Het verstaan van de schriften

2.1. Inleiding

 Door met dit onderwerp te beginnen, besef ik dat ik van de lezers enige extra inspanning vraag. Zou ik beginnen met het thema van het volgende hoofdstuk (de kerkdienst), dan lag het voor ieder gemakkelijker. Maar ik zal mijn best doen de moeilijkste onderdelen van dit eerste hoofdstuk zo helder mogelijk uit te leggen.

 2.2. Studiedagen

 In februari en maart 2010 werden in Kampen aan onze Theologische Universiteit enkele studiedagen gehouden onder het thema ‘De kracht van Gods Woord’. De aanleiding om dit thema aan de orde te stellen was het rumoer dat in 2009 binnen de GKv ontstond over de benoeming van dr. S. Paas aan de Theologische Universiteit. Zijn  dissertatie uit 1989, onder de titel Schepping en oordeel, werd door een aantal predikanten en ook door mijzelf als Schriftkritisch bestempeld.
In een contact dat drs. Adrian Verbree en ik met Kampen hadden, werd ons toegezegd dat er een verklaring over deze zaak zou komen. Voor ons hoefde het in die verklaring niet te gaan over de persoon van dr. Paas. De rust zou wat ons betreft weer terugkeren wanneer de universiteit duidelijk liet weten waar zij staat als het over de betrouwbaarheid van de Schrift gaat. Er was discussie gekomen over de vraag of we gebeurtenissen zoals de uittocht van het volk Israël uit Egypte en de intocht in Kanaän als historisch (en dus echt gebeurd) moeten opvatten, ja of nee. Wanneer via een ‘statement’ van de Theologische Universiteit duidelijk zou worden dat Schriftkritische opvattingen aan onze universiteit niet worden geduld, zou onze zorg zijn weggenomen.
Zo schreven wij op 28 april 2009 naar rector en secretaris van de Theologische Universiteit (verder afgekort als TU).
Maar… een dergelijke verklaring kwam er niet. Wel werden er door de TU een aantal studiedagen georganiseerd. Ds. Niemeijer, voorzitter van de Raad van Toezicht van de TU, kondigde in De Reformatie van 27 juni 2009 aan, dat  ‘Kampen’ op deze studiedagen zou laten zien ‘waar de universiteit in het hedendaagse Bijbelonderzoek mee bezig is en waar zij als gereformeerde instelling voor staat’. Hij voegde daaraan toe dat het over méér zou gaan dan alleen over de kwestie-Paas. Dat laatste vonden wij heel begrijpelijk.

 2.3. Een vertrouwd geluid

 Wat leverden die studiedagen op? Uiteraard trok allereerst het betoog van de Kamper oudtestamenticus onze aandacht. Hij gaf in zijn toespraak antwoord op de vraag ‘hoe een gereformeerd mens het Oude Testament leest in een rationele, kritische cultuur’. Kwakkels antwoord daarop was helder. Wat in de Heilige Schrift geschreven staat, moet je gelovig aanvaarden, zonder kritische opmerkingen te maken of vraagtekens te plaatsen, aldus Kwakkel. Dat is voor hem ‘heel in het kort’ de houding van ons, als gereformeerde gelovigen, tegenover de Heilige Schrift. Kwakkel beriep zich daarvoor op art. 7 van de Ned. Geloofsbelijdenis, waarin op het unieke gezag van de Heilige Schrift wordt gewezen. De Schriftkritiek doet echter het omgekeerde van wat in artikel 7 gevraagd wordt: ‘Kenmerkend voor Schriftkritiek is dat de canonieke boeken van de Bijbel wèl op één lijn gezet worden met menselijke geschriften….Net als in alle menselijke geschriften kunnen er dan in de Bijbel onjuiste en onware dingen geleerd worden, die je niet hoeft te accepteren’. Je kunt de Bijbel misschien nog wel een heel bijzonder boek vinden, maar uiteindelijk is de Bijbel op Schriftkritisch standpunt net zo feilbaar als alle andere geschriften.

 2.4. In de lijn van Assen-1926

 Terwijl Kwakkel ‘alles gelooft wat de canonieke boeken bevatten’ (art. 5 NGB), wijst hij er wel op dat de volgende vraag gewettigd is: wat bevatten die boeken dan? Je mag vragen naar de werkelijke bedoeling van teksten. Schriftwoorden moeten worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met hun bedoeling. Zo had ook de synode van de Gereformeerde Kerken van Assen-1926, waar de kwestie-Geelkerken behandeld werd dat principe van de ‘bedoeling van de tekst’ hooggehouden.
Ik citeer hier even het bekendste onderdeel van de uitspraak van Assen-1926 in het conflict met dr. J. G. Geelkerken. Dit onderdeel zegt 

‘dat de boom der kennis des goeds en des kwaads, de slang en haar spreken, en de boom des levens naar de klaarblijkelijke bedoeling van het Schriftverhaal van Genesis 2 en 3 in eigenlijke of letterlijke zin zijn op te vatten, en dus zintuiglijk waarneembare werkelijkheden waren’.

 Kwakkel staat nog duidelijk achter de uitspraak van Assen-1926: ‘Dr. Geelkerken wilde op vage gronden de mogelijkheid openhouden dat bijvoorbeeld het spreken van de slang in Gen. 3 niet op een echt hoorbaar spreken zou slaan. De synode wees dat af, omdat wij overeenkomstig de klaarblijkelijke bedoeling van het Schriftverhaal van Genesis 2 en 3 de slang en haar spreken in eigenlijke zin moeten opvatten. De slang en dat spreken van de slang waren zintuiglijk waarneembaar en daarom moeten die slang en die sprekende slang letterlijk worden opgevat. 
De synode van Assen-1926 bracht dus de bedoeling van het Schriftverhaal in rekening. Dr. Geelkerken gaf opening aan Schriftkritiek, omdat hij – tegen de klaarblijkelijke bedoeling van de Bijbeltekst in – een andere opvatting verdedigde’. Aldus Kwakkel.

 2.5. Problemen

 Op deze wijze sloot Kwakkel zich aan bij de beslissing die door de Gereformeerde kerken in Nederland in 1926 genomen was en die door de GKv na de Vrijmaking niet herroepen werd. Herroepen werd de uitspraak van Assen-1926 wél door de synodaal-gereformeerde kerken in 1967. Zij stelden, zoals het toen heette, de uitspraak van Assen-1926 ‘terzijde’. Vooral prof. dr. C. Trimp is voor het recht van de uitspraak van Assen-1926 opgekomen in zijn publicatie Om de klaarheid der waarheid (1967). Ruim veertig jaar later doet ook Kwakkel dat dus nog.
Het zou onjuist zijn van Kwakkel te zeggen dat hij in zijn betoog geen oog heeft voor allerlei problemen die zich bij het vinden van de bedoeling van Bijbelse teksten voordoen. Wat ‘klaarblijkelijk’ is, maakt hij niet problematisch; maar wat problemen geeft, wuift hij niet gemakkelijk weg.

