Op weg naar een nieuwe kerkorde II

 H.J.C.C.J. WILSCHUT

 We zetten de bespreking van de tweede versie van de Werkorde voort (code: Werkorde2).  Er zou opnieuw een boekje over dit nieuwe concept te schrijven zijn. Daarvoor ontbreekt de tijd, nu 15 december 2011 opmerkingen vanuit de kerken binnen moeten zijn. Vandaar dat met een bijdrage als deze volstaan moet worden, hoe onbevredigend het ook is om veel te laten liggen.

 1          Werkorde2 in verhouding tot Werkorde1
Deputaten geven aan, dat bij Werkorde2 bewust gestreefd is naar verkorting. Volgens de woordenteller omvat de tekst van Werkorde2 6816 woorden tegenover de omvang van Werkorde1 van 7712 woorden: een vermindering van ca 12% ondanks de toevoeging van enkele nieuwe artikelen.[1]

 Tevens schrijven deputaten:[2]

 Alle artikelen uit Werkorde 1 zijn stuk voor stuk tegen het licht gehouden. Naar aanleiding van de ingekomen reacties zijn zowel de inhoud als redactie heroverwogen. Dit heeft op veel punten geleid tot aangepaste formuleringen.
 Kortom, Werkorde2 is korter dan Werkorde1 en is in veel opzichten aangepast.

 1.1       Korter

Op zichzelf is het winst dat Werkorde2 korter is geworden. Maar nog steeds geldt het eerder ingebrachte bezwaar over de hoeveelheid bepalingen. Die dienen volgens Voetius zich te beperken tot de hoofdlijnen en moeten zo weinig mogelijk in getal zijn, waarbij de uitwerking aan de kerken wordt overgelaten.[3]
 Hier is Werkorde2 principieel en structureel niet anders dan Werkorde1. Het bezwaar blijft dat er een veelheid aan bepalingen is gebleven, die soms nog steeds behoorlijk gedetailleerd zijn. 
Bovendien is de verandering voor een groot deel optisch van aard. Heel veel wordt nu ondergebracht in allerlei bestaande en nog te ontwerpen generale regelingen.[4] Dat er op onderdelen regelingen nodig zijn die bepalingen uit de KO nader uitwerken, is het punt in geding niet. Ik krijg echter de indruk dat er nu wel erg veel van dit soort generale regelingen op stapel worden gezet. Ook zonder dat de kerken daarom expliciet gevraagd hebben. 
Dat bergt het gevaar in zich, dat er naast de kerkorde een aanvullende reglementenbundel ontstaat. Op deze manier wordt nog een ander bezwaar versterkt. Ik heb van Werkorde1 gezegd, dat deze (formeel) het klimaat ademt van PKN-kerkrecht.[5] Voor mijn gevoel gaat Werkorde2 in dit spoor verder: je krijgt een uitgebreide kerkorde met een heleboel ordinanties ernaast. Oftewel, er wordt een netwerk van regels over het kerkelijk leven en samenleven gelegd.
 Maar het blijft haaks staan op het karakter van het gereformeerd kerkrecht. Hopelijk heeft de GS Harderwijk de moed om te doen wat F.L. Rutgers een generale synode aanbeveelt: om tegen deze ontwikkeling een dam op te werpen en te waken voor een sobere kerkorde op hoofdzaken.[6] In dit verband moet ook een ander bezwaar herhaald worden: de inconsistentie in de regelgeving. Aan de ene kant wordt de plaatselijke gemeente heel veel vrijheid geboden. Aan de andere kant is er nog een steeds een veelheid aan gedetailleerde regelgeving, die de vrijheid beperkt. Hier wreekt zich opnieuw het feit dat er geen duidelijk ecclesiologisch concept aan de werkorde ten grondslag ligt. Het levert een kerkorde met een hybride karakter op.[7] 

