Het christelijk leven

4.1. Een eigen levensstijl

 Als een kerk haar geestelijke veerkracht verliest, is dat nooit een kwestie van alleen de leer. Ook het verval in het leven van de kerkmensen zal zichtbaar zijn. Misschien is het omgekeerde zelfs vaker het geval. Onchristelijk leven zet de deur open voor onchristelijke leer. ‘Maak me niet arm, maar ook niet rijk…Want  als ik rijk zou zijn, zou ik u wellicht verloochenen, zou ik kunnen zeggen: ‘Wie is de HEER?’ ’ (Spr. 30,8v). Dat wist de Spreukendichter al, en diezelfde boodschap keert in het Nieuwe Testament met verdubbelde kracht terug. Welnu, we zijn rijk en we bezwijken gemakkelijker dan onze grootouders aan de wereldse begeerten. Paulus maakt melding van Demas die hem verlaten heeft, omdat hij de wereld lief had gekregen (2 Tim. 4,10).
Zulke mensen zijn er ook onder ons en hun aantal zal groter worden, als God ons de vreugde van een geestelijke opwekking zal onthouden. Men voorspelt dat we vanaf heden tot over tien jaar zo’n 20.000 leden gaan verliezen. Het bewijs daarvoor zal nog wel minder ‘bewijs’ zijn dan peilingen voor het zetelaantal in de Tweede Kamer. Maar ik heb er evenmin aanwijzingen voor dat de huidige terugloop in ledental van de GKv de komende tijd tot stilstand komt. De mensen die ons zullen verlaten, gaan stellig niet allemaal naar een evangelische gemeente. Zij die dat wel doen, maken vaak ernst met het christelijk leven. Ik vermoed dat het grootste deel van de kerkverlaters de wereld ingaat, omdat ze meer Demas dan Jezus Christus nalopen.
Het is niet voor de hand liggend, ook onder ons niet, om elkaar nog aan de eigen christelijke levensstijl te herinneren. De zuilen in Nederland zijn immers afgebroken en wij moeten ons vooral niet antithetisch opstellen. Schotjes tussen de kerken moeten al helemaal worden afgebroken. Op het politieke erf kunnen we gereformeerden in allerlei politieke partijen tegenkomen, tot in SP en D66 en PVV toe. Waarom moeten wij eigenlijk zo apart zijn?
Dat het volgen van Jezus Christus ons roept tot een christelijke levensstijl, die ons van de wereld onderscheidt, ook omdat we ons in allerlei kringen beslist niet thuis kunnen voelen, is niet meer vanzelfsprekend. Velen passen zich in vérgaande mate aan. 

4.2. Toch een normale levensstijl

 Nu zijn er in het alledaagse leven veel dingen die christenen en niet-christenen gemeen hebben. Het christelijke staat niet op gespannen voet met dat wat gewoon, algemeen en humaan is. Vriendelijkheid, bescheidenheid, ingetogenheid en andere deugden worden onmiddellijk herkend. Veel dingen gaan in ons leven zó ‘gewoon’, dat we geen Bijbelteksten nodig hebben om te weten wat God van ons wil. Wel hebben we een ander innerlijk als we ons hart aan Jezus Christus gegeven hebben. En dat andere innerlijk, leidt ook tot een ander uiterlijk. We kunnen geen anonieme christenen zijn. We getuigen van Jezus en gaan dus achter Hem aan. De goede wandel volgt uit onze bekering tot Hem. Die wandel mag en zal ook opvallen (1 Petr. 2,12; 3,16). Maar hij valt op in allerlei gewone dingen, die een ander bijzonder is gaan vinden.
Ik denk aan de Brief aan Diognetus (ongeveer 150 na Chr.) die zijn christelijke levensstijl als een heel normale levensstijl tegenover de heidenen verdedigt. Ik vat, deels in moderne taal, samen wat Diognetus ons te vertellen heeft:

 ‘Wat voor abnormaals is er in een gedrag dat van geen echtbreuk en ontucht wil weten, waarin kinderen niet te vondeling worden gelegd of geaborteerd worden, waarin homoseksueel gedrag wordt gemeden, de vrouwen kuis zijn als meisjes, weduwen en wezen verzorgd worden, vreemdelingen onderdak vinden, gevangenen bezoek ontvangen en doden op waardige wijze begraven worden?’

 Bij herhaling worden zulke en andere zaken door de vroeg-christelijke schrijvers naar voren gebracht om hun christelijke moraal als een normale moraal te verdedigen.

 4.3. Wat meevalt

 Kijken we naar afzonderlijke ethische thema’s, dan is er na de Tweede Wereldoorlog heel wat op ons agendum gekomen dat vóór die oorlog zo niet de aandacht trok. Ik denk aan zaken als abortus provocatus en euthanasie. Daartegen hebben de vrijgemaakt-gereformeerden zich vaak duidelijk uitgesproken. Ik zie ook niet dat de opvatting over deze twee belangrijke onderwerpen zich in een verkeerde richting onder ons ontwikkelden. Zeker, met name euthanasie kan ook ons voor problemen plaatsen. Is verlenging van het leven in geval van hoge ouderdom en/of dementie altijd geboden, als de patiënt alleen op kunstmatige wijze in leven kan worden gehouden? Wanneer mag zo’n behandeling gestaakt worden? Dat zijn vragen die elke christen zich mag stellen, nu de medische ethiek mogelijkheden biedt om het leven kunstmatig en (te) lang in stand te houden.
Maar zulke moeiten kunnen wij met de arts, met de predikant, met de familie of met deskundigen onder onze geloofsgenoten bespreken. Wat wij niet kunnen doen, maar wat ik onder ons ook niet constateer, is uitgaan van het principe dat wij over het leven van een gehandicapt mens of over dat van onszelf kunnen beschikken. Dat beweren voorstanders van euthanasie en zelfdoding, die het lot van de mens zoveel mogelijk in z’n eigen hand willen leggen. De mens is z’n eigen baas, zoals ook van een zwangere vrouw gezegd wordt dat zij ‘baas in eigen buik’ is en haar ongeboren kind kan laten verwijderen als zij dat nodig vindt.
Veel verleidelijker is het om van in vitro fertilisatie (ivf) gebruik te maken als in een huwelijk de man of/en de vrouw onvruchtbaar is en ivf voor sperma of eicellen kan zorgen. Wie wil er als gehuwde niet graag een kind? En is het niet mooi dat de techniek een handje kan helpen? Dat is inderdaad mooi, maar niet om met sperma van een vreemde man of vrouw buiten het spoor van het Bijbels huwelijk te treden. Met het argument dat dit toch ‘slechts’ een kwestie van techniek is, bedriegen we onszelf of een ander.
Ik kan meer onderwerpen noemen waarover onder ons nog vrij grote eenstemmigheid zal zijn. Neem de zorg voor het milieu. Wie het goed heeft en het er goed van neemt, vervuilt gemakkelijk het milieu. Het wordt ons geregeld terecht voorgehouden dat we zuinig moeten zijn op onze wereld die uitgeput raakt.
Ontwikkelingshulp kan in de zakken van Afrikaanse regimes terecht komen, maar dat ontslaat ons niet om – zeker als het over ontwikkelingshulp gaat die ook missionaire aspecten heeft –  geld en mensen beschikbaar te stellen.
Zo zijn er meer onderwerpen te noemen die wij gemakkelijk met de christelijke levensstijl kunnen verbinden en die onder ons nog op grote instemming kunnen rekenen. Het is niet alles treurnis wat ik te melden heb. Er zijn gelukkig ook dingen die meevallen.