Ter illustratie geeft hij drie voorbeelden:
1) Genesis 1 en de schepping in zes dagen.
2) Zijn de hoofdstukken Jes. 40-66 afkomstig van de profeet Jesaja, of van een latere profeet van wie wij de naam niet kennen?
3) Hoe moeten we oordelen over het feit dat de boeken Samuël en Koningen aan de ene kant en het boek Kronieken aan de andere kant een bepaalde  geschiedenisperiode op verschillende manier vertellen?

In geen van de drie voorbeelden die Kwakkel bespreekt, komt hij tot de conclusie dat één uitleg tot toetssteen van orthodoxie verheven moet worden. Als hij over Jesaja schrijft, concludeert hij: ‘Laten we elkaar de ruimte gunnen, te meer omdat Jesaja 40-55 het Woord van God is, of het nu van Jesaja zelf afkomstig is of niet’. Ook met betrekking tot Genesis 1 stelt Kwakkel zich ruim op. Er zijn verschillende uitleggingen van dit hoofdstuk mogelijk, zonder dat de een de ander hierover moet veroordelen.

 2.6. Andere geluiden

 We kunnen dankbaar zijn voor deze bijdrage van prof. Kwakkel. Hij trekt de gereformeerde lijn van Kampen na de Vrijmaking volledig door. Toch zijn er naar aanleiding van Kwakkels bijdrage twee opmerkelijke dingen te vermelden.
Allereerst zou men verwacht hebben dat Kwakkel inging op de bezwaren die er in 2009 zijn ingebracht tegen de dissertatie van de nu aan Kampen verbonden docent dr. S. Paas. Ik heb al opgemerkt dat het ons als ‘bezwaarden’ in de verklaring die wij mochten verwachten, niet ging om dr. Paas zelf. Voor mijn part hoefde de naam Paas in de bijdrage van Kwakkel helemaal niet voor te komen. Maar de zaak van de historische betrouwbaarheid van de oudtestamentische geschiedschrijving was toch volop in geding gebracht door zeven predikanten uit de GKv en ook door mijzelf! Zelfs mensen van buiten de GKv, zoals de hoogleraar dr. E. Talstra aan de VU en dr. B. Loonstra uit Hoogeveen mengden zich in 2009 in de discussie. Kwakkel ging er in zijn bijdrage echter niet op in. 

Talstra en Loonstra schreven bepaald niet om mijn standpunt te steunen! Maar zij vroegen wel aan Kampen ‘de scherpe vragen van geloof, wetenschap en geschiedenis alvast in eigen huis te bespreken’ (Talstra) en ‘de moed te tonen over hermeneutische vragen in gesprek te gaan’ (Loonstra).

 Ook in andere bijdragen heb ik niets gemerkt van een bezinning op de discussie die in 2009 ontbrand was. Prof. dr. B. Kamphuis bv. sprak over de duidelijkheid van de Bijbel, als Woord van de Schepper, van Jezus Christus en van de Heilige Geest. Weer een andere docent hield een betoog waarin hij de hermeneutiek (d.w.z. de uitleg van de Bijbel) bestempelde als ‘missionair’ (dr. S. Paas).
Maar feitelijk is er op de drie studiedagen over de kwestie-Paas niet gesproken en bleef heel het onderwerp over de historische betrouwbaarheid van de oudtestamentische geschiedschrijving buiten beeld. Alle betogen die ik heb gelezen, waren de moeite van het lezen waard. Maar ze gingen niet over de zaak die tot het organiseren van de studiedagen had geleid.
Alleen dr. E.A. de Boer kwam in de buurt.  De Boer gaf een overzicht van allerlei zaken die met ‘onze’ kwestie te maken hadden: Hij vermeldde Assen-1926 over Geelkerken. Hij wees op de synode van Lunteren 1967, waar de synodaal-gereformeerde kerken Assen 1926 terzijde stelden. Hij noemde het rapport ‘God met ons’ van deze kerken (1980), etc.
De meest actuele vraag op dit moment is volgens De Boer: ‘hoever ga je als gereformeerd theoloog mee in het algemeen theologisch discours?’ Maar dat was nu juist ook de kwestie die wij aan de orde hadden gesteld! Hoe kun je als gereformeerd theoloog een dergelijke Schriftkritische studie schrijven of verdedigen als Paas had geschreven? Bovendien, moet je als Kampen wel meegaan in ‘het algemeen theologisch discours’? Of mogen we van Kampen vragen dat het zich bezint op een gereformeerde visie op de uitleg van de Bijbel, die helemaal niet geaccepteerd wordt in het klimaat van Schriftkritische opvattingen aan andere theologische opleidingen?

 2.7. Leeft Assen-1926 nog?

 Ik had het over twee opmerkelijke zaken, die mij opvielen bij de lezing van de bijdrage van prof. Kwakkel. Op de eerste heb ik al gewezen. Het bevreemdde mij dat de zaak-Paas helemaal niet aan de orde kwam bij Kwakkel. De tweede zaak die ik voor het voetlicht wil halen, is de vanzelfsprekendheid waarmee Kwakkel zich bij Assen-1926 aansluit, zoals tot in de titel van zijn toespraak blijkt. Wij hebben al gezien dat Kwakkel aan die titel duidelijk Assen-1926 verbond. Dat is prima.  De vraag mag echter gesteld worden of Assen-1926 nog leeft bij alle docenten in Kampen. Zo verscheen in 2001 onder redactie van George Harinck het boek De kwestie-Geelkerken. Deze publicatie is opgenomen in de Ad Chartas-reeks (no.5), een serie die wordt uitgegeven onder auspiciën van het Archief- en Documentatiecentrum van de GKv te Kampen. In dàt boek sloot geen van de acht schrijvers zich nog aan bij wat Assen-1926 had uitgesproken. Ook de beide vrijgemaakte schrijvers niet. De een (Harinck) ziet de beide partijen in de zaak-Geelkerken falen op wijsgerig terrein (a.w., 83). De ander (Van Bekkum) denkt er feitelijk net zo over (a.w., 102). In de literatuurlijstjes van De kwestie-Geelkerken komt zelfs de titel van Trimps publicatie niet eens voor. Het lijkt er in 2001 op dat de strijd die Assen-1926 destijds voerde, geen enkele actualiteit meer heeft. Het boekje De kwestie-Geelkerken is eigenlijk een nabeschouwing op een afgedankt Assen-1926.
Ook in het opstel Woord op schrift uit 2002 is door de huidige prof.dr. A. Th.L. de Bruijne over Assen-1926 geschreven. De Bruijne gaat beter in op Assen-1926 dan de beide vrijgemaakte schrijvers in De kwestie-Geelkerken. Maar mij is uit het betoog van De Bruijne niet duidelijk geworden, of wij Assen-1926 nu wel of niet kunnen handhaven. De Bruijne deed in 2002 een eerlijke poging om (ook) met exegetische argument zijn bezwaren tegen de redeneertrant van Assen-1926 te formuleren (a.w.,154vv;184).. Maar daarmee is hij er niet en ook de faculteit niet, die blijkbaar verdeeld is over Assen-1926. Het lijkt me toe dat van Kampen klaarheid mag worden gevraagd op dit punt, zodat we weten ‘waar het als gereformeerde instelling voor staat’ (Niemeijer).
Wie mocht menen dat we bezig zijn oude koeien uit de sloot te halen, vergist zich. Assen-1926, dat tot nu toe niet herroepen is in de GKv, vraagt om een keuze. De vraag over het al of niet betrouwbaar zijn van wat ons in de Bijbel als historisch wordt verhaald, hangt óók samen met Assen-1926. Terecht kon De Boer in zijn Radix-artikel uit 2003, pag. 158 zeggen, dat ‘Assen’ in de zeventiger en begin tachtiger jaren deel uitmaakte van de schering in het weefwerk van de opleiding, ook als de student zich dat niet bewust was!
Men zou door de bijdrage van Kwakkel kunnen denken dat dit nu nog het geval is. Maar we lezen ook andere dingen. En daarom opnieuw de vraag: waar staat Kampen als faculteit?
Die vraag zal nog luider worden als we een andere gebeurtenis onder de loep nemen.

