De kerkdienst

3.1. Gewicht en verhevenheid van de kerkdienst

 In dit hoofdstuk wil ik iets schrijven over de kerkdienst. Zonder dat ik volledig ben, kan ik zeggen dat in de kerkdienst met name de preek, de belijdenis van zonden, schuld en schuldvergeving, het gebed en het lied van grote betekenis zijn.
De preek mag ik beschouwen als verkondiging van de verzoening tussen God en de mensen. Zo spreekt Paulus daarover in 2 Cor. 5,18vv. Via de prediking horen wij: ‘laat u met God verzoenen’. Deze tekst en het vervolg van  2 Cor. 5,18 zijn niet (alleen) bedoeld voor ‘heidenen’, maar (ook) voor kerkmensen. Ik geloof daarom dat die predikant, die kort geleden schreef dat er in de kerk doden worden opgewekt (W. Dekker in ND van 8-4-2010), dit terecht schreef. Zondag 31 van de Heid. Catechismus, vr. en antw. 74, zegt iets soortgelijks: het koninkrijk van de hemelen gaat door de verkondiging van het evangelie voor gelovigen open en voor ongelovigen dicht.
Als ik aan de schuldbelijdenis en de schuldvergeving denk, die in onze kerkdiensten doorgaans verbonden worden aan de voorlezing van de Tien Geboden, gaat het  opnieuw over een gebeurtenis met belangrijke gevolgen. De kerkganger wordt herinnerd aan zijn zonden en aan de noodzaak om daarvoor vergeving te ontvangen. Wie dit een routinematige zaak vindt, weet niet wat hij zegt. Hij bezit niet de nederigheid én de vreugde van die kerkgangers, die beseffen dat zij als zondaars in de kerkdienst verschijnen voor God en zijn engelen.
Ook ons lied in de kerkdienst heeft z’n eigen plaats. Wij hebben veel te danken aan Calvijn die op de kracht van het lied heeft gewezen, nadat hem de armoede was opgevallen in gereformeerde kerkdiensten zonder lied. Anders dan Calvijn volstaan wij niet met de 150 Psalmen plus een enkel gezang. De liederen van het oude verbond combineren wij met die van het nieuwe verbond, waarin de lof op de drie-enige God duidelijker doorkomt dan mogelijk was in de liederen onder het oude verbond. Ook schuwen wij muziekinstrumenten niet in de kerk, zoals Calvijn dat deed. Als elk instrument maar dienstbaar blijft aan de ondersteuning van het lied van de gemeente. Het zingen, aldus Calvijn, heeft grote kracht om het hart van de mensen te bewegen en in vlam te zetten, om God aan te roepen en Hem te loven.  Calvijn gebruikte voor de melodie het beeld van de trechter. Zoals wijn via een trechter in een vat wordt gegoten, zo krijgen de teksten van een Psalm hun vorm in de melodie.
Calvijn had zeker ook oog voor de muziek en het lied buiten de kerkdiensten. Maar daar kunnen muziek en lied een luchtiger en vluchtiger karakter dragen. Het lied in de kerkdienst moet echter  ‘poids et majesté’ tonen. Ik vertaal deze Franse woorden met ‘gewicht en verhevenheid’. Wij staan in de kerk voor God en daardoor moet ook ons (Psalm)lied een verheven karakter krijgen. 
Ik ben het hier met Calvijn eens. Als wij in de kerk zingen en musiceren, zal dat moeten passen binnen de waardigheid van een dienst die ons op een bijzondere wijze met de drie-enige God in contact brengt. Voor mij geldt daarom ‘gewicht en verhevenheid’ niet alleen voor het lied in de kerkdienst, maar voor alle onderdelen die de bijeenkomst tot een kerkdienst maken.
Uiteraard neemt in de kerkdienst ook het gebed een belangrijke plaats in. Wie gelooft in God, gelooft ook in de kracht van het gebed. Het is langs die weg dat wij God prijzen en Hem danken. Het is de weg waarlangs wij om schuldvergeving vragen. Wij volgen Jezus Christus die ons het Onze Vader leerde bidden. Wij volgen Hem ook als wij uit Joh. 17 leren hoe wij via het gebed Gods bescherming ontvangen, één mogen zijn met Hem en met elkaar. Opdat de wereld gelooft dat de Vader Jezus Christus gezonden heeft! Wij bidden voor onze broeders en zusters in tijden van verdrukking, ziekte en sterven.
Al deze zaken maken de kerkdienst van groot gewicht en tot een verheven aangelegenheid. Als wij de dienst aanvangen, ontvangen wij de zegengroet van genade en vrede van God. Voor wij naar huis gaan wordt een soortgelijke zegen van de genade van Jezus Christus, de liefde van God en de eenheid met de heilige Geest ons geschonken. Als wij zo verwelkomd worden en God zo ook weer afscheid van ons neemt, zal de kerkdienst – voor zover het ons aandeel betreft – een gewicht en verhevenheid moeten ontvangen die bij deze dienst past.

