Oecumenische ontwikkelingen

5.1. Deelnemen aan de ‘synode van Dordrecht’

 Binnen de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) is veel in beweging. Wie dat nog niet ziet, raad ik aan zich de vraag te stellen of het deelnemen van de GKv aan de op 10 en 11 december 2010 gehouden ‘synode van Dordrecht’ niet een zeer opvallend keerpunt in de geschiedenis van de GKv is.
Ik begin met een aantal details die zeker belangrijk, maar toch niet beslissend zijn voor de vraag of wij al of niet kunnen meewerken aan een dergelijke synode. Zo valt het op dat er over een synode gesproken wordt, terwijl het in feite geen synode is. Een synode is een vergadering van een bepaalde kerkelijke gemeenschap, die bevoegd is besluiten te nemen namens die gemeenschap. In de ‘synode van Dordrecht’ hebben we slechts te maken met een ‘samenkomst’ van kerken. Het heeft de vorm van een forum gekregen, zonder dat er echte kerkelijke beslissingen genomen worden. Waarom het dan een synode moet heten? Daardoor gaat het meer lijken dan het is, zeker als het dan ook nog een synode van Dordrecht heet. Zoals men weet, zijn de Remonstranten op de grote synode van Dordrecht 1618/1619 veroordeeld. Maar de bedoeling van de synode van Dordrecht is juist dat we geen veroordelingen meer over elkaar zullen uitspreken.
Toch is de naam van de bijeenkomst van kerken niet beslissend voor de vraag of de GKv op deze ‘synode’ al of niet aanwezig kan zijn. Zoals ik al zei, de synode is niet als een synode, maar als een forum bedoeld. ‘Synode’ betekent letterlijk ‘samenkomst’ en forum betekent letterlijk ‘markt’. Wat voor bezwaar kan ertegen zijn dat verschillende kerken  samenkomen op een forum te Dordrecht? En waarom kan op die markt ook geen GKv-tent neergezet worden? Wie echter denkt dat de a.s. synode slechts een forum is, vergist zich. Principiële argumenten tegen een forum heb ik niet. Je mag overal je standpunt verdedigen. Maar als ik het zo zeg, zou ik wel heel naïef denken over de synode van Dordrecht.
Men heeft te Dordrecht aan tientallen kerken geen gelegenheid gegeven om hun eigen standpunt uiteen te zetten. Het moest een demonstratie worden van de ene kerk van Jezus Christus in Nederland. Om het met de initiatiefnemer ds. De Feijter te zeggen: ‘Het moet om de kerk des Heren gaan, niet om ons eigen instituut’ (ND van 15-10-2009). Wij werden voor Dordrecht uitgenodigd om onze eenheid te betuigen. Vanuit die eenheid werd er ook een boodschap voor de Nederlandse samenleving opgesteld.
Dat we niet slechts met een forum te maken hebben waar ieder zijn of haar kerkelijke mening kan inbrengen, blijkt ook uit het Statement, dat als gemeenschappelijke basis diende. Deze verklaring begint met de woorden ‘Wij geloven in de levende God: Vader, Zoon en Heilige Geest’.  Vervolgens wordt in drie delen uitgewerkt wat de samenkomende kerken geloven met betrekking tot de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. ‘
Het is deze geloofsbelijdenis die ik als uitgangspunt neem voor het antwoord op de vraag of de GKv wel mee had moeten doen aan deze demonstratie van eenheid of niet. Ik zal in het vervolg niet over het Statement, maar over het Credo spreken. Kunnen wij die geloofsbelijdenis aanvaarden? 

 5.2. Naast of ook tegenover anderen?

 Waarom moet heel het volk aangesproken worden? Dat vloeit voort uit het Credo, zoals het allereerst spreekt over God de Vader. Daarin worden juiste dingen over God gezegd. Hij is de Schepper, die ons de aarde heeft toevertrouwd om die te beheren en te behoeden. Hoewel wij al sinds mensenheugenis God vergeten en verlaten, blijft God trouw aan wat Hij schiep. ‘Dat spoort ons aan naast anderen te gaan staan, in al hun moeiten klein of groot’.
Tegen deze formulering van het Credo is op zichzelf niets in te brengen. Wij moeten immers onze naaste, wie hij of zij ook is, hulpvaardig tegemoet treden. Maar deze formulering is wel heel eenzijdig. Als wij een Bijbelse boodschap voor de ‘mensen’ hebben, komen wij dan ook niet met een boodschap die ons als kerk in naam van Christus tegenover de mensen plaatst?
Denk eens aan de kerk in het Nieuwe Testament. Waarom heeft zij, toen zij in het spoor van Jezus Christus ging, zoveel geleden? Omdat zij met een boodschap kwam die enorm veel verzet opriep. Dat kwam niet omdat de kerk met haat jegens de mensheid vervuld was. Daarvan werden de christenen wel beschuldigd, maar dat was laster. Het was juist hun boodschap van heil en vrede, die door het gros van de mensen niet aanvaard werd. Neem Paulus. Hij had, zo zei hij bij zijn afscheid van de oudsten van de gemeente in Efeze, ‘alles bekend gemaakt wat uw welzijn ten goede komt….Zowel Joden als heidenen heb ik opgeroepen zich te bekeren tot God en te geloven in Jezus, onze Heer’ (Hand. 20, 20v). Daarmee plaatste Paulus zich niet boven zijn Joodse en heidense medemensen, maar naast hen. Hij wist immers maar al te goed, hoe hijzelf vroeger geleefd had voordat hij krachtdadig tot bekering gekomen was.  Maar om als kerk naast de mensen te gaan staan en hun welzijn te dienen, moet zij de mensen oproepen zich te bekeren.
Ik ben er niet zeker van dat dit ook opgesloten ligt in het Credo. Ik lees wel dat we naast anderen moeten gaan staan ‘in al hun moeiten klein of groot’. Ja, kleine moeiten zijn er zoveel, waarin we buurtbewoners die niet meer zo goed ter been zijn, kunnen helpen door boodschappen voor hen te doen. En grote moeiten zijn er ook genoeg, waarin we onze bereidheid tonen mensen in hun ellende te helpen als hun huwelijk is stukgelopen, of als ze hun baan zijn kwijtgeraakt. Maar mag ik er ook de grootste ellende onder rekenen, nl. dat mensen zonder hun Verlosser Jezus Christus door het leven gaan? En is het niet de roeping van de kerk om met het oog op deze allergrootste nood het evangelie te verkondigen?

 5.3. Geen hopeloze gevallen meer?

 In het tweede stuk van het Credo lezen wij (opnieuw) goede dingen. Jezus heeft onze schuld op zich genomen en gedragen. Hij heeft aan het kruis ons weer met God verzoend. Zijn graf was niet het einde, want Hij is opgestaan. De dood heeft niet meer het laatste woord. Sinds Pasen klinkt het evangelie voort. Het verkondigt ons Gods vrede die het verstand te boven gaat. Geen mens is meer een hopeloos geval, want in de muur van dood en schuld heeft Jezus een deur geopend naar de Vader en naar elkaar.
Hier stel ik opnieuw een vraag: Is het waar dat geen mens meer een hopeloos geval is? Hangt dat niet af van hun geloof of hun ongeloof in Jezus Christus? Het is mooi te lezen dat in de muur van dood en schuld Jezus een deur heeft geopend naar de Vader en elkaar. Dat is voor ons een grote troost in leven en in sterven. Maar als mensen nu niet door die deur naar binnen willen? Er is toch ook een wereld zonder hoop en zonder God? En wat heeft Paulus gezegd over mensen die zonder hoop en zonder God in de wereld leefden (Ef. 2,12; vgl. vs. 8)?
Helaas zijn er dus tal van hopeloze gevallen, zoals Paulus die beschrijft in Ef. 4,17vv of 1 Tess. 4,5. Het is een realiteit dat er honderdduizenden Nederlanders zonder God en daarom ook zonder hoop leven. Ik begrijp dat die realiteit niet aangenaam is, ook zeker niet aangenaam om het dertigtal kerkelijke groeperingen dat in Dordrecht samenkwam, hierop te attenderen. Want dat vraagt erom een oproep tot bekering aan het Nederlandse volk te laten uitgaan.
Ik neem aan dat de opstellers niet zijn uitgegaan van een algemene verzoening. Als dat zo was, dan zou er inderdaad geen enkel hopeloos geval meer zijn onder de mensen. Ieder deelt dan  immers in Gods redding door Jezus Christus. Maar als de opstellers geen algemene verzoening willen verdedigen, dan klopt het niet om te schrijven: ‘Geen mens is meer een hopeloos geval’. Dat is immers in strijd met de werkelijkheid. Er had moeten staan: ‘Geen enkel mens is meer een hopeloos geval wanneer hij Jezus Christus als zijn of haar Heer heeft aanvaard’. Wat ik mis in het Credo, is de oproep om te geloven. Er staat in het Credo veel moois over wat God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest doen, maar ik lees niets over de noodzaak van het geloof, zodat men aan al de weldaden van de drie-enige God deel kan krijgen.