 Ik heb het bovenstaande niet geschreven vanuit een opvatting alsof de uitspraak van Assen-1926 het einde van alle discussie moet betekenen. Maar wel om te vragen hoe serieus Assen-1926 thans nog wordt genomen. Het povere resultaat van de drie studiedagen tegen de achtergrond van de kritiek die is uitgebracht op de dissertatie van dr. Paas, maakt mijn vraag zinvol.
 Het lijkt mij niet juist te zeggen dat Kampen met de publicatie Woord en schrift in 2002 eigenlijk al op drift geraakt is. Uiteraard weet ik af van de kritiek die vanuit de kerken op de bijdrage van J.J.T. Doedens en vooral op die van De Bruijne is uitgebracht. Maar dat belet mij niet met name de bijdrage van De Bruijne van betekenis te vinden. Ik twijfel niet aan de gereformeerde overtuiging van een auteur die zó schrijft als De Bruijne het hier deed. Op diepborende wijze heeft hij voortdurend contact met het gereformeerde verleden, ziet tegelijk wat er vandaag aan de hand is op exegetisch en ethisch gebied, en zoekt dan naar nieuwe wegen, die aansluiten op het oude gereformeerde pad. In zijn schrijven is De Bruijne ook wendbaar. Hij kan bepaalde uitspraken in zijn opstel in Woord en schrift (2002) en in Omhoogkijken in platland (2006) terugnemen. Men leze de twee artikelen van De Bruijne in de Reformatie van 19 en 26 april 2008 om daarvan overtuigd te raken!
Wel houd ik ook na die beide artikelen mijn vragen, die op een antwoord wachten. En dat antwoord heeft alles te maken met de koers die Kampen gaat.

 2.8. Een opvallende dissertatie aan de Theol. Universiteit

 Op 18 maart 2010 promoveerde aan de Theologische Universiteit (Broederweg) Kampen   Koert van Bekkum. Zijn dissertatie is in het Engels gesteld en draagt als titel From Conquest to Coexistence. De studie gaat over Jozua 6,1 – 13,7 en behandelt  enkele hoofdstukken waarin het gaat over de verovering (Eng.:conquest) van het land Kanaän onder leiding van Jozua.
Een dissertatie van ruim 560 bladzijden, en dan ook nog in het Engels geschreven, zal niet door bar veel mensen gelezen worden. Zelfs niet door veel theologen. In mijn geval was mijn vriendschappelijke relatie met dr. van Bekkum de reden om van zijn studie uitvoerig kennis te nemen. We hebben nogal wat met elkaar te maken gehad via het Nederlands Dagblad. Zijn bekwaamheid als journalist en theoloog is mij bekend. Het feit dat Van Bekkum voor zijn proefschrift en de verdediging daarvan het predicaat cum laude ontving, onderstreept dat wij met een bekwame wetenschapper te maken hebben. Ik wist tegelijk van de andere koers die Van Bekkum in exegetisch opzicht vaart, als we hem vergelijken met die gereformeerde theologen die ons vroeger voorzien hebben van de ‘Korte verklaring der Heilige Schrift’. 

Ik zal de lezers niet vermoeien met de details van mijn mening over de dissertatie van Van Bekkum. Ik vind dat deze studie de aandacht van de theologen onder ons verdient. Mijn oordeel is kritisch. De bedoeling van deze website is echter niet dat men mij naspreekt, maar zelf gaat beoordelen in welk stadium wij ons als GKv bevinden. Dan vraag ik niet te veel dat men – als het over de visie op de Heilige Schrift gaat – ook kennisneemt van deze dissertatie. Natuurlijk vraag ik dat niet van de doorsnee lezer. Maar ik mag dat wel vragen aan de theologen onder ons, die moeten weten wat er op het ogenblik binnen de GKv aan de hand is.

 2.9. Rumoer over de dissertatie

 Het was  de schrijver Van Bekkum zelf die in een interview op 12 maart 2010 (in het Ned. Dagblad) voor rumoer zorgde. Hij verklaarde in dat interview waar het hem in zijn dissertatie om ging: ‘Jozua 9 tot 13 gaat over een historische gebeurtenis: de intocht in het land Kanaän. Maar het is ook een verhaal met een boodschap. De tekst zegt als het ware: dit is er gebeurd, en voor jou betekent dit dat. Wat is nu precies de verhouding tussen de boodschap en die verwijzing naar het verleden? Dat heb ik onderzocht.’
Uit het interview blijkt al dat dit verschil tussen ‘boodschap’ en ‘historie’ consequenties heeft. Neem het zonnewonder dat Joz. 10,12vv vertelt: ‘Zon, sta stil boven Gibeon, maan blijf staan boven de vlakte van Ajjalon, etc.’ Heeft dat wonder zo echt plaatsgevonden? Volgens Van Bekkum hoeft dat niet zo te zijn. Je moet letten op een literair gebruik uit die tijd. Een grote overwinning kon men samenballen tot een moment. Zo wordt de overwinning van Jozua op de koningen van het Zuiden samengeperst tot één dag. Dat is een manier van vertellen, die kennelijk niet de bedoeling heeft ons te laten geloven dat het ook echt zo gebeurd is.
Bovendien zei Van Bekkum in zijn interview, dat ‘het probleem van het zonnewonder’ een beleving van de hemellichamen veronderstelt die wij niet meer kennen. Zon en maan werden door de Israëlieten als personen opgevat, die bij de hemelse hofhouding hoorden en zo ingeschakeld werden in de strijd. 