1.2       Aangepast

Werkorde2 is in diverse opzichten aangepast. Vaak betreft het de formuleringen. Meer dan eens ook de materiële inhoud. 
Het is in deputaten te prijzen dat zij – mede naar aanleiding van ingebrachte opmerkingen en kritiek – hun eerste concept kritisch tegen het licht hebben gehouden. Meer dan eens zijn de aanpassingen ook werkelijk verbeteringen, zowel inhoudelijk als qua formulering.
 Tegelijk valt op hoe vaak ingebrachte opmerkingen en kritiek niet alleen niet verdisconteerd zijn, maar niet eens weersproken worden. Ook wanneer het echt om hoofdzaken gaat. 
Werkorde1 was een concept. Daar mag aan geschaafd worden. Nu ligt er een nieuw concept. Ook daarop mogen de kerken weer reageren. Straks zal er op de tafel van de GS Harderwijk weer een nieuw concept liggen: Werkorde3. Met vermoedelijk opnieuw een groot aantal wijzigingen. 
Dat brengt de vraag: geeft de hoeveelheid wijzigingen niet aan, dat dit werkstuk veel en veel te onrijp is om zelfs maar in eerste lezing vast te stellen? Is het ook wel verstandig om heel dit project in één keer af te werken, in plaats van bij gedeelten? Als er zo vlug en zo veel in betrekkelijk kort tijd moet worden aangepast, kon dat wel eens een indicatie zijn van te grote haast. Of van een te omvangrijk project in een te korte tijd. Daarmee zijn de kerken niet gediend. 
Ook het feit dat de GS Harderwijk besloot een ad-hoc commissie in te stellen om onderzoek te doen naar de bestuurlijke effecten van een structurele wijziging van het kerkverband wijst in dezelfde richting. Waarom trouwens vindt dit onderzoek nú pas plaats? Geen kerk heeft om dit nieuwe model van het kerkverband gevraagd, het is een eigen idee van deputaten. Opnieuw wringt hier iets met art. 30 KO. Maar afgezien daarvan – had een dergelijk onderzoek niet eerder plaats moeten hebben, voorafgaand aan alle concepten, die nu al aan de kerken werden voorgelegd? Het bevestigt m.i. het bezwaar, dat hier veel en veel te overhaast te werk is en wordt gegaan. 

2          Gebleven hoofdbezwaren

U kunt zelf nagaan waar de wijzigingen in Werkorde 2 zitten in vergelijking met Werkorde1.[8] Een groot deel van mijn bezwaren in De Werkorde nagerekend is niet verdisconteerd, meer dan eens ook waar wijzigingen zijn aangebracht. Ik beperk mij tot een aantal gebleven hoofdbezwaren, naast wat ik hiervoor in par. 1 gezegd heb. In een bijlage bij dit artikel noem ik nog een aantal bezwaren-op-onderdelen.

 2.1       Mission statements

Ook Werkorde2 kent allerlei ‘mission statements’: stichtelijke algemeenheden, die niet direct kerkordelijke bepalingen inhouden, en vaker in prediking en liturgische formulieren thuis horen dan in een kerkorde. Deputaten stellen dat een goede balans is gezocht tussen het geestelijke en het zakelijke.
Dat geeft de kerkorde haar eigen karakter.[9] Dit soort redeneringen doet het tegenwoordig goed. Maar ik dacht dat het geestelijk karakter van de kerkorde bepaald wordt door de zakelijke inhoud zelf. En dat dit geestelijk karakter niet hoeft aangetoond te worden door allerlei toegevoegde stichtelijkheden. 
Overigens hoeft dit verder geen halszaak te zijn. Wanneer deputaten per se deze statements willen handhaven, vloeit daar geen bloed uit. Ieder kan ze voor kennisgeving aannemen. Al blijft het jammer om overbodigheden in de kerkorde op te nemen.[10] 

2.2       Kerkelijke huwelijksbevestiging voor doopleden/anderskerkelijken

Deputaten blijven bij hun voorstel om huwelijksbevestiging met een dooplid of een lid van een andere kerkelijke gemeenschap mogelijk te maken (C11.4). Gezien de kerkelijke praktijk rangschik ik deze kwestie onder de hoofdbezwaren. 
In mijn De Werkorde nagerekend heb ik mijn bezwaren tegen deze mogelijkheid toegelicht.[11] Al zijn uitzonderingen mogelijk, de goede regel hoort te zijn: geen huwelijksbevestiging dan tussen belijdende leden. De vragen van het huwelijksformulier veronderstellen belijdende leden. En met niet-mondige kerkleden kan de kerkenraad geen stipulaties aangaan. Datzelfde geldt voor leden van andere kerken. 
Deputaten lichten hun standpunt als volgt toe:[12] 

