Van G.O.S. naar N.S.

A.      Bas

  De Generale Synode van Harderwijk (2010) besloot onlangs de deelname van een afvaardiging van de GKv naar de Nationale Synode (N.S.) goed te keuren. Een besluit waar heel wat over te zeggen zou zijn. Veel meer, dan in één artikel mogelijk is. Daarom beperk ik me, en plaats ik in dit artikel het genomen besluit slechts in het licht van onze eigen recente geschiedenis.

Uitgangspunt

Op de eerste ‘ gewone’  Generale Synode na de vrijmaking, hebben de GKv zich meteen al duidelijk uitgesproken over het punt van de kerkelijke eenheid. ‘Gedrongen door het Woord des Heeren (o.a. Joh. 17:20,21; Phil. 2:1 en 2; Ef. 4:3-6) en door de daarop rustende belijdenis (o.a. Art. 28 van de Ned. Geloofsbelijdenis)’ spraken zij uit ‘te staan naar kerkelijk samenleven met allen, die met ons door één Geest één Heere aanbidden en éénzelfde  geloof belijden’ (Acta, artikel 88). Nadrukkelijk werd ook verwoord, dat de kerken dit als consequentie zagen van hetgeen eerder was uitgesproken in de Akten van Afscheiding en Vrijmaking.
  Opvallend was, dat dit uitgangspunt er in 1946 praktisch toe leidde dat door de GKv enkel contact werd gezocht met de Christelijke Gereformeerde Kerk (CGK) ‘die met ons staat op dezelfde basis van Gods Woord en de Drie Formulieren van Eenigheid’ (Acta, artikel 88).  Blijkbaar gold dat voor andere kerkverbanden zo niet, en kon daarmee dus ook niet worden samengesproken of gecorrespondeerd. Want eenheid, jazeker – maar in de waarheid!

 Afwijzing

De keuze voor (alleen) de CGK was echter niet het enige gevolg  dat aan het gekozen uitgangspunt verbonden werd. De Generale Synode van Amersfoort (1948) werd geconfronteerd met een uitnodiging om deel te nemen aan de Gereformeerde Oecumenische Synode (G.O.S.). Deze synode had onder meer als doelstelling de algemene opbouw van de deelnemende kerken, het geven van een gezamenlijk getuigenis naar buiten en onderling hulpbetoon bij het handhaven van de zuiverheid van leer en leven. Maar de GKv besloten niet op deze uitnodiging in te gaan.
  Voor deze afwijzing werd een heel aantal argumenten aangevoerd. Een belangrijke rol speelde daarin de ‘pijn’  van de Vrijmaking. Het werd als ‘oneerlijk’ ervaren, dat de Gereformeerde Kerken (synodaal), die in de G.O.S. een belangrijke plek innamen, enerzijds de GKv als ‘scheurkerken’  zagen, maar hen anderzijds binnen de G.O.S. als gereformeerde kerken wensten te begroeten. Maar tegelijk was dat niet het enige argument dat werd aangevoerd.
  Wat ook een rol speelde, was dat de gereformeerde kerkorde geen  oecumenische synode kent en er tevens ‘ geen “oecumenisch kerkverband”  mogelijk is tussen “ kerken”, die in hun eigen land niet in één verband leven’ (Acta, artikel 75).  En verder, dat ‘de bereiking van het doel, dat voor de z.g.n. “Oecumenische Synoden”  gesteld wordt, n.l. “ handhaving van de zuiverheid van – en de reformatie in leer en leven”, in allereerste instantie afhankelijk is van gehoorzame en getrouwe Woordbediening in de plaatselijke kerken, van welke gehoorzame en getrouwe Woordbediening de ons uitnoodigende kerken (i.c. de Gereformeerde Kerken (synodaal), AB) zijn afgeweken’ (Acta, artikel 75).