 4.4. Wat tegenvalt

 Gaat het over onderwerpen als seksualiteit vóór het huwelijk en homoseksualiteit, dan is het beeld allesbehalve rooskleurig. Predikanten die de jeugd in hun gemeente kennen, vertellen mij dat zij vermoeden dat negen van de tien jonge mensen in hun verkeringstijd seksuele omgang hebben. Vroeger kwam dit kwaad ook voor, maar toen werd er nog zwaar aan getild. Openlijke schuldbelijdenis in de kerk of vermelding ervan aan de gemeente komt onder ons niet vaak meer voor. Is het voor kerkenraden nog een punt waarover ze zich druk maken? Als vrijwel iedereen het ‘doet’, wat beginnen predikanten en hun kerkenraden er dan nog tegen?
Ik zou zeggen, het minste wat men kan doen, is er in preken aandacht aan schenken en het kwaad als kwaad signaleren. De predikanten kunnen (moeten) zo’n onderwerp op hun catechisaties toch aan de orde stellen? Of is seksualiteit een onderwerp dat zo menselijk en zo mooi is, dat we er alleen maar verheven over kunnen spreken en kritische woorden achterwege moeten blijven? Begrijpen we nog dat God ook onze seksualiteit onder zijn beheer wil hebben? De begeerte van het vlees (NBV: zelfzuchtige begeerte) behoort naast de begeerte van de ogen (NBV; afgunstige inhaligheid) en een hovaardig leven (NBV: pronkzucht) tot de wereld die wij niet lief moeten hebben (1 Joh. 2,15v). Wie huwelijk en de seksuele beleving van elkaar losmaakt, streelt zichzelf en voegt zich niet naar de orde die God heeft ingesteld. Dingen die op zichzelf mooi zijn, worden lelijk.
Wanneer wij heilig en rein willen leven, zeggen we niet dat we ‘onszelf mogen zijn’.  Wij zijn van Christus en daarom strijden wij tegen de zonde en moeten weten wat zelfverloochening betekent. Zo worden wij wie wij zijn: ‘in Christus’. We hebben het honderdmaal beter dan de arme sloebers in deze wereld, wij weten van christenvervolging, terwijl wij royaal onze vakanties kunnen vieren. We hebben aan geen ding gebrek, en dan klagen als we herinnerd worden aan strijd en zelfverloochening?!
Strijd en zelfverloochening zijn heilzame christelijke woorden bij alles wat wij doen. Ik begin hier geen bijzondere paragraaf als het over seksualiteit gaat. Preutsheid is mij vreemd, losbandigheid evenzeer. Ik wil over seksualiteit spreken zoals de Schrift dat doet en zoals de seksualiteit haar plaats heeft achter Jezus Christus aan. Als negen van de tien jongeren vóór het huwelijk seksuele gemeenschap hebben, is dat net zo’n bewijs van gebrek aan zelfverloochening als wanneer negen van de tien jongeren maling aan de kerkgang hebben. Wij moeten ons niet aanpassen. Dat doen wij wel als we zeggen: negen van de tien ongetrouwde jongeren hebben seksueel verkeer vóór hun huwelijk; welnu, dan moeten wij anders tegen dat fenomeen aankijken dan we deden en het voor onze jongeren gemakkelijker maken. We kunnen er allerlei verzachtende omstandigheden voor aanvoeren. Leven in onthouding is in onze tijd toch heel wat moeilijker dan vroeger? Gaan we in allerlei opzichten niet veel intiemer met elkaar om dan vijftig jaar geleden? Etc., etc.
Al dit gepraat betekent dat we de strijd staken en door de knieën gaan. We berusten in de ‘nieuwe’ situatie, die overigens helemaal zo nieuw niet is. Jonge mensen hadden het vroeger natuurlijk ook al moeilijk om ‘netjes’ te leven.
Ik stel iets anders voor: we strijden verder en gaan niet door de knieën. Achter Jezus Christus aangaan, is het enige dat we moeten doen. Lijden we een nederlaag, dan gaan we niet door de knieën, maar op de knieën. God is een barmhartig God. Belijden we onze zonden, dan zal Hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad (1 Joh. 1,9). De strijd zetten we voort, omdat het kwaad kwaad blijft. We zijn gelukkig geen lid van een kerk die alleen maar kan zeggen waar het op staat. ‘Wees goed voor elkaar en vol medeleven; vergeef elkaar zoals God u in Christus vergeven heeft’(Ef. 4,32).
Er valt wat te vergeven, als we onze naaste in de kerk zien struikelen. Wie berust in het kwaad, vraagt niet meer om vergeving en ontvangt die ook niet meer  Vergeven door God en mens betekent dat we iemand weer op het rechte pad brengen (Gal. 6,1). Want kwaad blijft kwaad. Wie dat niet meer durft te zeggen, helpt zijn naaste van de wal in de sloot.

 4.5. Homoseksualiteit

 Het is m.i. duidelijk wat in de preek en op de catechisatie gezegd moet worden als het gaat over ‘vooruitgrijpen’ op het huwelijk en over ‘samenwonen’. Wij moeten in dit kwaad niet berusten, maar het bestrijden. Hoe zit het met de homoseksuele leefwijze? Het gaat dan wel over heel wat minder gemeenteleden dan de (jonge) mensen die ik in 4.3 op het oog had. Maar het onderwerp krijgt vandaag vele malen meer aandacht. Tegen die aandacht als zodanig keer ik mij niet, ook al omdat ik vanaf 1973 de zaak meer dan eens zelf aan de orde heb gesteld.
Ik leerde de moeiten kennen waarin veel homofielen verkeren en vond het de plicht van de kerk aan hen steun te geven. Zij mogen en moeten weten hoe de kerk hen helpen kan en tegelijk hoe de kerk op grond van Gods Woord over het onderwerp ‘homoseksualiteit’ te oordelen heeft.
Vandaag kan ik bijna geen Nederlands Dagblad opslaan, of het meldt wel iets omtrent ons onderwerp. Ik ben van mening dat we meer dan bij andere onderwerpen hier voor een ingrijpende beslissing staan. Accepteren we de homoseksuele levensstijl, ja of nee? Past dit in de navolging van Christus? Daarom zal ik er uitvoerig aandacht aan moeten geven. Er staat hier veel op het spel.
In mijn geschriften hanteer ik bij elke gelegenheid het onderscheid tussen homofilie en homoseksualiteit. Homofilie wijst op de gesteldheid of gerichtheid van iemand, terwijl homoseksualiteit op de beleving van die gesteldheid wijst, met name in de vorm van geslachtelijk verkeer.
Veel schrijvers over ons onderwerp willen van dat onderscheid niet weten. Als iemand een homofiele gesteldheid heeft, mag hij die geaardheid ook beleven. Zij vinden het dwaasheid iets wel te zijn, maar niet te mogen beleven. ‘Wie ben ik, dat ik dit niet doen mag?’ luidde de titel van een boekje met bijdragen van (ex-) christelijke schrijvers die voor de beleving van hun geaardheid opkwamen. Maar ook in orthodoxe kring kwam verzet tegen mijn onderscheiding.
Voordat men zijn pijlen op mijn sinds 1973 verdedigde onderscheiding richt, zou ik willen vragen, of men het onderscheid tussen pedofilie en pedoseksualiteit ook onjuist vindt. Er zijn pedofielen, zoals er homofielen zijn. Ouderen vallen niet op volwassenen van hetzelfde geslacht, maar op kinderen. Gaan die ouderen over tot beleving van hun geaardheid, dan spreekt ieder er schande van. Dat is begrijpelijk, want zulke mensen vergrijpen zich aan kinderen. Niemand kan daarom zeggen dat het onderscheid tussen pedofilie en pedoseksualiteit ondeugdelijk is. Een pedofiel heeft een zwaar leven, maar we zijn er allen van overtuigd dat hij niet de daad aan zijn begeerte moet verbinden. Hij ‘is’ het wel, maar hij mag het niet ‘doen’.

 4.6. De website homoindekerk.nl

 Ik verwijs naar de preken en verhalen die intussen zijn samengebracht op de website homoindekerk.nl. Deze website is een samenwerkingsproject van de GKv en de NGK. Zij wil aan plaatselijk kerken een pastorale handreiking bieden bij de omgang met ‘homoseksuele’ gemeenteleden. We lezen dat deze website een uitvloeisel is van besluiten van de Landelijke Vergadering van de NGK 2007 en van de generale synode van de GKv in 2008. De bedoeling is om te komen ‘tot een Bijbels verantwoorde visie op homoseksualiteit en tot een christelijke omgang met homoseksuele gemeenteleden’.
Laten we eens kijken of deze website ons echt verder helpt.
Een predikant meent in zijn toespraak ‘Verder met Douma?’ dat mijn gehanteerde benadering niet meer voldoet. Hij voert het pleit voor relaties in liefde en trouw. De Bijbelse gegevens tegen homoseksuele praktijken die het tegendeel lijken te zeggen, zijn cultureel bepaald, lezen we in de samenvatting.
Ik zal zeker niet beweren dat mijn onderscheid waterdicht is. Maar ik durf wel te zeggen dat het verzet tegen dit onderscheid aan orthodoxe zijde samenhangt met de verlegenheid waarin men zelf verkeert. Wat men over een pedofiel denkt, is duidelijk. Hij ‘is’ het, maar mag het niet ‘doen’. Hij mag niet zijn wie hij is. Bij de homofiel komen velen met dit onderscheid echter niet meer uit. Hij is toch homo en waarom zou hij het dan niet mogen doen? Niet met kinderen natuurlijk, maar wel met volwassenen.
Wel is doorgaans het positieve antwoord (‘ja, het mag’) niet erg royaal. Een homohuwelijk vindt men meestal een stap te ver. En een homoseksuele dominee die met zijn vriend in de pastorie samenwoont, ja, dat gaat toch ook niet. Het ambt in de kerk moet voor hem gesloten blijven. Maar geen toegang tot het avondmaal?! Wie zijn wij om de homoseksueel van het avondmaal af te houden?
Deze verlegenheid over wat de homo nu wel en niet mag binnen de kerk, hangt uiteraard samen met wat men in de Bijbel leest. Een duidelijk voorbeeld van deze verlegenheid vind ik in de publicaties van drs. H de Jong. Hij kwam in een preek uit 1976 op voor de mogelijkheid van homoseksueel samenleven. In 2003 bleek uit een lezing voor Contrario dat  De Jong deze vrijheid om als homo’s samen te leven toch niet kon combineren met het ambt van predikant of ouderling in de kerk. De homoseksuele aanleg noemt De Jong een deviant, een afwijking. Het is niet zomaar een variant.
Maar waarom mogen homoseksuelen van ds. De Jong dan wel samenleven? Ik verwijs naar zijn Contrario-lezing die op de website homoindekerk.nl te vinden is. We moeten volgens De Jong dit samenleven als een dam beschouwen tegen de ontucht. Als Paulus schrijft dat het ‘met het oog op de gevallen van ontucht goed is dat iedere man zijn eigen vrouw heeft en iedere vrouw haar eigen man’ (1 Cor. 7,2), dan ziet De Jong niet in waarom dat voor de homoseksuele mens anders zou zijn. De homoseksuele mens wordt juist meer dan normaal bedreigd door ontucht! En niet iedereen, ook de homoseksuele mens, heeft de gave van de onthouding. Daarom dus voor de homofiel z’n eigen man en voor de lesbienne haar eigen vrouw, zo interpreteer ik wat De Jong in 2003 schrijft.
De Jong erkent tegelijk dat hij niet erg royaal is. Hij veroordeelt het niet als homoseksuelen hun gemis trachten te verhelpen. ‘Maar u begrijpt toch zeker wel dat ik daartoe niet ga stimuleren?’. De homoseksuele relatie blijft behelpen. Het homohuwelijk is voor De Jong een brug te ver, het moet bij een samenlevingscontract blijven.
Waarom mag een homoseksueel geen ambtsdrager zijn? Dat moet de homoseksueel zelf niet willen, zegt De Jong. Voor de ambtsdragers in de kerk gold en geldt nog onomwonden de vereiste dat ze man zijn van één vrouw (1 Tim. 3,2; Titus 1,6)  Wat in een gemeentelid geduld kan worden, geldt niet voor de ambtsdrager. Hij moet het offer van de onthouding brengen. ‘Mogelijk dat daar in de toekomst nog eens anders over gedacht zal worden, – maar nee, het homoseksuele samenleven zal toch altijd wel iets problematisch houden.’