6. Wij sluiten ons in C11.4 aan bij wat door veel kerkenraden als beleid wordt gevoerd en wat ook in de Gereformeerde Kerken vóór de Vrijmaking van 1944 als praktijk bestond. Er is wel na 1944 een tijdlang een tamelijk grote consensus geweest dat doorgaans alleen belijdende leden huwelijksbevestiging konden krijgen. Terecht werd er op gewezen dat de belofte om in het huwelijk te leven volgens het evangelie vraagt om een voor heel het leven afleggen van zo’n belofte. Tegelijk hebben de kerken in lijn met een besluit van de GS Utrecht 1943 (Acta art. 211, 254) altijd de beslissing in concrete gevallen aan de prudentie van de kerkenraden overgelaten. Daarom wijzen we de kritiek af als zouden deputaten nu een breuk met het bestaande kerkrecht of een verzwakking van de gereformeerde beginselen voorstellen.
7. Door het opnemen van een kerkordebepaling gaan de kerken verder dan tot nu toe. We menen toch dat kerkleden en kerkenraden een goede, uit de kerkorde kenbare vuistregel in dezen nodig hebben. Minimumvoorwaarde is dat tenminste een van beiden belijdend lid is, vgl. 1 Korintiërs 7: 14. Door het woord ‘christelijk’ wordt benadrukt dat het niet gaat over huwelijken die men niet in het geloof sluit.  

In deze toelichting zit een merkwaardige knik. Natuurlijk vraagt het afleggen van de belofte om in het huwelijk volgens het evangelie te leven om zo’n belofte voor heel het leven. Maar altijd hebben de kerken dat in concrete gevallen aan de prudentie van de kerken overgelaten. Maar dat is het probleem in geding niet. Wat uitzondering kan zijn, wordt hier tot een legale mogelijkheid. Dat is echt een stap terug, waarbij de winst van de discussie sinds het begin van de 21e eeuw vlotweg wordt ingeleverd. 
Het is ook niet oorspronkelijk gereformeerd. In de (Nederlandse) Gereformeerde Kerk van de 16e eeuw werd sterk de nadruk gelegd op de verplichting in de doop om te komen tot openbare belijdenis van het geloof. Consequentie hiervan was, dat in eerste instantie slechts aan belijdende leden huwelijksbevestiging werd toegestaan.[13] Pas toen de Gereformeerde kerk als volkskerk ging fungeren en als plaats waar de huwelijken gesloten werden, trad hier verruiming op.[14] Zo koosjer is de praktijk van de Gereformeerde Kerken in Nederland voor de Vrijmaking van 1944 waarnaar deputaten verwijzen nou ook weer niet… 
Voor wat betreft het argument over het niet kunnen aangaan van stipulaties met doopleden of niet-leden zwijgen deputaten in alle talen. Toch is dat een wezenlijke element in de discussie. Welke rechtskracht heeft een kerkelijke bevestiging, wanneer het gaat om onmondigen of om mensen, over wie de kerkenraad geen enkele zeggenschap heeft?
 Overigens is het beroep op 1 Kor. 7, 14 onbegrijpelijk. Een anderskerkelijke is toch geen ongelovige in de zin van 1 Kor. 7, 14? En gaat het daar niet over het voortduren van een bestaand huwelijk tussen iemand die gelovig is geworden en iemand die ongelovig is gebleven? Voor de ‘blanco’ beginsituatie geldt de regel van 1 Kor. 7, 39: je mag trouwen met wie je wil, ‘mits in de Here’.
 Kortom, opnieuw pleit ik voor terugkeer naar het huidige sobere art. 70 KO. Helaas, deze herhaling van zetten is onvermijdelijk.

 2.3       Tuchtoefening

 2.3.1    Geheime/openbare zonden

Deputaten blijven bij het niet langer onderscheiden tussen geheime en openbare zonden. Ze zijn zelfs verbaasd dat hiervan een principiële zaak wordt gemaakt, die bovendien wordt gekoppeld aan Matt. 18. Deputaten voegen hier aan toe:[15] 

De ruimte is te beperkt om hier breed op in te gaan. Wij menen dat dit ook niet nodig is en volstaan met de verwijzing naar de gereformeerde belijdenis. In antw. 85 HC wordt onbekommerd Matteüs 18 toegepast, zonder dat er ook maar iets is te merken van beperking tot de zgn. ‘geheime zonden’.  

Toch jammer van die beperkte ruimte. Want nu wordt de tegenargumentatie[16] met geen vinger aangeraakt. 
Dat deputaten in Werkorde2 opnieuw de bepaling opnemen dat gemeenteleden elkaar liefdevol zullen vermanen, is het probleem niet. Het NT kent de onderlinge vermaning op meer dan één plaats. Het probleem is wel, dat deze vermaning aan Matt. 18 gekoppeld wordt, waarbij Matt. 18 gaat gelden als algemene regel bij alle zonden. 
Toch heeft het vermaan van Matt. 18 een eigen plaats in het onderling vermaan. Laten zonden die in beperkte kring bekend zijn, ook zo lang mogelijk binnen die kring gehouden worden. Openlijke zonden moeten publiek bestraft worden (verg. 1 Tim. 5, 20). 
De verwijzing van deputaten naar antw. 85 HC is merkwaardig. Laat het nou uitgerekend Ursinus zijn – de voornaamste opsteller van de HC – die Matt. 18, 15 betrekt op de verborgen zonden. Terwijl hij over de publieke zonden zegt: ‘Heeft iemand openlijk gezondigd tot beleediging der geheele kerk, dan moet hij ook openlijk door de kerk berispt worden naar mate van zijn misdrijf.’[17] Dat geeft een heldere indicatie hoe antw. 85 HC gelezen moet worden. Hier gaan deputaten te kort door de bocht.
 Blijft dus het pleit om in dezen naar het huidige art. 73 en 74 KO terug te keren. 