 Gevolgen

De GKv kregen opnieuw met de G.O.S. te maken, toen de CGK in 1962 besloten wél aan deze synode deel te gaan nemen. Gezien het eerdere besluit uit 1948 spreekt het vanzelf, dat de GKv hier niet erg blij mee waren. En dat is nog zacht uitgedrukt: de Generale Synode van Amersfoort-West (1967) besloot zelfs, dat het bewuste besluit van de CGK een struikelblok vormde om met deze kerken tot vereniging te komen en riep hen op hun deelname aan de G.O.S. stop te zetten.
 Tijdens de volgende Generale Synode, die van Hoogeveen (1969), werd vastgesteld dat de CGK geen gehoor hadden gegeven aan deze oproep van de GKv. Bij de reactie hierop, werd nadrukkelijk teruggegrepen op het uitgangspunt dat direct na de Vrijmaking al onder woorden was gebracht: ‘dat het naar het Woord Gods (o.a. Joh. 17:11,17,20,21; Filipp. 1:27-2:4; Efeze 3:14-4:16; I Tim. 3:15,16) en de daarop gegronde belijdenis (o.a. art. 28 N.G.B. en antw. 55 H.C.)’  de roeping van gelovigen en kerken is ‘ te staan naar kerkelijk samenleven met allen, die met hen hetzelfde geloof belijden en bewaren de leer, die naar het Woord Gods is’ (Acta, artikel 350).
 De synode stelde tevens vast, dat het besluit van de CGK om lid van de G.O.S. te blijven, nog vreemder was dan het eerdere besluit om lid van de G.O.S. te worden. Immers, sinds dat eerdere besluit was de nodige tijd verstreken en daarin waren de ontwikkelingen in (met name) de Gereformeerde Kerken (synodaal) bepaald niet hoopgevend te noemen. Integendeel zelfs, ze bewogen zich in een richting die hen steeds verder bij Schrift en belijdenis vandaan bracht. Besloten werd dan ook, om geen deputaten voor de samenspreking met de CGK te benoemen. En dat is lange tijd ook zo gebleven.

Doorbraak

De Generale Synode van Spakenburg-Noord (1987) stelde vast, dat er sinds het besluit van Amersfoort-West (1967) slechts van schriftelijk contact met de Christelijke Gereformeerde Kerken sprake was geweest. Omdat voortzetting daarvan weinig zinvol werd geacht, werd besloten om deputaten te benoemen. Maar die moesten dan wel met de christelijke gereformeerde deputaten onder meer gaan spreken over ‘het lidmaatschap van de Gereformeerde Oecumenische Synode’ (Acta, artikel 178). Blijkbaar werd dat door de GKv nog steeds als struikelblok gezien!
  Opvallend is, dat in de gronden van het besluit van de Generale Synode van Spakenburg-Noord (1987) opnieuw het ‘oude’  uitgangspunt werd verwoord: ‘de Heilige Schrift (vgl. o.a. Joh. 17:20,21; Filipp. 2:1-4; Ef. 4:1-6) dringt ons te staan naar kerkelijk samenleven met allen, die met ons door één Geest één Here aanbidden en eenzelfde geloof belijden’ (Acta, artikel 178). Een ‘doorbraak’  in de contacten kon er daarom ook alleen maar komen, toen de CGK in 1989 zelf besloten te breken met de G.O.S.
  Op grond van het bovenstaande kan geconcludeerd worden, dat de GKv tot (in ieder geval) 1987 op het punt van kerkelijke eenheid trouw zijn gebleven aan het uitgangspunt dat al direct na de Vrijmaking onder woorden was gebracht: kerkelijke eenheid, jazeker – maar in de waarheid. Verder – dat dit uitgangspunt ook tot gevolg had, dat een lidmaatschap van de G.O.S. werd afgewezen. En zelfs, dat samenspreking met de Christelijke Gereformeerde Kerken lange tijd min of meer werd afgehouden, onder meer omdat zij wel deelnamen aan de G.O.S.

 Overeenkomst

In 2010 werd in Dordrecht een Nationale Synode gehouden. In de aanloop daarheen presenteerde de stuurgroep onder meer een Credo, dat als ‘groeitekst’  moest worden gezien en tot de nodige ophef leidde. Zowel door wat er wel, als door wat er niet in was opgenomen. Tijdens de synode zelf was er behalve voor toespraken ook ruimte voor onderlinge geloofsgesprekken, en werd minister Donner een ‘signaaltekst’  aangeboden. Voor wat betreft de toekomst bestaan er plannen, om over enkele jaren een ‘echte’  synode te houden met beslissingsbevoegdheid.
  Doel van de Nationale Synode was (en is) onder meer, de eenheid onder christenen te laten zien. In de al genoemde Signaaltekst wordt spijt betuigd over de kerkelijke verdeeldheid in het verleden, maar is ook sprake van het streven om als christenen ‘die behoren tot verschillende kerken maar luisteren naar hetzelfde evangelie’ beter naar elkaar te luisteren en elkaar te helpen. Zaken die in het licht van het voorgaande meteen doen denken aan de doelstellingen van de G.O.S. Ook daarin was immers sprake van een gezamenlijk getuigenis en onderling hulpbetoon. Al is daarmee natuurlijk niet gezegd, dat G.O.S. en N.S. in alles vergelijkbaar zijn.