2.10. Verschil onder de docenten

 Al gauw na de promotie zorgde de studie van Van Bekkum voor deining, tot onder de docenten in Kampen toe.
Buiten Kampen zag de een (ds. Rob Visser) geen enkele aanleiding om te twijfelen aan wat we in Joz. 10 lezen over een dag, die veel langer heeft geduurd dan onze gewone dagen. Hij keerde zich er tegen om het astronomisch wonder als een ‘verpakking’ van de geschiedschrijving van het Oude Nabije Oosten op te vatten (ND 23-3-10). De ander (ds. E.J. Hempenius) bekritiseerde Rob Visser, wilde van Schriftkritiek niet horen en had geen enkele moeite zich bij Van Bekkum aan te sluiten. Het was de HEER die Jozua de overwinning gaf. ‘Dat is toch het feit in de geschiedenis dat verteld wordt en niet allereerst het ‘feit’ van het astronomische wonder?’ (ND van 27-3-10).
Intussen had ook zijn promotor prof. Kwakkel zijn leerling publiek verdedigd. In het ND van 25-3-2009 wilde hij de gemoederen tot bedaren brengen door de lezers van Van Bekkums proefschrift zelf te laten beslissen. Heeft Van Bekkum aannemelijk gemaakt ‘dat de oorspronkelijke lezers het zo hebben opgevat als hij denkt? Als dat het geval is, kunnen wij er dankbaar van kennis nemen. Als dat niet het geval is, mag hij samen met anderen de zoektocht naar betere oplossingen voortzetten’.
Wat minder onbekommerd namen twee van zijn collega’s de zaak op. De docenten dr. Erik de Boer en dr. Rob van Houwelingen klommen in de pen in De Reformatie van 9-4-10 om het interpretatievoorstel van Van Bekkum op exegetische gronden af te wijzen. De overwinning in Joz. 10 vond plaats op een historische dag, waarop de HEER het concrete gebed van Jozua verhoorde om zon en maan stil te laten staan. De beide docenten bestreden ook de opvatting alsof zon en maan in de Bijbel als personen werden opgevat.
Dat er iets belangrijks aan de hand is, blijkt uit het feit dat de promotor van Van Bekkum het nodig vond publiek voor zijn leerling in de bres te springen. Ik kan me niet herinneren dat zoiets eerder gebeurd is, kort na een Kamper promotie. Misschien nog opvallender is het dat twee andere docenten zich ook genoodzaakt zagen naar de pen te grijpen, maar nu niet om Van Bekkum en zijn promotor bij te vallen, maar beiden te bestrijden. De verschillen in Kampen, die ik al constateerde, worden openbaar. Ik denk dat de aard van dit verschil in het vroegere Kampen tot onderling overleg tussen de docenten en tot het afleggen van rekenschap tegenover de kerkelijke achterban zou hebben geleid, Nu krijg ik de indruk krijg dat alles gewoon doorgaat. Een kleine rimpeling, meer niet.

 2.11. Het zonnewonder

 Laat ik voordat ik mijn kritiek op de dissertatie van Van Bekkum vermeld, nog zeggen dat ik zowel met hem als met zijn promotor prof. Kwakkel over mijn kritiek gesproken heb. Met Van Bekkum zelfs zeer uitvoerig, nadat ik hem mijn mening had toegezonden. 
Het bevreemdt mij dat prof. Kwakkel, die wij eerder hebben leren kennen als een docent die in de lijn van Assen-1926 wil werken, nu zo luchtig over Van Bekkums uitleg van het zonnewonder kan schrijven. Geelkerken gaf opening aan Schriftkritiek, omdat hij tegen de klaarblijkelijke bedoeling van de Bijbeltekst in een andere opvatting verdedigde, aldus Kwakkel. Maar nu neemt Kwakkel het op voor een leerling die iets soortgelijks als Geelkerken doet. Is er nl. iets in de tekst van Joz. 10 dat ons op het spoor zet om een andere dan een letterlijke opvatting van het zonnewonder te verdedigen? Nee, dat ‘iets’ is er m.i. niet en daarom heeft Van Bekkum ook iets anders nodig om zijn mening overeind te houden.
Het is te waarderen dat Van Bekkum de grootheid van het werk van Jahwe wil onderstrepen. Maar we kunnen geen hoera roepen over God die zich van zijn vijanden ontdoet om vervolgens de manier waarop Hij dat doet in twijfel te trekken. Dan komen we op het spoor van: ‘het staat er wel, maar zo hoeft het niet gebeurd te zijn’. We redeneren dan als ds. Hempenius, die verklaarde dat het echte feit bestaat uit de overwinning die Jahwe aan Jozua gaf en niet allereerst het ‘feit’ (let op de aanhalingstekens!) van een astronomisch wonder. Ik antwoord daarop dat ons  in Joz. 10 niet alleen verteld wordt dat de HEER Jozua de overwinning geeft, maar ook hoe Hij dat heeft gedaan, o.a. door met hagelstenen te gooien en het daglicht te verlengen. Het feit van Gods macht blijkt uit zijn wondermacht.  Wie geeft mij het recht over Gods overwinning te jubelen, maar achter de manier waarop Hij zijn grootheid toont, vraagtekens te zetten? Je kunt zo’n redenering op ik weet niet hoeveel zaken toepassen. Als de boodschap van Jezus’ wandelen over het water van het meer ons ‘allereerst’ komt duidelijk maken dat Hij ons in nood en stormgetij altijd bijstaat, dan kun je het wonder van Jezus’ lopen over het water evengoed in twijfel trekken. Maar wie geeft ons het recht over een andere betekenis te spreken als de tekst daartoe geen enkele aanleiding geeft?
Vroeger heeft men in de gereformeerde kerken het feit eenvoudig als feit aanvaard, zonder het tussen aanhalingstekens te zetten. Ik denk aan H. Bavinck: ‘Ook wij zouden thans dezelfde verschijnselen op dezelfde wijze uitdrukken (J.D.: stilstaan, etc.); de Schrift verhaalt het wonder als feit, zij zegt niet op welke wijze het tot stand kwam (Gereformeerde Dogmatiek II,446).

 2.12. Wat is de gereformeerde grondhouding?

 Naar mijn oordeel houdt het nieuwe lezen van de historische gedeelten in het Oude Testament, zoals ik dat bij Van Bekkum aantref, een breuk in met wat Kampen-Broederweg aan exegese heeft geleverd. Nu weet ik dat verandering en zelfs een breuk beoordeeld moeten worden op haar eigen merites. Maar in z’n grondhouding aanvaardde Kampen-Broederweg de beschrijving van verhalen in de Schrift als historisch betrouwbaar. En dat op grond van wat de Schrift over zichzelf zegt. Zij laat geen eigenmachtige uitleg toe, omdat nooit een profetie is voortgekomen uit menselijk initiatief. Mensen die namens God spraken, werden daartoe altijd gedreven door de Heilige Geest (2 Petr.1,20v; vgl. art. 3-7 NGB).
Van Bekkum is veel kritischer dan de Kamper oudtestamentische exegeten tot nu toe waren, als het gaat over de historiciteit van wat in het boek Jozua beschreven wordt. Hij wijst, evenals de huidige Schriftkritische uitleggers van het boek Jozua, eerst op het kunstig karakter van de verhalen die in het boek verteld worden. Het verschil is dan dat de Schriftkritische uitleggers over het historische karakter van die verhalen hun schouders ophalen. Vragen naar het ‘historische’, het waar gebeurde, vinden velen van hen nauwelijks van enige waarde. Bij Van Bekkum is het anders. Hij houdt heel wat historie over. Maar intussen aanvaardt hij wel kritische methoden die hem naar mijn overtuiging van de oude lijn van Kampen-Broederweg vervreemden.
Moeten we werkelijk met Van Bekkum tegen de verhalen in Jozua en andere Bijbelboeken primair aankijken als kunstwerken, of zijn het historische teksten die we als zodanig aanvaarden, ook al zijn ze in nog zo’n kunstig kleed gestoken? Van het kunstig karakter wisten ook de gereformeerde uitleggers uit vroeger tijd wel het een en ander. Maar dat leidde niet tot vermindering van het historisch gehalte van de teksten. De kunstige verhalen waren voor hen tegelijk ware verhalen. Bij Van Bekkum krijg ik de indruk dat analyse van het kunstig karakter verlies aan historisch gehalte meebrengt. Zijn uitleg van het zonnewonder is daarvoor m.i. symptomatisch. 

