H.J.C.C.J. Wilschut
‘preekconsent verleend aan: G. Hagens uit Houten, met bevoegdheid voor de bediening van de sacramenten, de kerkelijke bevestiging van huwelijken en het afnemen van belijdenis van het geloof. Dit is formeel niet toegestaan omdat Hagens niet in het ambt staat, maar de classis Utrecht heeft in deze ‘unieke casus’ een uitzondering gemaakt, laat ds. Gerbram Heek weten. Hagens werd in 1983 predikant maar kreeg in 2001 op eigen verzoek ontheffing uit het ambt. In 2009 werd hij opnieuw beroepbaar gesteld, met name om voor te gaan in kerkdiensten. Nu de beroepingstermijn verstreken is, heeft de classis voor deze vorm gekozen. Voor de classis gold als zwaarwegende reden dat in 2001 voor een andere weg dan ontheffing gekozen had moeten worden.’
Niet persoonlijk
Bovenstaand bericht was te lezen in het Nederlands Dagblad van 13 oktober 2011, als kerknieuws vanuit de GKv. Tot op heden heb ik op dit bericht geen enkel commentaar gehoord. Dat verbaast mij. Bij dit besluit van de Classis Utrecht zijn heel wat kritische kanttekeningen te plaatsen. M.i. kan dit niet stilzwijgend passeren.
Het vervelende is alleen dat dit besluit gerelateerd is aan een persoon, die van de voormalige predikant G. Hagens. Daarom hecht ik eraan om bij voorbaat te zeggen, dat mijn kritische kanttekeningen geen betrekking hebben op de persoon in kwestie, maar op de besluitvorming van de Classis Utrecht.
Kanttekeningen
- Een kind kan zien, dat het besluit van de Classis Utrecht, zoals weergegeven in de intro van deze bijdrage, haaks staat op de Regeling voor het verlenen van preekconsent. Art. 2 bepaalt expliciet (Acta Zwolle-Zuid 2008, p. 33): Het preekconsent geeft alleen bevoegdheid om in een kerkdienst voor te gaan in het spreken van een stichtelijk woord en in de dienst van de gebeden. Het geeft geen bevoegdheid tot het bedienen van de sacramenten, het afnemen van belijdenis van het geloof, het bevestigen van ambtsdragers of het kerkelijk bevestigen van een huwelijk.
- Nu weet ik ook wel, dat kerkelijke bepalingen niet mechanisch moeten worden toegepast, maar dat steeds de concrete omstandigheden in het oog moeten worden gehouden. Dan overtuigt het niet, dat hier gewezen wordt op de manier, waarop de betrokkene destijds predikant-af raakte. Al zou de Classis gelijk hebben dat daarvoor een andere weg dan ontheffing gekozen had moeten worden (ik kan dat niet beoordelen), het feit wordt er niet anders van dat de betrokkene inmiddels al jarenlang geen predikant meer is. En dat de kerken expliciet hebben gezegd: preekconsent voor mensen met een theologische opleiding dient tot het spreken van een stichtelijk woord beperkt te blijven. Géén handelingen die alleen aan ambtsdragers zijn voorbehouden.
- Wie de gronden van het desbetreffende besluit van de GS Zwolle-Zuid 2008 bekijkt, merkt dat de GS ook duidelijk verschil gemaakt wilde hebben tussen ambtelijke Woordbediening en het spreken van een stichtelijk woord. Zie grond 7 (Acta, p. 35): het in de kerkelijke besluitvorming doorgaans gehanteerde onderscheid tussen de ambtelijke verkondiging van het evangelie en het spreken van een stichtelijk woord dient gehonoreerd te worden. De ambtelijke prediking kent immers het extra element van het geestelijk regeren (vgl. Art 30 NGB en Zondag 31 HC). Het besluit van de Classis Utrecht gaat niet alleen in tegen de letter van de Regeling, maar ook tegen de geest ervan. Mensen met preekconsent moeten geen namaak-dominees worden.
- Bij kerkelijke regels en regelingen zijn uitzonderingen mogelijk. Maar niet een uitzondering, die in feite een hoofdbestanddeel van een regel of besluit opblaast. Nu ontstaat de zotte situatie, dat een niet-ambtsdrager expliciet ambtelijke bevoegdheden krijgt. Die kerkordelijk gebonden zijn aan het ambt van predikant. Dat wordt niet gewettigd door de ‘unieke casus’ dat het nu gaat om een ex-predikant. De man is zijn ambt kwijt!