 3.2. Devaluatie van de kerkdienst

 Er is een manier om zich van de ernst en verhevenheid van de kerkdienst af te maken door onze schouders erover op te halen. Toen ds. W. Dekker in het ND van 8-4-10 over het ‘opwekken van doden’ via de kerkdiensten had geschreven, kwam daarop een reactie, waarin stond dat wij de ‘zondagse toespraak’ niet moeten overdrijven. De schrijver (K. Wierenga, ND van 12-4-10) had het over een traditie waarin we de preek ‘verkondiging van het Woord’ of ‘bediening van de verzoening’ noemen. Kennelijk is dat volgens hem niet méér dan een traditie, maar beide uitdrukkingen over de taak van de kerk zijn zo uit de Schrift op te diepen. In het algemeen moet men ervoor waken, zo gaat Wierenga verder, om de zondagsbijeenkomsten en de zondagse taalproducten van doorslaggevend belang te achten voor de redding van de ziel. Verder schrijft hij in zijn artikel laatdunkend over de kerkdienst als ‘een cocktail van vervreemdende ingrediënten waaruit een zondagse bijeenkomst toch al bestaat’. De ezel van de buurman die wij niet mogen begeren, brengt Wierenga ter sprake en ook de voorbeden voor een broeder met een zere teen en voor een zuster die last van galstenen heeft. We zingen alles maar, lees ik bij Wierenga, wat we op de beamer vinden, inclusief alle ‘koddige fouten’. En…’nu worden wij ook nog uit de dood opgewekt’!
Ik ken de verleiding van dit intellectualistisch neerhalen van de kerkdienst. Ik weet ook waar het aan ligt als ik zelf bezwijk aan dit goedkope gedoe door tientallen gebreken van de menselijke, zeer menselijke kerkdiensten op te sommen. Ik mis dan de nederigheid om te erkennen dat het God is die op zijn manier aan mij en aan onze gemeente werkt. In mijn betere momenten erken ik dat wel en Wierenga zal dat ook doen. Zo heb ik rond Pinksteren weer jonge mensen belijdenis van hun geloof horen afleggen. Met tegenzin gingen ze vroeger wellicht naar de catechisatie en op alles hadden zij kritiek. Alles was bij anderen beter dan het in hun saaie vrijgemaakte kerk was. Ze zaten er in die kerk tijdenlang ongeïnteresseerd, ja geestelijk dood bij. En toch zeiden ze op die zondag ‘ja’ tegen God. Ik zeg het hun na, en werd herinnerd aan mijn eigen ja, met dank aan God die aan het gebrekkige werk in de kerk zijn zegen wil geven. Niemand noemt God zijn Vader, die de kerk niet als moeder heeft.
Het zal niemand verbazen dat ik andes tegen de kerk aankijk als ik er Jezus Christus door zijn Geest in bezig zie. Ik geloof dat er een kerk is met daarin o.a. de predikant die het Woord moet brengen. Daarom heb ik geen respect voor die predikanten die zich inspannen om zo ‘gewoon’ mogelijk te doen. De (te hoge) preekstoel hebben ze ingeruild voor het podium met een kathedertje. Tegen het kathedertje heb ik geen enkel bezwaar, tegen gewilde nederigheid wel. Je bent ambtsdrager of je bent het niet. Wie als verkondiger van het Woord zijn preek een ‘praatje’ noemt (zoals ik nu al meer dan eens heb horen zeggen), heeft meer zichzelf dan zijn Zender voor de geest. Het mag heel ‘gewoon’ klinken, maar het klinkt beledigend voor Hem die zijn predikers zendt, niet om een praatje te houden, maar om zijn boodschap door te geven. Wij zitten in de kerk en niet gezellig rond de haard.
De kerk is ook geen club, groep of vereniging zoals er duizenden zijn. dr. George Harinck beweert dat het ‘verenigingsmodel’ als organisatievorm aan het verdwijnen is. Mensen willen liever individueel dan groepsgewijs leven. Met die ontwikkeling heeft volgens Harinck ook de kerk te maken. Zij heeft ‘de structuur van de groep en van de verenigingsvorm van vroeger’ (ND van 3-4-10). Het lijkt wel alsof volgens Harinck het ‘groepskarakter’ ook bij de kerk moet worden losgelaten. Mensen willen niet meer verplicht worden elke zondag te komen en steigeren als ze door het bestuur op hun gebrekkige betrokkenheid worden aangesproken. Blijkbaar vindt Harinck dat steigeren ook heel gewoon.
Dat zou ik ook vinden als het over een schaakclub of politieke vereniging zou gaan, waaraan iemand losjes verbonden is. Maar ik vind het niet gewoon als kerkleden steigeren wanneer ze op hun gebrekkige betrokkenheid bij de kerk worden aangesproken. De ‘groep’ waar Harinck het over heeft, is de gemeente van Jezus Christus, waarvan wij levende leden (mogen) zijn en dat eeuwig zullen blijven. Zij was er allang voor de schaakclub en de politieke partij. Zij zal er nog zijn, al is er geen andere vereniging meer aanwezig. De vormen mogen veranderen, maar de kerk als gemeenschap blijft.
Het lijkt me typerend voor een verhaal à la Harinck, dat de kerk moet veranderen en dat ze naar iets nieuws moet zoeken, al weet hij geen woord te vertellen over wat dat nieuws dan wel mag zijn. Dat er ook veel moet blijven en moet worden bewaard, lees ik wel in de Bijbel, maar dat krijgen we bij Harinck niet in het vizier. Het ND zette boven de kritische reactie die dr. M.J Arntzen gaf op het artikel van Harinck: ‘Weg vorm, weg inhoud’ (ND van 9-4-10). Dat zal Harinck niet willen, maar hij bevordert het wel door het wetmatig te vinden dat in onze tijd vormen worden afgebroken, ook van de kerk, zonder dat hij tegelijk opkomt voor de inhoud die moet blijven.

 3.3. De tweede kerkdienst

 Het is geen wonder dat met name de tweede kerkdienst op de zondag het zwaar te verduren heeft. Terwijl vroeger ook de tweede dienst in onze kerken goed gevuld was, al was het doorgaans iets minder dan de morgendienst, is het nu anders. De kerkgang in het algemeen neemt af, maar vooral de tweede dienst wordt door steeds minder gemeenteleden bezocht. Het is geen uitzondering meer dat de tweede dienst voor de helft of nog minder gevuld is. Waar in grote gemeenten tot voor kort ook ’s middags dubbele diensten werden georganiseerd, kan nu alles met gemak in één middagsdienst samenkomen. 
Is het daarom niet beter de tweede dienst niet meer verplicht te stellen, of zelfs helemaal af te schaffen? Zijn er geen geldige redenen aan te voeren om het bij de morgendienst te laten? Wie in het buitenland naar de kerk gaat, zal meestal geen tweede samenkomst op de zondag belegd vinden. Bovendien, is het leven van de maandag tot de vrijdag niet zo druk geworden dat men toch ook best een deel van de zondag voor ontspanning mag gebruiken?
Laten we beginnen met de constatering dat de christelijke kerk van alle tijden en plaatsen heel verschillend de zondag heeft ingevuld en dat nog doet. Met geen  Bijbeltekst valt duidelijk te maken dat het altijd en overal zo moet als wij het gedaan hebben en nog doen.  Zo is bv. uit de geschiedenis van de gereformeerde kerken in onze lage landen na de Reformatie te constateren dat de middagdienst aanvankelijk gebruikt werd voor een soort catechisatie, waarin de jeugd overhoord (!) en onderwezen werd in de leer van de kerk. Tegenwoordig is er in tal van gemeenten eigenlijk geen enkel verschil tussen de morgen- en middagdienst. Het is heel gewoon geworden om ook ’s morgens een Zondag uit de Heidelbergse Catechismus te behandelen.