 5.4. Horen we bij elkaar?

 In het derde stuk van het Credo staat opnieuw weer veel waarmee we van harte instemmen. De Heilige Geest opent ons oog en hart voor Jezus en maakt voor Hem plaats in ons leven. De getuigenissen van profeten en apostelen leren ons te gaan in Jezus’ spoor, om met vallen en opstaan een leven te leven door Gods genade. De vreugde van het evangelie bindt ons samen. ‘Wij horen bij elkaar en zijn aan elkaar gegeven in het ene lichaam van Christus, zijn kerk’.
Hier rijst een derde vraag: Horen we werkelijk bij elkaar? Ik ben zo vrij daar een groot vraagteken achter te zetten. Die ‘wij’ zijn uiteraard de kerken die in Dordrecht samenkwamen. Van enige selectie in de protestantse gemeenschap was geen sprake. Orthodoxe en vrijzinnige kerken waren zonder onderscheid uitgenodigd. De Remonstrantse Broederschap, de Algemene Doopsgezinde Sociëteit en de Vrijzinnige Geloofsgemeenschap NPB kregen evengoed een invitatie als de GKv, de CGK en de NGK.
Nu ben ik niet de eerste die de grootste moeite had met deze gang van zaken. In het Fries Dagblad van 26-08-2008 wees dr. W.J. Ouweneel er reeds op dat de Remonstranten van vandaag ‘door en door vrijzinnig zijn, net als een flink deel van de PKN trouwens’. Ouweneel hoopte daarom dat ‘de afgesplitste gereformeerde kerkgenootschappen én de evangelische denominaties zullen afhaken als de vrijzinnigen (van binnen of buiten de PKN) ook meedoen. Dus mensen ‘die de apostolische geloofsbelijdenis niet meer van harte en naar de letter kunnen onderschrijven’.
Ik heb het vermoeden dat Ouweneel vandaag daar al weer anders over denkt. Op grond van zijn bijdrage in Wij kiezen voor eenheid (2009) vind ik zijn opvattingen minder helder. Wij zijn leden van een en hetzelfde lichaam van Christus, vertelt Ouweneel ons, ‘tot hoeveel verschillende denominaties wij ook behoren’ (a.w., 54). Je zou zeggen dat dit dan ook wel van de Remonstrantse Broederschap zal gelden. Een bladzijde later trekt Ouweneel  echter ‘wel ergens een grens’. Als iemand de godheid van Jezus Christus of zijn opstanding, of het verzoenend karakter van zijn kruiswerk betwijfelt, kan hij niet meedoen. Dat is een grens die de Bijbel zélf trekt’, aldus Ouweneel.
Dat de Remonstrantse Broederschap vrijzinnig is, bleek wel uit de reactie die de Remonstrantse predikant Tjaard Barnard te Rotterdam op de website nationale synode.nl (02-02-2010) gaf. Het Credo dat was opgesteld, was voor veel Remonstranten een brug te ver. Sluit deze belijdenis ook aan, zo vroeg Barnard zich af, ‘bij de mensen in deze moderne tijd? Moet je wel zo exclusief over het geloof in Jezus spreken? Weten we het allemaal zo zeker? Weten wij christenen het wel zoveel beter dan al die andere mensen?’
Dat is heldere vrijzinnige taal. Orthodoxe taal is het te getuigen van één naam waarop onze hoop gevestigd mag en moet zijn, nl. die van Jezus Christus. Die boodschap hebben wij als christenen niet als betweters van onszelf, maar die putten wij uit de openbaring van Jezus Christus, zoals wij haar vinden in de Heilige Schriften. Daarom verkondigen wij die boodschap met vrijmoedigheid aan iedereen. 

Kritiek op de Remonstrantse Broederschap als een vrijzinnige gemeenschap sluit niet uit dat er ook binnen deze gemeenschap mensen zijn die op Jezus Christus als de enige weg tot redding geloven. Zo laat dr. E.P. Meijering, die ook Remonstrant is, een ander geluid horen dan de hierboven door mij geciteerde ds. Tjaard Barnard. Meijering schrijft op de website van de synode: ‘De protestantse christenen moeten in dit land een getuigenis willen afleggen van Gods openbaring in Jezus Christus’.

 5.5. Een omwenteling bij de GKv

 Omdat de GKv wel naar de synode van Dordrecht ging en daarvoor inmiddels ook de goedkeuring van de synode van Harderwijk heeft ontvangen, voltrekt zich een complete omwenteling in haar oecumenische opstelling.  Wij hebben ons vanaf de Vrijmaking beijverd om contacten te leggen over heel de wereld met kerken van gereformeerde signatuur. Oecumenisch wilden we zijn, maar niet op de wijze van de Wereldraad van Kerken, of van andere internationale organisaties die veraf staan van wat wij in onze gereformeerde confessies belijden. Inmiddels gaan we naar Dordrecht en zullen we ons ook wel aansluiten bij de Raad van Kerken in Nederland. Nu wij Dordrecht accepteren, is trouwens niet in te zien waarom het onoverkomelijk zou zijn ons ook bij de Wereldraad van Kerken aan te sluiten. We zijn bereid met vrijzinnige kerken om de tafel gaan zitten om onze eenheid te betuigen. Dat betekent een overduidelijke streep door ons vrijgemaakt-gereformeerde verleden.
Het ND van 08-06-2010 meldde dat het bestuur van de Raad van Kerken ‘een historische ontmoeting’ gehad heeft met vertegenwoordigers van GKv, CGK en NGK. Het gesprek ging o.m. over de meerwaarde van het lidmaatschap boven toevallige ontmoetingen.
Het betekent m.i. dat wij niet meer willen onderscheiden tussen de ware en de valse kerk. Ik onderneem hier geen poging terug te keren naar ons verleden waarin wij te exclusief hebben gesproken over de vrijgemaakte kerk als de enig ware kerk in Nederland. Ik heb destijds mijn bijdrage geleverd om van dit exclusivisme af te komen en daardoor royaler te kunnen ademen in kerkelijk Nederland. Maar ik zal geen afscheid nemen van de gezonde leer over de kerk, die van ons eist dat wij maar niet alles kerk zullen noemen wat zich als zodanig aandient.
Wij moeten, zegt onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, nauwgezet en met grote zorgvuldigheid vanuit Gods Woord onderscheiden wat de ware kerk is. Zijn de prediking en de bediening van de sacramenten zuiver? Wordt de kerkelijke tucht geoefend om de zonden te bestraffen? Ik lees dat  prof.dr. A. van de Beek pleit voor het herstel van de kerkelijke tucht in de PKN (zie ND van 27-04-2010). Daaruit kan ik opmaken dat volgens deze PKN-er een belangrijk kenmerk van de ware kerk ontbreekt in zijn eigen kerkelijke gemeenschap. Ook wat ik verder weet over de PKN, die het druk heeft met van alles en nog wat, maar atheïsten als ds. Hendrikse en andere vrijzinnigen niet buiten de deur kan en wil zetten, is voor mij reden de PKN geen ware kerk te noemen. Ik weet dat er plaatselijke PKN-kerken zijn die ik geen valse kerken zal noemen. Maar wie van mij vraagt dat ik de PKN als geheel een ware kerk zal noemen, krijgt een duidelijk antwoord: dat is zij niet.
De rooms-katholieke kerk is evenmin een ware kerk, ook al schrijven sommige pausen nog zulke mooie boeken. Zolang deze kerken in hun paus de plaatsbekleder van Christus zien, Maria vereren zoals zij doen, vasthouden aan de transsubstantiatie, etc. etc., blijven zij wat zij voor de reformatoren werden: een valse kerk. Opnieuw zeg ik erbij dat ik veel oprecht gelovige rooms-katholieken heb leren kennen die ik als mijn broeders en zusters beschouw, ondanks hun dwalingen.

 5.6. Zorgvuldigheid vereist

 Zoals reeds opgemerkt, zegt de Ned. Geloofsbelijdenis dat wij nauwgezet en met grote zorgvuldigheid vanuit Gods Woord de ware en de valse kerk moeten onderscheiden. Waarom die woorden? Omdat die beide kerken vaak op elkaar lijken. Ook de valse kerk gebruikt dezelfde mooie woorden die er in de Bijbel over de kerk en over tal van andere onderwerpen gebruikt worden. De kerkelijke papieren, zoals oude confessies, en de grote kerkelijke voorgangers, worden altijd wel op een bepaalde manier in ere gehouden. Daarom is het niet zo gemakkelijk in een kerk altijd aan te wijzen wat er waar en wat er vals is. Het moet ons ook voorzichtig maken zomaar het etiket ‘valse kerk’ op een gemeenschap te plakken. We moeten concreet kunnen aanwijzen wat er verkeerd gaat. Als een goede confessie tot een dood geschrift wordt en er van kerkelijke tucht nauwelijks meer sprake is, moet niemand zich erover verbazen dat een eens gezonde kerk tot een valse kerk wordt. Maar er zijn stadia in deze ontwikkeling. Tussen de compleet ware kerk (die er niet is) en de compleet valse kerk (die altijd nog wel wat ‘licht’ zal uitstralen) zijn heel wat schakeringen mogelijk.
Na de Vrijmaking waren we vaak vlot met logicismen als: ‘er is maar één ware kerk in elke plaats en dus zijn wij alleen nog overgebleven als ware kerk’. Nu dreigt er een ander gevaar. Wij worden vriendelijk naar alle kanten. Eens waren we een burcht zonder poorten, nu worden we een en al poort. We stappen nu over obstakels heen, die het vrijgemaakte voorgeslacht verhinderden om aan de Raad van Kerken in Nederland en aan de Wereldraad mee te doen. Zijn kerken als de PKN dan ineens orthodoxer geworden? Of zijn ze nog even onwillig en onmachtig als destijds om uit hun midden te verwijderen wat niet met het Woord van God overeenkomt? Het laatste is het geval.
Het mes snijdt hier naar twee kanten. De ‘zorgvuldigheid’ die van ons gevraagd wordt als wij naar buiten kijken, moeten we ook betrachten als wij onszelf beoordelen. Wij die vroeger met overtuiging lid waren van een kerk die we (de) ‘ware kerk’ noemden, wij zakken af naar een niveau waar de vraag legitiem gesteld mag worden hoelang wij dat nog zullen blijven. Er is gelukkig nog veel goeds over de GKv te zeggen, zoals ik – na alle kritiek – in mijn slothoofdstuk zal toelichten. Maar in de tijd van een aantal maanden waarin ik mijn kritische opmerkingen over de GKv op papier zette, heb ik veel deprimerend nieuws uit onze kerken onder ogen gekregen. Is het soms ondenkbaar dat wij zelf afglijden naar een valse kerk?  Enthousiaste berichten hier en daar onder voor, tijdens en na  de synode van Dordrecht, stemden mij treurig. We horen veel over eenheid, zonder dat men ons duidelijk maakt hoe het dan zit met de waarheid, die ons vanaf de Vrijmaking tot kort geleden toe verhinderde aan zulke oecumenische experimenten mee te doen.

