Inleiding

1.1. Verval in de kerk. Hoe verder? 

Niemand zal mij tegenspreken als ik beweer dat er in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) veel veranderd is. Wie twintig jaar teruggaat, zou nog in alle opzichten de kerken herkennen die uit de Vrijmaking van 1944 zijn voortgekomen. In twee decennia is er echter wel zoveel veranderd dat de vraag opkomt, of zich een afbraakproces voltrekt, dat aan het eigen karakter van deze kerken een einde zal maken. Het eens zo gesloten bolwerk van de vrijgemaakten is op allerlei manieren opengebroken.
Inmiddels heeft een niet gering aantal mensen zich van de vrijgemaakte kerken losgemaakt om in een of ander ‘hersteld’ verband de oude lijn voort te zetten. Anderen hebben de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) verlaten en zich aangesloten bij een andere (evangelische) kerk, waarin zij meer warmte voelen. Het aantal mensen dat de route van afscheiding kiest, zal waarschijnlijk toenemen als aan de huidige situatie in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) – die ik in het vervolg als GKv zal aanduiden – geen halt wordt toegeroepen.
Velen willen echter de weg van afscheiding niet kiezen. Zij treuren over het verval binnen de kerken en weten vaak niet hoe zij hun houding moeten bepalen. Er is verval, maar hoe omvangrijk is het en hoe diep gaat het? Toch lang niet alles wat er sinds 1990 veranderd is, is verkeerd, zo redenen zij. En moet de gereformeerde kerk niet helemaal in verval zijn geraakt om aan afscheiding te denken? 
Het aantal mensen dat zich niet wil afscheiden, maar wel ‘bezwaard’ is, lijkt mij groot. Vaak zijn het oudere mensen die de betere tijden van de GKv bewust hebben meegemaakt en zich nu ongelukkig voelen bij wat anderen aan nieuwigheden doorvoeren in de kerken. Zij weren zich in hun eigen gemeente soms nog tegen ontwikkelingen die zij schadelijk vinden. Toch willen zij niet aan afscheiding denken. Er is verval, maar is er ook nog veel goeds. Waarom dan niet berusten in de situatie en hopen op betere tijden? 

1.2. Een weg tussen afscheiding en berusting

 Tot de mensen die treuren over de richting waarin de GKv zich bewegen, reken ik mijzelf. Maar als ‘bezwaarde’ wens ik twee dingen niet te doen. Ik overweeg niet om mij af te scheiden van de GKv. Waarom ik dat in de huidige omstandigheden niet doe, hoop ik aan het eind van mijn verhaal duidelijk te maken. Ik overweeg echter evenmin te berusten in de huidige situatie. Dat anderen dit doen, kan ik begrijpen. Het is uiterst vermoeiend in te gaan tegen de meerderheid (of wat de meerderheid lijkt te zijn). Berusten in de situatie levert minder spanningen op. Ik spreek uit ervaring. Maar berusten betekent zwijgen. En dat is voor mij geen mogelijkheid zolang ik de kans zie mijn stem nog te verheffen. Ik ben op dat laatste stellig niet uit en zal mijn pen ook snel neerleggen als anderen mijn taak overnemen. Die ‘anderen’ zijn er, maar hun stemgeluid is nog zwak.
Ik bied hierbij mijn analyse en mijn kritiek aan. Ik probeer een betere weg te wijzen dan die de GKv nu inslaan of dreigen in te slaan. Als ik anderen met mijn beschouwingen kan helpen en zij er moed door vatten, zal ik dankbaar zijn.
Ik besef dat er ook mensen zullen zijn die zich tegen mijn betoog verzetten. Ik hoop eerlijk in mijn argumentatie te zijn en niet op de man te spelen, maar op argumenten in te gaan. Ik streef helderheid na, zodat elk meelevend kerklid mij kan begrijpen.
Mijn bijdrage lever ik uit liefde voor de kerken, waaraan ik zelf alles te danken heb. Mijn christelijk geloof is binnen die kerken geboren en gevoed. Ik zeg het mijn leermeester  K. Schilder na, dat het een weelde is gereformeerd te denken. Verliest dat gereformeerde goud zijn glans, dan klaag ik even oprecht als de man uit Klaagl. 4,1 dat deed over de val van Jeruzalem. 