 3.4. Waarom zo moeilijk?

 Waarom valt het velen zo moeilijk om, als ze dat fysiek gemakkelijk kunnen, ook de tweede kerkdienst te bezoeken? Het eerlijkste antwoord zal in de meeste gevallen moeten luiden dat men de middag liever vrijaf neemt en er zijn eigen invulling aan wil geven. Alle bezwaren die men tegen de kerkdiensten onder ons in het algemeen naar voren brengt, gaan natuurlijk in dubbele mate gelden als men ook ‘s middags weer naar de kerk ‘moet’ . Wat wordt er gedaan om de diensten op te fleuren, de preek boeiender te maken en de interactie te bevorderen?
De feiten wijzen uit dat alle verfraaiingen en alle vernieuwingen de kerken niet voller doen lopen. Ik vroeg rond 1990 aan de bekende dominee Okke Jager hoe het de laatste tijd met de opkomst was als hij ergens preekte. Hij maakte mij dat kernachtig duidelijk. Vroeger, zei hij, konden de mensen als ik preekte soms nauwelijks een staanplaats vinden. Maar nu kunnen ze allemaal wel languit in de banken gaan liggen!
Iets groots en iets nieuws kan ons een tijdje boeien, maar als de nieuwigheid er af is, gaat de leegloop van de kerken gewoon door. Het argument dat de mensen het in de week toch erg druk hebben en op zondag  moeten kunnen uitblazen, is gezocht. De meeste mensen hebben een vrije zaterdag en behoorlijk lange vakanties. Onze vrije tijd is royaler dan die van vorige generaties. Waar een wil is, is een weg om de middagdienst te bezoeken. En wie niet wil, kan niet doen alsof de kerkenraad hem niet heeft opgeroepen te komen. De zondag die wij de dag van de Here noemen, heeft ook nog een middag, met in ons land de reeds lange traditie van de tweede kerkdienst. 

3.5. Een verschillende invulling

 Als wij beide diensten bezoeken, mogen wij nog wel vragen waarom er zo weinig of helemaal geen verschil tussen deze diensten is. Aanvankelijk waren de tweede diensten voor het catechetisch onderricht, meldde ik al, eerst als onderricht voor de jeugd, later voor die van de hele gemeente.
Daar ligt al een eerste verschil. Er is verschil tussen het Woord van God en de Heidelbergse Catechismus. Ik herhaal wat ik in dit verband al eens vaker geschreven heb: de catechismus is, hoe onmisbaar ook, niet meer dan een hulp om de Schrift te verstaan. Daarom lijkt het me niet vanzelfsprekend de zondag te beginnen met de ontvouwing van de door de kerk opgestelde leer. Wij moeten beginnen met de rechtstreekse verkondiging vanuit de Schriften.
Ik behandel zelf graag de Heidelbergse Catechismus, maar ik geef al jaren aan de preekverzoek(st)ers te kennen dat ik dat niet meer op de morgen wens te doen. Vroeger stond er in onze kerkorde dat de behandeling van de catechismus als regel ’s middags moest gebeuren. Helaas staat dit niet meer in het concept van de gewijzigde kerkorde. Ik dring op herstel van de oude formulering aan. Dan hebben we in elk geval reeds één zaak die onderscheid aanbrengt tussen de beide diensten.
Er lijkt me ook geen bezwaar te bestaan tegen de leerdienst in de middag met een interactief karakter. Dat karakter was er in de eerste tijd van de gereformeerde kerken in Nederland ook al. Als het element van het overhoren van de catechismus er in het begin bij hoorde, was dat immers ook al een vorm van interactie. Waarom zouden wij dat op een andere interactieve wijze in onze middagdiensten niet kunnen hebben? Goed onderwijs in het huidige Nederland draagt immers zo vaak een interactief karakter. Wanneer we bij de middagdienst meer aan een leer- dan een preekdienst denken, is er veel voor te zeggen aan de dienst van ’s middags een ander karakter te geven dan aan die van de morgen.
Van belang is wel dat de interactieve vorm van onderricht binnen de gemeente aanslaat en een duidelijke winst laat zien ten opzichte van de vroegere Catechismusbehandeling. Als de predikant nauwelijks meer een uitleg geeft, is er van een leermoment geen sprake. En als de kennis van de gemeenteleden zo miniem is dat er van een bespreking niets terecht komt, kan men met het experiment beter ophouden. Het zal van de kwaliteit van de prediker én discussieleider afhangen, of hij er een zinvol geheel van kan maken.
Er is hier een goede mogelijkheid om de predikanten binnen een classis of in welk regioverband ook met elkaar te laten overleggen en samenwerken om het onderricht in zulke diensten op de beste manier te geven.
Een duidelijk onderscheid is ook zichtbaar als aangepaste bijeenkomsten, met het oog op bijzondere situaties of groepen, uitsluitend in de middag plaatsvinden. Aangepaste diensten bv. voor mentaal gehandicapte gemeenteleden vragen om een eigen liturgie met eigen liederen. Daarin kunnen we moeilijk de eis stellen van ‘gewicht en verhevenheid’ van het kerklied plus de begeleiding zoals we dat voor de morgendienst wél moeten doen. Ik kom daarop nog terug als we hierna het lied en de muzikale begeleiding van het lied aan de orde stellen.
Van belang is wel dat wij de aangepaste diensten binnen het kader van de eigen gemeente en het eigen kerkverband houden. We hebben gezien wat er overblijft van jeugddiensten die door een aantal enthousiaste jongeren begonnen werden, maar na een tijdje weer verdwenen. Ik denk aan de jeugddiensten in Zwolle die aanvankelijk zonder moeite duizend jongeren bijeenkregen. Aangepaste diensten kunnen hun nut hebben, maar dan niet om bepaalde groepen van de gewone diensten te vervreemden. Ieder hoort bij de gemeente, de kleine kinderen, de mentaal gehandicapten, de opgroeiende jeugd en de steeds groeiende groep ouderen toe. Zij doen zoveel mogelijk alles samen in de diensten. Kinderen gaan vroeg mee naar de kerk, al is het goed om hen in hun jongste jaren tijdens de diensten apart te nemen voor enig aangepast onderricht. Zodra ze ouder worden, mogen we verwachten dat zij via de gewone kerkdiensten geestelijk tot volwassenheid komen.
We moeten ook oppassen van elke dienst te eisen dat zij verstaanbaar is voor iedereen. Die verstaanbaarheid van de preek lukt natuurlijk niet bij de kleine kinderen, tenzij we verkleutering van het evangelie het ideaal zouden vinden. Ik heb het uiteraard niet over de kindercrèche, etc., of over enkele minuten waarin de kinderen tijdens de dienst speciaal worden aangesproken.
Het gaat over het totaalkarakter van de dienst. En dat is een dienst voor volwassenen in het geloof. Daarom is het ook niet mogelijk de buitenstaanders er zo bij te betrekken dat ze alles kunnen volgen. We beginnen een dienst niet bij het nulpunt, want we weten dat voeden met melk gevolgd moet worden door voeden met vast voedsel, dat voor volwassenen bestemd is (Hebr. 5,13v). De buitenstaanders moeten wij op andere wijze zien te bereiken, eventueel ook in aangepaste diensten.

