PSALM 11
11.1. UITLEG
Psalm 11 noemen we een vertrouwenspsalm. Zie hierna onder 11.2. Algemeen thema. Het vertrouwen in Jahwe wordt al direct in 11.1 uitgesproken. Op grond van zijn vertrouwen in Jahwe bezwijkt de dichter daarom niet voor de raad, die men hem geeft om te vluchten.
(11,2-3). Hij weet dat Jahwe van alle dingen op de hoogte is en dat zij die geweld beminnen, hun straf niet zullen ontgaan. De oprechte mensen zullen echter Gods gelaat mogen aanschouwen (11,4-7).
Deze ‘psalm van David’ is goed te plaatsen in het leven van koning David, die meerdere malen voor de keuze werd gesteld om te blijven of te vluchten. Wel is David metterdaad meer dan eens gevlucht voor Saul (1 Sam. 19,10; 27,4) en voor zijn zoon Absalom (2 Sam. 15,14v). Maar daarom kan hij in andere omstandigheden wel geweigerd hebben zoiets te doen. We kunnen aan omstandigheden in het leven van David denken, maar Ps. 11 is ook algemener van toepassing.
Ps. 11 kan in twee delen besproken worden:
1) Men raadt de dichter aan te vluchten als een vogel naar de bergen (11,1-3);
2) De dichter weigert dit en stelt zijn vertrouwen op Jahwe (11,4-7).
ad 1) De dichter vertrouwt op Jahwe. Hij ‘schuilt’ bij Hem (11,1a). Dit woord komt vele malen voor in Psalmen, om aan te geven dat men bij Jahwe gelukkig en veilig is. Gelukkig zijn zij die bij Hem schuilen (2,12; 5,12). Wie bij Hem schuilt, mag erop rekenen dat hij voor vijanden niet behoeft te vrezen (7,2; 17,7; 25,20; 37,40). De veiligheid is die van een rots (18,2) of van een burcht (144,2). Veilig is men bij het schuilen onder de vleugels van Jahwe (61,5; 91,4).
Het vertrouwen van de dichter op Jahwe is zo groot, dat hij niet wil ingaan op een verzoek om zich hoog in de bergen in veiligheid te brengen, zoals een vogel. Hoe kunnen of durven zij zoiets aan hem te vragen?
Ps. 11 begrijpen we het best wanneer we 11,1b-3 (met NBV) als een citaat opvatten, waarop dan de dichter in 11,4-7 reageert. Het citaat is een verzoek dat van bevriende zijde komt. De termen die gebruikt worden (goddelozen hebben het op u gemunt, de fundamenten van de samenleving worden gesloopt) wijzen erop, dat we hier met medestanders van de dichter te maken heeft. Hij heeft een belangrijke positie (mogelijk is het koning David zelf) en zij hebben het beste met hem voor. Zij zien het gevaar dreigen. De vijanden hebben hun boog al gespannen en leggen hun pijlen op de pees om in het duister, d.w.z. op onverhoedse en geniepige wijze de ‘oprechte’ te treffen (11,2).
Wat kan die ‘rechtvaardige’ eigenlijk anders doen dan te vluchten, als hij zijn leven wil redden? De fundamenten van de samenleving zijn vernield, de grond zinkt onder alles weg. We zullen hier concreet moeten denken aan de grondslagen van het recht, waarvoor geen respect meer is. Kan de ‘rechtvaardige’ zich dan niet beter helemaal terugtrekken en hoog in de bergen zijn toevlucht zoeken, zodat hij niet meer in het schootsveld van de boogschieters komt?
Er zijn ook verklaarders die aan Jahwe zelf denken als over de ‘rechtvaardige’ gesproken wordt. De vertaling van 11,3 wordt dan: ‘wat doet de Rechtvaardige eigenlijk?’ of : ‘wat heeft Hij bereikt?’ Het vervolg zou dan duidelijk moeten maken dat Jahwe wel degelijk ingrijpt. Toch ligt deze vertaling plus uitleg niet voor de hand. Als over de ‘rechtvaardige’ gesproken wordt, betreft het mensen. Uiteraard kan ook Jahwe rechtvaardig genoemd worden (o.a. 11,7; 116,5), maar als het over de rechtvaardige(n) gaat, moeten we toch aan mensen denken. Ook in 11,3 gaat het over de rechtvaardige mens, die voor recht en rechtvaardigheid opkomt in tegenstelling tot de goddelozen die alles wat rechtvaardig is afbreken. De vraag komt dan echter op: ‘wat heeft de rechtvaardige bereikt?’ in zijn strijd tegen het onrecht; of: ‘wat kan de rechtvaardige nog doen?’
De dichter zwicht echter niet voor de goedbedoelde raad om te vluchten. Het woord voor vluchten’ NBG) of ‘vliegen’ (NBV) betekent zoveel als: een zwervend bestaan gaan leiden. Een vogel hoog in de bergen fladdert van de ene berg naar de andere. Zo krijgt ook de dichter de raad om een veilig, maar zwervend bestaan in de bergen te zoeken. Hij gaat dan lijken op Kaïn, die ‘dolend en dwalend’ over de aarde moest gaan (Gen. 4,12).
Waarom weet de dichter van geen wijken? Waarom wil hij op zijn post blijven, terwijl hij en zijn volgelingen als ‘rechtvaardigen’ niets meer – althans volgens het oordeel van trouwe medestanders – kunnen uitrichten tussen de puinhopen, die de vijanden gemaakt hebben van de samenleving?
ad 2) Het antwoord krijgen we in 11,4-7. De dichter wijst er dan niet op wat hij en de andere rechtvaardigen nog zouden kunnen doen om het tij te keren, maar op Jahwe. Jahwe woont in zijn heilig paleis, d.w.z. in de hemel, waar Hij zijn troon heeft. Zittend op zijn troon spreekt Hij recht. Jahwe’s ogen zien alles, ook wat de vijanden ‘in het donker’ beramen tegen de dichter. Door zijn ‘wimpers’ neemt Hij alle mensen waar . Zoals iemand zijn ogen samenknijpt en door zijn wimpers kijkt, turend om de dingen scherp te zien, zo ontgaat aan Jahwe’s blikken niets (vs. 4).
Dit doorgronden van de mensen, van de rechtvaardigen en de goddelozen, heeft gevolgen. Die gevolgen zijn ernstig voor wie geweld bemint, terwijl Jahwe dit geweld juist haat (vs. 5). In het Hebreeuwse woord voor ‘geweld’ ligt de brutaliteit opgesloten, waarmee de machtigen en rijken arme en weerloze mensen uitbuiten (zie o.a. Amos 3,10; 6,1vv; Micha 6,12; Sef. 1,9).
Het vonnis over dergelijke mensen is vernietigend. Jahwe stort een regen van vurige kolen en zwavel over hen uit. Het oordeel over Sodom en Gomorra krijgt een vervolg (vgl. Amos 4,11; Ps. 18,8v). Op een hete en verstikkende woestijnwind worden de goddelozen onthaald. Ze moeten deze ‘beker’ leegdrinken (vs. 6). Ieder krijgt uit deze beker z’n deel te drinken. En dat is onheilspellend, want de inhoud van de beker is een verschroeiende wind, waaraan men zich dood zal drinken.
Het beeld van de beker vinden we vaker in Psalmen. In een aangename betekenis treffen we het aan in 16,5: Jahwe is mijn erfdeel en mijn beker (vgl. ook 23,5; 116,13). In een onaangename betekenis gebruikt 75,9 het beeld van de beker: de goddelozen moeten zelfs de droesem van de bittere wijn in de beker opdrinken. We kunnen ook op de beker van ‘Gods toorn’ wijzen in Jes. 51,17 e.a.p.
In 11,5-6 worden de gevolgen getekend van Jahwe’s ingrijpen om de goddelozen te treffen. Maar de psalm eindigt met de verheugende gevolgen voor de ‘oprechten’. Deze aanduiding kwamen we al tegen in 7,10 en 11,2, waar sprake is van de ‘oprechten van hart’. Zij gaan geen kronkelwegen, maar bewandelen de wegen van het recht. Het zijn dezelfde mensen als de ‘rechtvaardigen’. Welnu, Jahwe is zelf rechtvaardig en heeft (dus) alles lief wat rechtvaardig mag heten. Daarom zal de ‘oprechte’ die bij Hem schuilt (vs.1) zijn gelaat aanschouwen (vs. 7). Jahwe, die zich in zijn toorn voor de goddelozen verbergt en daarmee hun ondergang bewerkt, laat het licht van zijn gelaat over de oprechte schijnen (o.a. 4,7; 17,15; 21,6v).
Het ‘aanschouwen’ van Jahwe’s gelaat moeten we niet in de letterlijke betekenis nemen. Ex. 33,20 e.a. maken duidelijk dat geen mens God kan ‘zien’ en dan in leven kan blijven. Denk aan de reactie van Manoach op het zien van de engel van God: ‘dat wordt onze dood’, Recht. 13,22. Denk ook aan Jesaja’s reactie in zijn roepingsvisioen (Jes. 6,5). Gods gelaat aanschouwen is Hem in zijn tempel ontmoeten (42,3; 43,3; 95,2). In 11,7 zullen we de uitdrukking algemener moeten nemen: Men zal Jahwe zien, omdat Hij zijn barmhartigheid en reddend handelen aan de ‘oprechten’ zal tonen.
11.2. ALGEMEEN THEMA
Vertrouwenspsalmen
Er zijn een aantal psalmen die we vertrouwenspsalmen noemen. In onderscheid met de klaagpsalmen vinden we er geen oproep aan Jahwe in om uitredding. Wat deze psalmen onderscheidt van de dankpsalmen is het ontbreken van het danken voor of juichen over een bepaalde uitredding in de nood. Vaak komen er in klaagpsalmen onderdelen voor die van vertrouwen in Jahwe getuigen. We hebben dat al gezien in Ps. 3, 4-7; 4,9; 9,14-18. Maar kenmerkend voor een vertrouwenspsalm is nu juist dat zo’n psalm van begin tot eind van vertrouwen in Jahwe getuigt.
Er is wel enig verschil over het aantal vertrouwenspsalmen. Maar doorgaans rekenen we tot deze groep de volgende psalmen: 11; 16; 23; 27; 62 en 131. De meest bekende onder deze psalmen is onbetwist Ps. 23. Onder de beelden van Jahwe als ‘mijn herder’ en die ‘mij aan tafel nodigt’ (als gastheer) kan deze psalm bij uitstek het vertrouwen vertolken dat de Israëliet in Jahwe stelde. Of deze psalm zo idyllisch is als zij lijkt, zullen we bij de bespreking van de psalm zelf nader onder ogen zien.
De tekst van Psalm 11 laat wel heel duidelijk zien dat iemand ook in zeer roerige omstandigheden zijn vertrouwen geheel op Jahwe kan stellen. Met de Latijnse woorden: saevis tranquillus in undis – ‘rustig te midden van de woedende golven’ (het devies van prins Willem I), zou men deze psalm kunnen typeren.
11.3. VAN OT NAAR NT
Ps. 11 vinden we niet terug in het NT, ook al doen enkele uitdrukkingen ons herinneren aan deze psalm. Zo Openb. 14,10, waar we van de beker van Gods toorn lezen, die de aanbidders van het beest en zijn beeld zullen moeten drinken. Ook daar wordt over een pijniging met vuur en zwavel gesproken.
Het schuilen bij Jahwe en het mogen aanschouwen van zijn gelaat, waarover Ps. 11 spreekt, krijgen hun vervulling in wat het NT over Jezus Christus zegt. Schuilen bij God doen wij als wij in Jezus Christus geloven. En van Hem geldt: wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien’(Joh. 14,9). Aan Hem als het beeld van God (Kol. 1,15) zullen wij gelijkvormig worden (Rom. 8,29; 2 Kor.3,18).
Ps. 11 kondigt het oordeel aan, waarin God scheiding aanbrengt tussen de goddelozen en de rechtvaardigen. Volgens het NT zal dit oordeel door Jezus Christus geveld worden. Hij zal als de Mensenzoon scheiding maken tussen de goeden en de kwaden (Matt. 25,31vv; Openb. 19,11vv). Het NT spreekt zowel over de rechterstoel van God (Rom. 14,10) als over die van Christus (2 Kor. 5,10).
Ook de boodschap van Ps. 11 om niet te wijken voor de druk van de tegenstanders en het strijdtoneel niet te ontvluchten, maar juist vertrouwen te hebben in de macht van Jahwe, krijgt in het NT weerklank. We kunnen bv. denken aan de bezorgdheid van de ‘kleingelovigen’ over hun eten, drinken en hun kleding in plaats van te vertrouwen op de macht van hun Vader (Matt. 6,30). En aan het ontbreken van dit vertrouwen bij de discipelen tijdens een storm op het meer (Mat. 8,26) en bij Petrus die over het water Jezus tegemoet wilde lopen (Matt. 14,31).