2.13. Gaat het over Jozua’s tijd of over die van David?

 We stuiten in de dissertatie van Van Bekkum op meer gebeurtenissen uit het boek Jozua die we volgens hem niet als feiten uit de tijd van Jozua kunnen aanvaarden. Neem de kaart die ons van Israël in het boek Jozua geboden wordt. Ieder die het boek Jozua doorbladert, weet dat daarin tal van plaatsen genoemd worden waar Jozua overwinningen geboekt heeft. Opvallend is de stelligheid waarmee Van Bekkum meent te kunnen zeggen dat Jozua met zijn leger in verschillende plaatsen niet geweest kan zijn, ook al zeggen de teksten van wel. Jozua is niet in Kades Barnea geweest (contra Joz. 10,41), ook niet in  Baäl-Gad (contra Joz. 11,17; 12,7;13,5) en evenmin in Misrefot-Maim (contra Joz. 11,8). Hoe komt van Bekkum daar bij? Wel, wat hier staat, is volgens hem pas werkelijkheid geworden in de tijd van David. De schrijvers van het boek uit de tijd van David geven een terugblik op de tijd van Jozua en zetten op zijn naam wat pas later historie zal worden. Een anachronisme noemt Van Bekkum dat, d.w.z. gebeurtenissen die pas onder David plaatsvonden, worden door de schrijver(s) van het boek Jozua in een vroegere tijd (die van Jozua) geplaatst.
Van Bekkum is hier heel stellig. Volgens hem claimt Joz. 9,1 – 13,7 dat Jahwe zijn belofte over het land Kanaän definitief vervult door David als zijn koning te verkiezen. Nu kan niemand er bezwaar tegen hebben dat wij David ter sprake brengen als we verder kijken dan Jozua. Maar dat is nog geen reden om dat wat op naam van Jozua staat, over te hevelen naar David! Waar vind ik trouwens in het boek Jozua de ‘claim’ die David tot de echte hoofdfiguur van het boek Jozua maakt? Ik lees dat nergens. En als het nergens staat, leest Van Bekkum deze claim er in. 

2.14. Geef rekenschap!

 Men kan mij vragen of ik soms tegen veranderingen in exegeses e.d. ben. Houd ik mij niet krampachtig bezig met kleinigheden? Denk ik soms dat alles dan zo vaststaat dat we – bij wijze van spreken – na de Korte Verklaring het eindpunt van de gereformeerde exegese wel bereikt hebben? Nee, dat denk ik niet.
Moet ik mij dan niet opstellen zoals prof. Kwakkel dat doet? Hij zegt eigenlijk dat, als een nieuwe exegese niet klopt, we gewoon onze zoektocht naar betere oplossingen moeten voortzetten!
Ik zou graag willen dat het hier zo lag. Maar zo ligt het niet, ook voor Kwakkel niet. Hij doceert aan een gereformeerde opleiding waaraan ook ik gewerkt heb. En hij weet, dat gereformeerde exegese iets anders is dan Schriftkritische exegese. Ik wijs daarvoor weer even op zijn lezing tijdens de drie studiedagen (zie onder 2.2) Hij weet ook dat het verschil vooral te maken heeft met de vraag of iets gebeurd is zoals de Bijbel het ons vertelt of niet. Hij weet evenals ik dat wat Van Bekkum over het zonnewonder geschreven heeft, nog nooit eerder beweerd is aan onze TU. Hij kan net zo min als ik een gereformeerde uitlegger vinden die op naam van David heeft gezet wat de schrijver van het boek Jozua als overwinningen van Jozua heeft te boek gesteld.
Laten we even aannemen dat ik de plank missla, en dat de dissertatie van Van Bekkum keurig aansluit bij wat we in Kampen exegetisch altijd gedaan hebben, dan zou ik toch luid vanaf de vrijgemaakte daken blijven roepen: geef rekenschap van uw standpunt, dat voor mij en voor zoveel anderen een onbegrijpelijke wending in Kampen betekent!

 2.15. Het vroegere Kampen

 Mijn aandacht verschuift nu van het onderwijs aan de Theologische Universiteit te Kampen (TU) naar het instituut zelf. Want als het over veranderingen binnen de GKv gaat, is in die veranderingen ook Kampen betrokken als instituut voor ‘de wetenschappelijke vorming tot dienaar van het Woord’. Deze constatering licht ik eerst toe.
De band tussen Kampen en de predikantsopleiding van de Gereformeerde Kerken dateert vanaf 1854. Toen met de Vrijmaking van 1944 de predikantsopleiding nieuw moest worden georganiseerd, was de keuze niet moeilijk. De GKv zetten hun theologische opleiding onder leiding van de beide geschorste hoogleraren K. Schilder en S. Greijdanus voort te Kampen. Naast het daar bestaande instituut Oudestraat 6, dat – samen met de theologische opleiding aan de Vrije Universiteit – in handen bleef van de Gereformeerde Kerken (synodaal). De GKv vestigden hun opleiding aan Broederweg 15 te Kampen.
De band van de kerken aan haar Hogeschool bleek heel sterk. De zgn. Schooldagen trokken jaren lang meer dan tienduizend bezoekers. Het geld voor de nieuwe opleiding kwam zonder enige moeite binnen. Aan het wetenschappelijk karakter van het onderwijs hoefde niet getwijfeld te worden. Onze opleiding verkreeg het recht om de doctorstitel te verlenen en ontving in 1975 ook de aanwijzing (‘erkenning’) van de overheid als instelling van wetenschappelijk theologisch onderwijs. In 1987 veranderde de synode van Spakenburg-Noord de naam ‘hogeschool’ in ‘universiteit’.
Ondanks de mogelijkheid om financiële overheidssteun te ontvangen, zoals andere erkende theologische opleidingen die kregen, deden de kerken zo’n verzoek niet. Heel vroeger, vóór 1860, was daar wel anders over gedacht. De Afgescheidenen eisten van de overheid gelijke rechten als voor de predikanten van de Nederlandse Hervormde Kerk. Waarom zouden die wel financiële steun ontvangen en zij niet?! Steun van de overheid aan kerken werd nog als heel normaal beschouwd. Hadden de koningen der aarde niet tot taak ‘voedsterheren’ (verzorgers) van de kerk te zijn, overeenkomstig Jes. 49, 23?!
Maar na 1860 dachten de Afgescheidenen er anders over, daartoe aangemoedigd door Schotse afgevaardigden op de synode van Hoogeveen-1860. Zij bonden de Afgescheidenen op het hart in hun eigen onderhoud te voorzien, zonder ondersteuning van de staat te vragen. In het bewaren van uw onafhankelijkheid, aldus deze Schotten, bestaat uw behoud, uw geluk en uw waardigheid. Het is uw levensbeginsel!
Dit nieuwe standpunt werd ook verdedigd door Groen van Prinsterer. De financiële band tussen de overheid en de kerken moest helemaal doorgesneden worden. Gelijke monniken, gelijke kappen! De Afgescheiden kerken behoorden zich financieel zelf te redden, de andere kerken ook. De Afgescheiden kerken bleken daartoe ook in staat, precies als de Schotten, met een beroep op de onderlinge liefde. Waar liefde is, ontbreekt de gulheid niet. Niet alleen de plaatselijke dominee, ook de docenten in Kampen hadden te eten. Jes. 49,23 verdween in deze kwestie uit het gezicht, Gal. 6,6 kwam ervoor in de plaats: zij die (in het evangelie) onderwezen worden, moeten het goede met hun leermeesters delen.