 Vragen

Ondertussen roept dit wel de nodige vragen op bij het besluit van de Generale Synode van Harderwijk (2011), om de deelname van een afvaardiging uit de GKv aan de N.S. goed te keuren. En die deelname ook voor wat betreft de toekomst, voort te zetten. Immers, hebben de GKv in het verleden deelname aan de G.O.S. niet altijd beargumenteerd afgewezen? Eenheid in de waarheid, was het motto. En deelname van de CGK aan de G.O.S. was zelfs één van de redenen, om de contacten met die kerken gedurende lange tijd min of meer te ‘bevriezen’.
 En daarom: wat is er gebeurd met het uitgangspunt dat de GKv meteen na de Vrijmaking al hebben verwoord, en waaraan ze gedurende verreweg het grootste deel van hun geschiedenis (te weten: van 1946 tot 1987) trouw zijn gebleven? En met het beroep op Schrift en belijdenis, dat daaraan ten grondslag lag? En verder: wat is er gebeurd met het argument dat de GKv in 1948 hebben aangevoerd tegen deelname aan de G.O.S.? Te weten: dat wil je kunnen komen tot een gezamenlijk getuigenis en onderling hulpbetoon, het Woord in de deelnemende kerken in ieder geval zuiver gebracht zal moeten worden? Een vraag die te meer klemt, als bedacht wordt dat de samenstelling van de N.S. nog heel wat ‘breder’ is dan destijds die van de G.O.S.

 Calvijn, Schilder en de vrijgemaakten

Ergens heeft men in Harderwijk wel beseft, dat instemming met deelname aan de N.S. een flinke koerswijziging zou betekenen. Deputaten Kerkelijke Eenheid werd namelijk gevraagd, om met een nadere verantwoording te komen. Die is er ook gekomen, en in het stuk leggen deputaten de vinger bij de oecumenische gezindheid van Calvijn. Eenheid met Rome zag hij niet meer zitten, maar wel heeft hij zich sterk gemaakt voor eenheid onder protestanten. Ook de manier waarop een man als K. Schilder met het leerstuk van de kerk omging, had een stimulerende kracht. Maar na de Vrijmaking is er volgens deputaten een versmalling opgetreden, waarbij we (zeker in de praktijk) de indruk wekten de ‘ware kerk’ van de belijdenis te identificeren met de GKv.
  Er zou heel wat te zeggen zijn over het beeld dat deputaten hier in een paar zinnen geven van ons recente kerkelijke geschiedenis. Ik laat het bij een enkele (kritische) opmerking, op basis van het voorgaande. Direct na de Vrijmaking hebben de GKv uitgesproken zich op grond van Schrift en belijdenis gedrongen te weten tot het ‘staan naar kerkelijk samenleven met allen, die met ons door één Geest één Heere aanbidden en éénzelfde  geloof belijden’. Alleen al het feit dat ze vervolgens direct contact zochten met de CGK toont aan, dat voor hen de ‘ware kerk’  uit de belijdenis niet volledig samenviel met de GKv. Weliswaar spreken deputaten met voorzichtigheid, maar toch voedt hun stuk m.i. een hardnekkige karikatuur die over ons recente kerkelijke verleden bestaat.