11.4 VOOR VANDAAG
1. Psalm 11 kan ons moed geven om op onze post te blijven. De grond wordt soms heet onder onze voeten. We hebben dan de neiging de verantwoordelijkheid die op ons rust, van ons af te schudden. Altijd zijn er argumenten die we zelf bedenken, of die vrienden ons aanreiken om de strijd te staken. In plaats van te vluchten moeten we onze toevlucht nemen tot God. Dat geldt zeker als Gods woord ons oplegt te spreken en niet te zwijgen. Jezus heeft alle macht ontvangen in hemel en op aarde en gaf de belofte, dat Hij met ons is tot aan de voltooiing van deze wereld (Matt. 28,18vv). Die belofte moet vertrouwen geven dat we onze roeping kunnen volbrengen en die niet mogen ontlopen. De moeiten ervan heeft Jezus ons voorgehouden, bv. in Matt. 10,19-39. Maar het vertrouwen dat Ps. 11 aan de dag legt over Jahwe, bij wie hij kan schuilen, geldt voor ons als wij aan Jezus’ macht denken en aan de Geest van zijn Vader, die ons de woorden in de mond legt (Matt. 10.20).
2. Mogen we dan nooit vluchten? Zeker wel, ook David is meerdere malen gevlucht, zoals wij al zagen. Maar altijd zal dan beslissend zijn waarom wij vluchten. Is het om onze verantwoordelijk van ons af te schudden, of trekken wij ons terug om een afwachtende houding aan te nemen en na verloop van tijd des te beter te kunnen functioneren? Vergelijk het Franse gezegde: reculer pour mieux sauter (terugwijken om beter te springen)! Wie geen profeet is omwille van de verdienste (een profeet ‘die brood eet’, Amos 7,12vv), maar omdat hij God wil na spreken, blijft op zijn post, zoals ook Amos zich niet liet afschrikken door Amasja.
3. Ps. 11,5b zegt enerzijds dat Jahwe hen haat die geweld liefhebben, terwijl onmiddellijk daarna (11,6) van Jahwe wordt gezegd dat Hij het zwaarst denkbare geweld tegen deze mensen zal gebruiken! Dat laatste is niet typisch oudtestamentisch, want hetzelfde kunnen we van Jezus Christus zeggen. Enerzijds prijst Jezus de vredestichters gelukkig (Matt. 5,9.21vv), verbiedt Hij Petrus het zwaard te gebruiken (Matt. 26,52) en legt Hijzelf de weg naar het kruis af, zonder dat van zich af te schudden met geweldsmiddelen waarover Hij zou kunnen beschikken (Matt. 26,53). Anderzijds schuwt Hij het conflict niet (‘Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard, Matt. 10,34) en gooit Hij in de tempel de tafels van de geldwisselaars om (Matt. 21,12). Wat Ps. 2,9 zegt over de Zoon die de volken met een ijzeren staf zal breken en als een aarden pot zal stukslaan, zal Jezus Christus in groot machtsvertoon laten zien, hetzij zelf, hetzij door zijn dienaars, die Hem volgen tot het einde (Openb.2,26v; 12,5; 19,15).
11.5. VERANTWOORDING
In 11,1 (slot) lees ik met anderen de Hebr. tekst als volgt: nūdū har kemō ṣippōr: ‘vlucht (qetib, plur.: de dichter en zijn gevolg) naar de bergen als een vogel’.
11,3 veronderstelt bij een modale vertaling (wat kan de rechtvaardige doen?) een ipf. (jif‘āl) en geen pf. Wie het pf. leest, moet vertalen: ‘wat heeft de rechtvaardige gedaan?’, of: wat heeft de rechtvaardige bereikt?’
11,6 lees pachamē (‘kolen’) in plaats van pachīm (‘strikken’, zoals SV vertaalt).
PSALM 12
12.1. UITLEG
Psalm 12 is een klaagpsalm. Het opschrift is ongeveer gelijk aan dat van Ps. 6. Wat ik daar over het raadselachtige van dit opschrift gezegd heb, geldt ook hier. We kunnen Ps. 12 rekenen tot de klaagpsalmen van het volk. Het gaat niet over persoonlijk leed alleen, maar over een zonde die heel het volk heeft besmet, nl. leugen en bedrog.
In allerlei tijden kan Ps. 12 gedicht zijn, omdat het genoemde kwaad, dat in deze psalm op de voorgrond staat, altijd weer voorkomt. Ook in de tijd van David past de psalm, als we bv. denken aan de opstand van Absalom tegen zijn vader en de intriges van geweld en bedrog, die daarmee gepaard gingen. Ps. 12 past prima als vervolg op Ps. 11!
De psalm kunnen we als volgt indelen:
1) De dichter roept om Jahwe’s ingrijpen in de crisis waarin het volk zich bevindt (2-5);
2) Daarop volgt het goddelijk antwoord (6);
3) De dichter reageert vol vertrouwen (7-9).
ad 1) Meteen wordt in de psalm de roep om hulp uitgesproken: ‘grijp in, Jahwe!’ Dat gebeurt wel vaker, o.a. 59,2. Wel is ditmaal de roep niet persoonlijk gericht (red mij), maar wordt om Jahwe’s ingrijpen gevraagd met het oog op de algemene situatie waarin het volk (Israël) zich bevindt. Er zijn geen ‘vromen’ meer (NBG); zij die betrouwbaar zijn onder de mensen, ontbreken (2). We moeten hier denken aan mensen op wie men aankan, mensen die doen wat zij zeggen. ‘Vroom’ is de vertaling van het Hebr. chāsīd. De chāsīdīm zijn mensen die chèsèd bewijzen, d.w.z. trouw laten blijken en barmhartigheid tonen. Zij zijn goed voor hun volksgenoten en doen wat zij beloven. Zich mooi voordoen, maar vervolgens heel anders handelen in de praktijk is er niet bij. Het zijn mensen uit één stuk.
Dat we in deze richting over de ‘vromen’ moeten denken, blijkt wel uit de vss. 3-5, waar ons een heel ander slag mensen beschreven wordt. Zij beliegen elkaar allemaal; zij spreken ‘dubbelhartig’ en met ‘gladde lippen’ (3). Het klinkt allemaal mooi, maar hun woorden zijn vals en verraderlijk. Bovendien gaan ze er nog prat op ook dat ze hun naaste om de tuin leiden. ‘Met onze tong zijn wij sterk’, ‘onze lippen’ gebruiken we zo goed mogelijk en we redden onszelf uitstekend. Wie is er baas over ons behalve wijzelf (12,5)?
Deze trotse houding lijkt in alles op wat we in 10,5 uit de mond van de ‘praktische atheïsten’ hoorden. Niet God, maar zijzelf bepalen wat zij zullen zeggen en doen.
De dichter denkt er anders over. Hij spreekt de hoop uit dat Jahwe al die gladde lippen en elke mond vol grootspraak zal afsnijden (4). Daarmee roept hij om de dood van deze ontwrichters van de samenleving.
ad 2) Jahwe antwoordt op de roep van de dichter om hulp. ‘Vanwege het onderdrukken van de zwakken en het zuchten (kreunen) van de armen zal Ik nu opstaan’, zegt Jahwe’ (6). Het kreunen van de armen hoeft geen gebed te zijn, het kan ook een uiting in nood en pijn zijn. Woorden om te bidden heeft men misschien niet meer. Maar Jahwe weet genoeg om te begrijpen waarom zij Hem roepen op te staan en in te grijpen. De woorden die daarop in dit vers nog volgen, worden heel verschillend vertaald. Aan de vertaling van NBG (‘Ik stel in veiligheid die daarnaar smacht’) en NBV (‘Ik breng de redding die zij verlangen’) ligt eenzelfde tekstuitleg ten grondslag. Maar anderen denken bij het laatste Hebr. woord in dit vers aan ‘blazen’, en menen dat het dan gaat over de vijanden. Jahwe zal de zwakken en armen redden van de vijand die tegen hen dreigend blaast! In elk geval is de bedoeling van het vers duidelijk: Jahwe zal nu de mensen die zich weerloos voelen, te hulp schieten tegenover de vijanden, die zich met hun leugen en bedrog sterk maken.
Meestal wordt in de ‘wending’ die Jahwe zal brengen, de uitschakeling aangekondigd van de vijanden. In deze psalm wordt de bevrijding van de onderdrukten gemeld. Uiteraard is het een de keerzijde van het ander.
ad 3) De reactie op deze boodschap van Jahwe lezen we in het laatste gedeelte van de psalm (7-9). De dichter is verheugd over dit woord van Jahwe, omdat het zo betrouwbaar is. Alle woorden van Jahwe zijn immers zuiver. Daaraan hoeft niet getwijfeld te worden, net zo min als aan de puurheid van zilver dat zevenmaal gesmolten is in de smeltkuil, zodat het daarmee ook het laatste restje onzuiverheid verloren heeft. Smeltovens werden in de grond aangebracht. Het is een beeld waarin de kwaliteit van Jahwe’s woorden vergeleken wordt met het resultaat van een optimaal zuiveringsproces op aarde. Het gaat er dus niet om dat het woord van Jahwe zelf door de smeltkroes is gegaan. De dichter zal met opzet hier de woorden en niet de daden (van uitredding) betrouwbaar noemen. De daden zijn natuurlijk ook betrouwbaar. Op de daad van uitredding voor de ellendige in Israël mogen deze mensen vertrouwen, maar dat doen zij door de woorden van Jahwe als betrouwbaar te aanvaarden. Zie verder 12.2 Algemeen thema.
Men vertaalt 12,8 verschillend. Staat er dat Jahwe zijn woorden zal bewaren (NBG: ‘Gij, HERE, zult ze gestand doen’)? Of moeten we lezen dat Jahwe de ellendige en armen zal bewaren (NBV: Behoed hen, HEER)? Beide is waar. Maar gelet op het feit dat wat erop volgt ook persoonlijk bedoeld is, kunnen we beter niet aan het bewaren van Jahwe’s woorden denken. ‘U zult hen (anderen: ons) altijd beschermen tegen dat geslacht (nl. van de leugenachtige onderdrukkers)’.
Het slot van Ps. 12 heeft iets eigenaardigs. Als Jahwe nu zal ingrijpen (12,6), hoe is het dan mogelijk dat de psalm eindigt met de constatering dat de goddelozen nog blijven rondlopen (NBG)? Of dat de verraders overal blijven rondsluipen (NBV)? De gemeenheid onder de mensen steekt nog steeds de kop op (12,9). Deze spanning merken we in meer psalmen. Ik wijd aan de vraag die hier rijst een apart onderdeel. Zie het vervolg.
12.2. ALGEMEEN THEMA
Roepen om uitredding – Jahwe’s toezegging en ….wachten!
In tal van psalmen roept of schreeuwt de dichter om uitredding. Hij smeekt om die redding voor zichzelf of voor anderen (zoals in Ps. 12). Het kan over weerloze en arme mensen gaan, maar soms ook over voor het hele volk (bv. Ps.44; 60). Meer dan eens krijgen we nog in de psalm zelf Jahwe’s gunstig antwoord te lezen. We hebben dat bij de bespreking van Ps. 5 al vermeld. Ook de dichter van Ps. 22 maakt er melding van: ‘U geeft (hebt gegeven) mij antwoord’ (22,22).Daarna verandert een psalm van karakter en gaat men Jahwe prijzen.
Zo’n overgang (‘wending’) heeft velen ertoe gebracht de betreffende psalm een plaats te geven in de cultus. De klager zou een tijd (bij voorkeur in de nacht) in de tempel hebben doorgebracht, en wachtte na zijn klacht op het antwoord van Jahwe, dat hem via een priester bereikte. Helaas wordt dat in geen enkele psalm uitdrukkelijk gezegd. Dat zagen we al in de bespreking in 5.2. ‘Asiel en rechtspreken in de tempel?’
Maar een bepaalde volgorde is vaak wèl duidelijk. De dichter roept eerst om uitredding en vervolgens vermeldt hij nog in dezelfde psalm het antwoord van Jahwe. Ook in Ps. 12 is dat het geval, zoals we zagen. Het bijzondere echter in deze en andere psalmen is dat het antwoord van Jahwe niet tot een directe verhoring leidt, zodat de klagers van hun ellende (ziekte, vernedering, vervolging, etc.) meteen bevrijd worden. Dat blijkt uit 12,9. De situatie blijft nog even slecht als zij was: de vijanden zijn niet uitgeschakeld, maar nog heer en meester!
Zo zijn er meer psalmen, waarin de dichter ervan overtuigd is dat hij bevrijd zal worden. Zie bv. 25,15: ‘Ik houd mij oog gericht op Jahwe, hij bevrijdt mijn voeten uit het net’. Maar aan het einde van deze psalm is dat nog niet het geval.
Wat is dan de houding die de klagende dichters aannemen? Zij blijven vertrouwen op Jahwe. De woorden die Hij gesproken heeft, spreekt of nog zal spreken, zijn door en door betrouwbaar (12,7). Ook al breekt het wonder nog niet door, men kan er zeker van zijn dat dit zal gebeuren.