2.3.2.   Tucht over belijdende leden en doopleden

Deputaten blijven bij hun eerdere voorstel om de tucht over doopleden en belijdende leden te integreren. Ik citeer:[18] 

Dat de tucht over belijdende leden en doopleden nu in één adem wordt genoemd, wordt door sommigen bestempeld als een breuk met het beleid dat in de KO1978 is uitgezet en door de GS Leeuwarden 1990 nog is bevestigd. We bestrijden dat. Omdat in 1978 gekozen werd voor een opzet die de oude artikelindeling van 1905 zoveel mogelijk intact liet, terwijl er in 1905 geen speciale bepalingen waren over doopleden, werden de bepalingen inzake tucht over doopleden in een afzonderlijk artikel geplaatst. Evengoed kwamen in dit artikel (art. 82 KO1978) bepalingen voor die sterke overeenkomst hadden met wat eerder ten aanzien van de belijdende leden was bepaald.
Bij de huidige integrale herziening wordt de oude artikelindeling losgelaten, zodat wat in gelijke zin geldt voor belijdende en doopleden, ook in één keer kan worden gezegd. De GS Leeuwarden 1990 (Acta art. 66) herinnerde eraan dat tucht over doopleden wel zijn eigen aard behoudt. Ook dat handhaven we, o.a. via het eigen artikel D7 voor vermaan en tucht over doopleden. Verder blijft het onderscheid merkbaar in de formulieren die bij de tucht worden gebruikt.

 Alles goed en wel, hier wordt wel degelijk afgeweken van de koers uit 1978.[19] In de voorstellen deputaten komt de procedure voor een belangrijk deel gelijk te liggen, nu de eerste afkondiging zonder naam niet langer verplicht gesteld is maar in de vrijheid van de kerken wordt gelaten. Het beroep op D7 gaat niet op. Daarin is sprake van de oproep tot bekering bij doopleden die komen tot belijdenis doen. Maar niet over tuchtoefening bij hardnekkige afkerigheid. 
Het blijft te betreuren dat het reliëf uit de tuchtoefening voor belijdende leden wordt gehaald. Zo gaat het element van de pastorale voorzichtigheid en van de aanscherping verloren. Deputaten gaan er niet echt op in. Ik handhaaf mijn pleidooi met bijbehorend voorstel.[20] 

2.4       Kerkelijke vergaderingen

 2.4.1    PS       

Deputaten blijven bij hun voorstel om de PS te laten vervallen.[21] Er wordt een heel verhaal opgezet. Toegestemd wordt dat de PS een zinnige functie kan vervullen. Maar die waardevolle elementen kunnen worden opgevangen door classis en GS. 
Op mijn argumenten vóór handhaving van de PS wordt nauwelijks ingegaan. Ik ga die hier niet herhalen. U kunt het nalezen in De Werkorde nagerekend.[22] Bij één passage van deputaten leg ik de vinger:[23] 

We menen dat er voldoende argumenten zijn om te stellen dat drie kerkelijke vergaderingen in de huidige situatie toereikend zijn. Het geeft meer lucht aan de classes en het geeft meer ruimte om te profiteren van de gegroeide deskundigheid bij de landelijk coördinerende deputaatschappen.

 Eigenlijk moet ik er niet aan denken dat de deskundige landelijke deputaatschappen nog meer een vinger in de kerkelijke pap krijgen. De toenemende invloed van landelijke deputaatschappen zit opnieuw in deze versie van de werkorde ingebakken.[24] Dit lijkt mij in strijd met het karakter van een gereformeerde kerkorde: geen centralisme! 

2.4.2    GS

Deputaten handhaven ook hun voorstel voor een tweejaarlijkse GS. Al mag het ook anders, bijv. een korte eenjaarlijkse synode. Je kunt ook denken aan een driejaarlijkse synode.[25]
 Opnieuw constateer ik dat op mijn tegenargumenten niet werkelijk wordt ingegaan.[26] Ik ga die hier niet herhalen. Ontmoedigend vind ik het wel. Ik protesteer tegen de voorstelling van zaken, dat het wegvallen van de PS geen invloed zou hebben op het functioneren van de GS op de manier, die momenteel gebruikelijk is.[27] Valt de PS weg, dan zal de GS vaker moeten gaan vergaderen. Waarbij de GS een grotere greep krijgt op het kerkelijk leven. 