 5.7. Wij kiezen voor eenheid

 Juist in deze tijd is het nodig deze vraag naar de waarheid aan onze kerkelijke scribenten voor te leggen. In publicaties als Wij kiezen voor eenheid (2009) willen sommigen ons doen geloven dat wij eigenlijk al één zijn en daarom moeten ophouden over ons ‘eigen gelijk’ te praten. Dan wordt het uitkijken geblazen. Men roept ons toe: leve de eenheid, en gooi geen roet in het eten door over de waarheid te beginnen!
‘Wij kiezen voor de eenheid omdat Christus niet gedeeld is. Christus heeft de muren afgebroken die mensen gescheiden houden’. Zo begint het Manifest voor de Eenheid in het boekje dat ik reeds noemde, nl. Wij kiezen voor de eenheid. Dat Christus de muren tussen Joden en heidenen heeft afgebroken, kunnen we blijkbaar zomaar doortrekken naar het afbreken van alle muren, ook die tussen rooms en niet-rooms, tussen orthodox en vrijzinnig
Ik citeer enkele schrijvers uit het boekje:

 Arie van der Veer (EO): Ik spreek niet meer over een ware of valse kerk, maar ik geloof wel in een kerk die in meerdere of mindere mate zuiver kan zijn (108).

Jos Douma (GKv): Ik leer veel van de huidige paus Benedictus XVI en trouwens ook al van de vorige paus Johannes Paulus II als het gaat om hun krachtige concentratie op de persoon van Jezus Christus….De zuilen zijn verdwenen en de muren vallen weg…. Globaal gesproken hebben de jongeren niets meer met het gereformeerd-zijn, terwijl de oudere generatie daar nog helemaal mee verstrengeld is… Jongeren hebben helemaal geen ‘Manifest van eenheid’ nodig…Aan de andere kant is er een oudere generatie die het moeilijk zal vinden dat kerkgrenzen vervagen…het gescheiden denken is voorbij. (122vv).

Hans Esbach (Evang. Werkverband binnen de PKN): God ziet in elke stad en dorp slechts één Kerk. Er is maar één Lichaam van Jezus Christus, alle naambordjes hebben we zelf gemaakt (130).

Joris Vercammen (Oud-katholiek bisschop van Utrecht): We moeten elkaar accepteren en onszelf relativeren…alle kerken staan in dienst van het Evangelie…Laten we respect hebben voor wat in elke geloofsvorm zichtbaar wordt van een integere navolging van Christus…In beginsel is de hele menselijkheid verlost (153).

 Er staan in het boekje ook betere dingen. Er is een schrijver bij (dr.W. van Vlastuin, Hersteld Hervormd), die opmerkt dat niet de kerk de maatschappij beïnvloedt, maar omgekeerd. ‘Het geloof wordt ondergraven en Christus wordt begraven’. Het lijkt alsof het klassieke denken over homoseksualiteit een open zenuw in onze samenleving raakt. ‘Dan is het plotseling uit met de verdraagzaamheid’, aldus Van Vlastuin. De ontkerkelijking van de wereld is erg, maar de verwereldlijking van de kerk is erger. Als de kerk niet langer de bruid van Christus is, niet meer zichzelf is, verliest ze haar identiteit, geloofwaardigheid en geestelijke kracht (141vv). Dat is taal waarin ik iemand herken, die ernst met de waarheid maakt.

 5.8. Terug naar Dordrecht

 Het zal duidelijk zijn dat ik het betreur dat de GKv in Dordrecht aanwezig was en zich ook verder actief binnen het nieuwe eenheidsstreven van de synode van Dordrecht wenst op te stellen. In het ND van 11-12-2009 kan iemand (B. Kamphuis) denken dat hij de verschillen met andere kerken niet verdoezelt als hij de GKv laat meedoen op basis van het Credo, zoals het door de initiatiefnemers van deze synode ontworpen is. Ik heb daarop geantwoord dat Kamphuis er niet onderuit kan de verschillen te relativeren ter wille van die Dordtse synode (ND 11-12-2009). Hij meent kennelijk dat er van een basale eenheid als lichaam van Christus sprake is, ook al wordt er gezwegen over de kinderdoop, de uitverkiezing en de kerkelijke tucht en andere zaken die in de gereformeerde geloofsbelijdenis belangrijk zijn. Ook J.W. van der Jagt heeft zich een en andermaal kritisch over de opvatting van Kamphuis uitgelaten (Nader Bekeken van januari en maart 2010).
Prof. De Bruijne die eerst nee zei tegen het project, zei later ja (Ref. 19-12-2009). Hij herkent een ‘reformerende beweging’, die wij niet moeten ‘frustreren, maar bevorderen en erin delen’. Ik wou dat ik die reformerende beweging ook herkende. De Bruijne ziet haar bijvoorbeeld in de beweging Wij kiezen voor eenheid. Hij levert overigens meteen ook weer kritiek op die beweging. Ik doe het forser, omdat ik er geen reformerende beweging in kan vinden.
Natuurlijk zal men mij een zwartkijker vinden. Maar ik voorspel dat het zal gaan zoals het er in die brede oecumene allang toegaat. Grote woorden worden er gesproken over ‘muren’ die niet meer bestaan. Maar dat ze echt gevallen zijn, is niet geloofwaardig zolang we dezelfde namen blijven tegenkomen bij dezelfde kerken. Ook al zegt men honderd keer dat al die naambordjes door onszelf en niet door God gemaakt zijn.  Men ondertekent een manifest en men organiseert een ‘synode’. En als het vieren van de eenheid voorbij is, zijn de PKN-ers weer PKN, de Pinksterman blijft Pinksterman, de rooms-katholieke bisschop is nog even verknocht of gebonden aan Rome als voorheen, en de GKv-ers blijven vrijgemaakt.
Met dit verschil dat nu ook de GKv-er in het vervolg niet meer over ware en valse kerk kan spreken zoals zijn belijdenis het doet. En dan niet maar alleen nadat de vrijgemaakte kerken daarover in hun periode van exclusivisme (wij zijn alleen de ware kerk) te eenzijdig hebben gesproken. Gereformeerd valt niet samen met vrijgemaakt. Vanaf 1948 (stichting Wereldraad van Kerken) hebben ook andere kerken van gereformeerde signatuur in deze wereld tot op vandaag toe geweigerd zich bij Raden van Kerken of bij de Wereldraad aan te sluiten.

 Na de kerkelijke breuk van 1944 sloten de Gereformeerde Kerken (synodaal) zich ook niet direct bij de Wereldraad aan. Er was aanvankelijk nog de overtuiging dat het lidmaatschap van de Wereldraad zich niet verdroeg met het gereformeerde karakter van genoemde kerken. Het zou duren tot 1971 voordat de Gereformeerde Kerken (synodaal) waren aangesloten bij de Wereldraad.