Het is daarom (ik herhaal het) niet toevallig dat 12,7 over de volstrekte betrouwbaarheid van Jahwe’s woorden spreekt. Men kan zich daaraan vastklampen, ook al zit er nog een tijd tussen de aankondiging van zijn redding en deze redding zelf in. Vaak lezen we de oproep om te wachten op Jahwe, Hem te verwachten (25,3.5.21; 27,14; 37,9.34), of op Hem te hopen e.d. (31,25; 33,18; 38,15). Terzijde: heel duidelijk komt in Ps. 42,12 uit hoe op het hopen de redding en op de redding het loven van God volgt: ‘Vestig je hoop op God, eens zal ik Hem weer loven, mijn God die mij ziet en redt’ (NBV).
Onder de Joodse opvattingen over de psalmen treffen we een chassidische wijsheidsspreuk aan: ‘reken niet op wonderen, maar reciteer psalmen!’ Dat is kras gezegd, maar de bedoeling zal zijn: wees niet overspannen in je verwachtingen dat God je onmiddellijk uit je nood redt; maar blijf hopen op God dat de situatie niet blijft zoals je die aantreft. En put daarvoor moed uit de woorden van de psalmen!
12.3. VAN OT NAAR NT
Psalm 12 wordt nergens in het NT geciteerd, maar de boodschap ervan ontbreekt in het NT niet. Jezus Christus heeft tijdens zijn leven op aarde talloze wonderen verricht en ook grote wonderen in het vooruitzicht gesteld. Wat zijn leerlingen van Hem ook vragen, Hij zal het geven (Joh. 14,12v). Een vroom leven houdt de belofte in voor dit leven en voor het leven dat komen zal, schrijft Paulus. Deze boodschap noemt hij betrouwbaar, al weet hij van ‘zwoegen en strijden’. Maar ‘onze hoop hebben wij gevestigd op de levende God’ (1 Tim. 4,8vv). Dat is geen andere taal dan die van de oudtestamentische gelovigen. Gelovigen roepen om uitkomst en tegelijk weten zij wat verwachten en hopen is.
Deze verwachting kan tot een aanvechting worden. Johannes de Doper is daarvan een voorbeeld. Hij zag in Jezus de Messias, maar raakte later toch aan het twijfelen. ‘Bent u degene die komen zou, of moeten we een ander verwachten?’ (Matt. 11,2vv).
Er zijn genoeg mensen die elk gebed om persoonlijke genezing en ook het grote gebed om de wederkomst van Jezus Christus (Openb.22,17) dwaasheid vinden. Reeds Petrus wist ervan dat velen smalend zouden spreken over de terugkeer van Jezus. Hij weerlegt deze spotternij door op het woord te wijzen, waarmee de wereld geschapen werd en de huidige wereld bewaard wordt voor de dag van het oordeel. Dat die dag nog uitblijft, heeft z’n reden, maar de Here komt zijn belofte na ( 2 Petr. 3,3vv)!
Fundamenteler dan het OT dit kon zeggen, brengt het NT onze veiligheid onder woorden door ons te wijzen op God die ons gered heeft uit de macht van de duisternis en ons overgebracht heeft naar het koninkrijk van zijn geliefde Zoon (Kol. 1,13). Het nieuwe leven bezitten wij reeds, al is het ‘verborgen met Christus in God’(Kol. 3,3). Die verborgenheid betekent zeker niet dat wij niet weten waar wij aan toe zijn. Kol. 3,5vv–4,6 laat juist heel concreet zien wat de dagorder is die we vanuit de hemel van Jezus Christus ontvangen.
12.4 VOOR VANDAAG
1. Ps. 12 laat ons de kracht van de leugen en de macht van het woord zien. De tong is een bijzonder orgaan, dat als een boog gespannen kan worden om er bedrog en onbetrouwbaarheid mee af te schieten (Jer. 9,2). Het NT is niet minder duidelijk over de tong. Dit kleine orgaan, dat als roer een groot schip in die richting stuurt, die de stuurman wil. Een kleine vlam veroorzaakt een grote bosbrand. Dat vuur komt uit de hel en brengt onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn teweeg (Jak. 3,4-8).
2. We moeten bedenken dat deze woorden niet als waarschuwing aan heidenen werden voorgehouden, maar voor het volk Israël bestemd waren, en na hen voor de nieuwtestamentische gemeente. Ook daar kan het voorkomen dat er nauwelijks meer ‘vromen’ zijn op wie men aankan. De betrouwbare woorden van God worden vergeten en sprekers met gladde lippen oefenen een macht uit die kerken kan hypnotiseren. Zelfs kan dat gebeuren onder de bedrieglijke leus van ‘leve de tempel van Jahwe’ (vgl. Jer. 7,4vv) of ‘leve de kerk van Jezus Christus’, hoe treurig de situatie er ook uit ziet van de concrete kerk waaraan mensen met zulke optimistische leuzen zelf verbonden zijn.
3. Het erkennen van de macht van de leugen en leugenaars om ons heen moet ons er niet toe verleiden dat wij gaan twijfelen aan wat Ps. 12,7 ons inprent: ‘de woorden van Jahwe zijn zuiver’. Ps. 12 wil ons ervoor behoeden, dat we ons, ook als het kwaad van de leugen een geweldige macht blijft (12,9!) niet meer aan het verschil tussen wat waar en wat leugenachtig is, zouden vasthouden. Er zijn ook ‘zwakken’ en ‘armen’, die materieel niets tekort komen, maar geestelijk gemakkelijk een prooi worden van dwaalleer. Het is onvermijdelijk dat er mensen ten val worden gebracht, maar wee de mens die de valstrik zet (Matt. 18,7)! De strijd in de kerk moet niet gestaakt worden. Ik stem in met de opmerking van Franz Delitzsch over Ps. 12: de ware gemeente van Jahwe was reeds destijds, zoals steeds weer, een gemeente van belijders en martelaren. En het zuchten naar de toekomst van Jahwe was destijds niet minder diep dan nu met het ‘Kom, Here Jezus’.
4. Het is de vermelding waard erop te wijzen hoe in Ps. 11 de dichter bij Jahwe schuilt, terwijl in Ps. 12 het accent valt op de woorden van Jahwe. Tussen die twee moeten we niet kiezen. Jahwe en zijn ‘woorden’ zijn één en ondeelbaar. Evengoed is het dwaas een tegenstelling te creëren tussen Christus als persoon en het Bijbels getuigenis over Christus. Wij kennen God de Vader en Jezus Christus zijn Zoon niet anders dan via de weg van het geloof in wat de Bijbel over de drie-enige God zegt.
12.5. VERANTWOORDING
De macht van de leugenaars tegen de achtergrond van de ‘vromen’ (12,2) komt in NBG wel, maar in NBV niet duidelijk uit.
O.a. H.J. Kraus, Psalmen I (BKAT), Neukirchen 1960, 93 vertaalt de laatste Hebr. woorden van 12, 6b (fūaḥ lō) met : ‘tegen wie men blaast’. Maar het ligt meer voor de hand hier te denken aan de veiligheid die Jahwe zal geven: ‘aan wie daarnaar verlangt’.
WV 95 vertaalt 12,9 fraai als volgt: ‘Overal doen schurken hun ronde/ en slechtheid viert hoogtij onder de mensen’. Het ligt meer voor de hand in 12,9 berūm i.p.v. kerūm te lezen.
De chassidische spreuk ‘Reken niet op wonderen, maar reciteer psalmen’ ontleen ik aan Erich Zenger, Psalmen, Auslegungen I, Freiburg 1996,9vv.
PSALM 13
13.1. UITLEG
Psalm 13 is een klaagpsalm. Op grond van de inhoud valt onmogelijk te zeggen op welke situatie de nood, waarin de dichter zich bevindt, betrekking heeft. Het is volgens het opschrift opnieuw een psalm van David, in wiens leven zich meer dan eens omstandigheden kunnen hebben voorgedaan die tot het dichten van de psalm aanleiding gaven. We bedenken ook hier (zie 3.2 Algemeen thema, ‘Een psalm van David’) dat de omstandigheden algemeen beschreven kunnen zijn, zodat velen zich in deze psalm kunnen herkennen, ongeacht de tijd.
De opbouw van deze korte psalm stelt ons niet voor problemen. Aan de hand van de volgende indeling bespreek ik haar:
1) De dichter vraag hoelang hij nog moet worden gekweld voor Jahwe hem redt (2-3);
2) Hij bidt om uitredding (4-5).
3) Hij vertrouwt erop dat Jahwe hem redt en hij Hem daarvoor kan danken (13,6).
ad 1) In de eerste verzen (2-3) klaagt de dichter over de grote nood waarin hij verkeert. Hij geeft achtereenvolgens aandacht aan zijn relatie met Jahwe (2), aan z’n eigen moeite en aan zijn vijanden (3). Om het op moderne wijze te schematiseren: achtereenvolgens klaagt hij over zijn religieuze, zijn psychische en zijn sociale moeiten.
Allereerst roept hij uit: ‘Hoelang nog?’, met als achtergrond dat hij al lange tijd in grote moeite verkeert en zich afvraagt hoelang het nog moet duren voordat Jahwe ingrijpt. Dit ‘hoelang nog?’ krijgt een eerste verduidelijking in de klacht van de dichter dat Jahwe hem vergeten is. We moeten daarbij niet denken dat Jahwe niets van zijn huidige omstandigheden zou afweten. Maar Jahwe doet niets voor hem. Het geroep van de ellendigen vergeet Jahwe niet, hebben we eerder gehoord (9,13), Hij legt het in zijn hand om krachtig in te grijpen (10,14). Maar de dichter ondervindt dit helemaal niet en dat maakt hem radeloos. Wat hij ervaart, is iets heel anders. Jahwe verbergt zijn gelaat voor hem. Daarmee wendt hij zijn gelaat juist af van de ellende waarin de dichter verkeert. Als Jahwe zijn gelaat over mensen laat schijnen, is er geluk en vreugde voor hen (4,7; 11,7; Num. 6,25). Maar keert hij zijn gelaat af (10,1; 22,25), dan ervaren de vromen dit als Jahwe’s toorn (27,9).
Er is geen reden om te veronderstellen dat de dichter zich om een bepaalde reden schuldig voelt tegenover Jahwe. Daarom juist roept hij in wanhoop uit hoelang die afwending van Jahwe’s gelaat nog moet duren.
De wanhoop die de klager heeft aangegrepen, brengt hem tot een volgend ‘Hoelang nog?’ Hoelang ‘zal ik nog plannen koesteren’? (13,3a, NBG). Het Hebr. woord dat hier met ‘plannen’ wordt weergegeven, wekt bevreemding. In verband met wat in vs. 3b volgt, heeft men ook in 3a gedacht aan ‘zorgen’, die de dichter kwellen (NBV: Hoelang nog wordt mijn ziel gekweld door zorgen?). Maar waarom zou de gewone betekenis niet kunnen gelden? De klager wordt dwarsgezeten door vijanden en voortdurend zal hij plannen bedenken om onder die druk vandaan te komen. Zorgen kwellen hem elke dag weer.
Het vierde en laatste ‘Hoelang nog?’ laat zien dat de dichter het er moeilijk mee heeft dat Jahwe hem vergeet. Want hij vestigt Gods aandacht nu op zijn vijanden, die op zijn ondergang uit zijn en inmiddels aan de winnende hand zijn (13,3b). De dichter vraagt zich af hoelang dat nog zal duren. Als het zo doorgaat, betekent dat het einde van zijn leven.
Moeten we aannemen dat de klager ernstig ziek is? Het ligt meer voor de hand dat hij psychisch aan het eind is en daardoor ook lichamelijk zwak, zonder dat hij een levensbedreigende ziekte heeft.
ad 2) De viervoudige klacht gaat in vs. 4 over in een vurig gebed. Daarin snijdt de dichter drie zaken aan. Allereerst smeekt hij om aandacht, zodat Jahwe hem weer ziet en naar hem omkijkt. Hij houdt het niet uit onder het van hem afgewende gelaat van Jahwe, en vraagt om herstel van de relatie. Hij wil dat Jahwe hem weer antwoordt. Daarmee vraagt hij nog niet dat Jahwe hem uit zijn misère redt. Hij vraagt om gezien en gehoord te worden, niet om verhoord te worden. Hij wil van Jahwe aandacht voor zijn klacht en zijn gebed.
We hebben met een fijngevoelig gebed te maken, waarin de klager niet direct begint over redding uit zijn benarde situatie, maar eerst bidt om herstel van zijn verstoorde relatie met Jahwe. Hij spreekt van ‘mijn’ God, omdat hij zich bewust is van het feit dat hij tot het volk van Israël behoort, waarmee Jahwe een verbond heeft gesloten. Maar de klager ervaart daarvan niets.
In het tweede verzoek vraagt de dichter ook nog niet om uitredding, maar ‘slechts’ om verlichting van zijn ogen. Dit verzoek houdt in dat hij om nieuwe kracht vraagt. Aan de ogen van de mens – dof of helder – kan men zien of iemand geestelijk en lichamelijk uitgeput is, of in staat is zijn weg te vervolgen. Ezr. 9,8 vermeldt dat God in de tijd van de ballingschap de ogen deed oplichten en ‘ons in onze slavernij weer wat levensmoed heeft gegeven’(NBV). Denk ook aan de uitgeputte Jonathan, wiens ogen weer helder stonden na het gebruik van honing (1 Sam. 14,27). Een arme en een verdrukte hebben dit gemeen, zegt het Spreukenboek, dat Jahwe hun beiden het licht in de ogen geeft (Spr. 29,13). In onze psalm vraagt de dichter om nieuwe kracht, om niet volledig uitgeput te raken en daardoor weg te zinken in de dood. Ondanks zijn wanhoop wil hij toch liever de strijd met Jahwe en zijn vijanden voortzetten dan sterven.
