Een kerkorde die zichzelf opblaast

 A. Bas

Als alles gaat zoals gepland, krijgen we binnen afzienbare tijd een nieuwe kerkorde. En als ik me niet vergis, kan die me nog wel eens de nodige problemen opleveren. Want als ik de toelichting van deputaten bij het aangepaste concept van de ‘werkorde’ mag geloven, sta ik een ‘strikte’ praktijk voor als het gaat om de kerkelijke huwelijksbevestiging. Om eerlijk te zijn vind ik dat persoonlijk nog wel wat meevallen, want ik sluit me slechts aan bij de praktijk die de afgelopen decennia in onze kerken gegroeid is, en die luidt dat in principe alleen huwelijken tussen twee belijdende leden van de gemeente kerkelijk bevestigd worden.
 Maar dat gaat veranderen. Ook in het aangepaste concept van de ‘werkorde’ komt bepaling C11.4 voor: ‘wanneer een belijdend lid van de gemeente met een dooplid of met een lid van een andere kerkgemeenschap in het huwelijk treedt, kan deze verbintenis kerkelijk worden bevestigd, mits er voldoende waarborgen zijn voor een christelijk huwelijk en gezinsleven’. Concreet: als deze werkorde zo van kracht wordt, kan ik een belijdend lid dat in het huwelijk wil treden met een rooms-katholiek de kerkelijke bevestiging van hun huwelijk niet weigeren. Want wie ben ik, om te zeggen dat dan de waarborgen voor een christelijk huwelijk en gezinsleven ontbreken?
 Maar betekent dat nu inderdaad dat als ik dan nog steeds de huidige praktijk voorsta en weiger hun huwelijk kerkelijk te bevestigen, ik dan problemen krijg? Om eerlijk te zijn: ik heb dat even gedacht, maar weet inmiddels beter. Want ik kan me in dat geval gewoon beroep op artikel F2.4: ‘Niemand kan gedwongen worden tot uitvoering van een besluit dat hem persoonlijk in christelijke gewetensnood brengt.’ Dat is een prachtig artikel voor mensen zoals ik, die (naar men wel zegt) een (te) nauw geweten hebben. Maar tegelijk: hoe moet het dan verder, met dat stel dat de kerkelijke huwelijksbevestiging heeft aangevraagd? Want krijgen ze die nu wel of niet?
 U denkt misschien: het is uiteindelijk de kerkenraad die beslist. En dus kan er in geval van (gewetens)nood gewoon een dominee worden ‘ingevlogen’ met een minder nauw geweten. Probleem opgelost. Maar wat nu, en ik hou dat niet voor onmogelijk – als de andere broeders kerkenraadsleden een even nauw geweten hebben als hun eigen predikant? Want dan kunnen de kerken gezamenlijk honderd keer in hun kerkorde gezet hebben dat zo’n huwelijk kerkelijk bevestigd mag worden. Maar zal het er met een beroep op diezelfde kerkorde toch niet van komen. Sterker nog: kan elk wettig genomen besluit praktisch niet ten uitvoer worden gebracht.
 Maar ook het omgekeerde is bepaald niet ondenkbaar. Dat een predikant geen enkele moeite heeft met een dergelijke huwelijksbevestiging, maar zijn kerkenraad wel. Of, nog anders: dat kerkenraad en predikant er geen problemen mee hebben, maar het merendeel van de gemeente wel. Immers, de werkorde bepaalt ook: ‘de kerkelijke huwelijksbevestiging vindt na instemming van de gemeente plaats in een kerkdienst op zondag of in een bijzondere kerkdienst op een andere dag’. Maar als de gemeente die instemming nu eens niet geeft? Kan ook zij dan met een beroep op artikel F2.4 haar medewerking weigeren? En gaat die huwelijksbevestiging dan wel of niet door?

 Kortom: ik voorzie grote problemen, als artikel F2.4 werkelijk onderdeel uit zal gaan maken van onze kerkorde. Want uiteindelijk is dat een bepaling, waarmee die kerkorde zichzelf opblaast.

 

3 september 2011

Reacties zijn gesloten.