 5.9. De kleine oecumene

 Er is een oecumene waarvoor we dichter bij huis kunnen blijven. Het is de kleine oecumene, waarin we al sinds de Vrijmaking eenheid met de Christelijke Gereformeerde Kerken zoeken. Sinds ongeveer 2000 zijn we daarvoor ook bezig met de Nederlands Gereformeerde Kerken.
De resultaten zijn pover. In mijn boekje Hoe gaan we verder?(2001, 148vv) kon ik schrijven dat de situatie tussen beide kerkelijke gemeenschappen (GKv en CGK) sterk verbeterd was. Van het ongunstige klimaat dat ook door het vrijgemaakte exclusivisme in de hand was gewerkt, was toen niet veel meer over. Van onze kant hadden we het idee dat we een snelle fusie moesten laten varen. Wat dan wel? Het doel werd bijgesteld. We moesten ons inzetten voor een federatie als een zodanig verband tussen CGK en GKv, dat de zelfstandigheid en eigenheid van de betrokken kerken behouden zou blijven, terwijl tegelijk aan een gezamenlijk optreden vorm zou worden gegeven. Zelfstandigheid én samenwerking werd het devies. Men erkende elkaar als ware kerken van Christus. Kansels en avondmaalstafels zouden in principe voor elkaars predikanten en leden openstaan.
Is zo’n federatie gerealiseerd? Nee, de generale synode van de CGK 2007 besloot ‘op dit moment’ het federatief groeimodel niet in te voeren. Dat was ook voor veel christelijke gereformeerden een tegenslag. Eerdere synodes hadden immers uitgesproken dat ze het federatief groeimodel een goed model vonden.
Het is duidelijk dat de CGK in 2007 een verrassend en pijnlijk besluit namen. De CGK zijn onderling zo divers en beleven de zaken onderling zo verschillend, dat zij in eigenkring het federatieve groeimodel niet eens kunnen dragen. Die onderlinge verschillen zijn echter al sinds jaar en dag bekend. Denk met name aan de kerken die tot de Bewaar-het-Pandgroep behoren. Zelfs veel CGK-predikanten mogen in die groep niet preken. Deze zware broeders hebben met de vrijgemaakten nooit veel opgehad.
Toch vonden de CGK in 2001 dat het federatief groeimodel een goed model was om als GKv en CGK naar elkaar toe te groeien.
Men kan veel kritiek hebben op de gang van zaken in de GKv, zoals ik in mijn Situatietekening nu ook zelf heb, maar altijd ben ik dankbaar geweest voor het royale GKv-standpunt om met de CGK tot eenheid te komen. Ondanks grote verschillen die wij met een niet onaanzienlijk deel van de CGK hadden en zouden houden, wilden wij ons graag aan de anderen uitleveren binnen één kerk. Als er in de CGK verschillende compartimenten zijn, waarom zou er dan geen vrijgemaakt compartiment bij kunnen?! Wij streven geen hotelkerk na, maar willen wel graag dat de gereformeerde belijders in dit land in principe onder één dak kunnen gaan wonen.
De tussenweg die men met het federatief model wilde gaan, leek een aanvaardbare oplossing. Voorlopig zal het zover dus niet komen. Wij moeten tevreden zijn met wat er hier en daar op plaatselijk niveau gerealiseerd kan worden in samenwerkingsgemeenten.

 5.10. De Nederlands Gereformeerde Kerken

 Moeilijk ligt het ook om met de NGK tot vereniging te komen. Op onze synode van Zwolle-Zuid 2008 is er zeer uitvoerig over gesproken. De eenstemmigheid in visie op de NGK was beduidend kleiner dan in het geval van de CGK. De meerderheid van de deputaten pleitte sterk voor de overgang naar gesprekken die gericht waren op kerkelijke eenheid. De minderheid was niet tegen een voortgaand gesprek, maar wees erop dat er in de NGK van een generale binding aan de gereformeerde confessies nog steeds niet kan worden gesproken. Een heel concreet punt dat een blokkade op de weg naar de eenheid vormt, is het besluit dat de NGK in 2004 namen om alle ambten ook voor vrouwen open te stellen. Deze kerken wensen dit besluit ook niet terug te nemen.
Dit punt woog voor de generale synode van Amersfoort-Centrum (2005) reeds zwaar. De synode van Zwolle-Zuid 2008 sloot zich daarbij aan, door met verdriet te constateren dat de gevoerde gesprekken sinds de vorige synode, ‘hoe intensief ook gevoerd’, nog niet alle bezwaren hadden weggenomen ten aanzien van de openstelling van de ambten én van het Schriftverstaan dat aan de openstelling van de ambten ten grondslag ligt.
In de formulering dat nog niet alle bezwaren zijn weggenomen, ligt kennelijk de hoop besloten dat de beide kerkelijke groeperingen wel op de goede weg naar eenheid zijn. De synode van Zwolle-Zuid formuleert als grond om op de ingeslagen weg van de onderlinge bespreking verder te gaan, dat ‘de gevoerde gesprekken over het Schriftverstaan en de Schriftuitleg hebben geleid tot een zodanige toenadering en herkenning, dat zij voldoende aanleiding en vertrouwen geven om de gesprekken met de NGK voort te zetten’.
Ik herhaal wat ik in Hoe gaan wij verder? (2001) geschreven heb over een federatie van kerkverbanden, die niet alleen de CGK, maar ook de NGK zou omvatten: ‘Laten wij allen ruim zijn in de liefde om elkaar te vinden en elkaar vast te houden; maar laten wij allen tegelijk nauwgezet zijn om na te komen wat wij beloofd hebben en bij een te vormen federatie opnieuw zullen beloven: ons te houden aan de Heilige Schrift, zoals de leer ervan wordt nagesproken in de drie formulieren van eenheid (a.w. 167). Ik keek in Hoe gaan wij verder? met gemengde gevoelens terug op de breuk van 1967. Openlijk heb ik de vraag gesteld of het wel goed is geweest predikanten te schorsen op grond van het enkele feit dat zij de Open Brief hadden ondertekend. Dat moet ons ruimhartig maken om, als het enigszins gaat, weer samen op te trekken.
Maar ‘als het enigszins gaat’ houdt dan toch ook in dat we het over onze binding aan de confessie eens worden. Het is mij opgevallen dat ik veel instemming kreeg, toen ik in 2001 vraagtekens zette achter de relatie tussen ondertekening van de Open Brief en de daaruit voortvloeiende schorsingen van predikanten. Maar ik kreeg van de ‘overzijde’ geen enkele erkenning van de schuld die de NGK zelf aan de breuk hebben. Het ongeduld dat sommigen onder ons laten blijken om zo snel mogelijk de breuk van 1967 e.v.j. ongedaan te maken, bevordert bepaald niet de tweede voorwaarde die ik aan een legitieme vereniging verbond: ons wederzijds te houden aan de Heilige Schrift, zoals de leer ervan wordt nagesproken in de drie formulieren van eenheid.
Ik las dat op het punt van de binding van ambtsdragers aan de drie formulieren van eenheid er binnen de NGK vorderingen worden gemaakt. Dat zou een goede zaak zijn. Ik las echter ook dat de aanstelling van vrouwelijke ouderlingen en predikanten ter wille van de eenheid met de CGK en de GKv binnen de NGK niet ter discussie kan worden gesteld. Zo legt men van NGK-zijde duidelijk een struikelblok om landelijk te bereiken wat in meer dan één plaatselijke samenwerkingsgemeente wél mogelijk is gebleken.

 5.11. Kort intermezzo

 Als ik zie hoe men aan beide zijden, GKv en NGK, intensief bezig is om tot eenheid te komen, rijst bij mij de vraag wat we van het volgende moeten denken. Zowel de GKv als de NGK waren aanwezig op de ‘synode van Dordrecht’. Nadat deze beide kerken hebben ingestemd met de geest van deze synode – ‘wij hebben het hier niet over onze verschillen, maar getuigen van zaken waarover wij het eens zijn’ – zie ik iets zeer dubbelhartigs gebeuren.
In hun onderlinge besprekingen streven de GKv – naar ik aanneem nog steeds in meerderheid – naar de grootst mogelijke overeenstemming met de NGK inzake de binding aan de Schrift en aan de gereformeerde confessie. Maar in het kader van de synode van Dordrecht gaat men samen zitten naast vertegenwoordigers van andere kerken, die niet van plan zijn de vrijzinnigheid uit hun kerken te weren. De kameel van de vrijzinnigheid slikken de GKv (en NGK) hier door, al is het maar voor even, om hun eenheid met de deelnemende kerken te betuigen.
Zetten de GKv hun meedoen aan de nieuwe vorm van oecumene door, dan zullen zij zich minder druk gaan maken over kwesties als de vrouw in het ambt en over de strikte binding aan de belijdenis, zodra zij naar eenheid met de NGK streven. Zulke kwesties worden dan gauw tot muggen, die je niet moet uitziften als je bereid bent kamelen door te slikken. En dat gebeurt als de GKv vrijwel geruisloos hun oude opvattingen opgeven over wat werkelijk oecumenisch mag heten. Hun meedoen aan Dordrecht betekent een wending die de GKv in haar fundament treft.

 5.12. Plaatselijke contacten

 Lokale contacten leiden soms sneller tot eenheid dan de toenaderingen die met besprekingen op landelijk niveau te bereiken vallen. Het is begrijpelijk dat er dan verschil van mening ontstaat hoever men plaatselijk kan gaan. Moet plaatselijke samenwerking en (vooral) eenwording wachten op wat via landelijke samensprekingen en synodale beslissingen bereikt wordt? De deputaten kerkelijke eenheid rapporteerden aan de synode van Zwolle-Zuid 2008 dat zij in de afgelopen tijd verrast waren met een toenemende vraag om advies bij het proces van plaatselijk contact en samenwerking met kerken uit een ander kerkverband. De synode constateerde met dankbaarheid dat het op vele plaatsen tot samenwerkingsgemeenten gekomen was.
De synode van Zwolle-Zuid bond de plaatselijke kerken aan een aantal voorwaarden. Zij bepaalde dat een samenwerkingsovereenkomst met advies van deputaten kerkelijke eenheid moet worden opgesteld. Er moet verder voldoende draagkracht voor zo’n eenheid in de gemeente zijn. Ook is goedkeuring van de classis nodig. Voor het voorgaan in eredienst kan iedere (mannelijke!) predikant worden uitgenodigd die in een van de betrokken kerkverbanden bevoegd is voor te gaan. Wel moet het altijd predikanten betreffen uit een kerkverband waarmee de GKv ook landelijke contacten heeft. En de predikant die voorgaat, moet door zijn ondertekening van de belijdenis hebben verklaard dat hij er hartelijk mee akkoord gaat dat de leer van de drie formulieren van eenheid in alle delen geheel met Gods Woord overeenstemt.
Deze procedure lijkt mij geschikt om de ontwikkeling naar eenheid op plaatselijk niveau in goede banen te leiden. Het is te hopen dat dergelijke plaatselijke samenwerkingsgemeenten ook de landelijke eenheid bevorderen. Terecht is opgemerkt dat het hier gaat om twee acties die elkaar kunnen bevruchten. Wat er plaatselijk mogelijk is, moet de landelijke instanties aanvuren ook de kerkverbanden zover te krijgen dat men gaat samenwerken en de weg naar eenheid inslaat op de voorwaarden die daarvoor gesteld mogen worden.
Toch krijgen we het gevoel dat we de eenheid willen, maar niet zullen bereiken. Plaatselijke kerken zijn niet meer zo gedwee om zich te schikken naar de richtlijnen van het kerkverband als dat vroeger het geval was. De tegenstellingen binnen de kerkverbanden worden groter. Wat in de ene gemeente geaccepteerd wordt, wordt in de andere gemeente verworpen. Het gaat dan over zaken die ook op landelijk niveau spelen, zoals de binding aan de confessie, de vrouw in het ambt, of het al of niet toestaan van homoseksueel samenleven. We zien nu soms dat een samenwonend homofiel stel de CGK verlaat en vervolgens welkom is in de genabuurde NGK.
Het lijkt mij dat we er nog niet aan toe zijn alvast data te noemen voor de vereniging van de kleine kerkverbanden. Wie op 2016 mikt, vijftig jaar na het verschijnen van de Open Brief (31 oktober 1966), als datum voor de vereniging tussen NGK en GKv, toont een gebrek aan fijngevoeligheid tegenover hen die ook vijftig jaar na dato de Open Brief nog altijd een slecht stuk zullen vinden. Aan zo’n datum kun je m.i. alleen maar denken als je de bestaande verschillen klein acht en weinig gevoel hebt voor de crisis waarin de kerken thans verkeren om gereformeerd te blijven. 