1.3. Welke onderwerpen er aan de orde komen

 Welke onderwerpen wil ik aan de orde stellen? Ik som een aantal punten op die ik wil bespreken. Het lijkt me goed te beginnen met het gezag van de Heilige Schrift. Dat gezag is binnen de GKv meer dan eens in discussie geweest, met name in de crisis die leidde tot de vorming van de Nederlands Gereformeerde Kerken rond 1970. Het onderwerp is sinds verleden jaar opnieuw ter sprake gekomen in discussies over de dissertatie van een docent die aan de Theologische Universiteit van de GKv in Kampen benoemd werd (dr. Stefan Paas). En zeer recent is er enige deining ontstaan door de dissertatie van dr. Koert van Bekkum over gedeelten uit het  boek Jozua. Het ligt voor de hand dat ik daarbij ook aandacht geef aan de taak van onze Theol. Universiteit en haar positie binnen de GKv.
Als tweede onderwerp noem ik de kerkdiensten, die in tal van gemeenten een ander karakter zijn gaan dragen. De rust rond de verkondiging van het Woord van God, met het antwoord van de gemeente in haar psalmen en gezangen heeft plaatsgemaakt voor veel onrust. De diensten die we gewend waren, worden vaak ingeruild voor laagdrempelige samenkomsten met veel liederen die in het Gereformeerde Kerkboek en in het Liedboek van de Kerken niet gevonden worden. Vooral de jongeren, de kinderen en de buitenstaanders wil men bereiken met woord en lied. Onze psalmberijming is hun taal niet, en de bestaande kerkelijke begeleiding is hun muziek niet.
Het derde onderwerp betreft het christelijk leven onder ons. Er is geen beginnen aan om het hele terrein van het christelijk leven onder de loep te nemen. Ik probeer echter na te gaan in hoeverre wij stand hebben gehouden in de naoorlogse ontkerstening van Nederland en in hoeverre we dreigen te bezwijken onder de niet aflatende druk van hen, die ook de laatste resten van het christelijk leven uit de publieke sector wensen te weren. Zijn de politiek en de krant, die twintig jaar geleden nog onder orthodox- gereformeerde vlag voerden, ons nog even behulpzaam, nu ze algemeen-christelijk zijn geworden?
In de vierde plaats vraag ik aandacht voor de oecumenische gezindheid. Eens waren wij een gesloten gemeenschap en maakten wij ons druk over de ware kerk die in ons land maar op één plaats – nl. bij ons – te vinden zou zijn. Toen leek het alsof wij een huis zonder deuren waren. Nu lijkt het alsof wij door tal van deuren naar buiten kunnen, omdat overal de kerk te vinden is. Vroeger hadden we een belijdenis die we onverkort wilden handhaven, nu menen zelfs woordvoerders onder ons dat naar een ‘nationale synode’ in 2010 heen gewerkt kan worden, al is het slechts op een grondslag die wel lijkt op de Twaalf Artikelen, maar niet meer alles bevat wat reeds vanaf de Oude Kerk het credo van de heilige, algemene en christelijke kerk is geweest. De vraag is dan gewettigd waarom wij überhaupt nog muren willen plaatsen om een kerk te zijn op de grondslag van de gereformeerde religie. Als het algemener kan, waarom dan nog gereformeerde apartheid?
In de vijfde plaats moet de vraag beantwoord worden wanneer afscheiding geboden is. Als een kerk in verval raakt, is dat nog geen reden haar te verlaten. Wij zijn zondaars in een zondig gezelschap dat kerk heet. We zijn lid van de heilige algemene en christelijk kerk in déze kerk en in dít kerkverband. Binnen deze kerk moeten wij christen zijn in de volle betekenis van dat woord. Ook als wij treuren over het verval en als wij lijden aan wat wij binnen ‘onze’ kerk opmerken. Een krachtig getuigenis tegen allerlei vormen van verval moet duidelijk samengaan met wat Paulus in zijn scherpste polemische brief van ons vraagt. We moeten niet uit zijn op eigen begeerten, maar ons laten leiden door de Geest. En dus de vruchten van de Geest tonen: liefde, vreugde en vrede, geduld, vriendelijkheid en zelfbeheersing (Gal. 5,16vv). Wie kerkelijk meeleeft, zal begrijpen dat al die ‘deugden’ een duidelijke betekenis krijgen zodra we ons in de kerk voortdurend ergeren, onze stem verheffen of er niet meer tegenop kunnen en ons onttrekken aan alle strijd. Hier staan we voor een moeilijke combinatie. Eerlijk zijn in onze overtuiging en ervoor uitkomen. En tegelijk ons als een nederig christen  gedragen.
In een zesde hoofdstuk maak ik de balans op van het voorafgaande, terwijl ik in het slothoofdstuk inga op een aantal vragen die mij bereikt hebben. 

Tot zover mijn programma. De tekst die ik nu in deze vorm uitgeef, is eerder gepubliceerd op mijn website www.jochemdouma.nl. Dat gebeurde in afleveringen vanaf 5 juni 2010 tot 9 oktober 2010. Deze website is intussen opgeheven. De volledige tekst, zoals ik die nu publiceer is wel te vinden op een andere website, nl.: www.gereformeerdekerkblijven.nl. Uit reacties is mij gebleken dat er ook belangstelling is voor een handzamer editie, die ik hierbij beschikbaar stel. Op laatstgenoemde website kan men lezen hoe men deze uitgeprinte versie in bezit kan krijgen.
Vergeleken met de eerste uitgave heb ik een aantal veranderingen aangebracht, die echter op geen enkel belangrijk punt wijziging van mijn standpunt inhouden. Een herziene editie kan men deze uitgave dan ook niet noemen. Ook de inmiddels gehouden generale synode van de GKv (die in 2012 nog moet worden afgesloten na behandeling van enkele belangrijke zaken), noopt mij niet tot herziening van mijn bezwaren. 

  

NB. Ik heb voor veel van mijn gegevens over de huidige situatie binnen de GKv geput uit artikelen, commentaren en berichten in het Nederlands Dagblad. Dit dagblad wordt nog steeds gelezen door een groot deel van de GKv-ers. De vernieuwers komen er aan het woord, maar ook zij die zich over veel dingen bedroeven binnen hun kerk, laten zich horen in het Nederlands Dagblad.

Reacties zijn gesloten.