 4.7. Zeven jaar later

 Maar standpunten kunnen snel veranderen. Zo ook bij ds. De Jong. Hij publiceerde kort geleden een brochure onder de titel De weg – tien stellingen over de Bijbel, 2010. Zeven jaar na zijn Contrario-lezing is er van een opdracht tot onthouding voor de homoseksueel bij De Jong niets meer te bespeuren. Het verschijnsel van de homoseksualiteit moge abnormaal zijn, de mensen die het betreft zijn dat niet. Zij komen voor elke taak in ‘kerk, staat en maatschappij in aanmerking’, verklaart De Jong. De homoseksuele predikant en ouderling kunnen blijkbaar hun intrede doen, ook al wonen ze samen.
De achtergrond voor onze moeite met homoseksualiteit schrijft De Jong nu toe aan het feit dat wij geen oog hebben voor de ontwikkeling in de samenleving van ‘collectief’ naar ‘individueel’. Mensen moesten zich in vroeger tijd nog aanpassen aan het collectieve (anti-homo) besef van de mensen. De ‘coming out’ van de homo (J.D.: het uit de kast komen van homoseksuelen met hun gevoelens) is een zaak van onze tijd. Wij geven daarom een ander antwoord dan Paulus deed.
De homoseksuele geaardheid blijft een ‘beschadiging’ volgens De Jong. Maar ja, wie is zonder gebreken? Paulus spreekt van de gave der onthouding, daar moeten wij geen opgave van maken Onthouding? Oké, maar dan gelijk op: voor beide seksueel geaarden bestaat deze mogelijkheid (Matt. 19,12)!
Wie De Jong in 2010 leest, vraagt zich af waarom we ons eigenlijk nog druk moeten maken over het homoseksuele vraagstuk. Is het nog een vraagstuk als het samenleven van homoseksuelen tot en met voor de ambtsdragers in de kerk kan worden toegestaan? De Jong kon in 2003 nog zeggen dat hij niet verder komt dan een niet-veroordelen van het homoseksueel samenleven, maar zelfs dat donkere randje is in 2010 verdwenen. Homoseksualiteit een ‘beschadiging’?. Maar we zijn allemaal beschadigd! Onthouding aanprijzen? Maar dan gelijk op, ook voor heteroseksuelen!
Ik constateer dat de kerkelijke vermaning en tuchtoefening na De Jongs verhaal in 2010 niets meer voorstelt als het over homoseksualiteit gaat. Natuurlijk kan De Jong volhouden dat homoseksualiteit een deviant, een beschadiging is en niet zomaar een variant.  Maar binnen de kerk is bij De Jong de deviant homoseksualiteit net zo acceptabel geworden als een variant maar kan zijn.
Enige verlegenheid blijft er bij De Jong nog wel aanwezig. Maar voor de kerkelijke prediking en praktijk is De Jongs royale ‘ja’ tegen het homoseksueel samenleven maar al te duidelijk.

 4.8. Geen Joden of Grieken meer, en ook geen hetero’s of homo’s?

 We gaan weer even terug naar de site www.homoindekerk.nl – een website waarop GKv en NGK samenwerken, zoals we al zagen.
We vinden op de website, afgezien van de reeds door mij gesignaleerde verlegenheid, allerlei halve waarheden die ik niet ongenoemd mag laten. Allereerst tref ik meer dan eens de bewering aan dat we allemaal gelijk zijn: Jezus heeft allen lief in de kerk, en dus ook homo’s. De vraag mag gesteld worden, of het dan nog wat uitmaakt of de ene homo strijdt tegen zijn begeerten en de andere zijn strijd heeft gestaakt en een homoseksuele relatie aangaat.  Ik vind de dominees die de waterkwast van Jezus’ liefde op alle mensen in hun gemeente neer laten druppelen, ongeacht hun levensstijl, predikers van een goedkope genade. Laten zij zich bezinnen op wat zij hier durven zeggen. Ik huiver van een dergelijke oppervlakkigheid, alleen al als ik eraan denk hoe Jezus in zijn dagen op aarde Farizeeën en schriftgeleerden ontmaskerde. Of als ik lees wat Hij in vele gelijkenissen over mensen zegt die Hij duidelijk niet liefhad, ook al hoorden ze bij Israël.
Daarom is het een lichtvaardige opmerking als we op de website ergens lezen: ‘Jezus maakte geen onderscheid, aan iedereen deelde Hij zijn liefde uit’. Wij vergeten gauw dat Jezus in Joh. 15, 10 zegt: ‘Je blijft in mijn liefde als je je aan mijn geboden houdt’. Jezus verbindt zijn liefde voor ons aan onze liefde tot Hem (Joh. 14,21; vgl. Rom. 6,6.12; Ef. 5,1vv; 2 Petr. 1,9; 1 Joh. 2,15; 3,18.22; 5,2; Openb. 3,19).
Het staat mij ook tegen als ik lees dat er in Christus geen Joden of Grieken meer zijn, geen slaven of vrijen, geen mannen of vrouwen (Gal. 3,28) én geen hetero’s of homo’s. Meer dan één predikant voegt het laatste paar onbekommerd aan het rijtje van Gal. 3,28 toe. Gaat dat maar zo, dat overspringen van een levensstaat (Jood, Griek, slaaf, vrije, man, vrouw) naar een levensstijl? Hier wreekt zich dat men van een onderscheid tussen homofiel-zijn en homoseksueel leven niet (meer) wil weten. Ik teken protest aan als hier de hetero zomaar naast de homo geplaatst wordt, zonder dat de predikant zich bezint, zowel op de levensstijl van de hetero als van de homo. Meent men te kunnen verkondigen dat Jezus’ liefdevolle armen zowel de hetero als de homo omsluiten, dan mag verwacht worden dat men ons vertelt wat het voor beiden betekent in Christus te zijn. In een preek laat een dominee een homostel zeggen: ‘Here, u mag ons’, maak ons duidelijk wat u wilt’. Ik zou het anders zeggen: ‘Here, wij weten niet wat u wilt, en onze kerk weet het ook niet meer; maak ons duidelijk wat u wilt, zodat wij weer weten dat u ons mag’.
Als met homo’s de homofielen bedoeld zijn die strijden om rein en heilig te leven, precies als heterofielen dat moeten doen, getrouwd of ongetrouwd, dan heb ik uiteraard geen bezwaar tegen die uitbreiding van Gal. 3,28. Maar als die uitbreiding het verschil tussen homofiel zijn en homoseksueel leven in de mist gaat zetten, wijs ik haar met overtuiging af.

 4.9. De weg die prof. De Bruijne wijst. De eerste stelling

 Opvallend onder de bijdragen over het onderwerp ‘homoseksualiteit’ op de hierboven vermelde website is een toespraak van prof. De Bruijne. Die toespraak hield hij, evenals drs. H. de Jong dat deed, in 2003 op een Open Dag van de vereniging Contrario te Harderwijk. Beide theologen spraken toen over de ‘navolging van Christus’, al komt daar in de toespraak van De Jong niet veel van terecht (alleen aan het slot), terwijl De Bruijne duidelijk een ontvouwing van zijn standpunt aan de hand van de navolging van Christus geeft.
Aanvankelijk hanteerde De Bruijne, zo vertelt hij,  het ‘bekende’ onderscheid tussen homofilie en homoseksualiteit’. In een volgende fase gaf De Bruijne het meer aan God over: ‘Ik probeerde de ander dichtbij God te brengen en te houden. Hoe het dan verder ging, daar zou God wel voor zorgen. Ik gaf bijna nooit mijn mening over homoseksuele relaties’.
Maar beide benaderingen vindt De Bruijne in 2003 niet meer voldoende. Hij zoekt een derde weg, nl. de weg van de navolging van Christus voor de hele gemeente.
Wat betekent dan de navolging van Christus in de kwestie die ons bezighoudt? Met Jezus begint het laatste traject voor de gemeente uit alle volken, op weg naar het koninkrijk, naar Gods nieuwe wereld. Leren leven met God is nu: je gaan oriënteren op die toekomst. Nu gaan doen wat straks normaal is. Je kunt dat zelf niet en je zult vaak struikelen. Maar Jezus vangt je altijd op en je mag altijd weer met Hem mee. De uitdaging aan jou is: wil je met Hem mee, volg je Jezus na? Maar het is wel Jezus navolgen op de weg van het kruis die uitloopt in de nieuwe schepping.
Oriënteert men zich op de navolging, dan gaat men anders tegen z’n leven aankijken. Zo trokken christenen de sloppenwijken van Carthago in om mensen te verplegen die leden aan de pest. Christenen kwamen tegenover hun vijanden niet op voor hun recht, maar deden die vijanden juist extra goed. Christenen verkochten hun bezittingen voor de armen. Ze konden ongetrouwd blijven en zich daarbij ook seksueel onthouden. Paulus schrijft immers over een toekomst waar het huwelijk vervuld is in de band tussen Jezus en de gemeente.
Kijk zo ook eens naar de omgang met je homofilie! Op weg naar de toekomst (zonder huwelijk) ontstaat de mogelijkheid van een ongetrouwd bestaan. Zonder intieme seksuele tweerelatie, maar wel in een netwerk van christelijke banden, vriendschappen en nieuwe manieren van samenleven in de gemeente. In het licht hiervan moet je niet zeggen, dat homoseksuele relaties ook een mogelijke gelijkwaardige optie kunnen zijn. Ze passen niet bij de schepping en niet bij het koninkrijk. Je moet hier wel echt delen in Jezus’ lijden en de weg van het kruis ervaren. Maar als je je oriënteert op die toekomst, is die weg wel begaanbaar. Misschien met vallen en opstaan, maar Jezus zelf belooft dat.
De eerste stelling die De Bruijne voor de bespreking formuleert, luidt: Als navolging van Christus in de hele gemeente merkbaar is, zijn homo’s minder geïsoleerd en eenzaam. Want er klopt iets niet als die navolging van Christus speciaal voor homo’s bedoeld lijkt. Denk aan andere punten: bereid zijn je leven te verliezen voor Jezus, meer dan gewone naastenliefde opbrengen, moeilijke huwelijken toch volhouden, radicaal anders omgaan met geld en goed dan om ons heen gewoon is, kwaad beantwoorden met goed. Ook onze omgang met ongetrouwde mensen, o.a. met homo’s. Blijft de kerk huwelijk en seksualiteit verabsoluteren, dan wordt het voor homo’s toch wel erg moeilijk, haast niet op te brengen. Navolging is eerst iets voor allemaal in de kerk. Als we in de kerk de oriëntatie op het koninkrijk over heel de linie eigenlijk kwijt zijn en intussen toch moralistisch homo’s oproepen tot radicale keuzen, zal dat op de dag van het oordeel tegen ons getuigen.