- Daar komt nog bij, dat de betrokkene zich eerst beroepbaar heeft laten stellen en in de daarvoor gestelde termijn van twee jaar geen enkel beroep heeft ontvangen. Oftewel, geen van de kerken heeft hem gewild als ambtsdrager en als predikant. Nu worden de kerken overruled met een niet gewenste namaak-ambtsdrager, die zonder kerkordelijke bevoegdheid ambtelijk werk mag verrichten.
- Kortom, hier past maar één term: eigenmachtig optreden van een kerkelijke vergadering. Waarin niet een Regeling – de omstandigheden in aanmerking nemend – wordt toegepast, maar aan de laars wordt gelapt.
Kerkverband op de tocht
Als GKv zijn we bezig om een nieuwe kerkorde op poten te zetten. Waarom eigenlijk? Wie geen vreemde in ons kerkelijk Jeruzalem is, weet dat er in menige plaatselijke kerk een eigen weg wordt gegaan, die afwijkt van kerkorde en kerkelijke afspraken. Wanneer nu zelfs meerdere vergaderingen eigenmachtig optreden, raakt het eind helemaal zoek. Je krijgt zoiets als de richterentijd (pardon, in de tijd van de NBV moet ik het vast hebben over ‘rechterstijd’): ieder doet wat goed is in eigen ogen. Waarmee het kerkverband in toenemende mate op de tocht komt te staan. Met onze credentiebrief beloven we ons te houden aan de kerkorde en kerkelijke afspraken. Tegelijk doen we er in de praktijk niet altijd meer naar.
Het kerkverband komt nog sterker onder druk, wanneer het ondertekeningsformulier voor ambtsdragers publiek wordt geschonden. In dat formulier spreken we als ambtsdragers uit, dat we de leer van de drie formulieren van eenheid als de zuivere Bijbelse leer aanvaarden. En dat we alles wat daarvan afwijkt als dwaalleer zullen bestrijden.
Maar het is inmiddels al bijna een jaar geleden, dat een predikant in onze kerken publiek aangaf (ds. J.G. van der Hoeven in het Nederlands Dagblad van 20 november 2010) te kunnen leven met de uitspraak: ‘de Bijbel gebiedt noch verbiedt de kinderdoop of volwassenendoop. Waarom willen christenen toch duidelijker zijn dan de Bijbel zelf klaarblijkelijk is?’ Voor zichzelf ging de predikant wel mee in de kinderdoop als theologische keuze op Bijbelse gronden. Maar andere gemeenschappen die een andere keuze maken mogen volgens hem niet exclusivistisch worden benaderd en behandeld. Zolang niet ergens in een grot een Bijbelboek wordt teruggevonden dat ons gebiedt de ene doop toe te passen en de andere uit te sluiten, pleitte de predikant voor het bestaansrecht van beide.
Tot op de dag van vandaag zijn deze uitspraken niet herroepen. De desbetreffende predikant fungeert als ambtsdrager in volle rechten. Dat raakt ons kerkverband als geheel. Worden de eigen kerkelijke papieren (het akkoord van kerkelijke gemeenschap) niet meer serieus genomen, dan wordt het kerkverband ondermijnd. Hier gaat het niet om formaliteiten. Maar om onderling geestelijk vertrouwen!
OUWENEEL OVER DE GEREFORMEERDE LEER
Onlangs verscheen een boek van dr. W.J. Ouweneel en dr. J. Hoek onder de titel Gereformeerden en evangelischen. Overeenkomsten en verschillen na tweehonderd jaar Hervorming (Medema, Hoogeveen). Het Reformatorisch Dagblad van 25 oktober 2011 gaf een overzicht van de hoofdzaken. In deze bijdrage ga ik met name in op de standpunten van dr. W.J. Ouweneel
Afstand
Natuurlijk, we wisten het al. De afstand tussen de opvattingen van dr. Ouweneel en de inhoud van het gereformeerd belijden is groot. Toch schokt het wanneer je de zaken op een rijtje ziet gezet. Het gaat niet om nuanceverschillen, maar om fundamentele verschillen.