2.5       Besluitvorming en rechtsmiddelen

Ik mag van deputaten niet in herhaling vallen. Maar ook ten aanzien van hoofdstuk F van Werkorde2 kan ik er niet aan ontkomen. Ik heb bezwaar aangetekend tegen de juridisering van de terminologie in dit hoofdstuk en de uitgebreide regelingen in dit hoofdstuk.[28] Opnieuw gaan deputaten er met geen woord op in. Voor mij hoeven ze het echt niet direct met mij eens te zijn. Dit stilzwijgen verbaast. Helaas is er in dit opzicht ook niets veranderd. Laten de kerken hier alsjeblieft terugkeren naar de eenvoud van de huidige KO, ook wanneer aanvullende bepalingen nodig zijn. Een gereformeerde kerkorde moet zich beperken tot hoofdzaken
Het spijt mij dat voor wat betreft de kerkelijke besluitvorming de bezwaren tegen de nieuwe formulering van het huidige art. 31 KO – in Werkorde2 F2 – het hoofdbezwaar niet alleen is gebleven, maar zelfs is toegenomen. Het lijkt mij goed om beide artikelen hier af te drukken:

 Art. 31 KO

Als iemand van oordeel is dat hem door een uitspraak van een mindere vergadering onrecht is aangedaan, kan hij zich beroepen op de meerdere vergadering. De uitspraak die bij meerderheid van stemmen gedaan is, zal als bindend worden aanvaard, tenzij bewezen wordt dat zij in strijd is met het Woord van God of met de kerkorde.

Werkorde2

F2 rechtskracht, inwerkingtreding en uitvoering

F2.1 Een besluit van een kerkelijke vergadering heeft bindende rechtskracht.
F2.2 Een besluit treedt direct in werking, tenzij het besluit zelf een andere termijn vermeldt.
F2.3 De kerkenraden dragen zorg voor de uitvoering van de besluiten van de classis en de synode.
F2.4. Niemand kan gedwongen worden tot uitvoering van een besluit dat hem persoonlijk in christelijke gewetensnood brengt.

 Ik maak de volgende kanttekeningen: 

  1. Deputaten blijven bij de formulering ‘een besluit heeft bindende rechtskracht’ in plaats van ‘een besluit zal als bindend aanvaard worden’. Dit om te de suggestie te voorkomen dat een bindend besluit nog aanvulling nodig heeft door de aanvaarding. Hier passeren deputaten mijn opmerkingen in De Werkorde nagerekend:[29]
    -       Als bindend aanvaarden draagt in zich het element, dat een besluit bindende rechtskracht heeft.
    -       Tegelijk zijn er situaties dat een kerkenraad een besluit niet als bindend aanvaardt, vanwege bezwaar op grond van de Schrift en de kerkorde. Nog steeds geldt: met de wettigheid van het besluit is de ratificatie (beter: het als bindend aanvaarden) niet zonder meer gegeven.
  2. Dit ‘tenzij’ uit art. 31 KO is in Werkorde2 verhuisd naar F4.1 en daarom  in Werkorde2 geëlimineerd uit F2.[30] Ik betreur deze gang van zaken. Het oorspronkelijke art. 31 KO raakt nu versnipperd over twee artikelen. Bovendien dekt F4.1 niet het hele spectrum zoals dat bij art. 31 KO het geval is. Art. 31 KO heeft het over een mindere vergadering. F4.1 heeft het alleen over bezwaar tegen een besluit van de kerkenraad. Hier blijven classis (en PS) buiten beeld. Ze komen pas weer bij F8 in beeld. Hier wreekt zich de breedsprakigheid van de Werkorde. 
  3. In F2.4 wordt de ontsnappingsmogelijkheid geboden: niemand kan gedwongen worden een besluit uit te voeren dat tot persoonlijke christelijke gewetensnood brengt. Deze bepaling is niet alleen overbodig. Dit beroep op het geweten blijft ook volstrekt onbeschermd.[31] Stel nou eens dat ik persoonlijke christelijke gewetensnood krijg om me aan de nieuwe kerkorde te houden en daar nog eens goede argumenten voor heb ook…
  4. Al zijn kerkelijke besluiten bindend, dat ontslaat kerkenraden niet om die besluiten te toetsen. Daarin zit inderdaad het element van (kritische) toetsing. Het ontgaat mij waarom om die reden de eerdere bepaling in dezen moet verdwijnen.[32] Waarom mag een kerkenraad kerkelijke besluiten niet toetsen aan Schrift en kerkorde? Overigens, wanneer men was blijven spreken over ‘als bindend aanvaarden’, dan is zo’n bepaling inderdaad niet nodig. Dan wordt de kritische toetsing stilzwijgend verondersteld.