 4.10. De Bruijne: tweede stelling

 Bovendien moet de gemeente homo’s de ruimte geven. Bijvoorbeeld om de keus voor navolging zelf te maken. Je kruis opnemen moet een beslissing zijn die je zelf neemt, in geloof, in een persoonlijke band met Christus. Je legt dat niet een ander op.
Zelfs moeten we leren omgaan in de kerk met christenen die oprecht zich overgeven aan Christus en Hem merkbaar willen volgen, en toch op een concreet punt tot een ander inzicht komen dan de kerk als geheel hooghoudt. Juist als die gezamenlijke navolging van Christus er is, geeft dat een basis om met elkaar te spreken.
De tweede stelling die De Bruijne aan zijn gehoor voorlegt, luidt: Als homo’s de valkuil van het zelfbeklag vermijden en radicaal gaan voor Jezus, vormen zij in de kerk een levende oproep tot reformatie en in de cultuur een dringende uitnodiging tot God. Je draagt soms een eenzaam kruis, je voelt je niet aanvaard. Je blijft voorlopig maar je eigen weg zoeken. Zolang de kerk niet radicaler en liefdevoller is, hoef ik ook niets, etc.
Voor De Bruijne persoonlijk zijn z’n homofiele kennissen een levend appel om ook zelf radicaal te zijn in zijn leven met God. In de kerk is vandaag een soort reformatie nodig. Misschien moeten homo’s daarbij niet wachten op de kerk, maar voorgaan in de kerk.
Ook voor de westerse cultuur is de homo binnen de kerk van grote betekenis. Onze westerse samenleving heeft afscheid van God genomen en verheerlijkt homoseksuele relaties als variant op de man-vrouw relatie. Net als in Paulus’ dagen heeft de cultuur vandaag het evangelie van Jezus nodig  Maar anders dan destijds komen de christenen vandaag niet van buiten naar de cultuur toe. Wij staan er midden in. De westerse cultuur is mee door christenen gevormd. Misschien laat God juist daarom ook toe dat opvallend veel christenen homoseksueel (homofiel,J.D) geaard zijn. Niet als een soort straf, maar als een bijzondere roeping in zijn koninkrijk. Als homo kun je een heel bijzonder instrument van God zijn om een cultuur als de onze weer de weg naar Jezus te wijzen. Homoseksualiteit moet je niet alleen als een vorm van lijden zien, ook niet vooral als een probleem, maar als een uitdaging, een bijzondere roeping in het licht van het koninkrijk.

 4.11. Beoordeling van dit standpunt

 Voor het standpunt van De Bruijne heb ik veel waardering. Daarom gaf ik het ook uitvoerig weer. Het is prachtig om vanuit de navolging van Christus ieder in de kerk op zijn of haar plaats te wijzen. De Bruijne richt ons in zijn betoog op het komende rijk van Christus en laat zien wat voor consequenties de gelovigen in de Oude Kerk daaruit trokken. Het vervult hem (en mij) met verlangen als ik lees hoe de kerk kán zijn als daar de toekomstverwachting werkelijk leeft. Met name onze homofiele broeders en zusters zouden bemoedigd worden als zij de zelfverloochening die van hen gevraagd wordt (geen homoseksuele relaties aangaan) ook bij hun broeders en zusters (zij het in andere levensbeslissingen) opmerkten. Wat De Bruijne zegt over een netwerk van christelijke banden, vriendschappen en nieuwe manieren van samenleven in de gemeente, is mij uit het hart gegrepen.
Heel dit stuk van De Bruijne tilt onze ethische bezinning – en daarmee ook de beoordeling van de situatie in de GKv – op een hoger niveau. Ik word echter somber als ik met De Bruijne moet constateren dat we de oriëntatie op het koninkrijk van God eigenlijk kwijt zijn.
Toch stel ik over dit betoog van De Bruijne ook een vraag. Hij spreekt hier nog met een zekere onbekommerdheid over de homoseksuele leefwijze. Als hij praat met gemeenteleden die homoseksueel leven, wil hij hen dichter bij God brengen, zonder zijn mening over homoseksuele relaties te geven. ‘Ik heb ze bijvoorbeeld nooit afgehouden van het avondmaal’, schrijft De Bruijne. Terloops merk ik op dat dit afhouden ook niet het werk van een dominee, maar van de kerkenraad is. Maar afgezien daarvan, de kerkenraad heeft het avondmaal heilig te houden. Als ik onheilig leef, verspeel ik het recht aan tafel te gaan. Spreekt mijn predikant mij daarop aan, dan wil hij mij niet slechts dichter bij God brengen, maar vertelt hij in alle openhartigheid dat mijn zonde mij van God verwijderd houdt.
De Bruijne echter vindt het in zijn betoog  moralistisch, zoals hij zelf schrijft, om homo’s op te roepen hun homoseksuele levensstijl vaarwel te zeggen, omdat we in de kerk de oriëntatie op het koninkrijk over heel de linie eigenlijk kwijt zijn. Maar … als zonde zonde is en het gebod (verbod) van God duidelijk is, moeten wij ons dan schamen om voor het gebod van God op te komen? We zijn kerkenraad, ten dienste van de verbreiding en bewaring van het woord van God, of we zijn het niet. We kunnen ons niet verschuilen achter de grote zwakheden van de kerk en van onszelf. En we hebben niet het recht het etiket ‘moralistisch’ te plakken op de tucht van de kerk als zij overeenkomstig Gods Woord geoefend wordt.

 4.12.Twee zaken voor ogen houden

 In later tijd spreekt De Bruijne dat ook wel uit. In een interview, opgenomen in CV/Koers 2003/7 (ook te vinden op de eerder genoemde website), verklaart hij een trend te ontdekken die naar aanvaarding van homoseksuele relaties gaat. ‘Dat is, hoe pijnlijk ook, niet te rijmen met wat er in de Bijbel staat. Ben ik daar zeker van? In ieder geval steeds zekerder. En ik vind dat we moeten ophouden ons uit een soort van kerkelijke correctheid te schamen voor deze zekerheid’.
Precies! Zo denk ik er ook over. Wij moeten niet alleen bewogen zijn met de homoseksueel en geroerd worden door zijn persoonlijke belijdenis omtrent zijn band met God, maar we moeten hem ook op het gebod van God wijzen.
Ik heb in de veertig jaren, dat ik me met het onderwerp ‘homoseksualiteit’ bezig heb gehouden en contact heb gehad met veel homofielen, ervaren hoe moeilijk het is die twee zaken voor ogen te houden. Enerzijds moet je de homofiel helpen. Anderzijds blijf je zonde zonde noemen, en help je de homo niet door de homoseksuele leefwijze goed te keuren, of de beslissing daarover maar aan de personen in kwestie over te laten.
Natuurlijk moet de homoseksueel zelf beslissen, maar binnen het kerkelijk kader dragen ook anderen voor die beslissing verantwoordelijkheid. De ambtsdragers kunnen over het goddelijk gebod niet zwijgen en de kerkelijke tucht niet buiten beschouwing laten. Boven dat wat wij aan sympathieke homofiele broeders en zusters gunnen, gaat onze eerbied en liefde voor God uit.
We merken dat dit bij Bruijne in zijn latere artikelen over homoseksualiteit ook duidelijk uitgesproken wordt. Hij sprak in 2003 van een radicale ethiek als het over de navolging van Christus gaat. Uit zijn latere artikelen blijkt dat hem dit ook in de praktijk menens is. Hij slaat niet een weg is van een radicale ethiek met een elastische toepassing. Dat is zo vaak het geval. Eigenlijk zou het zus of zo moeten; maar ja, de praktijk is weerbarstig, en daarom moeten we wel water in de wijn doen.
Het blijft moeilijk in de christelijke kerk om eerlijk tucht te oefenen als zondaars ongelijk behandeld worden. Bv. als we mild zijn in geval van overspel en echtscheiding, terwijl we met de mensen die homoseksueel leven meteen weten wat we moeten doen. Toch is de oplossing niet om dan ook maar de zonde van de homo’s door de vingers te zien. Denk aan Jezus’ houding tegenover de overspelige vrouw (Joh. 8). De houding van de Farizeeën tegenover deze vrouw wordt gelaakt, maar zelf krijgt zij toch te horen: ‘Ga naar huis, en zondig vanaf nu niet meer’ (Joh. 8,11).