 2.16. Nu wel subsidie

 Maar… op 17 juni 2005 besloot de generale synode van Amersfoort-Centrum om toch overheidssteun te vragen, al was het voor slechts 50%. Het moest een eer blijven voor de kerken de TU financieel te onderhouden, zo werd gedacht. Daarom dus geen 100% ondersteuning!
Deze wending om nu wel (gedeeltelijk) subsidie te vragen, was m.i. een historische gebeurtenis. Ik heb in het Ned. Dagblad van 9 juli 2005 deze beslissing betreurd. Zeker, teksten uit de Bijbel zal ik niet aanvoeren tegen het besluit uit 2005. Maar ik vond nog altijd het oude argument van groot belang. Voor de vrije verdediging van de gereformeerde religie moet een theologische opleiding tot predikant niet door een ‘zilveren koord’ aan de overheid verbonden zijn. En volgens mij lagen er in de Nederlandse situatie van 2005 zelfs meer voetangels en klemmen om overheidssubsidie te aanvaarden dan in vroeger jaren. Het huidige geestelijke klimaat in ons land verdraagt zich steeds slechter met de vrijheid van de gereformeerde religie. Zo langzamerhand mag in ons land ieder geloven wat hij wil, als hij het maar in de binnenkamer doet. Treedt de christelijke burger naar buiten, dan heeft hij zich te houden aan de wetten van het land, ook als die verbieden om op gesubsidieerde instellingen enig verschil tussen man en vrouw te maken en de homoseksuele leefwijze te veroordelen.
Voor Kampen kan dit gaan betekenen dat ook vrouwen moeten worden opgeleid tot predikante. Ook is het niet denkbeeldig dat wij aan de poort van de TU de ene student die er aanklopt moeten accepteren precies als de andere. Want discrimineren én tegelijk geld van de overheid ontvangen voor je instituut, gaat niet samen. Het antidiscriminatie-beginsel weegt zwaarder dan vrijheid van religie, voor steeds meer Nederlanders.
Laat het duidelijk zijn dat ik ‘onderscheid maken’ wat anders vind dan ‘discrimineren’. Wie op grond van zijn gereformeerde overtuiging geen vrouwen opleidt tot predikante en ook niet ieder accepteert die zich als student wil laten inschrijven, maakt zeker onderscheid. Maar daarmee discrimineert hij nog niet. Alleen, dat kan ik wel vinden, maar voor het ontvangen van subsidie beslist de overheid. We leven in een democratisch land, en daarin beslist de meerderheid. Het lijkt me daarom reëel de beslissing om zich door de overheid voor zijn kerkelijke theologische opleiding te laten subsidiëren, een riskante onderneming te noemen. 

2.17. De Kamper universiteit wordt meer dan een predikantenopleiding

 Naast de Tweede heeft inmiddels ook de Eerste Kamer haar goedkeuring aan de financiering van onze Universiteit gegeven. Zouden we deze subsidie nog terug kunnen draaien? Dat zal moeilijk gaan, omdat de universiteit sinds de synode van 2005 al weer een hele ontwikkeling heeft doorgemaakt.  De bestuursstructuur is aangepast, zoals nodig was voor een door het rijk gesubsidieerde theologische universiteit. De plannen om Kampen uit te bouwen tot een theologische opleiding, die aan de moderne eisen moet zijn aangepast, zijn al voor een deel uitgewerkt. Het moet een universiteit zijn binnen de huidige landelijke kaders van onderwijs, onderzoek en dienstverlening.
Op de synode van Zwolle-Zuid 2008-2009 werd de vernieuwde TU te Kampen al gepresenteerd bij monde van de toenmalige rector prof. De Ruijter. Hij liet zien dat het onderwijs meer in markttermen is gaan denken. De student is consument geworden en moet over keuzemogelijkheden beschikken. Kampen moet zich in de markt zetten en kunnen concurreren met andere instellingen. We moeten aantrekkelijke producten bieden.
In diezelfde toespraak meldde De Ruijter dat de theologie als zelfstandige wetenschap op z’n retour is. De theologie is tegenwoordig maatschappijgericht en Nederland is multicultureel geworden. Wel moet Kampen gericht blijven op de verkondiging van het evangelie. Er zijn nog maar weinig plekken in Nederland waar werkelijk brongerichte (op de Bijbel als bron, J.D.) theologie gegeven wordt. In Kampen dus wel, en dit geeft ons de kans juist dat te benadrukken en verder te ontwikkelen, aldus De Ruijter.
Het profiel is op papier duidelijk. De universiteit moet gereformeerd blijven en anderzijds zich aanpassen aan de nieuwe omstandigheden zoals die vereist zijn voor een door het rijk gesubsidieerde instelling. De vraag komt op wat dit voor de GKv zal gaan betekenen. Als ik het goed zie, zal de opleiding tot de dienst van het Woord een onderdeel  van Kampen worden Ik las pas op een beamer ergens in een kerk dat men reeds voor acht richtingen van studie in Kampen terecht kan. Maar… is de TU dan nog een kerkelijke universiteit waarvoor de GKv de verantwoordelijkheid (moeten) blijven dragen? Wat gaat dat financieel betekenen om het niet geringe pakket aan uitbreidingsmaatregelen te bekostigen?