 5.13. De kerk en Israël

 Het kan vreemd lijken voor Israël aandacht te vragen in dit hoofdstuk, dat over oecumenische activiteiten van de GKv gaat. Toch is het zo vreemd niet. Voortdurend worden wij herinnerd aan de verplichting die wij tegenover Israël hebben. En altijd is het goed ons van die verplichting rekenschap te geven, ook al gaat het over het joodse volk Israël, dat nauwelijks iets van Jezus Christus, de gekomen Messias, wil weten.
Op de vraag of wij een oecumenische relatie met Israël hebben, moet het antwoord ontkennend luiden. Wat al te vlot woordgebruik kan soms die indruk wekken. Zo lezen we van de onlangs binnen de GKv opgerichte vereniging Yachad, die op de volgende wijze ons stimuleert aan het werk van deze vereniging mee te doen:

 ‘Stel, je verloren gewaande broer lééft. Je omgeving heeft altijd over hem gezwegen, maar nu weet je dat hij ergens op deze aardbol rondloopt. Wat is je eerste reactie? Je wilt weten hoe hij eruitziet, hem leren kennen, samen het verleden inhalen en hem al die dingen vertellen die voor jou belangrijk zijn. Dus je pakt het vliegtuig en gáát’.

 Deze doodgewaande broer moet dan onze broer Israël zijn.
Die aanduiding gaat wel erg vlot. Onze broer naar het vlees vinden we niet onder Joden. Zij zijn Joden, wij zijn niet-Joden. En in geestelijke zin noemen wij iemand onze broeder als hij met ons in Jezus Christus gelooft. Dat gaat voor onze ‘broer’ Israël ook niet op.
Nu weet ik dat de nieuw opgerichte vereniging Yachad een voortreffelijk doel najaagt. In de wat meer uitgebalanceerde stukken lezen we beter waar het om gaat. Het doel van de vereniging is het goede nieuws van de verlossing in de wereld uit te dragen, ook en vooral onder de Joden. We krijgen geen verhalen over God, die te zijner tijd, als de kerk uit de heidenen haar geschiedenis heeft voltooid, de draad weer zal oppakken met zijn oude volk Israël. Ook heb ik nergens gelezen over onvervulde oudtestamentische beloften over landbezit e.d., die nog steeds in vervulling moeten gaan.
Nee, Yachad stelt terecht dat ook voor vandaag Jezus Christus de enige weg tot behoud is, of je nu Jood bent of Griek of Nederlander. Daarom is het belangrijk het Evangelie te verkondigen ook aan de Joden. De apostelen – ook Paulus, die apostel van de heidenen wordt genoemd – brachten het Evangelie eerst onder hun volksgenoten en gingen daarna pas naar de rest van de wereld. Dat doen ze op bevel van Jezus zelf (Luc. 24:47-48). Het Evangelie gaat de wereld in, maar God wil dat zijn volk het als eerste hoort.
Concreet vraagt Yachad om hernieuwde aandacht voor de evangelieverkondiging onder de Joden in Israël. Het lijkt me heel juist dat zij die aandacht dan vooral via Messiasbelijdende Joden wil geven. Yachad onderhoudt contacten met de reformatorische Kol baMidbar-gemeente in Jeruzalem, die de Westminster Confessie als uitgangspunt heeft voor haar geloof. Voorganger in deze gemeente is ds. Anthony Simon, een Jood, geboren in Engeland. Op latere leeftijd is hij tot geloof gekomen. Mee door zijn vrouw (afkomstig uit de Free Church of Scotland) is hij theologisch op het spoor van de calvinistische theologie gekomen.
Tony Simon is voorganger in 2 gemeenten, die hoofdzakelijk bestaan uit Russisch sprekende Joden.
Speerpunt van heel de gemeente is het evangelisatiewerk. Via lectuur, folders, stickers en advertenties worden hele wijken van Jeruzalem bewerkt. Het doel daarvan is: contact leggen, uitnodigen voor de diensten en uitnodigen voor rondleidingen in Jeruzalem.
Het is heel goed dat hier rustig over evangelisatie gesproken wordt. Velen verwerpen dat woord, omdat God zelf wel voor Israël zal zorgen en het uur zal bepalen waarop dit volk voor de Messias gaat kiezen. Wij zouden ons vandaag van harte achter dit volk moeten stellen, omdat het Gods oogappel is en blijft, ook al gelooft het niet in de gekomen Messias Jezus. Het huidige Israël blijft volgens velen het volk dat wij om Gods wil moeten blijven steunen. Daarbij tellen kennelijk de beslissingen van de Verenigde Naties niet omtrent de verdeling van het land tussen Joden en Palestijnen. En moet heel Jeruzalem exclusief de hoofdstad van Israël worden.
Op bescheiden wijze draagt de GKv- vereniging Yachad bij aan de evangelieverkondiging onder de Joden. Ze zijn geen broers van ons, maar ze vormen wel het volk dat Gods bijzondere aandacht houdt en daarom ook door ons niet veronachtzaamd kan worden. Ter wille van de naam van Jezus Christus. Maar ter wille van die naam is het ook onze plicht het onrecht dat Israël bedrijft uit nationalistische overwegingen niet goed te praten 

In het Duitse blad Idea (no. 28/29 2010) las ik dat men in kerkelijk Beieren zal gaan stemmen over de vraag of de Joden in Jezus Christus moeten geloven, ja of nee. Voor 31 oktober 2011 moeten de stemmen binnen zijn. Als een gemeente niet meestemt, wordt zij geacht het eens te zijn met wat de Kirchenleitung voorstelt. Dit houdt in dat de kerk gelooft in de blijvende uitverkiezing van het volk Israël en dat het zich als ‘zuster’ aan het Joodse volk verbonden moet weten. Die ‘zusterlijke’ relatie kan zo uitgelegd worden dat de Joden niet in Jezus Christus behoeven te geloven.

 5.14. De missionaire gemeente

 Er wordt in de kerken vandaag veel over de missionaire gemeente gesproken. Vroeger dachten wij bij ‘missionair’ aan de zending, die door de kerk bedreven werd ergens ver weg in de wereld, onder heidenen, islamieten of Joden. Maar tegenwoordig heeft het woord een andere klank. Wij leven in een geseculariseerd Nederland, zodat het niet vreemd is om over zending in eigen land te spreken. Vroeger spraken we van evangelisatie in eigen land en van zending ver weg. Tegenwoordig kan het woord missionair voor alles gebruikt worden waarin de kerk zich richt op (evangelische) activiteiten buiten de deur.
Wie op het internet zoekt, kan van zo’n missionaire gemeente gemakkelijk een voorbeeld vinden. Neem in Haarlem de Fonteinkerk (GKv). Als gemeente wil men daar ‘Jezus kennen en uitstralen door te leven in verbondenheid met Hem’. Door Jezus te ontmoeten in zijn Woord en in gebed verandert iedereen en wordt de samenleving weer een samenleving. Jezus uitstralen zit hem allereerst niet in acties (doen en spreken), maar in onze levenshouding (zijn). Men moet leesbare brieven van Jezus zijn. Deze houding is vooral van betekenis in de dagelijkse contacten met buren, collega’s en vrienden. Het zendingsveld is niet in het buitenland, maar overal waar wij zelf zijn.
De missie kent drie speerpunten:

1) Leven in verbondenheid met de Drie-enige God door inspirerende diensten (bv. preekthema’s, passende muziekstijl, getuigenissen, bidden voor de buurt).
2) Leven in verbondenheid met elkaar door liefdevolle kleine groepen (bv. Youthalpha, spelletjesavond, marriage course, Emmaus-cursus). Daar neemt men mensen die geïnteresseerd zijn in het christelijk geloof, nog eerder mee naartoe dan naar de erediensten. Het maandelijks gebedsuur is onmisbaar om te groeien in liefde voor buurtbewoners.
3) Leven in verbondenheid met onze buurt door belangeloze diaconale trajecten. In enkele wijken van Haarlem wil men bijdragen aan een samenleving die ook echt samen leeft, in de vorm van trajecten: afgebakend in tijd en doelgericht. ‘Wij zijn herkenbaar aanwezig en relevant voor de context van onze doelgroep. Daarnaast zijn we bereid om hier met trouw (geduld, volharding en afhankelijkheid) en toewijding (tijd, geld, kwaliteit en energie) ons voor in te zetten’. Zo wil men in 2005-2006 ervoor zorgen dat de fontein op het Frans Halsplein weer functioneert en gaat men participeren in de wijkraad van de Frans Halsbuurt.