 Andere context

Na de toon gezet te hebben met hun stelling van de versmalling die na de Vrijmaking zou zijn opgetreden, wijzen deputaten erop dat de context waarin wij leven een andere is dan die waarin Schilder en de zijnen leefden. Door (bijvoorbeeld) de ontkerkelijking heeft de Geest ons geleerd, dat we elkaar als christenen nodig hebben. Professor Trimp heeft er al op gewezen, dat zolang er van de geboden kerkelijke eenheid nog geen sprake kan zijn, we hebben na te denken over hoe we met de verscheidenheid hebben om te gaan. ‘Is de geboden kerkelijke eendracht louter en alleen uitgangspunt of kan zij ook stimulerende doelstelling van christelijke samenwerking zijn?’
 Dit argument speelt in het vervolg van de Verantwoording én de daarop gegronde synodale besluitvorming een belangrijke rol. De mogelijkheden voor gesprekken met het oog op kerkelijke eenheid zijn in het Nederland van vandaag maar heel beperkt. Niet voor niets wordt dat dan ook wel de ‘kleine oecumene’  genoemd. ‘In het zoeken naar eenheid met allen die de naam van Christus liefhebben hebben deputaten ook een verkennende functie. Je gaat geen gesprekken aan als je geen weet hebt van eenheid in belangrijke zaken. Maar je zoekt in de weg van contact en gesprek ook wegen om die eenheid te bereiken. In dat licht vonden we dat wegblijven van de NS een niet te verdedigen optie was’.

 Geen synode

Sterk wordt in dit verband ook benadrukt, dat de N.S. geen synode was. ‘Deze vergadering was niet bedoeld als een besluitvormend orgaan. Ook niet bedoeld als een vergadering van afgevaardigden met een mandaat.’ De bedoeling was een bijeenkomst van christenen die zoeken wat hen samenbindt, en het ging de initiatiefnemers erom te zoeken naar wat bindt en te slechten wat scheidt. Kortom – het is een misvatting, als critici de deelname aan de N.S. bestrijden met argumenten die in het verleden wel zijn gebruikt om als GKv maar heel beperkt gesprekken aan te gaan met het oog op kerkelijke eenheid. Want kerkelijke eenheid was het doel van de N.S. niet.
  Echter, op basis van het voorgaande is daarmee alles nog niet gezegd. Want in 1948 hebben de GKv deelname aan de G.O.S. óók afgewezen, omdat de doelstellingen ervan een getrouwe en gehoorzame Woordverkondiging veronderstelden. En is dat argument niet ook van kracht, als het om de N.S. gaat? Zo zagen we al even, dat christenen die behoren tot verschillende kerken maar luisteren naar hetzelfde evangelie op de N.S. beter naar elkaar wilden luisteren en elkaar wilden helpen. Maar de vraag ís nu juist, of er in al de kerken die aan de N.S. hebben deelgenomen wel naar hetzelfde evangelie geluisterd wordt. En zo niet, of je elkaar dan ook wel helpen kunt.
 Hier wreekt zich m.i. de grote breedheid van de N.S., die zelfs met een beroep op de oecumeniciteit van Calvijn niet verdedigd kan worden. Immers, deputaten schreven zelf dat hij geen mogelijkheden zag voor contacten met Rome. Of, zoals het in de engelse samenvatting van een dissertatie over Calvijn verwoord wordt: als het om Rome ging, gold voor Calvijn: ‘God had ordered Man to bear witness to His truth, not to debate it’ (1). En geldt dit niet eens te meer – nu in onze tijd (!) de verschillen tussen sommige protestantse kerken misschien nog wel groter zijn dan destijds de verschillen tussen protestanten en rooms-katholieken?

 Toekomst

Conclusie kan zijn, dat er alleen al vanuit de bestudering van ons recente kerkelijke verleden grote vragen zijn te stellen, bij het besluit van de Generale Synode van Harderwijk om de deelname aan de N.S. goed te keuren. En misschien nog wel méér, bij het besluit om daar ook mee door te gaan. Immers, een belangrijk argument voor deelname was, dat de N.S. geen synode heeft bedoelen te zijn. Maar als we de berichten mogen geloven, moet het dat in de toekomst wel gaan worden. En wat blijft er dan nog over van het oude uitgangspunt van na de Vrijmaking? Eenheid, jazeker – maar wel in de waarheid. En dat, op grond van de Schrift. Over ‘koerswijziging’ gesproken! Het is meer dan triest.

 Noot

(1) J.M. Stolk, Johannes Calvijn en de godsdienstgesprekken, Theologie en Geschiedenis (Kampen: Kok 2004), 328.

Reacties zijn gesloten.