook voor het laatste aspect dat De Bruijne noemt. Het is prachtig, als christenen en gemeenten conflicten voorkomen of bijleggen. Maar waarom zou dat laatste dan ook niet gelden, voor de grote conflicten die in het verleden tot breuken hebben geleid? Want hoe zeer ben je werkelijk één, als je daar niet over spreken kunt? Of wilt?

 Werk aan de winkel
Kortom: met De Bruijne ben ik van mening, dat we de HERE dankbaar mogen zijn voor de eenheid die er al is. Ook over kerkmuren heen. Maar daarnaast ben ik toch ook van mening, dat als die eenheid werkelijk een eenheid in Christus is. Die dan ook vraagt, om kerkelijke eenheid. Anders maak je van de kerk van Christus iets vaags en onzichtbaars.

                En dat betekent, dat er gebed nodig blijft. Maar ook: dat de handen uit de mouwen moeten – buiten en binnen het eigen kerkverband. Want niet alleen zullen we  – waar mogelijk! – de eenheid met gemeenten buiten het eigen kerkverband moeten zoeken, maar ook de eenheid binnen het eigen kerkverband moeten bewaren en vergroten.
                Want De Bruijne legt er terecht de vinger bij, dat je ook binnen een kerkverband ‘verdeeld’ kunt zijn. Namelijk, als je niet werkelijk het apostolische geloof meer deelt. Of: elkaar niet meer dient, in ware broederlijke liefde. Of: conflicten weigert uit te praten of bij te leggen. En zo bezien, valt er nog genoeg te doen – als het om kerkelijke eenheid gaat.

 

 12 november 2012

Reacties zijn gesloten.