In de derde plaats zou de dood van de klager een overwinning voor zijn vijanden betekenen (13,5). Jahwe kan toch niet toelaten dat de vijanden van de dichter, die ongetwijfeld ook Jahwe’s vijanden zijn, een overwinning vieren? Laat het toch niet zo zijn, dat zijn vijand zal uitroepen: ‘ik ben hem (de klager) de baas geworden!’ En laat zijn tegenstanders niet staan te juichen als hij wankelt en daardoor in de dood tuimelt!
ad 3) In vs. 6 spreekt de klager zijn vertrouwen in Jahwe uit. ‘Ik vertrouw op uw liefde’ (NBV). Het Hebr. woord (chèsèd) wijst op een relatie tussen vrienden of, zoals hier tussen bondgenoten, tussen God en zijn volk. Zie reeds in 5,8 en 6,5. Het is treffend dat de dichter dit woord kiest. Hij heeft zijn wanhopige twijfel onder woorden gebracht over Jahwe, die een vreemde voor hem geworden was. Maar hij sluit af met het woord dat op een herstelde relatie wijst. ‘Ik heb mijn God weer terug’, zou hij kunnen zeggen. Hij heeft weer vertrouwen in God en in de liefde die Jahwe hem zal bewijzen. Zijn wanhoop is veranderd in hoop, zijn verdriet in gezang, omdat Jahwe redding zal brengen. Hij wil weer zingen voor Jahwe, die hem geholpen heeft.
De psalm is kunstig opgebouwd. Naar verhouding is de klacht breed, het gebed korter en wordt het vertrouwen het kortst onder woorden gebracht.
Is er hier sprake van een ‘wending’, die tot stand is gekomen omdat de klager een goddelijk ‘orakel’ heeft ontvangen dat hij gered zal worden (van zijn vijanden)? We mogen aannemen dat niet zijn vijanden over hem, maar hij over zijn vijanden getriomfeerd heeft. Maar uit het slotvers kan niet worden geconcludeerd dat hem zoiets door priesterlijke tussenkomst in de tempel is meegedeeld (zie bij 5.2. ‘Asiel en rechtspreken in de tempel?’). Het is evengoed mogelijk dat de dichter zijn vertrouwen in God heeft teruggekregen en er vast op vertrouwt dat Jahwe hem uitredding zal schenken.
13.2. ALGEMEEN THEMA
Het voordeel van historische plaatsing van een psalm
In 3.2 Algemeen thema ‘Opschrift boven de psalmen’ heb ik op de betrekkelijke waarde van het opschrift ‘Een psalm van David’ gewezen. Is zo’n psalm altijd door David gedicht? Kwam hij ‘uit de bundel van David’, zonder David zelf als dichter te hebben? Is er soms boven de psalm gezet ‘van David’, omdat men in latere tijd de situatie in een psalm verbond aan wat David overkomen was?
In verband met het ontbreken van historische details zijn velen van mening dat de psalmen met opzet algemeen zijn gehouden. De meer algemene formuleringen maken een bredere toepassing mogelijk heb ik in 3.2 al opgemerkt.
Toch is het voor een goede voorstelling van wat een ‘psalm van David’ beoogt, vaak van betekenis om zijn levensgeschiedenis voor ogen te hebben. Neem Calvijns verklaring van Ps. 13. Hij laat daarin fraai zien hoe in deze klaagpsalm de dichter zich van God verlaten kon voelen. Daarvoor denkt Calvijn aan het conflict tussen Saul en David. David was aanvankelijk volgens Calvijn nog gehaat bij het grootste deel van het volk. Bijna allen, aldus Calvijn, waren van mening dat God niet minder vijandig tegenover David stond dan tegenover Saul en andere vijanden.
Zo’n gegeven kan ons helpen ons een voorstelling te maken waarom de dichter over zijn verlatenheid door Jahwe klaagt. Vanuit de situatie Saul-David kunnen we ons de klacht in Ps. 13 goed voorstellen. Saul vond geen genade meer in Gods ogen, maar dat betekende nog niet dat David zich altijd gesteund voelde door Jahwe. Saul had vijanden, maar David niet minder. David zag soms geen enkel straaltje hoop, naar welke kant hij ook keek. Bevangen door smart, riep hij het uit dat God niet naar hem omkeek!
Het is niet gezegd dat Calvijn hier historisch gelijk heeft. En zeker niet dat er geen andere situaties denkbaar zouden zijn, waarin een dichter de indruk kan hebben dat Jahwe hem vergeten is, terwijl zijn vijanden toch ook de vijanden van Jahwe zijn! Maar het is – vooral in de prediking – van groot belang een psalm zo aanschouwelijk mogelijk te maken. De ‘vijanden’ uit vs. 5 worden duidelijker mensen van vlees en bloed wanneer wij ze in een geschiedenis kunnen plaatsen dan wanneer het vijanden-zonder-meer blijven. Wij hebben (historische) illustraties nodig om ons een geestelijke worsteling zoals Ps. 13 die vermeldt, beter te kunnen voorstellen.
13.3. VAN OT NAAR NT
Onze psalm wordt in het NT niet geciteerd. Maar als een oudtestamentische psalm over Godverlatenheid spreekt, weten we dat dit fenomeen in het NT z’n uiterste diepte heeft gekregen in het lijden en sterven van Jezus Christus, met name toen Hij uitriep: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ (Matt. 27,46). Jezus haalt daarvoor Ps. 22,1 aan. Maar wat de dichter van die psalm heeft ervaren, vinden we ook in Ps. 13. De drie relaties die de dichter in 13,2 en 3 aanwijst (tot God, tot zichzelf en tot zijn vijanden), kunnen we zonder moeite ook in het lijden van Jezus terugvinden. Uiteraard kan geen gelijkteken gezet worden tussen het lijden in Godverlatenheid van de Israëliet en de gelovige in het NT enerzijds en dat van Jezus anderzijds. Niemands lijden behalve dat van Jezus is plaatsvervangend geweest om ons van onze zonden te bevrijden.
13.4 VOOR VANDAAG
1. Het is van belang bij het spreken over Godverlatenheid niet de ervaringen van Luther over ‘desperado’ (wanhoop) als uitgangspunt te nemen. Luther heeft ervaren wat wanhoop was toen hij meende de wet van God te moeten volbrengen. Dat lukte hem niet, omdat hij juist door de wet tot wanhoop werd gebracht en zich van God verlaten voelde. Totdat hij ontdekte dat de rechtvaardigheid ons geschonken wordt door de verdienste van Jezus Christus en we zo in vreugde God mogen ontmoeten, ondanks onze zonden. Voor de meeste mensen volgt de Godverlatenheid een heel ander spoor. We zagen dat er drie aspecten zijn: onze relatie tot God, tot onszelf en tot de vijand (de medemens). De ervaring van de Godverlatenheid begint in veel gevallen met moeiten die we juist met mensen krijgen. We ervaren vijandschap. Dat kan ons reeds tot wanhoop brengen, als de vijanden ons langdurig kwellen (3e relatie). We komen met onszelf in de knoop (2e relatie). En in die moeite kunnen we ons ook van God verlaten voelen (1e relatie). Moeite die men vandaag heeft over de afwezigheid van God moeten we proberen vanuit onze huidige omstandigheden te begrijpen. Er zijn meer vormen van wanhoop onder gelovigen dan die van Luther alleen!
2. We begrijpen veel psalmen beter als wij aandacht geven aan de drie relaties, waarin de mens tot God, tot zichzelf en tot zijn naasten staat. Van belang is het om te beseffen dat de eerste relatie het grootste gewicht heeft, zoals Ps.13 duidelijk laat merken. De weg mag van relatie drie (de naaste), via relatie twee (jezelf) naar relatie één (God) lopen, maar het doel is dat God zijn gelaat in vrede naar ons toekeert. De rust die de dichter vindt, is zijn vertrouwen op Gods liefde. Wij zeggen vandaag dat dit de liefde is die God in Jezus Christus toont. Deze relatie krijgt haar unieke uitdrukking in ons lied tot eer van God (13,6). Hoe belangrijk het bestrijden en verdwijnen van vijandige sociale relaties en het bevorderen van medemenselijkheid ook mogen zijn, het ‘ere zij God’ gaat vooraf aan alle ‘vrede op aarde’.
13.5. VERANTWOORDING
Het woord ‘plannen’ (Hebr.: ‘ēṣōt) wil J. Goldingay in Psalmen I, Grand Rapids 2006,206, wel letterlijk nemen, maar hij laat het slaan op de plannen van de vijanden. Het is, schrijft Goldingay, onmogelijk voor de klager om niet te denken aan de plannen die de vijanden tegen hem smeden. Dat zal zeker waar zijn, maar volgens de Hebr. tekst ligt het meer voor de hand dat hijzelf plannen beraamt (letterlijk: in zijn hart legt), om zijn vijanden te bestrijden.
PSALM 14
14.1 UITLEG
In Psalm 14 hebben we weer met een vertrouwenspsalm te maken, zoals in Ps. 11. De dichter wijst wel op groot verval onder zijn volk en over nood die daarvan het gevolg is. Maar hij klaagt niet bij Jahwe over zijn eigen nood. Jahwe wordt in deze psalm ook niet persoonlijk aangeroepen.
Opvallend is dat Ps. 53 woordelijk grotendeels gelijk is aan Ps. 14. De verschillen die er zijn tussen beide psalmen, kunnen we beter bij de bespreking van Ps. 53 aan de orde stellen.
In beide psalmen gaat het over dwaze mensen, die met God geen rekening houden en hun volksgenoten onderdrukken. Uit welke tijd de beide psalmen dateren, is op grond van de inhoud niet uit te maken. De getekende situatie zal in Davids dagen zijn voorgekomen, maar is zeker in alle tijden terug te vinden
We kunnen Ps. 14 goed in drie delen bespreken:
1) De dichter beschrijft het optreden van de dwazen, zoals Jahwe waarneemt (1-3);
2) Hij laat zien welke gevolgen dat in het volksleven heeft (4-6);
3) Hij spreekt zijn verlangen uit naar een keer ten goede voor Israël (7).
ad 1) ‘De dwaas zegt in zijn hart: er is geen God’ (1). De opmerking dat de dwaas dit in zijn hart zegt, moeten we niet opvatten alsof hij zich in het publiek mooier voordoet, en alleen maar heimelijk denkt dat er geen God is. Het gaat er juist om dat zijn hart beheerst wordt door de gedachte dat God niet ingrijpt en dat hij daarom in de praktijk kan doen wat hij wil. Zie 10,6; 58,3; 74,8, waar dezelfde uitdrukking ‘in zijn hart’ gebruikt wordt.
Dit verachten van God noemden we bij de bespreking van 10,4 ‘praktisch atheïsme’. De goddeloze uit die tijd zal nog niet hebben ontkend dat God bestaat (theoretisch atheïsme), ook al beweert hij dat er geen God is. ‘Er is geen God’ zouden we kunnen weergeven met ’God is er niet, Hij grijpt niet in’. Dat de dwaas geen theoretische atheïst is, is overigens geen verzachtende omstandigheid, want hij gaat vol overtuiging (in zijn hart!) zijn gang, omdat God hem toch geen halt zal toeroepen.
Zoals zo vaak in het Hebreeuws het geval is, gaat ook hier het enkelvoud over in het meervoud: de dwaas zegt … en ‘zij bedrijven gruwelijke en afschuwelijke misdaden’. Hier merken we ook dat het niet over theoretische gedachten gaat, waaruit de atheïst concludeert dat er geen God is. Het denken van de dwazen leidt ertoe dat zij tot afschuwelijke praktijken komen. De situatie is zo ernstig dat er niemand (onder hen) is die goed handelt.
Dat is niet slechts de mening van de dichter, want hij weet wat Jahwe ervan vindt. Jahwe kijkt vanuit de hemel beneden naar de mensen, om te zien of er één verstandig is, één die God zoekt (2). Het Hebr. woord voor ‘van boven naar beneden kijken’ wordt o.a. gebruikt voor koning Abimelech van Gerar, die vanuit zijn venster ziet dat Isaak met Rebekka aan het minnekozen was (Gen. 26,8). Zo tuurt ook de moeder van Sisera aan haar venster om te zien of haar zoon terugkomt (Recht. 5,28; vgl. ook 2 Sam. 6,16 en 2 Kon. 9,30). Hetzelfde wordt nu van Jahwe gezegd. Hij neemt vanuit de hemel waar wat de mensen beneden doen. Zie reeds 11,4. Het resultaat van Jahwe’s speurtocht is ontmoedigend. Allen zijn ze afgedwaald, allen ontaard, geen van hen deugt, niet één (2-3,NBV).