 Hopelijk hebben de kerken de wijsheid om terug te keren naar het aloude art. 31 KO. En om het – behoudens noodzakelijke aanvullingen voor wat betreft de kerkelijke rechtsgang – het daarbij te laten.

 3          Afsluitend

Kerkenraden hebben het druk. Daarbij is de affiniteit met kerkrecht vaak niet groot. Met als gevaar dat het aan de ‘specialisten’ wordt overgelaten. Ik hoop dat de kerkenraden in dezen hun verantwoordelijkheid zullen nemen. Deze bijdrage wil hen daarbij helpen. Denk aan de deadline van 15 december 2011! Ook in deze nieuwe versie blijf ik de Werkorde onaanvaardbaar vinden. Hier gaat voor wat betreft het gereformeerde kerkrecht een wissel om.

 Bijlage                 Bezwaren op onderdelen

 Het is niet mogelijk om op alle slakken zout te leggen. Het zou weer een compleet boekje worden. Ik beperk mij tot het volgende:

  • Waarom wordt in B2.1 gesproken over bindingsformulier in plaats van het gebruikelijke ondertekeningsformulier?
  • In B5.2 is de bepaling over het huisbezoek van de ouderlingen aangescherpt: zo mogelijk een keer per jaar. Mijn voorstel zou zijn: als regel een keer per jaar. Dat is minder vrijblijvend.
  • Het gaat ontgaat mij, dat de diakenen de gemeente hebben voor te gaan in de dienst van barmhartigheid en gerechtigheid in kerk en wereld (B6.1). Over de uitbreiding tot de wereld heb ik het mijne al gezegd.[33] Daar komt nu de gerechtigheid nog bij, volgens deputaten ook een diakonale taak. Helaas wordt verzuimd daarvoor een bijbelse grond aan te geven. Eerlijk gezegd vind ik het allemaal nogal pretentieus voor de diakenen van een plaatselijke kerk.
  • Helaas blijft een expliciete vermelding van het diakonaal huisbezoek van de diakenen achterwege (B6.2), ondanks het feit dat het bevestigingsformulier het noemt.[34]
  • Deputaten laten B7 open (alleen mannen diakenen of ook vrouwen?). Dat is een stap vooruit. Ben ik alleen erg wantrouwend wanneer ik mij afvraag, waarom diakenen in kleine kerkenraden niet als hulpouderlingen kunnen fungeren, terwijl ouderlingen wel hulpdiaken kunnen zijn (B32). Is dat echt alleen omdat uitsluitend het ouderlingencollege belast is met de regering van de gemeente?[35] Waarom kunnen diakenen daarin niet helpend participeren? Op hun gebied zijn zij toch ook leidinggevend? Of wordt hier vast ruimte gehouden voor vrouwelijke diakenen, die geen deel uitmaken van de kerkenraad?
  • In B17 wordt arbeidsongeschiktheid van predikanten onderscheiden van emeritaat wegens leeftijd. Waarom wordt het artikel over het emeritaat hiertoe versmald? Vergelijk art. 13 KO: Wanneer een predikant door ouderdom, ziekte of andere oorzaken niet meer in staat is zijn ambtswerk te verrichten… Mag een predikant die geheel arbeidsongeschikt is geraakt niet rekenen op emeritaat = op onderhoud door de kerk, omdat hij zich voor het leven aan de ambtelijke dienst heeft verbonden? Uiteraard met controle door de classis en deputaten.
  • Waarom kan de afzetting van een ouderling of diaken beter via de classis dan via de naburige kerkenraad lopen (B27.4)? ‘Het betreft hier toch een ingrijpende maatregel, zodat het bredere oordeel van de classis gewenst is’, schrijven deputaten.[36] Dit betekent ongevraagd de wijziging van een lange praktijk. Die ook te begrijpen is. De afzetting van een ouderling/diaken raakt alleen de plaatselijke kerk, die van een predikant ook het kerkverband. De smalle basis van het deputatenvoorstel ‘Het komt ons voor…’ is volstrekt onvoldoende.
  • Deputaten blijven erbij om de christelijke feestdagen niet te benoemen (C4.1). In de kerken is er geen verschil van mening over, zeggen deputaten.[37] Echt sterk is het argument niet. Een dergelijk verschil van mening is ook niet uitgesloten. Leg vast wat je gemeenschappelijk onderhoudt!
  • Deputaten blijven erbij om het uitschrijven van een landelijke bededag niet in de Werkorde op te nemen: ‘Naar ons oordeel past het beter bij onze huidige samenleving en communicatiemiddelen om dit bij een synodaal deputaatschap (bijvoorbeeld voor diaconaat of voor relatie met de overheid) neer te leggen dan er nog weer voor jaren een classis mee te belasten.’[38] Deze argumentatie overtuigt niet. In de praktijk heeft de werkwijze van art. 69 KO nooit problemen opgeleverd. En ik begin een beetje allergisch te worden voor nog meer deputaten, die de dienst gaan uitmaken.