Ik noem de volgende punten:
· Ouweneel denkt principieel anders over zaken als rechtvaardiging en heiliging. Tegenover het ‘armezondaarsgeloof’ dat naar zijn mening veel traditioneel-protestants denken kenmerkt, staat de evangelische nadruk op een geheiligd overwinningsleven, niet in eigen kracht, maar in de kracht van de Heilige Geest. Rechtvaardiging is eigenlijk een gepasseerd station. De rechtvaardiging hoort bij het fundament, niet bij het gebouw. Een christen is niet langer in de macht van de zonde. Door de kracht van de Heilige Geest hoeft hij niet langer te zondigen. Gereformeerden hebben het teveel over de zonde en te weinig over de heiliging.
· Gereformeerden leggen ten onrechte teveel de nadruk op de continuïteit van Oude en Nieuwe Testament. Wie opteert voor zaken als verbond en babydoop (de term is van Ouweneel, niet van mij), zit nog gevangen in het vervangingsdenken. Het gereformeerde verbondsdenken is door en door oudtestamentisch.
· Ouweneel kiest positie tegen de gereformeerde leer over kerk en ambt. In deze tijd van brede ontwikkeling, democratisering en mondigheid is de figuur van de dominerende predikant achterhaald. Zo’n hoogkerkelijke ambtsopvatting werkt in de praktijk gewoon niet meer.
Dopers
Ouweneels opvattingen dragen onmiskenbaar een dopers karakter. Dat doperse denken begint niet bij het afwijzen van het dopen van kinderen, maar bij de leer over een heilig leven. Het is herkenbaar in wat Ouweneel zegt over rechtvaardiging en heiliging. Alle kaarten komen te staan op de heiliging, met als gevolg een dopers activisme.
Daaraan koppelt zich de dwaalleer van het perfectionisme: zondeloosheid is haalbaar in deze bedeling. Hier spreekt de Schrift andere taal. Gods kind zal dagelijks moeten bidden om vergeving, zoals hij ook dagelijks bidt om brood. Zeggen dat je niet zondigt, is zelfmisleiding, zegt Johannes: Gods waarheid is niet in je (1 Joh. 1:8). Wat spreken de Dordtse Leerregels hier evenwichtig de taal van de Bijbel na! God verlost ons wel van de tirannie en slavernij van de zonde, maar in dit leven nog niet geheel van het vlees en het lichaam van de zonde. Een christen zal voortdurend vluchten naar de gekruisigde Christus (zie DL V, 1 en 2).
Geen wonder dat dit dopers denken ook Ouweneels denken over verbond en doop stempelt. In het Nieuwe Testament gaat het niet meer om het verbond, maar om Gods koninkrijk. Een schijntegenstelling. Want het evangelie van het koninkrijk zegt ons juist, dat wij nu leven in de dagen van het nieuwe verbond. Waarvan dr. Hoek terecht zegt, dat daarin het verbond verbreed is: ook niet-Joden mogen er nu toe behoren.
Van iemand die lid is van de ‘Vergadering der gelovigen’, zoals Ouweneel dat is, verbaast het niet dat het kerkelijk ambt wordt afgewezen. De moderne tijd moet het rechtvaardigen. Elk Schriftbewijs ontbreekt. Tegelijk schemert het spiritualisme door Ouweneels woorden heen. Waar dr. Hoek fraai doorheen prikt, wanneer hij wijst op de samenhang tussen het ambtelijke en het charismatische. Inderdaad, het ambt is volgens Efeze 4 gegeven om stuur te geven aan de begaafde gemeente. Daar hoort het predikambt voluit bij.
Geloofspraktijk
Ik hoop dat het u duidelijk is, dat het verschil tussen Ouweneels denkbeelden en de inhoud van de gereformeerde belijdenis méér is dan een theoretisch verschil. Dit raakt rechtstreeks ons leven met God. Ken je jezelf als zondaar voor God, of niet? Het werkt ook door in je gebedspraktijk.
Hetzelfde geldt als het gaat om verbond en doop. Dat heeft weer te maken met wat de Bijbel zegt over de rechtvaardiging om niet. Voorop gaat Gods belovend en vrijsprekend woord, met de doop als uitroepteken. Uiteraard, die belofte en doop moeten in geloof aanvaard zijn. Maar niet mijn geloof is nummer één, maar de Here. De hele blikrichting in het leven met God verandert.