 2.18. Toelatingseisen en Vooropleiding

 Mijn vraag of de TU nog een kerkelijk-gereformeerde opleiding zal blijven, wordt nog onderstreept door de nota Dienstbaar en wendbaar, die als ‘Strategienota’ van de TU kort geleden (december 2009) gepubliceerd werd. Daarin lezen we dat de universiteit zich op een brede doelgroep moet richten om te kunnen voortbestaan. Vergroting en verbreding van de instroom van studenten zal nodig zijn. Een bredere populatie zal het klimaat en de kwaliteit van de TU ten goede komen, zegt de nota. Daarvoor moet dan de TU meer openheid en flexibiliteit tonen in haar werving. ‘De TU zal aantrekkelijk worden voor studenten die tot een andere kerkgemeenschap dan de GKv behoren’, lezen we.
Ik geloof dat dit idealisme, gelet op kerkelijk Nederland, nergens op te funderen is. Het lijkt gewoon ingegeven door de noodzaak voor de TU om te overleven. Meer studenten, of ze nu gereformeerd zijn of niet, is een vereiste om TU te blijven.
Hoe weinig Dienstbaar en wendbaar met z’n argumenten ons kan overtuigen, wordt wel heel duidelijk als het over de Vooropleiding gaat. We lezen op meer dan één bladzijde hoe goed de ‘taalgroep’ aan de TU (voor opleiding in het Grieks en Latijn in de Vooropleiding, en in het Hebreeuws tijdens de opleiding zelf) in het land bekend staat. Het ‘unieke’ karakter dat Kampen hier vertoont, noemt de nota een speerpunt, zodat de TU zich met een bijzonder profiel kan onderscheiden in de ‘markt van theologische universiteiten en instellingen’.
Deze hooggestemde woorden wekken verbazing als we twee maanden na het verschijnen van Dienstbaar en wendbaar, in een persbericht (25 januari 2010) lezen dat de TU de zogenaamde Vooropleiding klassieke talen (Latijn en Grieks) laat vervallen. Theologische studenten kunnen voortaan worden ingeschreven zonder enige kennis van deze talen te bezitten. Wat valt er dan nog te roemen over het ‘unieke’ karakter van Kampen? 
Zeer kort na de lovende woorden in Dienstbaar en wendbaar moeten we constateren dat ook in Kampen de student, precies als aan andere universiteiten, zijn theologische studie kan binnenstappen zonder kennis van Latijn en Grieks te bezitten. Men moet het mooie unieke profiel van Kampen wel prijsgeven om meer studenten te trekken. Wie A heeft gezegd tegen subsidie, moet ook B zeggen. 

2.19. De dominee en de koopman

 Onze TU wil een breed gereformeerd kennisinstituut worden en dienstbaar zijn aan de samenleving. Dat wil ze, maar dat moet ze kennelijk ook, omdat de overheid eisen stelt en mee betaalt. Of de aanpassingen het gereformeerde karakter van de TU zullen verrijken (wat men zelf meent), is voor mij een open vraag. Ik zou graag toegelicht krijgen dat een universiteit door verbreding van toelatingsmogelijkheden haar gereformeerde karakter niet op het spel hoeft te zetten. Het papier is gewillig genoeg om alles gereformeerd te laten of te maken, maar de werkelijkheid is weerbarstiger. Als het reeds moeilijker wordt ervan overtuigd te blijven dat Kampen een gereformeerde predikantenopleiding is, hoe gaat het dan met de TU als breed gereformeerd kennisinstituut? 
Wie de plannen bekijkt die in Dienstbaar en wendbaar ontwikkeld worden,  kan constateren dat ze voor het kleinschalige Kampen nogal idealistisch zijn. Ik lees dat het aanbod van Engelstalig onderwijs breder moet worden om de instroom van meer buitenlandse studenten mogelijk te maken. Wat haalt men zich toch op de hals met dergelijke plannen? Of is Engelstalig onderwijs nodig om de TU van een complete internationale gereformeerde vleugel te voorzien?
De kosten voor het huidige Kampen rijzen nu al uit de pan.  Dienstbaar en wendbaar werd gepubliceerd toen de schrijvers al wisten van een financiële crisis en van de noodzaak om te bezuinigen. Nu kan de dominee idealen hebben, maar in de kerk zitten ook kooplieden, die als deputaten Financiën en Beheer verantwoordelijk zijn voor de bekostiging van Kampen. Dat heeft op de synode van Zwolle-Zuid in oktober 2008 tot een botsing geleid. De deputaten Financiën en Beheer maakten bij de synode hun grote zorg over de financiële ontwikkelingen aan de TU kenbaar. Zij pleitten toen voor een extern onderzoek, waarin alles aan de orde zou kunnen komen, inclusief de mogelijkheid van het al of niet kunnen voortbestaan van de TU als zelfstandige wetenschappelijke instelling. Dat was m.i. een reëel voorstel. Maar zo werd het niet ontvangen. De voorzitter van het College van Bestuur, ds. P. Niemeijer, had grote moeite met wat de deputaten Financiën en Beheer voorstelden. Had de synode al niet ingestemd met de strategische ontwikkelingsvisie van de TU? Hoe zou ze dan nu nog kunnen doen alsof de TU slechts een predikantenopleiding bleef? Het zou een doodsteek voor de universiteit zijn, aldus ds. Niemeijer.
Hier zien we duidelijk de consequentie van de subsidiëring: De kerken hebben zich daarop al vastgelegd. Nogmaals, wie A heeft gezegd (we voldoen aan de eisen van de overheid om universiteit te kunnen blijven), moet ook B zeggen en niet terugkrabbelen. En als we B zeggen, moeten de kerken ook C zeggen en dus de financiële lasten dragen die aan de TU-nieuwe-stijl verbonden zijn, voor zover ze door de 50% overheidssubsidie niet gedekt worden. Terwijl de kosten voor de predikantsopleiding nu al zorgen baart en de bereidheid van de kerken om te betalen sterk afneemt. 

Het verbaasde mij niet dat op de synode in Zwolle-Zuid gevraagd werd, of het mogelijk was om de aanvraag voor 50% subsidie alsnog gewijzigd te krijgen. Antwoord: in principe is de 50% arbitrair, zolang de TU een zelfstandige kerkelijke opleiding kan zijn. Formuleerde de synode van Amersfoort-Centrum in 2005 nog een soort principe, nl. dat het een eer voor de kerken moest zijn de TU zelf te onderhouden, de volgende synode lijkt de vrijheid te hebben om over die ‘eer’ niet al te moeilijk te doen. Eerst leek het nog dat de kerken moeten betalen en de overheid zou bijbetalen. Maar het kan blijkbaar ook andersom: de overheid betaalt en de kerken betalen bij.

 Het conflict op de synode liep met een sisser af. Voor het instellen van een extern onderzoek werd geen meerderheid gevonden. De TU zelf moest het financiële perspectief in het reeds ingezette strategisch proces opnemen.

 2.20. Blijft Kampen?

 De deputaten Financiën en Beheer zullen moeten adviseren hoe de band tussen de kerken en haar opleiding tot de dienst van het Woord financieel in stand kan worden gehouden. M.i. hebben zij er terecht al op gewezen dat ook onderzocht moet worden of de TU als zelfstandige wetenschappelijke instelling kan blijven bestaan. Men kan wel doen alsof op A logisch B, C en D volgen, maar de wal zal het schip keren. De kerken mogen weten wat er met Kampen gaat gebeuren. Ook hier zeg ik: Kampen, geef rekenschap! De tijd vliegt voorbij en voor we er erg in hebben, breekt het nieuwe synodejaar aan. De kerken hebben recht op een grondig rapport, waarop zij zich kunnen bezinnen.
Allereerst zal die bezinning van de ‘kooplieden’ moeten komen, die als deputaten Financiën en Beheer  de synode, en daarmee de kerken, met hun adviezen zullen dienen. Als de financiën voor de TU-nieuwe-stijl niet rond te krijgen zijn, wat dan? Dan staan de kerken voor de vraag of de TU zelfstandig kan blijven bestaan. Dan zou dit heel moeilijk voor een aantal van de huidige Kamper plannen kunnen zijn, omdat concentratie op de ‘opleiding tot de dienst van het Woord’ nodig blijft. Deze opleiding is essentieel voor de kerken en dient door de kerken ook financieel (mee) gedragen te worden.  
Stel nu eens voor dat de TU verder moet met ‘slechts’ een opleiding tot de dienst van het Woord voor gereformeerd-vrijgemaakte studenten. Wat blijft er dan over? De nota Dienstbaar en wendbaar ziet ons dan afzakken naar een seminarie , naar onderwijs dat niet boven beroepsgericht (HBO)-niveau uit zou komen. Het zou mooi zijn als we ‘universiteit’ kunnen blijven. Maar dan wel zonder knieval voor elk overheidsbeleid dat gaat tornen aan onze vrijheid. De vrijheid om zelf te bepalen wat wij voor de opleiding van gereformeerde predikanten nodig vinden, in een omvang die voor de kerken ook nog betaalbaar is. Liever een gereformeerd seminarie dan een peperdure universiteit! Als het maar een instelling is, die blijft opleiden tot de dienst van het Woord. Voor de kerken is deze instelling van grote betekenis geweest voor het verstaan van de Schriften. En ook voor de toekomst kunnen we onze kerken zonder een eigen theologische opleiding niet voorstellen.