  • Het blijft te betreuren dat deputaten nog steeds niet de bepaling willen opnemen, dat de christelijke doop zo spoedig mogelijk moet worden bediend (C5.1). Gereformeerden hebben dit steeds in hun kerkorden opgenomen tegenover onnodig doopuitstel. Jammer dat deputaten niet langer de typering van de doop als zegel van Gods verbond willen opnemen. Er zijn meer kanten aan de doop, die moeilijk op één formule te brengen is, zeggen zij.[39] Dat zal waar zijn. Maar het sacrament als zegel van Gods verbond overkoepelt die aspecten op een indringende manier. Meer dan jammer: een verlies!
  • Opnieuw pleit ik ervoor om bij de viering van het HA (C6.1) het vrijblijvende ‘regelmatig’ te vervangen door een minimumaantal van vier keer per jaar (waarbij meer keren het HA vieren uiteraard is toegestaan).
  • De bepaling over het geoorloofd zijn van rouwdiensten is in Werkorde2 vervallen. Zonder dat het expliciete verbod erop terugkomt. Wat moet een kerkenraad nu doen wanneer in het kader van ‘de aanwezigheid van de kerk met Woord en gebed rond het sterven van een gemeentelid’ (C14.4) om een rouwdienst vraagt? Wat doet trouwens deze voor de hand liggende bepaling in de kerkorde? Natuurlijk is de gemeente in haar ambtsdragers en leden bij het sterven betrokken in meeleven en gebed.
  • Nog steeds wordt bij het artikel over de evangelisatie niet gezegd, dat deze in overeenstemming met de gereformeerde leer moet zijn ((C15.3): de binding aan deze leer heeft al op verschillende plaatsen in de Werkorde een plaats gekregen, dat hoeft niet steeds herhaald te worden.[40] Die reden moeten we dan maar inlijsten. In een tijd, waarin binnen de GKv interkerkelijke evangelisatie steeds vaker geaccepteerd wordt, lijkt mij een expliciete vermelding van de binding aan de gereformeerde leer geen overbodige luxe.
  • Waarom zijn er terechte vragen te stellen bij de uitdrukking ‘laatste redmiddel’ (in D3.2 is dat geworden: ‘laatste middel’)?[41] Het formulier van buitensluiting spreekt zelf over de tucht als laatste redmiddel (Geref. Kerkboek, p. 762).
  • Het artikel over de tolerantie (D11) is vrijwel ongewijzigd gebleven, met uitzondering van de noemer waaronder dit artikel is gebracht. Die is nu ‘afwijkende opvattingen’. Inhoudelijk werd alleen ‘opinie’ veranderd in ‘overtuiging’. Het is te betreuren dat dit artikel gehandhaafd werd. Qua gedetailleerdheid is dit geen zaak voor een kerkorde die zich tot hoofdzaken heeft te beperken. De verschillen met de uitspraak in dezen van de GS ’s-Gravenhage 1914 blijven hinderlijk. Over de impact van dit artikel op het eventueel niet laten dopen van de kinderen zwijgt de toelichting van deputaten in alle talen.[42]
  • Wat is de diepe zin van het feit dat een classis nu ineens uit ten minste vijf kerken moet bestaan, terwijl Werkorde1 het had over ten minste vier kerken (E4.1). Voor de argumentatie worden we verwezen naar de toelichting bij Werkorde1. Maar daarmee is volstrekt de overgang van vier naar vijf kerken niet verklaard. Waarom bijv. vijf en niet zes? Deze wijziging heeft op deze manier iets willekeurigs.
  • Nog steeds blijft een niet afgevaardigde predikant verplicht om naar de vergadering van de classis te gaan (E4.4). Het is goed wanneer predikanten – toch al in de verleiding om solistisch bezig te zijn – gedwongen worden om zich regelmatig met collega’s en andere kerken te verstaan, zeggen deputaten.[43] De classis dus als verbeterinstituut. Jammer dat op tegenargumentatie niet wordt ingegaan. Daarom ben ik zo vrij daarnaar te verwijzen.[44]
  • Bij F4.1 (en in het verlengde daarvan bij F8.1) blijf ik – ondanks de toelichting van deputaten[45] – moeite houden met bezwaar tegen een besluit, dat de opbouw van de gemeente schaadt. Wanneer een besluit conform Schrift en kerkorde is, hoe kan het dan tot schade van de gemeente zijn? Hier wordt die schade toch tot een zelfstandig criterium. Dat riekt naar NGK-kerkrecht, waar het heil van de gemeente een reden kan zijn om een besluit af te wijzen. Het verschil is dat hier tevens officieel bezwaar moet worden aangetekend.