 Vat ik dit gedeelte samen, dan spreek ik de wens uit dat de ochtenddiensten onder ons uniform zullen zijn in de verkondiging van het Woord, met een liturgie die in alle opzichten ‘gewicht en verhevenheid’ kent. Hoe meer uniformiteit in de ochtenddienst, hoe gemakkelijker wij elkaar blijven herkennen als gereformeerde kerken van Roodeschool tot Terneuzen. De middagdiensten zullen wel grotendeels gevuld blijven met onderricht in de leer van de kerk. Maar ze kunnen daarnaast ook ruimte bieden aan aangepaste diensten.

 3.6 Schuld en schuldvergeving

 In het voorafgaande gedeelte heb ik geschreven over de betekenis van de preek als verkondiging van het Woord. Daarbij kwamen de beide kerkdiensten op de zondag aan de orde. Het leek mij gewenst dat er tussen deze beide diensten een verschil wordt gemaakt dat beantwoordt aan het onderscheid tussen de prediking van het Woord en het onderricht in de leer van de kerk (m.n. in de Heidelbergse Catechismus). Bovendien kunnen in de middagdienst aangepaste diensten hun plaats krijgen.
Ik heb in het begin van dit hoofdstuk op vier thema’s gewezen: de preek, schuldbelijdenis en schuldvergeving, het gebed en het lied. Daarom geef ik nu aandacht aan een tweede zwaartepunt in de kerkdienst, nl. de schuldbelijdenis en de schuldvergeving. Het kan lijken dat we ons daarmee eigenlijk nauwelijks bezig  hoeven te houden. Wie onder ons ontkent eigenlijk dat wij zondaars zijn en vergeving nodig hebben?
Laat ik beginnen met een herinnering uit mijn eigen leven. Ik heb meer dan eens in een preek een uitspraak van de theoloog Kohlbrugge (1803-1875) overgenomen. Op de vraag: ‘wanneer bent u bekeerd?’ antwoordde Kohlbrugge: ‘Op Golgotha’. Ik stemde vroeger met dat antwoord in, omdat onze bekering (uiteraard) alles te maken heeft met Christus’ dood aan het kruis. En dan lijkt het heel mooi om de blik van onszelf af te wenden en die op Jezus aan het kruis te richten, ook als het over onze bekering gaat. Maar zoals Kohlbrugge het zei, klopt het niet. Ik heb er spijt van dat ik vroeger zo gepreekt heb, omdat het de belijdenis van onze schuld in de weg kan staan en de ernst van onze eigen schuld kan ondermijnen. Ik kan wel zeggen dat God zijn uitverkorenen vóór hun geboorte gekend en liefgehad heeft. Ik kan ook zeggen dat wij in het verbond met God al werden opgenomen voordat we geboren waren uit onze moeders. Maar daarmee waren we nog niet bekeerd. Nooit zal ik mijn schouders ophalen over de eeuwige verkiezing, over het verbond en over de kinderdoop, waarmee God bevestigde dat Hij me in het verbond van zijn genade had opgenomen. Maar al dat moois betekent nog niet dat ik mij niet meer hoef te bekeren, omdat Christus dat al voor mij gedaan zou hebben.
Belijdenis van mijn zonden en mijn bekering zijn gebeurtenissen uit mijn leven, ook al besef ik dat ik door de genade van God zover gekomen ben en dat het fundament voor mijn bekering gelegd is door het werk van Christus op Golgota. 