 4.13. De website en een synode-uitspraak

 Ik wil met nadruk zeggen dat over de preken en betogen die op de genoemde website zijn opgenomen, meer goeds te vertellen valt dan ik hierboven gedaan heb. Naast het goede is er echter zoveel dat haaks staat op wat de kerk aan helderheid nodig heeft, dat ik in de website homoindekerk.nl  geen handreiking vind die de website bedoelt te geven. Zij wil, zo lees ik, een handreiking zijn om tot een christelijke omgang met homoseksuele gemeenteleden te komen en een Bijbels verantwoorde visie op homoseksualiteit te ontwikkelen. Een handreiking is deze website beslist niet. Zij zet zeer verschillende bijdragen op een rijtje, en ieder zoeke dan zelf maar uit wat hij ermee doet. Een Bijbels verantwoorde visie ontwikkel je niet door on-Bijbelse en Bijbelse uitspraken naast elkaar te zetten.
Heeft een synode van de GKv zich over onze kwestie ook uitgesproken? Ja, op de generale synode van Zwolle-Zuid 2008 kwam een zaak aan de orde die te maken had met het samenwonen van lesbisch geaarde zusters (Acta, art. 52). Kon de kerkenraad volstaan met het nadrukkelijk afraden van dit samenwonen? De samenwonende gemeenteleden hadden de belofte afgelegd zich te onthouden van seksuele omgang! De kerkenraad paste geen kerkelijke tucht toe. De vraag kwam op de synode om over deze gang van zaken haar oordeel uit te spreken.
Daarop verklaarde de synode o.m. het volgende: ‘Bij het ambtelijk spreken moet aan de macht van satan en de zuigkracht van de zonde het gewicht worden toegekend die ze daadwerkelijk hebben. De Here Jezus heeft zijn discipelen het gebed geleerd om niet in verzoeking geleid te worden en Hij heeft hen ook het gebod gegeven om wat verleiding tot zonde in je leven betekent niet te zoeken, maar juist radicaal weg te doen (Matth. 5,29; 18,7-9)’. Een kerkenraad kan, aldus de synode, in zijn herderlijke zorg voor hen die (gaan) samenwonen niet anders dan met grote ernst (…) waarschuwen voor onderschatting van de zuigkracht van de verleiding en voor overschatting van de eigen weerbaarheid tegen die verleiding’. Een levensstijl die aan de verleiding bewust blootstelt, moet worden afgewezen.
Ik stem met de synode in. Alleen vind ik het jammer dat de afwijzing van de homoseksuele relatie in de christelijke gemeente niet vanuit de Schrift onderbouwd wordt.
In mijn boekje Hoe gaan wij verder? (2001),142-144, geef ik een voorbeeld van goedwillendheid, waaraan ik zelf heb meegewerkt. Het betrof een zaak in een Christelijke Gereformeerde Kerk. De betreffende kerkenraad ging niet over ijs van één nacht. Hij vroeg advies van hoogleraren in eigen kerk en ook aan mij. Ik ben ervan overtuigd dat onze motieven zuiver waren voor het uitbrengen van ons advies. Maar toch gebruikten we in dat advies een lapmiddel , door de belofte te vragen dat het betreffende lesbische paar zich van seksuele omgang zou onthouden (al staat die belofte niet woordelijk in het advies waar ik naar verwijs).

 4.14. Een bemoedigend getuigenis

 In de juistheid van wat de synode van Zwolle-Zuid 2008 heeft uitgesproken, word ik nog bevestigd als ik denk aan andere groepen in de gemeente. De synode overwoog ook dat het samenwonen in een te enge context wordt beoordeeld als het accent van de ambtelijke zorg volledig wordt gelegd op het risico, dat samenwonenden zullen bezwijken voor de zonde van seksuele omgang. Het huwelijk is in geding. De kerk heeft altijd principieel bezwaar gehad tegen ongehuwd samenwonen van een man en een vrouw. ‘Dat geldt dus evenzeer voor personen van gelijk geslacht die publiek als paar gaan samenwonen’. In de huidige culturele situatie in ons land, aldus de synode,  ‘kan de kerk ook niet ongevoelig zijn voor het publieke effect dat uitgaat van het publiek samenwonen van verliefde homofielen’.
Ik merkte al op dat er op de website homoindekerk.nl ook veel moois wordt gevonden. Het meest heeft mij de toespraak getroffen van dr. Wolter Rose. Zelf homofiel, legde hij voor Contrario in 2008 een getuigenis af onder de titel ‘Verder met het Evangelie van Jezus Christus’. Hij is tot de conclusie gekomen dat het tegen de wil van God ingaat een seksuele relatie met een partner van hetzelfde geslacht aan te gaan. ‘Als ik de Bijbel lees wil ik zeker weten dat ik de stem van God hoor, niet een echo van de cultuur waarin ik leef’. Hij weet van verdriet in eigen leven. ‘Maar dat is maar één kant van het verhaal. Naast dat verdriet  staan ook mooie momenten. Ik begon een zoektocht door de wereld van Gods genade. En er ging een wereld voor me open. Ik heb heel mooie dingen ontdekt…De grootste ontdekking is wel dat er veel meer in het Evangelie zit dan we vaak denken’.
Rose werkt dit verder uit in zijn toespraak. Hij wijst dan op kernwoorden in het evangelie zoals vrijspraak, adoptie, glorie en transformatie. Hij maakt er ons op attent dat  vechten tegen (tegen zonde en verleiding) er vaak toe leidt het vechten voor (voor vreugde en voldoening in God en in Christus, met een belofte van voldoening) over te slaan. ‘Alleen als je je tegoed doet aan Christus en zijn glorie, houd je het gevecht vol. Er is een voldoening die groter is dan de voldoening die de zonde je voorhoudt. Het blijft een gevecht, laat daar geen illusie over bestaan. Het doet pijn, er vloeien tranen. Maar dat is maar één kant van het verhaal. Naast dat verdriet bestaan ook mooie momenten. Je proeft dat de Heer goed is, je doet je tegoed aan zijn glorie. Dat smaakt naar meer. Niets is mooier dan dat’.
Het is mij een vreugde dit hoofdstuk over het christelijk leven met dit getuigenis te  kunnen afsluiten. Rose had ook de moed zich tegenover Contrario op te stellen. In het homolespakket waarmee op gereformeerde scholen voorlichting gegeven wordt, staat te lezen dat niet alle uitleggers het erover eens zijn dat je uit de Bijbel rechtstreeks leefregels voor homo’s kunt afleiden. Rose vond deze passage tendentieus. Hij stelde een ‘objectiever’ zinsnede voor, nl.: ‘Zowel onder voorstanders als tegenstanders van homoseksuele relaties vind je mensen met de overtuiging dat de Bijbel eenduidig is in zijn veroordeling van seks tussen mensen van hetzelfde geslacht’ (Ned. Dagblad van 09-11-2009). Precies! De voorstelling die Contrario geeft en de voorlichting die daaruit volgt, hoeft ons niet te verbazen. Het gebruikt graag de stelling dat zowel voor- als tegenstanders van homoseksueel samenwonen zich op de Bijbel kunnen beroepen. De vorige minister van onderwijs – wiens Bijbelkennis we niet moeten overschatten – was het met deze openheid goed eens!
Intussen laat de gereformeerde scholengemeenschap Amersfoort de gastlessen over homoseksualiteit niet meer verzorgen door Contrario, maar door het reformatorische RefoAnders (Ned. Dagblad van 27-03-2010). Het is te hopen dat er meer scholen zijn met ouders die wakker worden, en met  besturen die óók wakker worden en een soortgelijke beslissing nemen als de scholengemeenschap in Amersfoort. 

Zie voor een bespreking van de lesbrief over homoseksualiteit, P.L. Storm in Nader Bekeken van februari 2010. Hij maakt duidelijk dat die lesbrief als product van GRIP (platform van de vier grote gereformeerde scholengemeenschappen) en Contrario de leerlingen op de genoemde scholen in een bepaalde richting stuurt: de Bijbel geef geen pasklaar antwoord (dus er zijn meerdere antwoorden mogelijk) en Jezus ging liefdevol om met mensen die destijds in de verdrukking kwamen. De Bruijne, door Storm geciteerd, zei van dat laatste terecht: Jezus’ boodschap was anders dan de bleke tolerantie van de lesbrief. Tegen outcast en establishment zegt Hij, vanuit onvoorwaardelijke aanvaarding: ‘zondig voortaan niet meer’ (Ref. 09-01-2010).