 Zie de website www.fonteinkerkhaarlem.nl. Het valt op dat de website wel een program voor 2005-2006 vermeldt, maar over de resultaten ervan en over de daarop volgende jaren niets zegt. Bovendien, wat zijn belangeloze diaconale projecten? Ik kan mij voorstellen dat ‘delen met de allerarmsten’ tot een diaconaal project kan worden. Maar ook het weer laten functioneren van een fontein en het participeren in een wijkraad?

 5.15. Een ander soort missionaire gemeenten

 Wie het beleid van de Fonteinkerk gaat beoordelen, zal het waarderen dat de kerk missionair wil zijn door zich te richten op de eigen buurt en buurtbewoners. Dat is (misschien) nieuw, maar kan een goede vorm zijn van wat wij vroeger onder ‘evangelisatie’ verstonden. Men zet zich uiteindelijk in om mensen voor Jezus Christus te winnen. Om dat te bereiken kiest men nieuwe methoden.
Het tweede wat opvalt en ook positief gewaardeerd moet worden, is het feit dat de  gemeente deze missionaire arbeid verricht. Het gaat niet om een groepje in de gemeente die aan evangelisatie ‘doet’, want men wil op zondag en in de week de hele gemeente missionair doen zijn,  in het zijn  van de gemeente(leesbare brieven), in het spreken (met woorden!) en in het doen (met of zonder woorden).
Er is echter ook een heel andere tendens merkbaar binnen de kerken en ook binnen de GKv. Daarin gaat het niet in de eerste plaats om de gemeenten warm te krijgen voor missionaire arbeid, maar om nieuwe gemeenten te vormen. Enkele jaren geleden verscheen een boek onder de titel Als een kerk opnieuw begint (2008, met als schrijvers Gerrit Noort, Stefan Paas, Henk de Roest en Sake Stoppels). De titel zegt al veel. Het doel is niet allereerst bestaande gemeenten te instrueren om missionair te worden, maar om nieuwe kerken te vormen.. De kerk begint opnieuw – die opmerking moeten we serieus nemen.
Waarom moet eigenlijk de kerk opnieuw beginnen? Omdat de bestaande kerken niet in staat zijn het doel van de kerk te realiseren. Dat doel is: zich in dienst te stellen van de missio Dei (de missie van God) en zichzelf ondergeschikt te maken aan dit doel. Ook dat lijkt goed, want we moeten ons toch bij het doel dat God met ons heeft, aansluiten? Zeker, maar Gods doel is volgens de schrijvers van het boek wat Hij met de schepping voorheeft (a.w., 15). Het gaat om het koninkrijk van God in de stad, waarin de kerk dienstbaar moet zijn aan de samenleving (225).
Beantwoorden de kerken daar dan niet aan? Allerminst. Wat de bestaande kerken realiseren, is niet Gods actie in de wereld. Zij richten zich niet op het grote doel van God met zijn schepping, maar ze zijn bezig met het bevredigen van hun eigen religieuze behoeften (264,275)! En dat kan niet. De kerk moet altijd van zichzelf afwijzen, zij moet zichzelf relativeren (225), omdat het niet om haar draait (232).

 5.16. Een nieuw soort kerk

 De missionaire kerken zijn nodig naast de bestaande kerken, die helaas voor het grote doel van God meestal niet goed in beweging te krijgen zijn. De missionaire gemeenten die helemaal opnieuw beginnen, komen wel vaak uit de bestaande kerken op, maar zij richten zich op het (samen)leven met hun (niet-kerkelijke) stad. Meestal zoekt de missionaire gemeente naar contacten met een bepaalde categorie mensen, zoals  bv. de Via Nova-kerk te Amsterdam dat doet door zich op jonge, hoger opgeleide stadsbewoners te richten (137).
Om even bij de Via Nova-kerk te blijven, deze missionaire gemeente vormt een eigen gemeente naast de Christelijke Gereformeerde Kerk te Amsterdam, waaruit zij is voortgekomen. Moeder en dochter hebben in de ogen van de missionaire gemeente gelijke rechten. In de praktijk komt dat echter hierop neer, dat de missionaire gemeente doorzet wat zij voor haar missionaire taak nodig acht.
Concreter gezegd: deze missionaire gemeente moet ruimte hebben voor het experiment. Daarom moet de moederkerk haar een gelijkwaardige inbreng gunnen (262v). In feite lijkt mij die gelijkwaardigheid een fictie te zijn, als we lezen dat de missionaire gemeente ten behoeve van haar taak in de stad allerlei dingen moet kunnen doen die in de moederkerk niet geaccepteerd worden. De missionaire gemeente maakt kennelijk zelf uit wat voor haar taak (de eigenlijke taak van de kerk, die door de bestaande kerken niet wordt uitgevoerd!) nodig is.
Ik moet zeggen dat de toegeeflijkheid zich meer richt op de bestaande stad dan op de bestaande kerk waaruit men voortkomt. De aanpassing aan de stad is door het hele boek heen duidelijk. Contextualisatie heet dat. De kerk staat in een bepaalde context (de cultuur van de stad), die  heel sterk de boodschap van de kerk moet bepalen.
Zo kan het vanwege die contextualisatie ongewenst zijn op zondagmorgen te vergaderen (mensen slapen op zondagmorgen immers graag uit). Ook kun je het in de hoog geëmancipeerde context van Amsterdam niet maken dat vrouwen geen ambtsdragers mogen zijn in de kerk (139). Verder lezen we dat, als een ledenadministratie de doelgroep afstoot, het er dan zonder kan. Het lidmaatschap in bv. Via Nova is buitengewoon vloeiend. In de glijdende vorm van het lidmaatschap is er ook voor niet-christenen al plaats (139). Kinderdoop en volwassendoop moeten naast elkaar kunnen staan (263).
Minder toegeeflijk is men tegenover de bestaande (moeder-)kerk. Als bestaande kerken geestesrichtings-projecten beginnen, moeten ze zich ervan bewust zijn dat ze daarmee hun eigen oppositie organiseren, weet een van de schrijvers ons te vertellen (281)! En inderdaad, de missionaire gemeenten zijn sterk zelfbewust. Voor het doel dat zij willen bereiken, is een radicale verandering van denken, van doen en van organisatie nodig. Alles moet op de helling. Daarvoor moet eventueel ook alles wijken wat gereformeerd-kerkelijk heet.  We hebben hier echt met een nieuw soort kerk te maken. Kerkelijke grenzen tellen in het boek niet. Vandaar ook dat ik het onderwerp ‘missionaire gemeenten’ aan de orde stel in dit hoofdstuk, dat met oecumenische ontwikkelingen te maken heeft. 

5.17. De kerk heeft haar eigen doel

 Ik ben zo vrij een grondstelling van het hierboven getekende missionaire streven aan te vechten. Is het waar dat de ‘bestaande’ kerken alleen maar bezig zijn met het bevredigen van hun religieuze behoeften en geen doel in zichzelf mogen worden genoemd? Zodat er een nieuwe kerk nodig is die zich nu echt bezig gaat houden met de wereld en met de stad waarin wij wonen?
Ik geloof hier niets van en ik vind ook nergens in het Nieuwe Testament enig gegeven dat er naast (en feitelijk ook tegenover) de bestaande kerk een echt missionaire kerk nodig is.
Waarom geloof ik daar niets van? Uiteraard omdat ik daarvoor geen enkel tekstueel bewijs kan vinden. Maar wat mij nog sterker aanspreekt, is het volgende: als de kerk niet een doel in zichzelf kan worden genoemd, hoe moet ik mij dan het Bijbels spreken over de kerk voorstellen die het lichaam en de bruid van Christus (Ef. 5,23vv; Openb. 21) heet? Is het geen miskenning als de bruid van Christus slechts een middel wordt? Een middel voor het ‘eigenlijke’ doel, nl. dat we met ons gezicht naar de wereld en de stad gaan staan, omdat we daarin met de uiteindelijke verlossing van Gods schepping te maken hebben? De missionaire gemeente van God zou niet de kerk, maar het koninkrijk van God, de schepping, de wereld en de stad voor ogen hebben! Ik noem het een miskenning wanneer je zo minimaliserend over de kerk als middel spreekt – de kerk die lichamelijk en geestelijk aan haar man Christus verbonden is.
Het negeren van de hoge positie van de kerk als bruid van Christus steekt schril af bij de vrouwvriendelijkheid van de missionaire gemeente, die in maximale contextualisatie (137) met de cultuur van Amsterdam wil leven en zich daarom geen vrouw buiten de leiding van de gemeente kan voorstellen.
Zoals wij God als Vader hebben, hebben wij de kerk als moeder, zei men al vanaf de Oude Kerk. Het is dan ver onder de maat de kerk ‘slechts’ een middel te noemen. De kerk is de gemeente van de Drie-enige God die blijft tot in alle eeuwigheid. Wat er van de schepping, onze stad en haar cultuur meegaat de eeuwigheid in, weet ik niet. De vier schrijvers van Als een kerk opnieuw begint vertellen mij dat ook niet. Maar van de kerk mag ik geloven dat zij als bruid van Christus, als de vrouw van het Lam en als de stad Jeruzalem voor altijd zal schitteren (Openb. 21,9vv). 