3.7. Waarom zo belangrijk?

 Waarom is het zo belangrijk dit persoonlijk karakter van onze bekering te belijden en daar in de kerkdienst elke zondag aan herinnerd te worden? Om de heel eenvoudige reden dat de prediking van het evangelie zonder de achtergrond van onze zonde en schuld alle glans gaat verliezen. Wie de diepte van onze zonde en onze verlorenheid niet serieus neemt, doet dat ook niet met Jezus’ bevrijding uit deze verlorenheid. Als ik zo zondig niet ben, waarom zou ik dan in Jezus geloven als de redder uit onze zondige verlorenheid? En waarom zou er in een kerkdienst nog aparte aandacht aan de Tien Geboden moeten worden gegeven als ontdekkers van onze zonde en schuld? Dat hebben we toch achter de rug als we in Christus al bekeerd zijn?
Daar tegenover stel ik Zondag 2 van de Heid. Catechismus – een zondag die  tijdens ons leven nooit een gepasseerd station wordt. Teksten bij Paulus (Rom. 7), Jacobus (1,14vv) en Johannes (I,7vv) zijn slechts een paar illustraties uit tientallen die ik zou kunnen citeren om het onverbrekelijke verband aan te geven tussen Jezus’ bevrijding en onze levenslange worsteling met de zonde. Al de oproepen in het Nieuwe Testament om te blijven strijden, de duivel serieus te nemen en niet te bezwijken voor de wereldse begeerten en ons eigen vlees, bevestigen wat ik hier schrijf.
Al vele jaren geleden verklaarde een theoloog (dr. Okke Jager) dat onze zonde juist bestond uit onze zondeleer. Wij die van de mensen zeiden dat ze in zonde ontvangen en geboren waren –  wij maakten daardoor de mensen juist ongeschikt om de ellende in wereld aan te pakken. Wij zijn niet machteloos, riep deze theoloog uit tegenover heel zijn voorgeslacht dat bij de Heidelbergse Catechismus groot geworden was. Maar wij maken ons machteloos met die gereformeerde zondeleer! Er verandert in de wereld niets als wij onszelf onbekwaam maken tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Nu vind ik niet dat wij met onze zondeleer per definitie niets aan verbetering van wantoestanden in de wereld kunnen doen. Na Zondag 2 komt er nog heel wat meer en de Zondagen 34-44 vertellen ons wat wij in ons eigen leven en tegenover anderen uit dankbaarheid voor Jezus’ verlossing moeten doen. Maar dit laat ik hier verder rusten. Die theoloog die ik hier naar voren haal, was sterk beïnvloed door de toen heersende ‘bevrijdingstheologie’. Hij draaide met de marxisten de zaken om: de zonde zit niet in de mensen, maar in de verkeerde structuren. Bevrijd de wereld van verkeerde economische structuren en we krijgen een nieuwe wereld van vrije mensen! Dat is niet uitgekomen, zoals onze lezers weten. De meeste communistische staten zijn ineengestort, terwijl het kapitalisme nog steeds bestaat.
Ik haal deze herinneringen op om onszelf een spiegel voor te houden. Hoe is het bij ons gesteld met het besef van zonde en schuld? Sinds jaar en dag lees ik in onze eigen pers wat er in de kerken allemaal moet veranderen om de mensen bij de kerk te houden of bij de kerk terug te krijgen. Men vertelt ons hoe wij de jeugd moeten aanspreken, hoe wij de buitenstaanders moeten trekken en hoe wij (eindelijk eens) een missionaire kerk kunnen worden. Daarin tref ik meestal geen oproepen aan die de kerkmensen op hun geringe besef van schuld en op hun onverschilligheid en lauwheid wijzen. Het zijn niet die kerkmensen, maar de omstandigheden die moeten verbeteren. Wij moeten de jongeren wat anders aanbieden dan wij tot nu toe deden. Het ligt niet aan de jongeren dat zij afhaken, maar het ligt aan wat zij in prediking, schuldverkondiging, gebed en lied gepresenteerd krijgen. Het zegt hun allemaal weinig of niets meer en daarom moet de kerk de bakens verzetten.
Met grote ijver om buitenstaanders te bereiken zijn er onder ons voorgangers bezig, die het in nieuwe methodes zoeken om die buitenstaanders te winnen voor Jezus. De velden zijn wit om te oogsten; maar wij gebruiken niet de goeie methodes om hen in hun eigen taal en in hun eigen cultuur aan te spreken. Verander dat en u zult over enkele jaren de vruchten van onze nieuwe aanpak zien!
Zelden of nooit lees ik dat de harten van kerkleden weerbarstig kunnen zijn, dat zij hun eerste liefde kunnen verlaten en dat daarom de middagdiensten, ondanks alle veranderingen en vernieuwingen, gewoon nog verder leeglopen. Wij weten dat kerkmensen de wereld kunnen lief krijgen (2 Tim. 4,10) en daarom vertrekken. Wij weten van de zorgen van het dagelijks bestaan, de verleiding van de rijkdom en van verlangens naar allerlei andere dingen, die het Woord kunnen verstikken (Marc. 4,19). Wij weten dat ons zaaien een moeizame aangelegenheid is als blijkt dat drie van de vier groepen in de gelijkenis van de zaaier uiteindelijk geen vruchten laten zien. Je hebt zelfs mensen die het Woord eerst met vreugde in zich opnemen, maar ook gauw weer afhaken als ze beproefd of vervolgd worden. Het leven van de gelovige is en blijft een strijd.

 In het ND van 6-5-2010 stelt Janneke Trapman in een Ingezonden de vraag waar in veel protestantse diensten de schuldbelijdenis is gebleven, die vroeger aan het begin van de dienst werd uitgesproken.. ‘Zijn we dan nergens meer schuldig aan of hebben we ook geen schuldgevoelens meer? Terwijl toch de zondigheid van de mens een kernbegrip is van de christelijke leer’.

 3.8. Ben jij bekeerd? Een levenslange zaak

 Een andere herinnering uit mijn leven brengt mij de Reformed Baptists in Engeland, bij wie we tijdens een aantal vakanties met vreugde kerkten, omdat we het Woord van God hoorden verkondigden, terwijl we tegelijk vrijmoedig onze belijdenis omtrent verbond en kinderdoop konden verdedigen. Eén vraag uit deze kringen is mij in het bijzonder bijgebleven. Men vroeg mij of onze studenten in Kampen ook bekeerd waren. Dat had in Nederland nog nooit iemand mij gevraagd en daarom trof de vraag mij zo. Ik kon mij die vraag voorstellen in Engeland en ook wel in Nederland. Er zijn immers duizenden studenten die zich met theologie bezighouden zonder persoonlijk deel te hebben aan Christus. Van onze Kamper studenten wordt verwacht dat zij belijdenis van hun geloof hebben afgelegd, of dat van plan zijn. En moet je daarnaast dan ook nog de vraag stellen of ze bekeerd zijn?
Ik heb mij met die vraag beziggehouden in een toespraak op de Schooldag 1975. En toen gezegd dat het vreemd zou zijn als je die vraag aan onze studenten niet mocht stellen. Maar dan niet als vraag naar het plotselinge, bijzondere moment waarop ze tot bekering zouden zijn gekomen. Dat moment kennen we bij Paulus, maar dat weten we niet van Samuël, Jeremia, Johannes de Doper en Timotheüs. Een bijzonder moment kan ons leven totaal op de kop zetten en een bekering betekenen. Maar ook als zo’n bijzonder moment niet te vinden is, is de vraag naar ‘ben jij bekeerd?’ binnen het kader van een blijvende  bekering van onze zonden en van een bezinning daarop in ons leven wel degelijk gewettigd. Dat doet de theologische student in zijn studeervertrek en dat doet hij straks als predikant wanneer hij zich voorbereidt op de kerkdienst. Hij groet ons namens God wanneer de dienst begint. Hij stelt zich daarna met ons voor de troon van God om zijn en onze zonden te belijden. Hij brengt het evangelie en laat ons de vreugde daarvan zien, omdat hij zelf weet heeft van de vergeving van de zonden en van het geschenk van eeuwig leven.
Het is een hele opgave zo bedienaar van het Woord te zijn en de elementen van genade, schuld, vergeving en vreugde te laten resoneren in de preek.