We stellen de vraag, of zo’n conclusie wel juist kan zijn. Is er geen overdrijving in het spel? Er zijn naast de dwazen toch ook nog wel goede mensen, zoals uit de vss. 5 en 6 valt af te leiden?! Maar ook al is dat zo, van overdrijving moeten we hier niet spreken. Wellicht kunnen we ons de situatie het best zo voorstellen: Jahwe ziet vanuit de hemel hoe de dwazen in Israël handelen en hoe zij het volledig voor het zeggen hebben. We moeten hier niet denken aan een inspectie door God van de hele wereldbevolking. Het gaat over de inwoners van het land van de dichter (‘mijn volk’,vs.4). Welnu, daar doet niemand nog goed (14,3b). De verdorvenheid beheerst het totale volksleven, omdat de dwazen alles onder controle hebben. De rechtvaardigen onder het volk kunnen niets meer ‘doen’, omdat ze alleen nog slachtoffer zijn van gruwelijke misdaden. Zie 11,3: ‘wat kan de rechtvaardige nog doen?’ en ook 12,2: ‘er zijn geen vromen meer’. Ze kunnen zich niet meer laten gelden, omdat ze óf vermoord óf onderdrukt worden (12,6). Zij vertonen zich niet meer. Ze tellen niet meer mee!
Het gaat in Israël, zoals het destijds ging met de wereld vóór de zondvloed: iedereen leidde een verderfelijk leven, de aarde was vol van onrecht (Gen. 6,11vv). Ook in dat geval spreken we niet van overdrijving. Noach was een uitzondering als rechtvaardige (Gen. 6,9), maar hij telde in de goddeloze wereld niet mee.
ad 2) Het gruwelijk karakter van wat de dwaze mensen doen, komt aan het licht. De dichter begint met zijn verbazing uit te spreken. Hebben ze dan geen kennis, die bedrijvers van ongerechtigheid? Kennen zij God dan niet, die een slachting onder rechtvaardige mensen toch niet ongestraft toelaat? Een dergelijke misdaad bedrijven de dwaze mensen: zij eten ‘mijn volk’ op, d.w.z. Israël als het volk van de dichter. Dat opeten gaat even gemakkelijk als het opeten van brood (4)! Zij blijven onder het uitmoorden van hun volksgenoten net zo onbewogen als wanneer ze een gewone broodmaaltijd gebruiken. Deze dwazen zouden zoiets wel uit hun hoofd laten als zij Jahwe aanriepen (4b). Zij prijzen hun God niet en bidden niet tot Hem. Ze zijn gezakt onder het niveau van wat ieder mens behoort te doen en lijken in hun optreden op een redeloos dier (vgl. 73,22).
Maar deze ‘bedrijvers van ongerechtigheid’ (reeds vermeld in 5,6; 6,9) zullen merken dat Jahwe beslist niet werkeloos in de hemel blijft toezien. Plotseling worden zij door een hevige angst aangegrepen. God trekt zich het lot van de rechtvaardigen aan en komt hun te hulp. Misschien wordt hier de aanduiding ‘God’ en niet ‘Jahwe’ gebruikt om te laten voelen dat de dwazen zich niet om ‘God’ bekommeren, maar dat deze God wel degelijk opkomt voor rechtvaardige mensen, die niet tevergeefs hulp bij Hem zoeken.
We kunnen vs. 6 als volgt vertalen: ‘Jullie (dwazen) willen het plan van de zwakken verijdelen, maar hun toevlucht vinden ze bij Jahwe’. Wat wordt hier met het woord ‘plan’ bedoeld? We zullen daarbij moeten denken aan het zoeken van hulp bij Jahwe. De dwazen die met God geen rekening houden, vinden zoiets belachelijk. Zij zullen door hun machtsvertoon wel even laten zien tegenover de rechtvaardigen dat niet God, maar zij het voor het zeggen hebben.
Het omgekeerde zal echter gebeuren. De angst die de dwaze mensen zal overvallen, voorspelt hún einde en de bevrijding van de mensen die zij hebben onderdrukt.
ad 3) Vs.7 roept om die bevrijding. Laat uit Sion toch redding komen voor Israël! Het is duidelijk dat die redding op grond van de vss. 5-6 wel verwacht mag worden, maar nog geen realiteit is. De keer in het lot van Jahwe’s volk moet nog plaatsvinden. Daarvoor slaakt de dichter in 14,7 een hartenkreet. Is die bevrijding er, dan zal Jakob weer juichen en Israël zich verheugen. Het volk van Jahwe is dan onder een vreselijke druk vandaan en het volksleven zal er weer blijk van geven dat de mensen God weer kennen en Hem weer aanroepen.
14.2. ALGEMEEN THEMA
De dwaas in de Bijbel
Op veel plaatsen in de Bijbel worden we met dwaasheid en met dwaze mensen geconfronteerd. Een van de bekendste dwazen is Nabal, de man van Abigaïl. Van hem wordt gezegd: ‘Nabal heet hij, een dwaas is hij’ (1 Sam . 25,25, NBG). Met het Hebr. woord nāvāl wordt ook de dwaas in Ps. 14 aangeduid. De dwaas valt op omdat hij wrikt aan de fundamenten van de samenleving. Daarom keren de zoons van Jakob zich tegen Sichem, de zoon van Hemor, omdat hij hun zuster Dina had onteerd. Zo’n schandelijke dwaasheid ‘doet men niet in Israël’ (Gen. 34,7). Hetzelfde had Davids zoon Amnon moeten bedenken, toen hij zijn halfzuster Tamar verkrachtte (2 Sam. 13,13).
Maar niet alleen op seksueel gebied kent de samenleving grenzen. Dwaas is het ook als de inwoners van Gibea het gastrecht van een Leviet willen schenden (Recht. 19,23). Of wanneer men iemand als David beledigt (Nabal) en een held als Abner, de legeroverste van Saul, door Joab op achterbakse wijze vermoord wordt (2 Sam. 3,33). Of wanneer men mensen honger en dorst laat lijden (Jes. 32,5). Dwaas is het op oneerlijke wijze rijkdom te verwerven, en daarna in de bloei van z’n leven alles te verliezen (Jer. 17,11).
Even dwaas is de mens die zich van Jahwe en zijn geboden niets aantrekt. Zo begaat Achan na de verovering van Jericho een schandelijke dwaasheid in Israël, als hij zich na de val van Jericho vergrijpt aan de goederen die aan Jahwe gewijd waren (Joz. 7,2.15). Zelfs het hele volk Israël kan dwaas heten, als het zich van Jahwe afkeert (o.a. Deut. 32,6; Jer. 5,21). Dwaze profeten zijn mensen die hun eigen geest volgen en wel zeggen ‘zo spreekt Jahwe’, maar niet door Hem gezonden zijn (Ez. 13,3vv).
Vaak wordt dwaasheid gekoppeld aan domheid, zoals vooral uit het boek Spreuken blijkt. Meestal wordt in dit boek voor ‘dwaas’ een ander woord gebruikt dan het Hebr. woord nāvāl, maar zakelijk maakt het weinig verschil. Een verstandig mens handelt met overleg, een dwaas spreidt onverstand tentoon (Spr. 13,16). Dwaasheid staat duidelijk tegenover wijsheid. Maar die wijsheid moet men vinden (Spr. 3,13; 8,17.35). Het begin van alle kennis is ‘ontzag voor Jahwe’ (NBG: de vreze des HEREN); een dwaas veracht de wijsheid en het onderricht (Spr. 1,7).
Is een dwaas altijd dwaas? Nee, evenmin als een wijze altijd wijs is. Wat de zweep is voor een paard en een teugel voor de ezel, is de stok voor de rug van een dwaas (Spr. 26,3) Er is verbetering mogelijk (zie ook 26,12; 29,20). Zo kunnen ook vromen soms dwaas handelen, zoals Aaron en Mirjam toegeven, nadat zij het gezag van Mozes hebben ondermijnd (Num. 12,11). Bepaalde zonden kunnen wijze mensen tot dwazen maken, zoals afpersing (Pred. 7,7). Tussen dwaas handelen en dwaas zijn moeten we verschil maken..
Ongetwijfeld vinden we in Ps. 14 (en 53) het dieptepunt van Bijbelse dwaasheid . De dwaas heeft God uit zijn leven gebannen. Hij meent zijn eigen goddeloze gang te kunnen gaan en keert de fundamenten van de samenleving om. Hij ontziet niemand en onderdrukt de rechtvaardigen die – en dat binnen het volk van God! – niet meer meetellen.
14.3. VAN OT NAAR NT
Naast Ps. 5, 10 (zie onder 5.3) haalt Paulus Ps. 14 aan om te bewijzen dat er niemand is die goed doet, zelfs niet één (Rom. 3, 10vv). We kunnen een duidelijk verschil aanwijzen tussen de directe betekenis van Ps. 14 en Paulus’ uitleg daarvan. Ps. 14 beperkt zich tot uitspraken over het volk Israël, Paulus breidt Ps. 14 uit tot alle mensen (‘Joden en Grieken’). Terwijl Ps. 14 de dwazen stelt tegenover de rechtvaardigen, die aan Gods kant staan (14, 5), plaatst Paulus in Rom. 3 alle mensen ‘onder de zonde’ (3,9). In het licht van de openbaring van Jezus Christus, zonder wie geen mens gered kan worden, kan Paulus zich op het OT beroepen. Hij kan een diepere betekenis verbinden dan Ps. 14 doet aan de woorden dat er ‘niemand goed is, zelfs niet één’. De woorden van Ps. 14,7: ‘laat uit Sion redding komen’, moeten nu luiden dat die redding in Christus gekomen is. Van daaruit is het perspectief ook anders. Jood en Griek zijn voor hun redding van Jezus Christus afhankelijk. Zonder hem is er niemand rechtvaardig, ook niet één.
Tekening van wat de dwaas en de dwaasheid is, vinden we ook in het NT. Denk aan de dwaas (NBG) uit Matt. 7,26, die zijn huis op zandgrond en niet op een rots bouwde. Hij hoorde en handelde niet naar de woorden van Jezus. Denk aan de dwaze meisjes uit Matt. 25,3vv die hun lampen niet van extra olie voorzien hadden, zoals de wijze meisjes en daardoor de deur voor het bruiloftsfeest gesloten vonden.
Vooral wie rijk willen worden, staan bloot aan verleiding en vallen ten prooi aan dwaze en schadelijke begeerten, die een mens in het verderf storten (1 Tim. 6,9). Dwaas noemt God de rijke man die grotere schuren bouwt en tegen zichzelf zegt: ‘neem rust, eet, drink en vermaak je’, om vervolgens diezelfde nacht te sterven (Luc. 12,16vv). In al deze zaken is dwaasheid meer dan onschuldige domheid. Het is dwaasheid die naar de dood voert. Dat geldt ook voor mensen die menen dat het geloof zonder de werken kan. Het is een dood of nutteloos geloof (Jak. 2,20.26) en kan daarom niet tot ons behoud leiden.
In het licht van het bovenstaande is het ook zeer bedenkelijk iemand een ‘dwaas’ te noemen als hij het niet is, zoals Jezus ons leert (Matt. 5,22).
Verrassend is het wanneer Paulus zegt: ‘Het dwaze van God is wijzer dan mensen en het zwakke van God is sterker dan mensen’ (1 Cor. 1,25). Deze paradox is alleen te begrijpen tegen de achtergrond van wat de heidenen (Grieken) dwaas vinden: de verkondiging van een gekruisigde Christus. Die ‘dwaze’ prediking zal wijzer blijken te zijn dan wat in de ogen van mensen wijs is, zoals ook het ‘zwakke’ van de kruisdood van Jezus Christus sterker zal blijken dan wat in de ogen van mensen sterk is.
14.4 VOOR VANDAAG
1. Het zou onjuist zijn alle atheïsten van vandaag te verwijten wat de dichter aan de dwazen in Psalm 14 toeschrijft. Een atheïst is niet per definitie een zedeloos mens. Atheïsme in combinatie met onderdrukking van mensen en/of vervolging van christenen brengt ons bij Ps. 14. Men trekt zich van God niets aan, ongeacht of men al of niet in zijn bestaan gelooft, en gaat z’n eigen brute gang. We kunnen hierbij o.a. denken aan de tirannie van mensen als Hitler, Stalin en Mao.
2. We moeten vooral niet vergeten dat het atheïsme uit Ps. 14 onder Gods volk voorkomt. De meedogenloze koning Antiochus IV Epifanes, die van 175-164 voor Chr. het bestuur over Israël had, komt in opstand tegen God en stort het volk van de heiligen in het verderf (Dan. 8,24), op een wijze die ons aan Ps. 14 doet denken. Veel afvalligen steunen zijn bewind (Dan. 11,32). Hij gaat als de ‘antichrist’ van het Oude Testament de geschiedenis in. De ‘antichrist’ in het Nieuwe Testament bestrijdt ook alles wat goddelijk en heilig is, verheft zich daarboven en neemt in Gods tempel plaats op de troon alsof hij God zelf is (2 Tess. 2,4), zoals ook Antiochus IV van zichzelf dacht. Wie God opzij zet, gaat zichzelf verheerlijken en meent alles te mogen doen wat hem zint.