 4.15 De gereformeerde pers

 Altijd is de eigen pers van grote betekenis geweest voor de verbreiding en verdediging van de gereformeerde overtuiging. We hoeven voor de GKv maar te denken aan het vroegere Gereformeerd Gezinsblad, dat sinds 1959 als dagblad verscheen en zich een grote plaats verwierf in de gereformeerde gezinnen. Daarnaast bleef De Reformatie  als weekblad ‘tot ontwikkeling van het gereformeerde leven’ na Wereldoorlog II een belangrijk orgaan, waarin vooral de bijdrage van docenten uit Kampen van belang was.
Om met de uitgesproken kerkelijke bladen te beginnen, er is sinds de Vrijmaking veel veranderd. De Reformatie bleef na de dood van haar illustere hoofdredacteur prof.dr. K. Schilder eenzelfde koers voortzetten en gaf wekelijks aandacht aan het actuele kerkelijke nieuws. Dat is intussen veranderd. Het blad verschijnt nu eens per veertien dagen, behandelt wel thematisch allerlei onderwerpen, maar speelt minder duidelijk in op actuele kerkelijke zaken.
Naast De Reformatie bestaat al weer zo’n achttien jaar het blad Nader Bekeken. Het verschijnt slechts eenmaal in de maand en kan alleen al om die reden moeilijk het actuele kerknieuws op de voet volgen.
Ik zal pogen hier en daar ook concreet aan te wijzen wat tot mijn leedwezen in bepaalde kerkelijke en christelijke bladen ontbreekt. Ik noem daarbij zo weinig mogelijk namen. Uiteraard zijn schrijvers voor hun artikelen verantwoordelijk en mag ik hen bestrijden. Maar het gaat er mij meer om de bladen waarin zij schrijven, te typeren dan dat ik personen ga beoordelen. Wie wil weten welke schrijvers ik op het oog heb, kan ze gemakkelijk vinden via mijn bronvermeldingen. 

4.16. De Reformatie

 Veel lezers hebben het gevoel dat zij geen begeleiding in hun kerkelijk leven meer krijgen. Het ontbreken van mensen die als leider en gids in de pers hun broeders en zusters een duidelijke weg wijzen, is niet toevallig. De overtuigingskracht om in allerlei kwesties een duidelijk en beslist antwoord te geven, is verzwakt.
Neem een artikel in De Reformatie van 4 juni 2010 over ‘Trouwen na samenwonen’. Vrijwel niemand van de jongeren die ongehuwd samenwoont, ziet daar enig kwaad in, aldus de schrijver. De norm is belangrijk (niet samenwonen), maar die norm zegt niet alles, zo vervolgt hij. Waar staat iemand, welke kant gaat hij op? Loopt iemand weg van God, of gaat Hij naar Hem toe? Etc. ‘Er is een groot verlangen om God te leren kennen, los van allerlei kerkelijke gewoonten’, meent de schrijver.
Is het nu zo dat jonge mensen ontdekken dat God het huwelijk wil, en kiezen zij daarvoor alsnog, dan  ‘hoeven we geen grote schuldbelijdenis te vragen’, oordeelt hij. Er is wel één norm, ‘maar er zijn zoveel verschillende omstandigheden’, aldus de schrijver.
Twintig jaar geleden zou in De Reformatie op de norm gewezen zijn en zou over ‘samenwonen’ niet verzachtend gesproken zijn. Het is ook moeilijk voor te stellen dat er onder de samenwonenden een groot verlangen is om God te leren kennen, ‘los van allerlei kerkelijke gewoonten’. Of er wel of niet een grote of kleine schuldbelijdenis moet volgen, zou destijds wel heel vreemd geklonken hebben. Van allen zou de erkenning gevraagd worden dat geslachtelijk verkeer vóór het huwelijk zondig is. 
Overigens meen ik te mogen zeggen dat er twintig jaar geleden niet hard geoordeeld werd over ‘vooruitgrijpen op het huwelijk’. Meestal was er begrip voor zulke struikelingen. Maar juist duidelijke en heldere tucht had een sanerende invloed op gemeenten en op haar (jonge) leden.
De huidige tucht maakt vaak een boterzachte indruk. Laten wij hier eens uitgaan van wat Kol. 4,6 van ons vraagt. De Statenvertaling gaf Kol. 4,6 treffend weer, waar zij over het bereiken van mensen zegt:: ‘uw woord zij te allen tijde in aangenaamheid, met zout besprengd’. NBV zegt het ook mooi: ‘vriendelijk, maar beslist!’ Als dat wat ‘beslist’ gezegd moet worden, er aarzelend uitkomt, schiet vriendelijkheid tekort. Dat geldt voor onze evangelisatie in het aanspreken van buitenstaanders, maar evengoed voor het bereiken van onze eigen mensen, jong en oud in de prediking en in de tucht.
Uiteraard beoordeel ik geen blad op grond van één artikel. Wat ik in het aangehaalde  artikel signaleer, kom ik ook in andere bijdragen tegen, die De Reformatie ons te bieden heeft. Zo valt de verwarring mij op als ik lees dat we toch maar voor de nationale synode van Dordrecht moeten kiezen,. Waarom? We moeten een ‘reformerende beweging’ bij anderen om Christus’ wil herkennen en dankbaar begroeten (Ref. van 19 dec. 2009). Ik wou dat ik het kon, maar ik herken helaas geen reformerend element.
In gelijke zin bevreemdde mij een artikel over het jubileum van de zendingsconferentie in Edinburgh 1910-2010 (Ref. van 4 juni 2010). Na een gesprek met de schrijver kon ik wat anders tegen zijn artikel aankijken. Maar het blijft toch opvallend dat nu lovend gesproken wordt over dit soort zendingsconferenties, waarop wij na de Vrijmaking zoveel kritiek hadden. En vooral als onze vroegere houding getekend wordt als ‘gesteggel, scherpslijperij, brochure op brochure, kerk op kerk’, komt bij mij het verlangen op dat ook De Reformatie zich eens frank en vrij van haar eigen verleden rekenschap geeft. Ik dacht trouwens dat we ons tientallen jaren intensief voor de zending hebben ingezet en er iets meer te zeggen is dan dat we ‘ons voor de ogen van het wereldchristendom’ moesten schamen, omdat we zo vaak bezig waren met ons ‘klein-vaderlands gedoe’.

 4.17. Nader Bekeken en andere bladen

 Zijn er ook kerkelijke bladeren die ons hart warmer doen kloppen? Naast De Reformatie noemde ik reeds het kerkelijk maandblad Nader Bekeken. Het begon te verschijnen toen het Nederlands Dagblad qua berichtgeving en diepgang niet meer gereformeerd te noemen viel. Het denken over gereformeerde organisaties was aan het veranderen, terwijl de gereformeerde pers dit onvoldoende aangreep om achtergronden bloot te leggen en van commentaar te voorzien. Aldus valt te lezen op internet, als we informatie zoeken over Nader Bekeken. Vanuit de zelfstandige en bewust gekozen positie wil de stichting (waarvan het blad uitgaat) bijdragen aan de ontwikkeling van het gereformeerde denken op een breed terrein.
In de beginjaren wilde ik geen abonnement nemen, omdat menig artikel mij te strak  was en ik de kritiek van het blad op toestanden in de GKv te eenzijdig vond. Moest er per se naast De Reformatie een ander blad verschijnen? Ik ben van mening veranderd. Wat De Reformatie mist, heeft Nader Bekeken wel. Ik herken erin wat het blad beoogt, nl. de opbouw van het gereformeerde leven. Ik stap over kleine bezwaren heen.
Wie de continuïteit tussen vroeger en nu mist, kan het beste terecht in Nader Bekeken. Het blad had ook de moed zich kritisch uit te laten over de geschriften van dr. S. Paas. In Nader Bekeken kwam deze kritiek voort uit de doelstelling van het blad, al openbaarden zich na deze kritiek binnen de kring van redactie en medewerkers interne spanningen.
Ik hoop nog steeds op een vastere koers van De Reformatie en via die weg op een samensmelting met Nader Bekeken. Het ingezakte gereformeerde leven ontbreekt het niet aan geld, maar aan mannen en vrouwen, die vanuit hun overtuiging wat te vertellen hebben en aan een gereformeerd blad eensgezind vorm willen geven, tot zegen voor de kerken.
Over de regionale pers kan ik weinig schrijven, omdat ik alleen het Gereformeerd Kerkblad ken, waarin de kerkdiensten vermeld zijn van de GKv uit het midden en zuiden van het land en uit Holland (Noord en Zuid). De artikelen die er behalve de kerkdiensten en de verslagen van classisvergaderingen e.d. in gepubliceerd worden, zijn vaak verdienstelijk, maar bereiken uiteraard slechts een gedeelte van de GKv-leden.

 4.18. Het Nederlands Dagblad

 Voor zover we ons met de pers bezighouden, heeft het Nederlands Dagblad veruit de grootste invloed uitgeoefend op het christelijk leven binnen de GKv. Dat is geen wonder, omdat deze krant zich al heel vroeg en heel intensief op het brede menselijke leven richtte. Aanvankelijk was het Gereformeerd Gezinsblad vanaf 1948 een gereformeerd blad dat z’n lezersbestand vrijwel exclusief vond onder de leden van de GKv. De gereformeerde kerk stond in het middelpunt en heel het spectrum van onderwerpen waarop deze krant zich bezon, hield met dit middelpunt rekening. Ook toen het blad in 1967 van naam veranderde en Nederlands Dagblad ging heten, bleef de kerk nog centraal staan. Wel wilde men steeds meer alle Nederlanders bereiken die geïnteresseerd waren in nieuws op basis van een gereformeerde levensbeschouwing. Het moest echter een gereformeerde krant blijven.
Maar vanaf 1992 werd dat wat men ‘gereformeerd’ noemde, niet meer gekoppeld aan het lidmaatschap van de GKv. Mensen van diverse pluimage werden door de krant aangetrokken, tot rooms-katholieken toe.
Tot op vandaag moet elke medewerker van het blad respect betuigen voor Gods Woord en de gereformeerde belijdenisgeschriften. Begin 2004 ontsloeg het Nederlands Dagblad nog een fotograaf die uit de GKv was getreden en lid werd van een evangelische gemeente. De fotograaf vocht zijn ontslag aan, maar de Commissie Gelijke Behandeling stelde de krant in het gelijk (zie informatie over het Ned. Dagblad op Wikipedia).
Uiteraard zal men van gastschrijvers en ook van (bepaalde) columnisten niet vragen wat men van de vaste medewerkers vraagt. Maar van hen wordt verwacht met het gereformeerde karakter van de krant rekening te houden.
Maar Is de krant nog gereformeerd? We kunnen zeggen dat het Nederlands Dagblad aanvankelijk kerkelijk-gereformeerd (GKv) was, en zich daarna (vanaf 1992) als confessioneel-gereformeerde krant probeerde te handhaven. De gebondenheid aan de gereformeerde confessie was niet meer kerkelijk bepaald. Toch leek het er voor een korte tijd op dat het gereformeerde karakter een stempel op de krant zou blijven drukken. Helaas is daar weinig van terecht gekomen  Juister lijkt het mij daarom de krant maar gewoon ‘christelijk betrokken’ te noemen, wat ook op de voorpagina staat. En wat ‘christelijk betrokken’ betekent, is zeer rekbaar, zoals uit menig artikel en ook uit de sfeer van de krant blijkt.