De uitdrukking dat de kerk ‘slechts’ middel is, zit vandaag in de lucht. De een praat de ander gemakkelijk na.
Bijzonder opvallend in Als de kerk opnieuw begint is het ontbreken van alle exegese als we vragen naar wat ‘kerk’, ‘koninkrijk van God’, ‘stad en wereld’ betekenen.

 5.18. Paulus’ afscheid van de oudsten uit Efeze

 Toen Paulus afscheid nam van de oudsten op het strand van Milete, bond hij hun niet op het hart overal missionaire gemeenten te stichten, maar wees hij met klem op hun roeping aan de kudde te denken die onder hun verantwoordelijkheid als herders stond. Het ging over Gods gemeente, die Hij door het bloed van zijn eigen Zoon verworven heeft (Hand. 20,20vv). En dan de kerk slechts middel noemen?
De kerk heeft (ook) haar eigen doel. Wij komen ’s zondags in de ‘bestaande’ kerken niet samen om onze religieuze behoeften te bevredigen, maar om de Drie-enige God te eren en te bezingen, voor Hem onze schuld te belijden, naar zijn Woord te luisteren en de noden van kerk en wereld aan Hem voor te leggen.
Als het heel persoonlijk over ons gaat, gaat het over onze zielen die gered moeten worden. Ook dat is geen zelfbevrediging, maar vloeit voort uit het werk en de opdracht van Jezus Christus, die als herder waakt over de zielen (1 Petr. 5,5), zoals ook de voorgangers in de kerk moeten doen (Hebr. 13,17; vgl. Jak. 1,21; 5,20; 1 Petr. 2,11). Het is noodzakelijk dat de kerk aan haar eigen kinderen denkt, ze koestert, o.a. door gedegen onderwijs in prediking en catechisatie. Zo wordt de kerk gebouwd. Het doel is dat zij volledig toegroeit naar Hem die het hoofd is: Christus (Ef. 4,15).
Tegelijk keert de kerk haar gezicht naar buiten. Ook dan gaat zij in het spoor van Paulus: Hij had de volle aandacht voor de toerusting van de door God duur gekochte kerk. Maar hij werkte tegelijk ook aan de vermeerdering van de kerk, zowel onder Joden als Grieken, die Hij opriep zich te bekeren tot God en te geloven in Jezus Christus als onze Heer (Hand. 20,20). Dat was mensen toevoegen  aan het getal van de leerlingen, van hen die gered wilden worden (Hand. 2,41.47; 5,14; 11,24).
Het is door het geloof dat zielen behouden worden (Hebr. 10,39, etc.). ‘Zieltjes winnen’ is tegenwoordig voor velen een bedenkelijke uitdrukking (225,228), maar in het Nieuwe Testament een centraal gegeven: mensen moeten gered worden.

 5.19. Welke boodschap heeft de missionaire kerk?

 Wanneer we in het handboek Als de kerk opnieuw begint proberen te ontdekken wat  de (nieuwe) boodschap is die de missionaire kerk ten bate van de stad te brengen heeft, worden we eerlijk gezegd niet veel gewaar. We hoorden al dat niet de kerk, maar de schepping het einddoel zou zijn van Gods handelen. De kerk moet zich voor die missie laten inschakelen. Maar wat dat nu in concreto betekent, heb ik in Als de kerk opnieuw begint nergens uitgelegd gekregen. Wie Gods werk louter en alleen in de kerk situeert, kan in de wereld niets goeds meer vinden, lees ik. Het gaat er dan om zoveel mogelijk van de wereld tot kerk te maken (267).
Nu heb ik hierboven al gezegd dat er niets op tegen kan zijn zoveel mogelijk mensen tot het geloof in Christus te brengen en tot leden van de kerk te maken. Maar wat het nu betekent dat de kerk voor de voltooiing van de schepping wordt ingeschakeld, wordt ons niet verteld. Dat mensen die tot geloof gebracht worden, ook tot zegen voor de samenleving hun krachten moeten inzetten, zal duidelijk zijn. Maar wat voor specifieke taak de nieuwe missionaire kerk heeft binnen de samenleving, wordt nergens in het genoemde handboek ingevuld.
Die vaagheid wordt nog gevoed door opmerkingen als: een missionair initiatief moet juist ‘openheid geven aan het onbekende’ (258). Dat hangt samen met de contextualisatie die men nodig acht. Je weet van tevoren niet waar je uitkomt. Het is een leerproces waarin de missionaire gemeente de ‘wereld‘ nodig heeft. De ‘ander’ is niet slechts de ontvanger van de boodschap, maar is ook spreekbuis van Gods Geest. Samen met de ‘ander’ ontdekt de kerk wat het evangelie is in de specifieke context waarin kerk en wereld met elkaar in interactie gaan. We lezen dat er daarom ook geen sprake is van één zuivere kerk of van een evangelie dat boven elke context verheven is (266).
Wie het vatten kan, vatte het. Ik vind dit pure ketterij, omdat op deze manier het evangelie niet meer de boodschap is zoals die voor alle tijden en voor alle mensen geldt. Kerk en wereld bepalen samen wat tot heil voor de wereld dient. De Geest spreekt aan beide kanten. Als de kerk de wereld aanspreekt, heeft zij met God te maken. Juist in de communicatie met de ‘ander’, ontdekt zij meer van zichzelf (266). De mogelijkheid bestaat dat Gods Geest de missionaire gemeente ‘van de andere kant (de wereld) tegemoetkomt (270).
Kerk en wereld staan tot elkaar in een dialectische verhouding, d.w.z. de kerk kan voor haar boodschap niet zonder de bijdrage van de wereld. De ‘ander’(in de wereld) levert met zijn of haar ervaringen een bijdrage tot een nieuw verstaan van de boodschap. ‘Sterker nog, de Schrift is aangewezen op de dialectische ontmoeting met ‘de ander’ om te kunnen worden verstaan (318).

 5.20. In de geest van Tim Keller?

 Als ik deze dingen lees, en het evangelie en de kerkleer m.i. op losse schroeven gezet worden, krijg ik ook mijn twijfels wanneer meer dan eens met respect op de Amerikaanse prediker Tim Keller gewezen wordt. Verschillende missionaire gemeenten beschouwen zich als dochterkerk van de Redeemer Presbyterian Church in Manhattan, de kerk waar Tim Keller voorganger is. Wel lees ik dat men Keller zelfstandig en kritisch verwerkt (140).
Komt het op de boodschap van de kerk aan, dan vind ik Keller helemaal niet terug. Keller noemt zich ‘gelukkig gereformeerd’. Hij heeft de dogmatiek van Herman Bavinck gelezen en durft daarvan te zeggen: ‘Lees Bavinck en je vindt de integratie waar ik voor sta’. Hij zou als docent zijn studenten diens hele Gereformeerde Dogmatiek laten lezen  (ND van 29-12-2008)!
Ik heb sterk de indruk dat de missionaire gemeente, zoals die in Als een kerk opnieuw begint beschreven wordt, alle scherpe punten in de confrontatie met de wereld afvijlt, om het contact zo aangenaam mogelijk te laten verlopen. Wil men niet op zondag bijeenkomen? Akkoord. Wil men geen kinderdoop? Dan is er de volwassendoop. Heeft men er moeite mee dat vrouwen geen ambtsdrager mogen zijn? Dan moet zoiets in een missionaire gemeente mogelijk worden. Schriftgegevens spelen geen enkele rol als het over zulke zaken gaat. Trouwens, zoals ik reeds aangaf,  nergens speelt de uitleg van de Schrift een fundamentele rol  in Als een kerk opnieuw begint.
Lees ik echter Tim Keller, dan valt het mij op met hoeveel rust en beslistheid hij het christelijk geloof verdedigt, tot en met waar de Schrift over de hel spreekt (In alle redelijkheid, hoofdstuk 5), of over de historiciteit en letterlijkheid van de Schrift (idem, hoofdstuk 7). Keller is een man bij wie de gelovige zich thuis voelt, omdat hij niet over een waarheid spreekt die zich nog vormen moet en die eerst door een ‘dialectiek’ met de wereld heen moet. Hij spreekt met overtuiging, zoals ook C.S. Lewis en H. Bavinck dat konden. Zulke mensen hebben wat te vertellen, omdat zij niet benauwd zijn voor achterlijk te worden versleten als zij allerlei dingen geloven die de ‘wereld’ dwaasheid vindt. Met grote kennis van zaken en met veel invoelvermogen voor wat de wereld beweegt, zijn zij missionair bezig om het Woord van God te verdedigen. Zij weten in welke context zij spreken, maar verwerpen een ‘maximale contextualisatie’, die de wereld aan het woord laat om samen met de kerk de waarheid te bereiken.