3. Het blijft zaak dat we de domheid van de dwazen peilen, hoe slim ze ook mogen zijn en hoe ver ze hun plannen ook kunnen realiseren. Voor allen die onder hun druk moeten leven is een volhardend geloof nodig. Helaas komt domheid tot onder de profeten voor. Zo wilde Jona deserteren, ‘weg van Jahwe’ (Jona 1,3). Hij wilde niet naar Nineve en meende dat hij God niet meer zou tegenkomen in Tarsis. De domheid: 600 km. oostwaarts zou hij met Jahwe te maken krijgen, 600 km. westwaarts blijkbaar niet! Ongehoorzaamheid aan God is vreemd gaan. Domheid wordt bevorderd wanneer in de kerk van Jezus Christus kennis gaat ontbreken. Jes. 1,2 zegt dat een rund zijn meester herkent en een ezel zijn voederbak kent, maar dat Israël elk inzicht mist. Dat maakt Israël en ook de kerk tot een gevaarlijke dwaas.
14.5. VERANTWOORDING
Voor het begrip ‘dwaasheid’ heb ik o.a. ThWAT V,171vv (J. Marböck) en ThWAT I,148vv (H. Cazelles) geraadpleegd, waar nāvāl en het in Spreuken meer voorkomende ’èvīl besproken worden.
In de Griekse vertaling van Ps. 14 (de Septuagint) vinden we feitelijk een vertaling van wat Paulus in Rom. 3,10-18 zegt, dus ook met citaten uit Ps. 5, 10; 10,7; 36, 2;140,4 en Jes. 59,7v. Het vermoeden bestaat dat deze verzen via Rom. 3 (in de nieuwtestamentische tijd!), door christenen aan de vertaling van de Septuagint zijn toegevoegd en zo ook weer vanuit het Grieks in enkele Hebreeuwse handschriften terecht kwamen. Zie o.a. H.J. Kraus in Psalmen I,Neukirchen 1960, 103 en P.C. Craigie Psalms 1-50, Waco, Texas 1983,146).
Het woord ‘plannen’ (Hebr.: ‘ēṣōt), waarvan de vertaling en betekenis in Ps. 13,3 onder de uitleggers reeds problemen gaf (zie aldaar), is ook in 14,6 niet gemakkelijk te verklaren. Ik ga hier weer van de letterlijke betekenis uit. ‘Plan’ zal bedoeld zijn als ‘voornemen’ (NBG) om op Jahwe te blijven vertrouwen. Dat ‘voornemen’ kunnen de dwazen (proberen te?) beschamen (NBG), of zij kunnen om dit ‘vertrouwen’ op Jahwe lachen (NBV) – het plan van de ellendige of zwakke mens zal toch op Jahwe gericht zijn.
PSALM 15
15.1. UITLEG
Ps. 15 draagt ten opzichte van de reeds besproken psalmen een eigen karakter. Men kan het geen klaag- of lofpsalm noemen. Eerder lijkt het op een wijsheidspsalm zoals Ps. 1. Want de tegenstelling tussen goed en verkeerd handelen komt erin aan de orde. Maar anders dan in Ps. 1 staat Ps. 15 in het teken van een vraag en antwoord. De vraag is: wie mag in Jahwe’s tent verblijven en op zijn heilige berg (Sion) wonen? Op deze vraag geeft Ps. 15,2-5 antwoord. We kunnen Ps. 15, evenals de sterk hiermee verwante Ps. 24, daarom een toelatingspsalm noemen.
De psalm staat weer op naam van David. Er is geen reden te veronderstellen dat Ps. 15 pas ontstaan kan zijn in veel latere tijd, omdat de wijsheid die eruit spreekt pas vorm heeft gekregen in de tijd van boeken als Spreuken. Wat Ps. 15 vraagt, kan de Israëliet al bekend zijn vanaf veel vroegere datum, zoals we zullen zien. De stof snijdt een algemeen thema aan dat al actueel genoemd mag worden vanaf Jahwe’s wonen op de berg Sion. Een concrete datum voor het ontstaan van de psalm valt niet te geven.
De indeling van deze korte psalm is eenvoudig.
1) De dichter stelt Jahwe de vraag wie Hem in de tempel mag ontmoeten (vs.1);
2) Hij ontvangt antwoord (2-5);
3) Hij concludeert daaruit dat wie naar dit antwoord handelt, nooit ten val zal komen (5c).
ad 1) De vraag wordt – heel begrijpelijk – aan Jahwe gesteld. Of zoiets rechtstreeks door de Israëliet, of via de priester aan Jahwe gebeurt, maakt geen verschil. Het gaat immers over zijn ‘tent’ en zijn heilige berg. Wie mag (kan) volgens Hem daar verblijven of wonen waar Hij als de heilige God zijn troon heeft? Vanzelfsprekend is dat allerminst. Jes. 33,14 stelt de vraag zo: ‘Wie van ons kan verblijven bij een verterend vuur; wie van ons kan verblijven bij een eeuwige gloed?’ Bij Jesaja volgt dan een soortgelijke passage als we in Ps. 15,2vv lezen.
De woorden ‘verblijven’ en ‘wonen’ zullen beide op hetzelfde neerkomen. Wie mag in Jeruzalem verkeren in de omgeving van Jahwe? Elke bewoner van de stad of van het land, die er een offer brengt, of ook elke pelgrim die voor korte tijd in Jeruzalem verkeert, moet op deze vraag een antwoord kunnen geven. Het woord ‘tent’ zal als term uit het verleden, tot in Davids tijd toe (2 Sam. 6,12vv), ook gebruikt zijn voor de tempel van Salomo.
Voor ‘verblijven’ wordt in 15,1 en ook in Jes. 33 een woord gebruikt dat in het Hebreeuws eigenlijk luidt: ‘verblijven als vreemdeling’. Zo verbleef Abraham als vreemdeling in Egypte (Gen. 12,10) en verbleven de Rechabieten als vreemdelingen in het land Israël (Jer. 35,7).
We kunnen van dit woordgebruik in Ps. 15 twee dingen zeggen: Aan de ene kant maakt reeds de vraag duidelijk dat de vraagsteller zich zijn afhankelijke positie bewust is. David wist dat hij met de zijnen precies als hun voorouders slechts vreemdelingen waren, ‘die als gasten bij u (Jahwe) verschijnen’. Zij beseften dat hun bestaan op aarde kort was (1 Kron. 29,15). Zo kon de Israëliet de grond waarover hij beschikte niet zijn eigendom noemen, want ‘het land behoorde aan God toe en ‘jullie zijn slechts vreemdelingen die bij mij te gast zijn (Lev. 25,23).
Aan de andere kant geldt ook dat de geaccepteerde vreemdeling mag rekenen op bescherming en hulp. Het gastrecht stond in hoge eer onder Israël, zoals vooral blijkt uit het schenden van het gastrecht, dat als een schanddaad gebrandmerkt werd (b.v. Recht. 19,23).
De vraag in Ps. 15 staat ons nu goed voor de geest: Wie mag er, bescheiden als hij zich opstelt als vreemdeling, een beroep doen op Jahwe’s bescherming en hulp?
ad 2) Het antwoord begint in vs. 2 met enkele algemene vereisten, die dan in de vss. 3-5 meer geconcretiseerd worden.
De drie algemene typeringen luiden dat alleen hij toegang heeft tot Jahwe die: a) oprecht wandelt; b) doet wat recht is en c) waarheid spreekt in zijn hart. Daaraan moet iemands (levens)wandel dus beantwoorden.
a) Hij moet oprecht zijn. Ik meen dat de vertaling met ‘oprecht’ (SV) beter is dan ‘die onberispelijk wandelt’(NBG) of ‘die de volmaakte weg gaat’ (NBV). De bedoeling van het Hebr. woord tāmīm geeft hier aan dat iemand een constant en niet een verdeeld levenspatroon vertoont. Hij is oprecht, hij meent wat hij zegt en doet wat in overeenstemming is met zijn hart. Gedachte, woord en daad corresponderen met elkaar. De oprechte mens is iemand uit één stuk. Wie hier met ‘onberispelijk’ of ‘volmaakt’ vertaalt, roept misverstanden op. Kan, op Jezus na, ook maar één mens zeggen dat hij onberispelijk of volmaakt leeft? Denk aan Noach, Abraham, Job en David, die tāmīm heten of zich zo noemen (Gen. 6,9; 12,1; Job 1,1.8; 2 Sam. 22,24), maar die zeker niet volmaakt of onberispelijk waren in onze betekenis van die woorden. De vertaling met ‘oprecht’ verdient daarom de voorkeur. Iemands levenswandel kan oprecht zijn, omdat hij met een onverdeeld hart aan Jahwe verbonden is, ook al sluit dat misstappen niet uit.
b en c) De beide andere algemene vereisten om toegang tot Jahwe te ontvangen, zijn slechts variaties op de ‘oprechte levenswandel’. Wie doet wat recht is (b), handelt juist tegenover zijn naaste. De oprechte mens schendt de rechten van andere mensen niet. Wie de waarheid spreekt in zijn hart (c), toont zijn oprechtheid. Er is geen dualisme tussen wat hij denkt en wat hij doet.
In de concretisering van wat vs. 2 als vereiste voor de toegang tot Jahwe vermeldt, vinden we gedragingen die ons de oprechte mens laten zien. Hij wandelt, maar anders dan iemand die rondloopt om zijn tong te gebruiken tegen zijn naaste, door roddel e.d. te verspreiden. Er wordt een woord gebruikt voor rondlopen dat met ‘voet’ samenhangt. Maar dat is dan duidelijk in de betekenis van ‘de voet dwarszetten’ en anderen in een kwaad daglicht zetten. De oprechte mens doet zijn naaste juist geen onrecht aan en maakt hem niet te schande (vs. 3).
Wie voor Jahwe wil verschijnen, laat blijken dat hij kan onderscheiden tussen de kwaden en de goeden. Hij veracht wie verwerpelijk is en hij eert de mensen die Jahwe vrezen (4a). We mogen veronderstellen dat de ‘verwerpelijke’ iemand is die door Jahwe verworpen is. Het hier gebruikte woord vinden we o.a. in Jer . 6,30 waar de Judeeërs verworpen zilver genoemd worden, omdat ze door Jahwe verworpen zijn. Ps. 15,4 roept op tot een ondubbelzinnige keus. Men kan Jahwe niet ontmoeten als men kiest vóór zijn tegenstanders of tégen zijn voorstanders. Denk ook aan Ps. 139,21: ‘Zou ik niet haten die u haten, niet verafschuwen wie tegen u opstaan?’
Het slot van vs. 4 zegt van de oprechte mens dat hij de eed die hij gezworen heeft, niet verbreekt, ook al brengt dit hem nadeel. Hij beroept zich niet op inmiddels veranderde en voor hem nadelige omstandigheden. Hij weet dat hij gezworen heeft en komt zijn verplichting na.
Deze uitspraak laat zich ook heel goed met v. 5 verbinden. Het ligt toch voor de hand dat oprechte mensen de kant kiezen van de zwakken en het verwerpelijk vinden als rijken steekpenningen aanbieden. Zij die oprecht wandelen, hebben een keuze gemaakt voor hulp aan de zwakken en tegen de rijken die onrecht bedrijven, Daarom hebben zij een afkeer van woekerrente, ook al levert het lenen van geld tegen rente groot gewin op. Van behoeftige mensen mocht geen rente gevraagd worden. In de oude wereld kon die rente hoog oplopen. Rente was feitelijk altijd woekerrente. En Jahwe wil dat arme mensen geholpen en niet door het nemen van rente uitgebuit worden. Vandaar het renteverbod (Ex. 22,25; Lev. 25,35vv; Deut. 24,6). En vandaar dat Jahwe niemand bij zich wil toelaten die geen trouw bewijst aan zijn behoeftige broeders en zusters, maar z’n eigen financieel voordeel zoekt. Evenmin duldt Hij mensen die steekpenningen aannemen om onschuldigen te verraden (zie Ex. 23,8; Deut. 16,19). Ieder die met Jahwe wil omgaan, moet zoiets weigeren. Liever financieel schade lijden dan ten koste van de behoeftige het recht in de samenleving buigen!
ad 3) Het slot van Ps. 15 trekt een conclusie. Wie zo leeft als Jahwe voorschrijft, zal nimmermeer wankelen (NBG), of: komt nooit ten val (NBV). Deze conclusie bevat een belofte. In 10,6 zegt de goddeloze bij zichzelf: ‘Ik zal niet wankelen’. En hij juicht wanneer de oprechte dreigt te wankelen (13,5). Maar dat laatste zal niet gebeuren als zij, die toegang tot Jahwe vragen, bij Hem bescherming en hulp vinden. De goddeloze zal wankelen en sterven; de rechtvaardige wankelt niet en zal leven.
Het nimmer wankelen ( niet wankelen in eeuwigheid, SV) hoeft nog niet te betekenen dat hier ook een belofte over leven na de dood gegeven wordt. Daarop ga ik verder in bij Ps. 16,9v, waar het niet-wankelen samengaat met het vertrouwen dat Jahwe zijn ‘gunstgenoot’ het graf niet laat zien.