 4.19. Religie overal en nergens

 Ik noem een aantal artikelen die m.i. niets meer met ‘gereformeerd’ te maken hebben. Als een medewerker in een rubriek van ‘Kerktoetreders’ een zekere Marente van Dam voor het voetlicht haalt (ND van 16-07-2010), dan is het moeilijk aan de weet te komen wat deze medewerker in een nieuwe rubriek onder een ‘kerktoetreder’ verstaat. De betreffende dame is geen Jezusfan (!) en vraagt zich soms af of ze niet beter Joods had kunnen worden. Zo worden we op de hoogte gebracht van meer christenen (op-afstand), die werkelijk niets met het gereformeerde geloof te maken hebben. 
In een rubriek ‘Religie overal en nergens’ krijgen soms bekende Nederlanders aandacht, zoals Brigitte Kaandorp. We lezen van haar dat ze wel eens naar de kerk gaat (16-10-2009). Val je er fris in, aldus Brigitte, dan is het een leuk, informatief uur op de zondagochtend. Je hoort nog eens wat! In een andere rubriek lezen we van twee glamourfiguren dat ze in hun boekenkast de Bijbel, de koran en andere heilige boeken naast elkaar hebben staan (16-07-2010). Hun oudste zoon is buddhist, en de moeder wil ook nog graag een christelijk en een islamitisch kind, Voor haar hoeft er overigens geen God te zijn.
In zo’n rubriek is ‘religie’ gauw overal, maar zul je de gereformeerde religie nergens tegenkomen. Het is kennelijk al waardevol om vermelding in deze rubriek te krijgen als je van de jongerenomroep BNN bent en dan wel eens uit de Bijbel voorleest (11-03-2010). Of als popzanger Tom zich voor ‘beslist godvrezend’ uitgeeft, al is hij tegelijk een vrouwenversierder (ND van 06-08-2010).
Ik weet niet wat de nieuwswaarde van zulke artikelen is. De verwachting, dat de lezers op pag.2 nieuws over het gereformeerde leven krijgen, of nieuws dat belicht wordt onder een Bijbelse lamp, kunnen we vergeten. Opgebouwd worden in het christelijk geloof (hoe durf ik het eigenlijk nog te vragen?) is er evenmin bij. Een zeer bescheiden rubriek ‘Stilgezet’ zorgt voor enig geestelijk voedsel. 
Als we op de pagina ‘Media’ lezen dat de KRO met een bepaald programma ‘weer eens verdronken is in een zee van spirituele vaagheden’ (17-07-2010), vragen we ons af of het Nederlands Dagblad zelf ook niet eens de bezem zou moeten halen door veel spirituele vaagheden.
Een hele serie vroegere theologen, kerkgebouwen en kerkelijke gebeurtenissen  krijgen we vaak op pagina 2 in grote foto’s gepresenteerd. Met allerlei aardige, minder aardige en soms bizarre bijzonderheden, zonder dat iemand als gereformeerde lezer zich kan optrekken aan dit commentaar.
Dat is kennelijk ook niet het doel. Het Nederlands Dagblad is, zeker op pag. 2, gewoon een doorgeefluik geworden van allerlei nieuws uit oude en nieuwe dozen, zonder nog enige functie te hebben voor de opbouw van het gereformeerde geloof.

 4.20. De kijk op het gereformeerde verleden

 Prof. dr. A.Th. van Deursen heeft in het Nederlands Dagblad een aantal jaren  bijdragen geleverd, die volledig pasten in het kader van wat je een gereformeerde krant mocht noemen. Bovendien was het een wetenschapper die kritisch analyseerde, maar tegelijk sympathiek stond tegenover het eigen gereformeerde verleden. Na de verschijning van het boek Het gereformeerde geheugen (2009, onder redactie van George Harinck, Herman Paul en Bart Wallet) vroeg men het oordeel van Van Deursen over dit boek. Hij merkte op dat de toonzetting over gereformeerden door gereformeerden wel erg afstandelijk  was. Het leek wel, zei hij, alsof het een indianenstam betrof die al vijfhonderd jaar geleden was uitgestorven. Zouden de erfgenamen bang zijn al te warm te schrijven over hun erflaters? Even later zei Van Deursen: ‘Je mag wel lelijk doen over Groen of Kuyper, maar je mag geen blijk geven van waardering, want dan is het geen wetenschap meer. Maar is het tegendeel het dan wel?’
Eenzelfde verschijnsel valt te constateren onder hen die zich in het Nederlands Dagblad met het verleden bezighouden. Wat te denken van een columnist  die beweert dat de gereformeerden hun identiteit niet meer aan de Afscheiding ontlenen (ND 03-10-2009)? Het is al verbazingwekkend dat hij dat zelf niet (meer) doet, ook al doceert hij aan de Kamper Universiteit. Deze universiteit vindt haar oorsprong immers in de Afscheiding.
Een ander schrijft een artikel onder de kop ‘Liever Peerke Donders dan Hendrick de Cock’ (ND 31-10-2009).  Dit artikel verraadt in de kop ook al geen grote waardering voor Hendrick de Cock. De rooms-katholieke Donders, die te midden van de melaatsen in de rimboe woonde, komt er beter af. Ik zou zeggen, met alle respect voor Donders, dat het Nederlands Dagblad de verering van deze Donders wel aan de Roomsen kan overlaten en dat er van een terugblik op de Cock in het 175e jaar na de Afscheiding wat meer aandacht voor hem had afgekund dan in het betreffende artikel geboden wordt.
Nog weer een ander weet over De Cock te vertellen dat hij zijn tegenstanders aanwreef wolven te zijn, die de schaapskudde van Christus verstoorden (ND 31-07-2010). Ik denk dat De Cock beter op de hoogte was van Hand. 20,29 en van de actualiteit van deze tekst in zijn dagen dan we van een moderne ND-verslaggever nog kunnen verwachten.

 4.21. Over De Cock, Schilder en andere voorgangers

 Maar toch, hoe duidelijk Hendrick de Cock nog tot ons kan spreken, laat de ND-schrijver schrijver over Donders en De Cock zelf al zien.  Het ging in oktober 2009, zo schrijft hij,  nauwelijks over 175 jaar Afscheiding, maar wel over de synode van Dordrecht, die voor 2010 gepland staat. De schrijver weet dat De Cock, ‘ware hij nog onder ons, daar zeker niet zou komen’. Zeer juist! De Cock zou er niet komen, Kuyper en Schilder evenmin. De stem van De Cock heeft toch te duidelijk geklonken om ons zomaar onze eigen identiteit als gereformeerde kerken te doen vergeten. Als wij die vergeten, is niet De Cock, maar zijn wij veranderd.
H
oe kwalijk ook over de meer recente geschiedenis van de GKv kan worden geschreven, blijkt uit een ander artikel van een historicus in het ND van 06-06-2009. Het heet ‘Douma en de breekijzermethode’. Ik laat de aanval die mij hier te beurt valt, buiten beschouwing. Ik vermeld wel de kwalificatie ‘breekijzermethode’, die zo wel op Schilder en Holwerda, alsook op GKv-hoogleraren na hen van toepassing wordt geacht. We lezen o.a. dat de vroegere vrijgemaakte leiders vaak zelfbenoemd waren, overal verstand van dachten te hebben en met steun van secondanten heel de groep aan hun keuze bonden. Dergelijke insinuaties, die men in de roddelpers kan verwachten, maar waarvoor we ons in het Nederlands Dagblad moeten schamen, staan zwart op wit in het genoemde ND-nummer. Ze staan er nog, ondanks diverse pogingen om de schrijver te bewegen er een streep door te halen.