 3.9. Geen voorlezing van de wet meer?

 Een vreemde zaak binnen de gereformeerde kerken vind ik de onwil van sommige predikanten om de wet nog voor te lezen. Het schijnt zelfs dat dominees daartegen gewetensbezwaren hebben. O.a. ds. J. Ophoff , predikant in de GKv (thans in Zwolle-Noord) maakte ernstige bezwaren tegen de voorlezing van de Tien Geboden. Waarom? Wel, wij staan niet meer aan de voet van de Sinai. God is niet bij de Sinai blijven staan, Hij is meegegaan naar Kanaän en Hij heeft ook volgende stappen gezet. De wet en Kanaän hebben geen succes gehad. En alle profeten konden het niet voor elkaar krijgen. Het is het fiasco van het oude verbond. Er is nu een nieuw verbond, niet het verbond van de wet, maar van de genade die Jezus Christus heeft geschonken. De voorlezing van de Tien Geboden in de morgendienst doet net alsof er sinds de Sinai niets gebeurd is.
In dit korte stukje worden we op een nogal simpele theologische bezinning getrakteerd. Voor dit ogenblik beperk ik mij tot de laatste regel: De voorlezing van de Tien Geboden zou net doen alsof er sinds de Sinai niets gebeurd is! Maar het is eenvoudig onzin wat hier beweerd wordt. De voorlezing van de Tien Geboden betekent hetzelfde als wat Paulus in Rom. 7,7-13 doet wanneer hij zijn eigen zonden en die van ons laat ontdekken door de wet. Daar is niets oudtestamentisch bij, omdat wij geloven dat de zonde haar kwaadaardig karakter altijd heeft gehad en altijd zal houden, zolang de nieuwe wereld nog niet is aangebroken. Aan die zonde moeten wij altijd weer ontdekt worden en daarvoor kunnen ook de Tien Geboden dienen. Ik zou van de begeerlijkheid niet hebben geweten, schrijft Paulus, indien de wet niet zei: ‘Gij zult niet begeren’ (Rom. 7,7v). Paulus laat ons de diepte van de oudtestamentische wet zien.
Als het Nieuwe Testament op menige plaats ons aan de Tien Geboden herinnert, is er  geen gereformeerde dominee die kan beweren dat dit gebeurt zonder dat er dan gedaan wordt ‘alsof er sinds de Sinai niets gebeurd is’. Maar sinds de Sinai zijn de mensen niet veranderd en kan iemand als Paulus zich rustig op de Tien Geboden beroepen om duidelijk te maken hoe de mens zonder de genade van Jezus Christus eruit ziet. En dat doet hij, evenmin als een gereformeerde dominee die de Tien Geboden voorleest om de christen aan te jagen (!) tot een heilig leven. De plaats van de Tien Geboden in met name onze ‘Orde van dienst A’ moet ons doordringen van schuldbesef, terwijl we daarna schuldbelijdenis en genadeverkondiging volgt. Ik mag toch aannemen dat de predikant in zijn genadeverkondiging niet aan de voet van de Sinai blijft staan en in de naam van Jezus Christus genade verkondigt aan zondige mensen.
Het is opvallend als een gereformeerd predikant gewetensbezwaren zou hebben het voorlezen van de Tien Geboden in het kader van schuldbelijdenis en schuldvergeving! Want aan zo iemand zou ik willen vragen, of hij ook bezwaren heeft tegen Zondag 23 van de Heidelbergse Catechismus: ‘Al klaagt mijn geweten mij aan, dat ik tegen alle geboden van God zwaar gezondigd heb en geen daarvan gehouden heb en dat ik nog altijd uit ben op elk kwaad’, etc.!  Ik zou het een gespleten dominee vinden die enerzijds zich door zijn geweten aangeklaagd voelt over zijn zonden tegen al Gods geboden en anderzijds tegen zijn kerkenraad zou durven zeggen: het spijt me wel, maar ik heb gewetensbezwaren tegen de voorlezing van de Tien Geboden in de kerk!
Te zot voor woorden zou het zijn als waar is wat ik hoorde, dat een dominee de Tien Geboden ergens niet wil voorlezen en dat daarom een kerkenraadslid het maar doet. Ik zou tegen die dominee zeggen: richt u zich met uw gewetensbezwaren tot de eerstvolgende generale synode. En ik zou tegen die kerkenraad willen zeggen: laat geen dominee op de kansel toe die u de wet (!) voorhoudt hoe de liturgie eruit zal uitzien. Wij hebben al meegemaakt dat een dominee de NBV niet wilde gebruiken op de kansel, al bepaalde de kerkenraad dat deze vertaling in de erediensten gebruikt zou worden. Erg mild was het van deze kerkenraad om de eigen predikant daarin tegemoet te komen. Heel juist was het van andere kerkenraden om de betreffende predikant niet meer uit te nodigden. Dominocratie is een niet te onderschatten vorm van overheersing, vooral als de predikant dan ook nog een beroep op z’n eigen geweten doet.