15.2. ALGEMEEN THEMA
Controle aan de tempelpoort
Er is geen moderne commentaar op onze psalm zonder dat daarin de vraag wordt besproken of Ps. 15 ons een ‘poortliturgie’ heeft overgeleverd. Daarmee wordt bedoeld dat het in deze psalm zou gaan om een officiële toelating tot de tempel. De priester of poortwachter (1 Kron. 9,17vv; 15,23v; 26,1vv) zou dan de vraag uit Ps. 15,1 stellen en een positief antwoord moeten ontvangen van de Israëliet, voordat hij een offer kwam brengen of als pelgrim de tempel binnen kon komen. Uit andere gegevens is ons duidelijk dat er zeker controle was op het binnenlaten van mensen in het tempelcomplex. De naam ‘poortwachter’ maakt dat uiteraard al duidelijk. Niemand kon zomaar binnenkomen, Een poortwachter mocht iemand die om een of andere reden onrein was, niet binnenlaten (2 Kron. 23,19). Bovendien kent de thora tal van bepalingen die toezicht noodzakelijk maakten. Denk aan de gepast kleding van de priester als hij dienst ging doen bij het altaar (Ex. 28,43). Of aan de kwaliteit van een geofferd dier dat geen gebrek mocht vertonen (Lev. 22,20), enz.
Toch is het de vraag, of we Ps. 15 een poortliturgie kunnen noemen. Nergens in het OT vinden we gegevens die dat bevestigen. Volgens anderen snijdt Ps. 15 eigenlijk ook geen liturgische aangelegenheid aan, maar vinden we hier het beeld getekend van de rechtvaardige mens, de tsaddīq. Ps. 15 zou een stukje wijsheidsliteratuur zijn en meer met bv. Ps. 1 dan met een poortliturgie te maken hebben.
Toch zou het jammer zijn wanneer Ps. 15 werd gelezen zonder de tempel met zijn liturgie als achtergrond. Ps. 15,1 gaat over niets anders dan over de heilige berg Sion, waar Jahwe woont en over de vraag wie daar toegang tot zijn woning heeft. Reeds uit de geschiedenis van Saul is gebleken dat gehoorzaamheid aan Jahwe beter is dan het brengen van offers, en volgzaamheid beter dan het vet van rammen (1 Sam. 15,22). Jahwe wil omgaan met de oprechten van hart (Ps. 7,11; 32,11; 64,11), zodat een offerdienst geen verdeeld beeld laat zien. De latere profeten zullen vanaf Jes. 1,10 keer op keer de huichelachtigheid van elke ‘uitwendige’ liturgie aan de kaak stellen. Jahwe in de tempel offers brengen, maar daarbuiten Hem en de naaste bedriegen, gaan niet samen.
Het kan erop lijken dat de spiegel die de tempelganger zich voor moet houden, alleen over de naaste en niet over Jahwe gaat. Terecht is er door H.J. Kraus op gewezen dat er veel in Ps. 15 staat dat door een poortwachter niet te controleren valt, omdat het gaat over de het denken en willen van het hart. Dat hart is voor de naaste, maar niet voor Jahwe verborgen, die het hart beproeft en peilt (Ps. 17,3 NBV).
Op grond van het bovenstaande mogen we concluderen dat er waarschijnlijk van een formeel toegangsbewijs tot de tempel, op grond van goed ethisch gedrag, geen sprake is geweest. Maar daarom is Ps. 15 nog wel een spiegel, waarin de Israëliet bij zichzelf kon nagaan, of hij met een oprecht hart Jahwe vreesde. Een dergelijke spiegel vinden we ook in Jes. 33,14-16, eveneens in vraag- en antwoordvorm.
15.3. VAN OT NAAR NT
Ps. 15 wordt in het NT niet rechtstreeks geciteerd. Bepaalde uitspraken doen denken aan onze psalm, maar meer ook niet. We kunnen wijzen op Joh. 8,40 (iemand de waarheid voorhouden) en op Hand. 10,35; Hebr. 11,33 (rechtvaardig handelen). Zij bevestigen wat Ps. 15,2 over de Israëliet zegt die oprecht voor Jahwe wandelt. Deze nieuwtestamentische teksten zijn verrassend in zoverre dat zij alle drie laten zien dat het spreken van de waarheid en het rechtvaardig handelen de gelovige mens vaak niet gemakkelijk vallen. Jezus wordt met de dood bedreigd als Hij de Joden de waarheid vertelt, die Hij van God gehoord heeft. Petrus moet door de geschiedenis rond de Romeinse centurio Cornelius begrijpen, dat God zich het lot aantrekt van iedereen, uit welk volk dan ook, die ontzag voor Hem heeft en rechtvaardig handelt. De schrijver van de Brief aan de Hebreeën laat zien dat gelovige voorgangers en profeten in het OT gerechtigheid lieten gelden onder moeilijke omstandigheden.
Die grondtrek ontdekken we ook in Ps. 15. Het vraagt zelfverloochening z’n tong in bedwang te houden, te kiezen vóór mensen die Jahwe vrezen en tegen mensen die door Jahwe verworpen worden. Zoals het ook zelfverloochening vraagt om je eed niet te breken als het financieel voordeel oplevert dit wel te doen. Het vereist moed partij te kiezen voor onschuldige mensen als geldbezitters liever zien dat je hen verraadt door de waarheid te verdraaien.
Wie dat aspect van zelfverloochening in het oog vat, ziet in het Jeruzalem van toen geen zelfvoldane Farizeeër wandelen, die het als rechtvaardige (tsaddīq) zo goed met zichzelf getroffen heeft. Doorgaans zijn het mensen die hun nood bij Jahwe klagen over vijandschap die zij te verduren hebben. Er staan in Psalmen nogal wat uitspraken van ‘rechtvaardigen’ die ons meer aan de tollenaar dan aan de Farizeeër doen denken!
Het hoeft geen lang betoog dat we ook in het NT te maken krijgen met de tegenstelling tussen mensen die door God verworpen worden en oprechte volgelingen van Jezus. Niemand kan twee heren dienen, want het is liefhebben of haten (Mat. 6,24). Er zijn genoeg Heer-Heer-roepers die toch door die Heer als wetsverkrachters ontmaskerd worden (Mat. 6,22v). Er zijn wijze en dwaze meisjes die naar dezelfde bruiloft willen, maar er niet samen binnengelaten worden (Matt. 25,1vv).
Het NT leert ons Jezus Christus kennen, die van Gods wege onze wijsheid, gerechtigheid, heiliging en verlossing geworden is (1 Kor. 1,30). De verandering van OT naar NT is groot, wanneer wij denken aan het leggen van dit fundament van ons behoud Jezus Christus (1 Kor. 3,11). Maar de boodschap die Ps. 15 bevat over het onverdeelde hart, over de besliste keuze voor God en over de strijd die daaraan verbonden, is soortgelijk aan die van het NT.
15.4. VOOR VANDAAG
1. De kerk moet altijd weer haar boodschap actualiseren, d.w.z. aanpassen aan de tijd waarin zij leeft. Vandaar dat de concretisering die Ps. 15 ons bericht, kan verschillen. Onveranderlijk is de oproep om met onverdeeld hart God en de naaste te eren en te dienen. Alle huichelachtigheid, die niet door ‘poortwachter’ ontdekt kan worden, moet door de prediking van het evangelie aan het licht komen. Ook Ps. 15 doet dienst als spiegel die ons tot zelfbeproeving oproept. Daarbij is het van groot belang te laten zien dat het christelijk leven niet maar wat voortkabbelt, maar strijd betekent om God te blijven eren en aan de behoeftige naasten – behoeftig in materiële en geestelijke zin, hulp te bieden.
2. Een goede vorm van zelfbeproeving in veel kerken is de voorbereiding op de viering van het heilig avondmaal. De kerk is toegankelijk voor ieder die wil binnenkomen, omdat zij geen oudtestamentisch heiligdom meer is. Maar de viering van het avondmaal is uitsluitend voor hen die na zelfonderzoek hun belijdenis van het christelijk geloof bevestigen. Het vaak bekritiseerde ‘briefje’, dat moet kunnen worden getoond als bewijs dat iemand gerechtigd is het avondmaal mee te vieren, is een goed middel om de ernst van deze viering te onderstrepen en de kerkelijke tucht te realiseren. Elk middel kan in formalistische en dus op verkeerde wijze gehanteerd worden. Maar we moeten een ‘open avondmaalstafel’ blijven afwijzen, en niet zwichten voor emotionele druk, die meer van eigenwaan dan van bescheidenheid blijk geeft. Met Ps. 15 heeft dat verzet niets te maken.
15.5. VERANTWOORDING
Het woord tāmīm of tām wordt ook voor offerdieren gebruikt die gezond en zonder gebrek moeten zijn (Lev. 1,3.10; 22,19vv; Num.6,14 e.a.p.). Zo moeten ook mensen ‘gaaf’, ‘eenvoudig’ en ‘ongedeeld van hart’ zijn in hun relatie tot Jahwe.
Het werkwoord rgl heeft te maken met règèl, voet. Dit ‘te voet rondgaan’ kan gebeuren om te verkennen of te spioneren (o.a. Gen. 42,30; Joz. 7,2), maar ook om te lasteren (2 Sam. 19,28). Goldingay, Psalms I,2006,221, wijst er terecht op dat dit ‘lopen’ een parallel is van het ‘wandelen’ in 15,2. Maar dan betreft het hier uiteraard een rondlopen dat niet deugt.
Zie H.J. Kraus, Psalmen I, Neukirchen 1960,113vv over de ‘innerste Denkbewegungen und Willensrichtungen’ van het hart, die voor het ingrijpen van een juridische instantie niet toegankelijk zijn. De tempelganger staat altijd opnieuw voor de vraag, of hij in de tijd tussen de feesten geleefd en gehandeld heeft overeenkomstig de geboden van God.
Voor het beeld van de ‘rechtvaardige’, die in Psalmen een farizeïstische indruk zou maken, verwijs ik naar mijn weerlegging daarvan in Job en Psalmen (Kok, Kampen 2005, 68vv).
PSALM 16
16.1. UITLEG
Psalm 16 draagt het karakter van een vertrouwenspsalm. Spanningen ontbreken niet in het leven van de dichter. Uit 16,1 kunnen wij die aflezen: ‘Behoed mij’, terwijl 16,10 de indruk geeft dat een (vroegtijdige) dood de dichter zou kunnen treffen. Maar het vertrouwen van de dichter op ‘zijn Heer’ (16,2) is zo sterk, dat de psalm nergens tot een klaagpsalm wordt. Over de aard van zijn spanningen krijgen wij niets te horen. Van ‘vijanden’ is geen sprake, al is het mogelijk dat wij ze in 16,4 aantreffen in dienaars van andere goden. Duidelijk is wel dat de dichter in 16,9-11 zijn grote moeite met de dood onder woorden brengt. Maar ook dan is het vertrouwen overheersend, dat Jahwe hem niet zal overleveren aan het dodenrijk.
In welke tijd we deze psalm moeten plaatsen, is moeilijk te zeggen. Hand. 2,25vv; 13,35 wijzen naar David. Zie hierna onder 16.3. Gelet op het vermelden van mensen die de afgoden dienen, kan de psalm in alle tijden van Israëls bestaan actueel zijn geweest.
Het opschrift, waarin de psalm een miktam van David wordt genoemd, blijft raadselachtig. Hetzelfde opschrift vinden we boven de Psalmen 56-60. SV en NGB vertalen met: ‘een kleinood van David’, NBV met: ‘een stil gebed van David’. Beide vertalingen geven een mooie typering van onze psalm, maar daarom nog geen betrouwbare vertaling van het Hebreeuwse woord miktām. We kunnen hier niet verder komen dan gissen.
Proberen wij de psalm in te delen, dan kan dat als volgt:
1) De dichter getuigt van zijn band aan Jahwe en aan de ‘heiligen op de aarde’(1-4);
2) Hij vermeldt de bijzondere voorrechten die Jahwe hem geschonken heeft (5-6);
3) Hij wijst op Jahwe’s leiding in zijn leven (7-8);
4) Hij verheugt zich over het leven met Jahwe ‘voor altijd’ (9-11).
ad 1) De eerste woorden ‘behoed mij, o God’, geven aan dat de dichter bidt om in gevaren behoed te worden. Maar Ps. 16 gaat onmiddellijk over naar het vertrouwen dat de dichter in die gevaren behoed zal worden. Hij schuilt bij Jahwe, d.w.z. hij is veilig (vgl. 2,12; 11,1) en kan zich daarover verheugen (vgl. 5,12), zoals hij dat in het vervolg van de psalm dan ook heel duidelijk doet.
Hij is innig aan God verbonden: ‘U bent mijn Heer, mijn goed, omdat niets boven U uitgaat’ (16,2). Jahwe is dus zijn ‘hoogste goed’. Wat dit ‘goed’ inhoudt, wordt vooral in de vss. 5v duidelijk gemaakt. Spreken over ‘mijn goed’ is hetzelfde als spreken over ‘mijn geluk’. Het goede omvat allerlei genot en geluk (bv. Pred. 4,8; 5,10vv, 6,3vv). Maar alles wat er aan goeds te vinden is, wordt overtroffen door het geluk dat bestaat in de band tussen de dichter en Jahwe zelf.