 2.21. Fusie

 Daarom zullen de kerken ook aan de mogelijkheid van een fusie tussen de beide gereformeerde theologische opleidingen te Kampen en Apeldoorn moeten denken. Maar… daar zal dan ook Apeldoorn voor moeten voelen, wat niet vanzelfsprekend is, om het maar voorzichtig te zeggen. Gelukkig kwam een Apeldoornse docent (prof.dr. H.J. Selderhuis) op het idee Apeldoorn naar Kampen te verhuizen en daar gebruik te maken van de gebouwen die leeg komen te staan als de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) uit Kampen wegtrekt. Een prachtig idee, deze twee zusterinstellingen samen in de stad waar de theologische opleiding in 1854 voor zowel de Christelijke Gereformeerde Kerken als voor de GKv toch begonnen is.
Aan het onderbrengen bij de VU in Amsterdam van onze eigen opleiding wil ik niet denken. Het zou de zoveelste kerkelijke of religieuze opleiding zijn die dan onder het oecumenisch dak van de VU een plaats krijgt, Prof.dr. C. Houtman (zie Ned. Dagblad van 18-06-2010) zou het dubieus vinden als zijn eigen Kamper PThU onzichtbaar werd ‘onder de vleugels van de griffioen’ (zinnebeeld van de VU). Voor onze TU gaat hetzelfde gelden. Wil de financiële bijdrage van de kerken niet wegsmelten, dan moet de universiteit in Kampen blijven. Liever daar een gereformeerd seminarie dan in Amsterdam een optrekje binnen de VU, terwijl we de deur openzetten voor allerlei oecumenische samenwerking. We hoeven ons geen illusies te maken hoe het met onze theologische opleiding zal gaan, als zij binnen de VU-gemeenschap gevestigd wordt.
Men zal mij een bange haas vinden, die alle deuren weer dicht gaat trekken en onze theologische studenten in het provinciale stadje Kampen wil houden. Ik heb in Kampen gestudeerd, maar weet ook van de beide universiteiten in Amsterdam. Aan de Stedelijke Universiteit heb ik m’n doctoraal theologie afgelegd. Aan de VU heb ik gedoceerd. Ik weet waarover ik praat. Er schuilt veel waarheid in het woord van Groen van Prinsterer: in ons isolement schuilt onze kracht. Niet om de studenten ‘binnen’ te laten blijven, maar wel om hen na een duidelijk gereformeerde theologische opleiding met overtuiging ‘buiten’ te laten arbeiden. Zo heeft de Kamper opleiding in haar geïsoleerde positie heel veel kracht ontplooid in Nederland en ver daarbuiten.

 2.22. Gebed

 Op een van de vergaderingen van de synode van Zwolle-Zuid 2008-2009 merkte iemand op dat er in de kerken nauwelijks meer voor de TU gebeden wordt. Ik betwijfel dat. Als het zo zou zijn, staat het er droevig voor met onze universiteit. Wat ik in dit hoofdstuk aan de orde heb gesteld, lijkt mij belangrijk genoeg voor Kampen om aan zelfbeproeving te doen. Aan plannen werken om Kampen groter en beter op de kerkelijke kaart te zetten, zal ijdel blijken als de theologen van Kampen hun greep op de achterban verliezen. Maar de kerken hebben de plicht om het gebed voor hun theologische opleiding te versterken. Laten we verder hopen, dat de synode van Harderwijk in 2012 in staat zal zijn besluiten te nemen die in de kerken royale bijval ontvangen.

 Postscriptum

 Aanvulling op informatie

 Drs. Wouter van Rennes, onderwijskundige bij Hogeschool INHolland, stuurde mij het volgende bericht:

 ‘Ik heb veel waardering voor uw analyses van de ontwikkeling in de GKv. Uw stuk over de Universiteit behoeft denk ik aanvulling. Met de invoering van de Bachelor Masterstructuur en het accreditatiestelsel heeft de overheid veel meer invloed gekregen op het onderwijs. Of je nu wel of geen subsidie hebt als Universiteit, je moet aan die criteria voldoen. In het rapport- commissie Franssen staat dat een universiteit gericht moet zijn op het ontwikkelen van nieuwe theorie. Nu is het zeker binnen het raam van het gereformeerde belijden mogelijk om nieuwe inzichten/theorie te ontwikkelen, maar het gereformeerde belijden geeft hier duidelijk een beperking aan. Ik denk dat de ontwikkelingen op de universiteit, waarin veel nieuwe visies worden gelanceerd, hiermee te maken hebben.
In het accreditatiekader van de NVAO (Nederlands Vlaams Accreditatieorgaan) worden ook eisen gesteld aan een universiteit. Hierin tellen wetenschappelijke publicaties zwaar. In het verleden is al vaker getwijfeld aan het wetenschappelijke karakter van publicaties van de universiteit. Uw praktisch geschreven ethische reeks zal waarschijnlijk niet geteld worden als een wetenschappelijke publicatie.
Hier ontstaat volgens mij het spanningsveld. Wil je een school voor de kerken zijn, dan kan het zijn dat de NVAO het onderzoek onder de maat vindt omdat het niet vernieuwend is en onvoldoende wetenschappelijk niveau heeft. Wat dan te doen? Dan staat de universiteit voor de keus: universiteit blijven of school voor de kerken. Ik vrees dan men de risico’s die zaten in het rapport Fransen, niet heeft onderkend. Je kunt te graag mee willen blijven doen in de wetenschappelijke wereld en daarmee noodzakelijkerwijs je identiteit verkwanselen. Mijns inziens had men al eerder duidelijk moeten stellen (mogelijk intern) dat als de grenzen die het belijden van de kerk aangeeft maken dat we niet meer voldoen aan de eisen van NVAO, we dan gewoon doorgaan als, zoals u dat noemt, een ‘seminarie’.
De bekostiging maakt dat je inderdaad moeilijker de gang naar een seminarie kunt maken. Niet de bekostiging is overigens het meest bepalend voor de invloed van de overheid, maar het accreditatiekader’.

 Met dank voor deze informatie! Hoe ze precies te duiden valt met het oog op de TU te Kampen, kan ik niet zeggen. Vanuit Kampen zal men ons dat duidelijk kunnen maken.

 

 

 

Reacties zijn gesloten.