 4.22. De blijvende rol van het Nederlands Dagblad

 Uiteraard moeten we ons niet blindstaren op de zwakke kanten van het Nederlands Dagblad. Ik laat bepaalde punten liggen die anderen misschien zouden aandragen. Bv. de sportverslagen die we tegenwoordig niet alleen meer van de zaterdagsport, maar ook van de topsport (WK-voetbal en de Tour de France) onder ogen krijgen. Eerder kan men zeggen: flarden van die sport. Zakelijk gezien heeft een dergelijke verslaggeving immers weinig om het lijf. Een kleine krant die de zondagsrust (terecht) in stand wil houden, doet er beter aan helemaal geen sportverslagen te geven. 
Al heeft het Nederlands Dagblad een grondslag, het blad moet daarnaast met z’n lezers rekening houden. Dat is ook duidelijk te merken. Als men evangelische christenen wil aantrekken en vasthouden, kan men geen gereformeerde verbonds- en doopsbeschouwing meer uitbazuinen. Als bepaalde orthodoxe rooms-katholieken liever het Nederlands Dagblad dan de Volkskrant lezen, misstaat het niet een bisschop als columnist aan te trekken. Al moeten de gereformeerden dan wel wat voorzichtiger over de paus en over de rooms-katholieke kerk spreken. Men moet oecumenisch open staan voor allerlei overtuigingen, die het niet meer toelaten het gereformeerde getuigenis te promoten.
Het is dan ook duidelijk dat de hoofdredacteur en zijn staf managers zijn geworden en niet meer voorop lopen in het analyseren van hun eigen tijd als gereformeerde belijders. De tijd van P. Jongeling en ook die van J.P. de Vries liggen al weer heel wat jaren achter ons.
Mijn kritiek richt zich niet op de bekwaamheid van het driemanschap dat over de inhoud de scepter zwaait, of op andere medewerkers. Menig artikel geeft van kundigheid blijk. Redactie en medewerkers zullen ook hun handen vol hebben om het schip van de krant drijvend te houden. De jongeren in de GKv krijgen zij niet meer warm voor een abonnement. En de sterfte onder de oude gereformeerde garde vereist juist nieuwe lezers.
Ietwat paradoxaal gezegd: de huidige breedheid en pluriformiteit kost de krant onder de vrijgemaakte ouderen niet zoveel abonnees. In die kring leven stellig grote bezwaren tegen de krant. Zij vinden in de krant niet meer terug wat ze vroeger in het Nederlands Dagblad zo waardeerden. Maar zij doen daarom het Nederlands Dagblad de deur niet uit. Zij hebben geen alternatief. Zij blijven abonnee, al was het maar om de berichten over geboorten, jubilea en sterfgevallen in de kerkelijk vrijgemaakte familie te kunnen blijven volgen. De krant is nog het publieke adres waarin wij over onze geliefden (en die geliefden over ons) hun blijde en droevige nieuws kwijt kunnen.
Ik besef dat dit geen lofprijzing op het ND betekent. Maar het is wel de werkelijkheid voor veel lezers. En tot die lezers reken ik ook mijzelf. Zolang ik lezer zal zijn, zal ik instemmen met elk artikel dat van kundigheid en christelijk geloof getuigenis aflegt. Ook al lees ik vrijwel dagelijks dingen in het ND die ik liever niet las. Alles went, zal een ander zeggen. Ik zeg het hem niet na.

 Ook anderen hebben kritiek op het Nederlands Dagblad uitgebracht. Ik denk hier met name aan W. Nieboer in zijn geschrift Dankbaar gereformeerd (2004, 58vv). Het relativerende beleid op kerkelijk gebied ‘van een kleine groep particuliere, goed getrainde en vaardig schrijvende opiniemakers heeft een benauwend grote invloed op de leden van onze kerken….Relativering is een sluipend gevaar dat ons injecteert van dichtbij. Het gevaar zit vooral in de onuitgesproken waarderingsmaatstaven’.

 4.23. De ChristenUnie

 Er zou over meer bladen en organisaties (o.a. de scholen!) binnen de gereformeerde wereld wat te zeggen zijn. Ik geef alleen nog aandacht aan de Christen-Unie (CU). Onder de gereformeerden heeft men nimmer met de rug naar de wereld willen staan. Vandaar dat vroeger de Antirevolutionaire Partij, later het GPV en nog weer later de CU positief beoordeeld werden binnen de GKv.
De overgang van GPV naar ChristenUnie verliep niet zonder heftige discussies, omdat met deze overgang het eertijds exclusieve standpunt verlaten werd, alsof alleen met een gesloten GPV verantwoorde christelijke politiek te bedrijven viel. Dit standpunt werd terecht verlaten, toen we beter begrepen dat het bedrijven van politiek op basis van een goed program en niet op grond van het (exclusief) lidmaatschap van de gereformeerde kerk nodig was. Waarom mochten mensen, die een verantwoord politiek program wilden onderschrijven en graag met het GPV in zee gingen, niet meedoen omdat ze geen lid waren van de GKv?
Ik zie in de opkomst van de ChristenUnie dan ook een noodzakelijke correctie op het aanvankelijk heersende kerkisme in de GKv. Het lidmaatschap van een politieke partij laten samenvallen met het lid zijn van een bepaalde kerk, leidt in de praktijk tot vruchteloosheid, zodra bondgenoten zich melden. Ik zou het nog sterker willen zeggen, al krijg ik dan waarschijnlijk meer tegenspraak. Ook met het funderen van onze politieke activiteiten op de gereformeerde confessie, steken we ons in soortgelijke moeilijkheden. De CU heeft de volgende grondslag geformuleerd:

 ‘De ChristenUnie erkent Gods heerschappij over het staatkundig leven, dat de overheid door God is gegeven en in zijn dienst staat en dat christenen de verantwoordelijkheid hebben actief te zijn in de samenleving. Zij fundeert haar politieke overtuiging op de Bijbel, het geïnspireerde en gezaghebbende Woord van God, die door de Drie Formulieren van Eenheid wordt nagesproken en die ook voor het staatkundig leven wijsheid bevat’.

 Maar hoe zit het dan met Baptisten die de kinderdoop verwerpen en met andere evangelische mensen die dat ook doen, of bv. de Dordtse Leeregels absoluut niet onderschrijven? Ja, intussen zijn er ook rooms-katholieken lid geworden. Er stonden zelfs twee rooms-katholieken op een gemeenteraadslijst in Venlo (ND van 12-11-2009)! Niemand kan ontkennen dat De Drie Formuleren het rooms-katholieke geloof op zeer veel onderdelen weerspreken Ik heb geen bezwaar tegen het lidmaatschap van Baptisten en rooms-katholieken, maar wel tegen hun schijnbinding aan de Drie Formulieren. De partij moet hier duidelijkheid geven.
De voorzitter van de CU, P. Blokhuis, is in het partijblad van de CU d.d. februari 2010, wel wat gauw klaar als hij stelt dat de CU een christelijke partij is, geen kerkelijke partij. Dat klopt, maar met de vermelding van de Drie Formulieren heeft de CU wel degelijk een kerkelijke grondslag. En de partij, afkomstig uit het Gereformeerd Politiek Verbond en de Reformatorisch Politieke Federatie, is een uitgesproken protestantse partij, gelet op haar grondslag. ‘We moeten begrijpen wat we zeggen en van daaruit politiek bedrijven met allen die naast ons staan’, zo besluit Blokhuis zijn artikel. Maar wat moet ik onder ‘begrijpen’ verstaan als het over hen gaat die ‘naast’ ons staan? Zijn Baptisten en rooms-katholieken volledig lid, ook zonder dat ze zich van de Drie Formulieren iets hoeven aan te trekken?

 4.24. Gebrek aan moed?

 Een partij die de C in haar naam draagt, toont haar christelijk karakter alleen in het optreden van haar vertegenwoordigers. Je kunt de Bijbel als grondslag nemen, maar hoe vrijmoedig zijn de christenpolitici om voor hun geloof uit te komen? God heeft  in het verleden dappere mannen gezegend, aldus Gert-Jan Seghers, directeur van het Wetenschappelijk Instituut van de CU, in zijn oproep om op 9 juni jl. op deze partij te stemmen (ND van 04-06-2010). De uitslag viel bitter tegen. Zou dat mee kunnen liggen aan het gebrek aan dapperheid bij christenpolitici vandaag?
Duidelijk was dat gebrek er bij de precieze bepaling waar nu de partij stond in het geding rond homoseksualiteit en het homohuwelijk. Voor de partij is het huwelijk een hoeksteen van de samenleving. Maar is dat standpunt tegenover een sterke liberaal-paarse stroming ook moedig verdedigd? Helaas niet. 
M.i. was de onzekerheid van André Rouvoet in de laatste dagen voor de verkiezing over het al of niet aanvaardbaar zijn van de homoseksuele relatie in eigen CU-kring heel duidelijk. Mist de partij de moed om hier te zeggen wat zij bedoelt als het gaat over huwelijk en gezin, over het samengaan van huwelijk en seksuele beleving en over het karakter van het huwelijk als een exclusieve relatie tussen man en vrouw?
Getuigt het van dapperheid, als we onze vice-premier Rouvoet horen verklaren dat hij wegens tijdgebrek niet aanwezig zou zijn op de jaarlijkse homoparade Gay Pride in Amsterdam (ND van 24-10-2009)? Waarom geen getuigenis dat een vertegenwoordiger van de CU daar om principiële redenen niet kan en zal verschijnen?
Een volgende vraag: hoe komt het dat niet vanuit de CU, maar door rooms-katholieken bezwaar werd aangetekend tegen de definitie die Rouvoet van het gezin gaf in zijn nota ‘De kracht van het gezin’? Rouvoet noemt een gezin ‘elk leefverband van één of meer volwassenen die de verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding van de kinderen’. Daaronder valt dan zowat alles, ook samenwonenden, homostellen en een man die een harem heeft met twintig kinderen, werd er opgemerkt op een studiebijeenkomst van het rooms-katholieke Centrum voor de Sociale Leer van de Kerk (ND van 24-10-2009). Prof. dr. Frans Alting von Geusau vond dat de omschrijving van het gezin als leefverband het gezin onderuit haalde. ‘Waarom moeten wij als christenen, die de dragers zijn van de beste boodschap over het huwelijk, daarin meegaan en concessies doen over de definitie van het gezin?’
Bovendien, als een gezin bestaat uit ‘man, vrouw en kinderen’, waarom verhieven Rouvoet en de zijnen dan niet hun stem toen ook adoptie door homoparen werd toegestaan?
Alting von Geusau roept het CDA op om vanuit de C te spreken. Ik vraag het nu aan de CU. Ik ben graag lid van een partij die frank en vrij uitkomt voor wat de Bijbel over gezin en huwelijk ons voorhoudt.

Reacties zijn gesloten.