Daarom verontrust het mij, dat dr. Ouweneel regelmatig spreekt op zogenaamde ‘mannendagen’, waaraan ook gereformeerden en gereformeerde predikanten actiefmedewerking verlenen. Tussen Ouweneel en ons als gereformeerden ligt het Woord van God. Niet alleen om de volstrekt onbijbelse en onkritische manier, waarop Ouweneel duistere genezingspraktijken verdedigt. Al zou alleen dat al reden genoeg zijn om hem op afstand te houden. Maar het geheel van zijn denken staat zover van het Schriftuurlijk-gereformeerd belijden af, dat zijn voorlichting bij voorbaat onaanvaardbaar wordt. De kloof tussen dopers en gereformeerd blijft onoverbrugbaar. Aan voorlichting als van dr. Ouweneel kun je de mensen niet blootstellen.
ONETHISCH
Ds. Klaas Hendrikse heeft een nieuw boek geschreven: God bestaat niet en Jezus is zijn zoon. Een godslasterlijke titel, net wat u zegt. In het dagblad Trouw van 25 oktober 2011 werd een interview met Hendrikse geplaatst. Ik wil er kort iets over zeggen.
Een inconsequente kerk
Daarbij laat ik de inhoud van het boek van Hendrikse en wat daarover in het interview gezegd wordt buiten beschouwing. We wisten al dat de man atheïst is en nooit van zijn leven in het bestaan van God geloofd heeft. Dat ongeloof wordt nog eens hardop beleden, nu over de rug van onze gezegende Heiland heen. Het roept bij mij diepe verontwaardiging op.
Waar het mij hier vooral om gaat, is dat Hendrikse de PKN inconsequentie verwijt. Op de vraag ‘Had de kerk u moeten wegsturen?’ antwoordt hij: ‘Dat zou tenminste consequent zijn geweest. Dan had ik de kerk hoger gehad dan nu. Wil je nog een duidelijke boodschap hebben, dan had de kerk moeten zeggen: “Hier staan wij voor. Hendrikse weerspreekt dat, dus we zetten hem eruit.’
Voor de duidelijkheid: Hendrikse vindt dat de kerk de regels zo moeten aanpassen, dat zijn geluid en dat van vele anderen erin past. Maar op zichzelf genomen heeft hij gelijk. Het is onbegrijpelijk dat Hendrikse als predikant in de PKN niet is aangepakt. Daarmee laadt de PKN een grote schuld op zich, tegenover God en mensen. Door niet consequent kerk te zijn, belijdende kerk die ketters en ketterij afwijst.
Deze inconsequentie is ook onbarmhartig, allereerst tegenover Hendrikse zelf (en vervolgens tegenover de gemeente, die niet tegen hem beschermd wordt). Broeder, u bent verkeerd bezig, bekeer u! Daarop is alle tucht in de kerk, ook tucht over ambtsdragers toch op gericht? Om te behouden. Naast verontwaardiging over Hendrikse past ook gebed voor hem. Of de Here hem de ogen wil openen voor zijn heilloze weg.
Een inconsequente dominee
Wat mij stoort is, dat Hendrikse – hoe terecht ook – de PKN inconsequentie verwijt, terwijl hij zelf even inconsequent is. In het interview wordt de vraag gesteld: ‘Waarom bent u nog dominee? Uw hele houding straalt weerzin uit tegen de kerk.’ Hendrikse reageert: ‘Ik heb zeer veel moeite met het instituut. Maar lokaal heb ik in het werken met mensen reuze naar mijn zin. Hier in Zeeland voel ik mij als een vis in het water. Dat ik bij een gemeentelid op bezoek kan komen en kan zeggen: hier ben ik, ik heb alle tijd en het kost niks. Dat is toch prachtig? Daarom blijf ik.’
Eerlijk gezegd heb ik hier geen goed woord voor over. Ambtsdrager zijn in een kerkelijke gemeenschap, waarvan je het geloof niet deelt. Alleen omdat het plaatselijk allemaal zo gezellig is. Wees dan een vent en wees consequent. Dit is ronduit onethisch.
Geef mij dan maar een Busken Huet en Allard Pierson, die in de 19e eeuw tot de conclusie kwamen dat zij met hun vrijzinnige opvattingen niet met een goed geweten predikant konden blijven in de Nederlandse Hervormde Kerk. Natuurlijk, ook hier had je liever bekering gezien. Maar in de gegeven situatie kun je hun beslissing alleen maar respecteren.
Het verwijt van inconsequentie valt levensgroot op het hoofd van Hendrikse terug. Laat de man toch eens wat minder schreeuwen. Laten ook de media eens wat minder aandacht aan hem geven. Mede om die reden houd ik deze bijdrage kort. Met serieuze partners moet je het gesprek zoeken. Charlatans kun je beter doodzwijgen.
26 oktober 2011