 3.10  Het gebed

 In de vierde plaats: het gebed. Wij kennen dat in de gewone kerkdienst op vooral twee momenten. Allereerst belijden wij onze schuld en vragen om vergeving. Na de preek volgt dan het ‘lange gebed’, om het populair aan te duiden, waarin de lof op God, de dankbaarheid voor wat Hij aan de gemeente in allerlei opzichten geschonken heeft en het gebed om uitredding uit allerlei moeiten hun plaats hebben.
Het is gewenst dat wij aan deze twee gebeden hun eigen plaats geven en ze niet door elkaar halen, zoals in de praktijk m.i. vaak gebeurt. Wie met mij gelooft dat het nadenken over onze zonden en het vragen van vergeving van groot belang is om aan de diensten ‘gewicht en verhevenheid’ te geven, moet niet twee regels aan zondebelijdenis en vergeving wijden, om daarna dan meteen te bidden voor br. A en zr. B die blijde of droeve dingen hebben meegemaakt. Ik herhaal wat ik in 2001 geschreven heb: de predikant weet, als hij zichzelf en zijn gemeente kent, hoe zondig en oppervlakkig het zogenaamde christelijke leven in de gemeente vaak is. Hij beseft dat de gemeente op zondag samenkomt voor het aangezicht van de heilige God. Het is niet vanzelfsprekend dat wij met God samen kunnen komen in een kerkdienst. Een predikant die onmiddellijk na de voorlezing van de Tien Geboden gaat danken voor de vergeving die we in Christus hebben, neemt m.i. niet de goede orde in acht. Wij moeten de tijd nemen onze schuld te belijden en daarvoor vergeving te vragen. God heeft ons zojuist gegroet, wij melden ons in alle nederigheid als zondaars die om vergeving vragen.

 Naast het gebed als schuldbelijdenis komt na de preek het ‘lange gebed’. Ook daarover heb ik in 2001 het een en ander verteld wat mij in eigen praktijk en bij het beluisteren van andere predikanten geregeld opvalt. Achter in ons Gereformeerd Kerkboek staat een reeks onderwerpen waaraan in het gebed aandacht kan (moet) worden gegeven: aan de verbreiding van het evangelie, de doorwerking ervan, overheid en strijdkrachten, de vervolgde kerk, hen die in moeite verkeren, gezin en arbeid. Hoe gemakkelijk gaat het gebed van de voorganger mank aan eenzijdigheid. Het mist nooit dat wij het Wilhelmus zingen na de verjaardag van onze koningin, maar ik maak het niet vaak mee dat voor haar en haar ministers gebeden wordt.
Veel gebeden zijn bijna uitsluitend op de eigen gemeente gericht en weinig op wat er zich daarbuiten ‘tot aan de einden der aarde’ afspeelt.
Daarom zijn sommige gebeden eigenlijk ook weer veel te lang. Predikanten herhalen vaak en delen in het gebed vaak dingen mee die eigenlijk niet voor God, maar voor de gemeente bestemd zijn. God krijgt nogal eens de samenvatting van de preek te horen. Wij vertellen Hem dan waarom het leerstuk van de verlossing van onze zonden of dat van onze verkiezing zo gewichtig is. God krijgt onderricht. De beste gebeden zijn die waarop we ons voorbereid hebben. Dan houden we ook gemakkelijker preek en gebed gescheiden.
Als ik hier kritiek oefen, dan denk ik allereerst aan mezelf en aan de moeite die het aan alle predikanten geeft om in de kerk goed te bidden. Dan zwijgen we maar over onze gebeden thuis! Jezus heeft ons het bidden geleerd, maar ook hier blijft gebedsoefening in de leerschool van de heilige Geest nodig.

 3.11. Gebedsgenezing

 De laatste jaren is binnen de GKv ook het onderwerp gebedsgenezing weer aan de orde geweest. Ik schrijf: weer aan de orde geweest, want er zijn onderwerpen die met enige regelmaat verschijnen en dan na korte tijd weer verdwijnen. Zo beschouw ik ook het onderwerp ‘gebedsgenezing’. Komt het aan de orde, dan krijgt de gevestigde kerk er weer van langs. Zij zou door ongeloof in de kracht van het gebed geen gebedsgenezing kennen. Hoe groot de belangstelling kan zijn, bleek ons uit de meer dan duizend aanmeldingen voor dit onderwerp op onze Bijbelcursus te Zwolle en Rotterdam. De bekende extreme opvattingen keren altijd weer terug: wij hoeven niet meer ziek te zijn, omdat Jezus Christus onze ziekten op zich genomen heeft; als je niet geneest, komt dat niet door je kwaal, maar door je ongeloof; ziekte komt van de duivel, want God wil de ziekte niet.
Een bijzondere vorm van gebedsgenezing vinden we in de opvatting dat de christelijke kerk tot taak zou hebben demonen uit te drijven en gemeenteleden van hun bezetenheid te bevrijden. Vooral Adrian Verbree heeft op de genoemde Bijbelcursus gewaarschuwd om geen geloof te hechten aan dwaze opvattingen alsof ook het nageslacht nog gebonden zou zijn door de demonen, die grootouders in hun greep hadden gekregen (Derek Prince e.a.). Voor zover mij bekend krijgen dergelijke opvattingen binnen onze kerkdiensten geen voet aan de grond. Maar in kleine kringen daarbuiten kunnen ze leden van de kerk wel degelijk in verwarring brengen.
Wat blijft gelden, is de noodzaak van het gebed en het geloof in de kracht ervan, ook als we bidden voor onze zieken. Bijzondere genezingen, waarover hoog wordt opgegeven, benemen ons gemakkelijk het zicht op de vele ‘gewone genezingen’, waarvoor de gelovigen de voorbede vragen en in geval van genezing samen met de gemeente God danken.

 3.12. Lied en muziek

 De Psalmberijming die wij in de kerkdiensten gebruiken, heeft lang op zich laten wachten, maar de invoering ervan gaf geen problemen. Sneller ging het nog met de invoering van de Nieuwe Bijbelvertaling uit 2004, al ging het wel erg snel en worden de gebreken van de NBV steeds duidelijker zichtbaar.
M
aar op de uitbreiding van het aantal gezangen en liederen kwam veel meer kritiek. Vanaf 1996 is er gewerkt aan de uitbreiding van het aantal gezangen. Zo werd een groot deel van het Liedboek voor de Kerken vrijgegeven voor gebruik in onze diensten. Daarnaast kwamen tal van oude een nieuwe liederen in het Gereformeerd Kerkboek (afgekort: GKB) terecht, afkomstig zowel van dichters en musici uit eigen kerken, alsook uit allerlei liederenbundels, voor klein en groot.
Het is jammer dat er veel goede wil, maar weinig besluitvaardigheid en belijndheid is, die nodig zijn om tot een verantwoorde selectie te komen van liederen voor ons Gereformeerd Kerkboek. Dat blijkt m.i. al uit de keuze die we nu in het bestaande Kerkboek hebben gemaakt. Ik wijs op het volgende liedje over Mozes:

‘Klein, klein kindje, je leven loopt gevaar.
 Ik maak een biezen mandje en morgen is het klaar’ (GKB no.5).