 

1 oktober 2011

 

  



[1] Ontwerp kerkorde – 2. Tekst en toelichting met vermelding van generale regelingen. Vanaf p. 52 is een Memorie van toelichting te vinden (code MvT2), p. 56.
[2] Idem.
[3] Zie mijn: De Werkorde nagerekend. Kanttekening bij de conceptkerkorde voor de GKv (2010), p. 27v (code: WN)
[4] MvT2, p. 58.
[5] WN, p. 32.
[6] Idem.
[7] Zie hierbij slothoofdstuk WN, p. 137v.
[8] MvT2, p. 57-58. Daarnaast dienen deputaten de kerken met een leeswijzer, waarin de nieuwe werkorde verschilt van de huidige KO1978.
[9] MvT2, p. 58-59.
[10] Iets soortgelijks geldt voor de gebleven bepaling, dat geen persoon of kerk een andere persoon of kerk mag overheersen (A2). Zie hierover WN, p. 58 en MvT2, p. 62. Deputaten overtuigen mij niet. Maar als het blijft staan, is ermee te leven. Hoe waar in z’n algemeenheid ook, alleen voor ambtsdragers is deze bepaling kerkordelijk handhaafbaar.
[11] WN, p. 82v.
[12] MvT2, p. 108.
[13] W.J. op ’t Hof (eindred.) e.a., Belijdenis en verbond. Ecclesiologie in de gereformeerde gezindte, Zoetermeer 2003, p. 26-27.
[14] Idem, p. 41, 46.
[15] MvT2, p. 115.
[16] Zie mijn verhaal in WN, p. 91v.
[17] Zacharias Ursinus, Verklaring van den Heidelbergschen Catechismus. Uit het Latijn vertaald door C. van Proosdij, Kampen 1886, p. 112.
[18] MvT2, p. 119.
[19] Zie WN, p. 96-97.
[20] WN, p. 97v.
[21] MvT2, p. 125v.
[22] WN, p. 107v; deputaten blijven ook bij hun voorstel om de geloofsbrief af te schaffen (MvT, p. 126). Ook hier wordt met geen woord ingegaan op de argumentatie in WN, p. 113. In tegenstelling tot wat deputaten suggereren gaat het niet om een zaak van ondergeschikt belang.
[23] MvT2, p. 126.
[24] Hier is bijv. te wijzen op B23.2: ‘Generale deputaten voor predikantszaken dragen zorg voor regelmatige actualisering van de generale regeling’. Ook hier krijgen generale deputaten een veel te grote machtspositie.
[25] MvT2, p. 130.
[26] WN, p. 111.
[27] MvT2, p. 126.
[28] WN, p. 129-130.
[29] WN, p. 126.
[30] MvT2, p. 137, p. 139v. Wat deputaten op p. 138-139 opmerken vraagt teveel ruimte om hier te bespreken. Echt overtuigd ben ik niet. Zie WN, p. 131v.
[31] Ondanks de toelichting in MvT2, p. 138.
[32] MvT2, p. 138.
[33] WN, p. 61.
[34] WN, p. 62.
[35] MvT2, p. 91.
[36] MvT2, p. 87.
[37] MvT2, p. 96.
[38] MvT2, p. 97.
[39] MvT2, p. 98. Verbazingwekkend is dat deputaten een theologisch-confessionele aanduiding van de doop in een kerkorde niet zo op z’n plaats achten. Hier breekt mij de klomp. Allerlei stichtelijke overbodigheden worden verdedigd, omdat het zo geestelijk is. En nu ineens past deze geestelijke aanduiding niet in een kerkorde.
[40] MvT2, p. 113.
[41] MvT2, p. 127.
[42] MvT2, p. 122-123;WN, p. 101-102.
[43] MvT2, p. 127.
[44] WN, p. 116v.
[45] MvT2, p. 139-140.

Reacties zijn gesloten.