 Daarmee zeg ik niet dat in een missionaire kerk van de nieuwe soort overal doorwerkt wat ik hierboven beslist heb moeten afwijzen. Men kan trouw willen blijven aan de klassieke christelijke traditie, in de lijn van de Apostolische Geloofsbelijdenis en theologisch kiezen voor een exclusieve visie op het heil dat alleen in en door Jezus Christus toegankelijk is (139v). Maar het ‘specifiek gereformeerde’ wordt niet meer verdedigd  (140). Daarom mag ik mijn hart vasthouden voor het gereformeerde karakter in de sector missiologie aan de TU te Kampen-Broederweg, waar dr. Paas werd benoemd, kort nadat hij een groot deel had verzorgd van het boekdeel ‘reflectie en analyse’ in het door mij hierboven geciteerde boek. Ik wijs er nog even op dat ik niet de enige ben die kritiek op het genoemde boek levert. Ook drs. H. Drost heeft zich in Nader Bekeken kritisch uitgelaten over dit boek (jg. 17, maart 2010, 79vv), en typeert het als ‘een knap, gevaarlijk boek’.

 5.21 Doorwerking in de GKv

 Nu zou het kunnen zijn dat ik wel bedenkelijke opvattingen in een handboek over missiologie aanwijs, maar daarmee nog niet aantoon dat die opvattingen ook in de GKv zijn doorgesijpeld. Helaas is het laatste wèl het geval en zeer duidelijk ook.
Ik denk aan het blad Zout magazine, dat evangelisatie vanuit de GKv wil stimuleren. Daarin kan men lezen over de missionaire kerk Stroom die gesticht werd vanuit de GKv Amsterdam-C. We horen dan dezelfde geluiden als in het hierboven besproken boek Als een kerk opnieuw begint.
Stroom wil het hart van christenen en niet-christenen raken vanuit het hart van God, het evangelie van Jezus Christus. De samenkomsten worden opgeluisterd met film, interactie en muziek, van klassieke hymnen tot popliedjes. Men richt zich op jonge, hoogopgeleide Amsterdammers en zoekt daarvoor passende structuren. Maar dat geeft spanningen tussen de moedergemeente en haar dochter.‘Hoe begeleid je een dochtergemeente?’ Het idee van de moederkerk was dat de spelregels voor gemeentestichting van tevoren konden worden bepaald en dat daarmee in de praktijk kon worden gewerkt. We lezen (Zout magazine maart 2009) dat vanuit het gezichtspunt van de Oosterparkkerk Stroom op een puberende dochter leek, die totaal anders werd dan haar moeder had gedacht. Maar juist gemeentestichting biedt, aldus het door mij geciteerde interview, mogelijkheden voor andere structuren, voor dynamiek en flexibiliteit. ‘Natuurlijk moet je daarbij trouw blijven aan je principes en met de moederkerk in gesprek blijven over je keuzes’.
Er zullen ingrijpende beslissingen worden genomen over bioscoopstoel of kerkbank, Big Band of kerkorgel, zuigelingen of ouderen. ‘Onze moederkerk kan ons in dit proces goede tips geven, maar we zullen zelf moeten beslissen hoe we onze identiteit vormgeven, bijvoorbeeld in borrels of huiskringen, zegt Martijn Horsman. ‘Een moeder heeft het recht te vragen naar onze beweegredenen en mag advies geven, maar uiteindelijk kiezen we zelf’.
De terminologie lijkt als twee druppels water op wat we al lazen in Als een kerk opnieuw begint: wederzijds respect tussen moeder en dochter, maar…’uiteindelijk kiezen we zelf’! En de hem bijvallende predikant Telgenhof kwalificeert de volwassenheid van de dochter tegenover haar moeder als volgt: ‘Het is mooi om het niveau te ontstijgen van het steggelen over regeltjes’.
Zodra het verkleinwoord ‘regeltjes’ valt in een preek of in artikelen, is het uitkijken geblazen. Kerkordes en belijdenisartikelen gaan snel op de schop.
Zo zou de columnist in het geciteerde nummer van Zout (Bram Beute) het liefst helemaal opnieuw beginnen. ‘We laten al onze oude gewoonten, regels, kerkordes en zo los. We houden samenkomsten zoals we vinden dat het past bij de Bijbel en bij deze tijd’. Er moet een eind komen aan verstarring en verharding, aan traditionalisme en angst voor verandering. ‘Dat alles moet sterven…Onze oude kerk moet aan het kruis geslagen. Om Christus’ kerk te worden. We moeten met Hem sterven om met Hem op te staan’.
Niet alleen dus onze oude mens, maar ook onze oude kerk, d.w.z. de kerk zoals zij thans bestaat, moet aan het kruis! Ik herhaal dat ik deze grove taal over de bruid van Christus beledigend vind. De kerk bestaat al duizenden jaren, zij wordt door haar Heer in stand gehouden; maar tegenwoordig zijn er mensen die deze kerk tegen de vlakte willen hebben en ons zullen laten zien hoe we pas kerk zijn!

 Ook anderen hebben gezien dat in Zout magazine  negatief over de bestaande kerk en idealistisch over de missionaire kerk geschreven wordt. Dr. M. Alderliesten uit Maasland zond mij een bijdrage van zijn hand toe onder de titel Zout…en de kerk. Hij vraagt zich af of het Woord van God na een kerkgeschiedenis van twintig eeuwen soms bij de missionaire gemeente begonnen is en haar alleen bereikt heeft (vgl. 1 Kor. 14,36). Als doel geeft de missionaire gemeente aan ‘de voortgang van het koninkrijk van God’. Daarvoor moeten we nieuw beginnen. ‘Het is voor mij een volkomen abstract verhaal’, aldus dr. Alderliesten, ‘dat alleen maar vragen oproept: wat is precies het doel en waarom moeten we er opnieuw voor beginnen?’
Soms is het verhaal minder abstract, zoals wanneer we dr. Paas lezen in zijn artikel ‘Gods zending ontdekken’ (Zout magazine juni 2009). Hij noemt naast zaken als 1) oproepen tot bekering, 2) onderwijs, 3) liefdevol dienstbetoon, ook 4) het zoeken naar verandering van onrechtvaardige structuren in de samenleving, door maatschappelijke en politieke actie te  voeren tegen dictatoriale regimes. Paas noemt nog een dimensie: 5) zoeken naar bewaring en herstel van de schepping en vernieuwing van het leven op aarde. Zowel 4) als 5) horen m.i. niet tot de taak van de kerk. Over het woord ‘actie’ op politiek gebied zeg ik: bewaar ons voor politisering van de kerk! Bewaar ons eveneens voor het opleggen aan de kerk van een taak die zij absoluut niet aankan! Hoe ijveriger zij politiek wordt, hoe minder er terecht komt van de verkondiging van het evangelie. Taak  5) is als rentmeesterschap een goede zaak, maar dan opnieuw als bezinning in de prediking en niet als actie van de kerk. ’Een dagje knotwilgen’ wordt als voorbeeld genoemd. Ga je gang, zou ik zeggen; als het maar geen programma’s op een kerkelijk agendum worden!

 5.22. De kinderdoop

 Kenmerkend voor gereformeerde kerken is dat zij kinderen doopt. Dat vloeit voort uit  onze overtuiging over het verbond dat God met de gelovigen en hun kinderen sluit. Deze opvatting over het recht en de plicht om als gelovige ouders onze kinderen te laten dopen, wordt vandaag zwaar aangevochten. Op de Bijbelcursus die ik samen met drs. Adrian Verbree heb gegeven, hadden wij in Zwolle en Rotterdam op de avonden over de kinderdoop samen 1200 cursisten. Dat was de topper onder alle avonden. Maar tegelijk moeten we erbij zeggen dat het zeer grote aantal cursisten een bewijs was van zwakte van de GKv. Tal van jongeren en ouderen twijfelen aan het goed recht van de kinderdoop. Velen verlaten onze kerken, omdat zij de kinderdoop niet meer aanvaarden en daarom zich bij Baptisten of (andere) evangelische gemeenschappen aansluiten.
Tegenover hen verdedigen wij het recht op en de plicht tot de kinderdoop. Wie onder onze predikanten dat niet meer doet, moet beseffen dat hij de gereformeerde belijdenis bestrijdt, terwijl hij met haar heeft ingestemd. Hij doet er goed aan zijn ambt neer te leggen. Ik durf te zeggen dat, wanneer de GKv op dit punt door de knieën gaan, zij het recht op het predicaat ‘gereformeerd’ zal verliezen.
Wat zien we nu gebeuren bij de missionaire gemeente Stroom? De kerkplanter Martijn Horsman deelde op zijn weblog mee dat Stroom aan ouders de ruimte biedt hun kinderen niet te laten dopen, wanneer ze dat niet willen (ND 05-02-2010). ‘We zegenen alle nieuwe kinderen binnen de gemeente en nodigen de ouders uit om het kind ook te laten dopen. Wie dat laatste niet wil: onze zegen hebben ze’. Of ze daarmee ook Gods zegen hebben, wil ik betwijfelen. Ik hoop van harte dat de classis waaronder de missionaire gemeente valt, deze doorbraak in ons kerkelijk leven weet te voorkomen.
Ook hier echter spoort het beleid van Stroom met wat Als een kerk opnieuw begint voor de missionaire kerk nodig vindt: aanpassing! Aanpassing aan wat de mensen zelf willen. In plaats van Amsterdam te leren begrijpen wat voor rijkdom de (kinder)doop inhoudt en wat gereformeerd zijn, gereformeerd denken en gereformeerd leven voor Amsterdam zou kunnen betekenen, capituleert men. In de waan dat men zelf wel weet hoe de kerk moet reilen en zeilen.
Liever geen dochters binnen de GKv dan zulke dochters!

Reacties zijn gesloten.