 Ik heb tegen de kinderliedjes van Hanna Lam geen bezwaar, maar m.i. moeten we zulke liedjes geen plaats geven binnen de ‘liturgische context’ van onze kerkdiensten, zoals nu is gebeurd. Werken we aan een eigen Kerkboek, dan gaat het om liederen die de hele gemeente moet kunnen zingen. Een kinderliedje is geschikt voor kinderen in de crèche, of in een speciale dienst voor kinderen, maar niet voor een plaats in het GKB. Wie tegenwerpt dat het kind toch ook bij de kerk hoort, heeft natuurlijk gelijk. Maar daarom hoeft de gemeente in haar gewone bijeenkomsten nog geen kinderliedjes te zingen.

 3.13. Opwekkingsliederen

 De drukte rond de zgn. Opwekkingsliederen, waarover we kunnen lezen in de Acta van de generale synode van Zwolle Zuid (2008), onthult een andere zwakheid. We weten dat die liederen afkomstig zijn uit de Pinksterbeweging. Ieder jaar, zo lees ik via Wikipedia, worden er geregeld nieuwe liederen gepresenteerd op de conferenties van de Pinksterbeweging. Wikipedia constateert dat er twee bezwaren tegen dit soort liederen worden ingebracht:
1) de tekst is te eenvoudig, niet statig genoeg.
2) de liederen zijn eenzijdig, God wordt vooral geprezen, maar er zijn te weinig nummers die gaan over twijfel, angst of gebed, en er is teveel snelle emotie.
Ook op de synode van Zwolle-Zuid wist men van de ‘charismatische’ achtergrond van dit soort liederen. Ik lees dat afgevaardigden in die liederen te weinig schuldbelijdenis en verzoening door voldoening vinden. En dat men bij selectie alert moet zijn op liederen waarin de mens met zijn vroomheid in het middelpunt staat of remonstrantse invloeden zichtbaar worden. Soms lijkt het ook dat de gelovigen de overwinning vóór de jongste dag al in handen hebben. De presentatie is sterk op emotie gericht. Al zingend kom je in een behaalde stemming, een soort trance.
Lees ik dit, dan zou ik zeggen: waarom moeten we uit dergelijke bundels selecteren voor ons eigen GKB? Wij hoeven toch geen liederen te lenen van verre kerkelijke buren? Ik neem direct aan dat van de inhoud van tal van Opwekkingsliederen niet geldt dat zij woordelijk met de Schrift in conflict komen. Maar als het klimaat van dergelijke liederen meer de sfeer van de Pinksterkerken oproept dan die van de gereformeerde kerken, waarom moeten we er dan in het GKB plaats voor inruimen? Ik besef best dat er lang over Opwekkingsliederen op de synode gesproken is, omdat intussen al velen in de kerken naast de Psalmen ook zulke gezangen willen hebben. Waarom mogen wij ook niet uit ons dak gaan, onze emoties de vrije loop laten en van een dienst een happening maken?! Mijn antwoord: omdat we een gereformeerd kerkboek moeten hebben waarin de GKv zich gemeenschappelijk kunnen herkennen. Tot die gemeenschappelijkheid reken ik de Opwekkingsliederen niet.
Als het echter niet lukt daar een stop op te zetten, zou  ik ervoor zijn in het GKB zelf alle bijzondere liederen, zoals het kinderlied en het Opwekkingslied, een aparte plaats te geven naast de psalmen en gezangen die wij in de gewone diensten blijven zingen.
Over enige tijd zal blijken hoe het nieuwe GKB er ongeveer uit gaat zien. Maar dan zijn we er nog niet, omdat er ook een nieuw Liedboek voor de Kerken onderweg is. En daaruit zullen wij wel opnieuw moeten gaan selecteren. Onze deputaten zullen naar verwachting de generale synode van de GKv in 2014 (!) voorstellen kunnen doen over een eventuele selectie uit deze nieuwe PKN-bundel.
Er is veel geduld nodig. Wij wensen deputaten en synodes alle wijsheid toe om tot een vernieuwd gereformeerd kerkboek te komen.

 3.14. Muzikale begeleiding

 Lang zal ik niet stilstaan bij de muzikale begeleiding van psalmen, gezangen en liederen. Ook daarin is veel verandering gekomen. Twee opmerkingen zou ik willen maken.
De eerste opmerking: in tal van diensten is het een verrijking wanneer meer instrumenten kunnen worden ingezet dan het orgel alleen. Het past mij niet bepaalde instrumenten daarvan uit te sluiten. Maar als in aangepaste of gewone diensten het geluidsvolume zo wordt opgeschroefd, dat het moeilijk valt ervan te genieten, zal zoiets de gemeente niet opbouwen. Gelukkig zijn er ook aangepaste diensten waarin woord en begeleiding heel goed samengaan.
De tweede opmerking: alles hoeft bij ons niet te kunnen wat elders in de wereld wèl kan in een kerkdienst. Zelfs uit de oudtestamentische wereld hoeven we niet alles over te nemen. Met een beroep op Psalm 150 is nog niet beslecht dat ook wij de reidans moeten invoeren. Wij geven in onze hoek van de wereld een andere expressie aan gevoelens dan men het in Afrika doet. De beslissende vraag is  of wij nog met hart en ziel onze liederen zingen. Het prijzen en loven, klagen en schuld belijden is overal ter wereld in oude en nieuwe liederen mogelijk. Vanaf Calvijn tot heden kennen wij een traditie die zich door ‘gewicht en verhevenheid’ gekenmerkt heeft. Die traditie moeten wij voortzetten.

Reacties zijn gesloten.