In de vss. 3 en 4a stuiten we op een moeilijkheid. NBG en NBV vertalen heel verschillend. Ik geef de beide vertalingen hier weer:
NBG: ‘Wat betreft de heiligen die in den lande zijn: zij zijn de heiligen in wie al mijn welbehagen is. Vele zijn de smarten van hen die dingen naar de gunst van een andere god’.
NBV: ‘Maar tot de goden in dit land, de machten die ik vereerd heb, zeg ik: ‘Wie u volgt, wacht veel verdriet’.
Met één opslag is duidelijk dat NBG over heilige mensen spreekt, aan wie de dichter zich van harte verbonden voelt, terwijl NBV in die ‘heiligen’ goden ziet, die hij zelf vroeger vereerd heeft, maar tegen wie hij nu waarschuwt!
Ik volg hier NBG. Met de ‘heiligen’ kunnen het volk Israël of ook, zoals hier, de oprechte gelovigen in Israël bedoeld zijn (Ex. 19,6; Deut. 7,6; Ps. 34,10; Dan. 8,24). Het is eveneens mogelijk dat hier speciaal aan de Levieten en de priesters als ‘heilige stand’ in Israël gedacht moet worden, zoals bij de bespreking van de vss.5v aan de orde zal komen. Naast ‘heiligen’ is er sprake van ‘heerlijken’, als aanduidingen van aanzienlijke personen (Recht. 5,13; Jer. 14,3), of van schaapherders (Jer. 25,34vv). Dat zou goed passen bij de gedachte dat we aan geestelijke voorgangers uit de kring van Levieten en priesters hebben te denken. Beide aanduidingen ‘heiligen’ en heerlijken’ zullen op dezelfde mensen slaan, met wie de dichter zich van harte in het geloof verbonden weet. Ze zijn heiligen op aarde in onderscheid van de heilige engelen die bij Jahwe boven verkeren (vgl. Ps. 89,6.8).
Het belangrijkste wat hier te zeggen valt, is dat de dichter naast het grote geluk door zijn band aan Jahwe, nog op een tweede band wijst. In vs. 2 spreekt hij eerst tot Jahwe en nu richt hij zich in de vss.3v tot de ‘heiligen die op aarde zijn’, in wie hij al zijn vreugde vindt.
Wat zegt de dichter tot deze mensen? Ik neem aan dat hij hen in vs. 4 als volgt aanspreekt: ‘Talrijk zijn de smarten van hen die dingen naar (de gunst) van een andere god’. ‘Dingen naar’ is de weergave van een Hebr. werkwoord dat eigenlijk betekent: ‘een bruidsgeschenk geven aan’. Nota bene, dat geschenk geeft de minnares hier aan haar beminde (god), terwijl het normaal is dat de minnaar het bruidsgeschenk aan de (vader van) de bruid schenkt!
Is vs. 4 bedoeld als waarschuwing aan de geloofsgenoten van de dichter, of is het om hen te bemoedigen trouw aan Jahwe te blijven? M.i. legt de dichter hier uit wat zijn hartelijke verbondenheid aan Jahwe inhoudt. Hij ruilt zijn vreugde over Jahwe niet in voor de smarten die altijd aan afgodendienst verbonden zijn. Als er boven de ene God niets uitgaat, wil hij met afgoderij niets te maken hebben. Wie met God leeft, is rijk; afgoderij betekent dat armoede troef zal zijn.
Daarom denkt de dichter er niet aan plengoffers van bloed te brengen. Voor plengoffers in Israël werd slechts wijn en geen bloed gebruikt, zoals wel bij andere offers. Hij wil zelfs de namen van hun afgoden niet op zijn lippen nemen, geheel in de lijn met de wet van Mozes (Ex. 23,13; vgl. Hos. 2,19).
M.i. geeft de bovenstaande traditionele uitleg de gedachtegang van de dichter goed weer. NBV gaat, zoals we hierboven al zagen, een andere koers. Hier zijn de ‘heiligen’ en de ‘heerlijken’ tot afgoden geworden! Op zichzelf genomen is het mogelijk om bij woorden als ‘heiligen’ en ‘heerlijken’ aan afgoden te denken, hoewel het tekstbewijs dat men ervoor aanvoert, zwak is. Beslissend is m.i. dat nergens in de Hebr. tekst te lezen valt, dat de dichter deze afgoden vereerd heeft, nu geen bloed meer voor hen plengt en hun namen niet langer op zijn lippen neemt, zoals NBV vertaalt.
We kunnen ons goed voorstellen dat de dichter in deze passage niet theoretisch over verkeerde afgodspraktijken spreekt, maar er in de praktijk alles mee te maken had. Hijzelf en velen met hem volgden Jahwe, maar bitter kan de strijd geweest zijn, al vanaf Davids dagen, om een keuze te doen tussen Jahwe en de altijd aanwezige en verleidelijke afgodendienst. De dichter verantwoordt zijn keuze als hij even duidelijk ja tegen Jahwe als nee tegen de afgodendienst zegt.
ad 2) In het gedeelte 16,5-6 legt de dichter uit welke bijzondere voorrechten Jahwe hem geschonken heeft. De termen die daarbij gebruikt worden, doen ons denken aan de verdeling van het beloofde land. Daarbij is sprake van erfdeel en het werpen van het lot (o.a. Num. 26,52vv). Destijds kreeg de stam van Levi geen eigen erfdeel in het land Israël, maar was Jahwe hun erfdeel (Num. 18,20; Deut. 10.9; 18,1; 32,9; Joz. 18,7). Zij stonden in Jahwe’s dienst en aten en dronken van de offers die in de tempel gebracht werden. Zo spreekt ook de dichter over Jahwe als zijn ‘erfdeel’, zijn ‘beker’, en zijn ‘lot’ dat hem van Gods wege was toegevallen. Hij is er zich van bewust dat ze Hem als ‘lot’ geschonken zijn en hij van Jahwe afhankelijk blijft. ‘U bestendigt wat het lot mij toewees’, of anders uitgedrukt: ‘U houdt mijn lot in uw handen’. De dichter is verrukt van zijn erfdeel. De meetsnoeren van touw, die in Israël werden gebruikt om de erfdelen op te meten en vast te stellen (Deut. 32,9; Joz. 17,14; Ps. 78,55), grensden voor de dichter een liefelijk gebied af dat hem bekoorde.
De gebruikte terminologie maakt het aantrekkelijk bij de ik-persoon uit Ps. 16 aan iemand uit de stam van Levi, een Levitische priester te denken. Het maakt ook verklaarbaar waarom hij geen plengoffers aan andere goden wil brengen en hun naam niet wenst uit te spreken. Hij verkeert voortdurend in het huis van Jahwe en kan getuigen van een zeer sterke verbondenheid aan zijn God. Maar hij leeft in een tijd waarin anderen (uit zijn stam) zich overgeven aan afgoden. Mogelijk is heel de tempeldienst daardoor in verval geraakt.
De gebruikte terminologie, die zeker in het bijzonder op de stam van Levi slaat, hoeft overigens niet te betekenen dat we onze aandacht tot priesters en Levieten moeten beperken. Alle omschrijvingen kunnen ook beelden zijn voor de gelovige Israëliet, die bij Jahwe schuilt en wars is van alle afgoderij.
ad 3) In 16,7-8 wijst de dichter op Jahwe’s leiding in zijn leven. Hij prijst Jahwe, die Hem raad heeft gegeven. Zijn hechte verbondenheid aan Jahwe en zijn resoluut verzet tegen elke afgodendienst dankt hij aan de leiding van Jahwe. Die leiding beheerst zijn hele bestaan. Niet alleen overdag, maar ook in de nachten onderwijzen hem zijn nieren. Dat ‘onderwijzen’ in vs. 7b staat parallel met het ‘raadgeven’ in 7a (vert. NBG, waaraan ik hier de voorkeur geef boven de NBV). Het onderwijzen en raadgeven zijn beide aan Jahwe te danken. Jahwe grijpt de ‘nieren’ aan als het diepe innerlijk van de mens. Meer dan eens worden de ‘nieren’ samen met het ‘hart’ genoemd (Ps. 7,10; 26,2; 73,21). De uitdrukking die wij ook kennen – in hart en nieren – geeft goed weer dat Jahwe beslag legt op de hele mens. De ik-figuur van Ps. 16 ontvangt tot zijn vreugde dag en nacht, tot in de diepste lagen van z’n bestaan, alle onderricht dat hij nodig heeft om in zijn strijd aan Jahwe verbonden te blijven. Of hij in de nachten bijzondere openbaringen ontvangt, blijkt uit de gebruikte woorden niet. De nacht met z’n stilte is vaak de goede tijd om de boodschappen van Jahwe te ontvangen en te overwegen (o.a. Gen. 46,2; Job 4,13; 33,15; Ps. 17,3; Zach. 1,8).
De beide opmerkingen in vs. 8 lijken elkaar tegen te spreken. De dichter heeft Jahwe bestendig voor ogen (voor zich dus), terwijl hij tegelijk weet dat hij Jahwe aan zijn rechterhand heeft (naast zich dus). Maar het zijn twee beelden die zeggen wat enerzijds de dichter en wat anderzijds Jahwe doet. De dichter houdt voortdurend voor ogen wat Jahwe van hem vraagt. En Jahwe staat aan zijn rechterhand – de plaats waarop men iemand te hulp kan schieten – om te zorgen dat de dichter niet wankelt of weer overeind geholpen wordt.
ad 4) In het slotgedeelte van de psalm (9-11) verheugt de dichter zich over het blijvende leven met Jahwe ‘voor altijd’. De dichter verheugt zich, juicht met hart en ziel en gelooft dat zelfs zijn vlees (lichaam) in veiligheid zal wonen. We hebben hier met een driedeling te maken. Naast het hart is sprake van de ziel. Eigenlijk spreekt de dichter dan van ‘mijn eer’. Bedoeld zal wel hetzelfde zijn als wat in vs. 7 de nieren betekenden: het diepe innerlijk van de mens. Het nieuwe in vs. 9 is dat hij niet alleen met hart en ziel kan juichen, maar ook van zijn lichaam durft te zeggen dat het volstrekt beveiligd is. Hij is ervan overtuigd dat Jahwe zijn ziel (d.i. zijn leven) niet zal prijsgeven aan het dodenrijk. Jahwe zal zijn chassis – zijn gunstgenoot, die trouw aan Hem blijft (zie bij 12,2) – het graf niet laten zien!
Hoe ziet het leven zonder de dreiging van het graf er dan uit? Dat maakt het slotvers duidelijk. Jahwe wijst de dichter op ‘de weg van het leven’. Dat is het tegendeel van de weg naar het graf. Op deze levensweg ontvangt de dichter ‘overvloedige vreugde’ bij ‘uw aangezicht’, d.w.z. in Jahwe’s nabijheid. Geen vreugde dus zonder dat Jahwe erbij is!
Is die vreugde dan alleen van ‘geestelijke’ aard? De uitdrukking ‘pad van het leven’ vinden we ook in Spr. 5,6; 10,17 en 15,24. Overwegen we die teksten, dan is het duidelijk dat dit leven de mens bij het graf vandaan houdt en hem een voorspoedig en lang leven schenkt. De overvloedige vreugde is ook in Ps. 16 niet te denken zonder de aardse genoegens die Jahwe tijdens het (sterfelijke) leven aan de dichter schenkt. De liefelijkheden, die in vs. 6 ook al genoemd werden, komen uit Jahwe’s rechterhand. Uit de hand dus waarmee Hij zijn geschenken aan de dichter uitdeelt, en dan wel in het bijzonder het geschenk van een lang leven (Spr. 3,16v). Aan die geschonken lieflijkheden ziet de dichter geen einde komen. Ze zijn ‘voor altijd’, ‘voor eeuwig’. Of het hier gebruikte Hebr. woord meer betekent dan ‘voor zeer lange tijd’ en ook wijst op een leven na het aardse leven, zullen we in 16.2 en 16.3 bezien.
16.2. ALGEMEEN THEMA
Dit leven …. en daarna?
Er wordt in Psalmen veel gezegd over redding van de dood, maar dan is het vrijwel altijd duidelijk dat dit over een tijdelijke ontsnapping aan de dood gaat ent niet betekent dat men van de dood voor altijd gevrijwaard is. Alle mensen komen in het dodenrijk terecht (89,49). Ook daar is Jahwe (139,8), maar het voortbestaan in het dodenrijk is tegelijk een beroving van wat in het leven op aarde vreugde gaf. Zeker ook voor de ik-figuur in Ps. 16, omdat hij van de doden weet dat zij in het dodenrijk niet meer de Jahwe’s trouw, macht en rechtvaardigheid kunnen loven (6,6; 88,11vv; 115,17). Wat de oudtestamentische gelovige begeert is een lang leven. Hij vreest voor het verkorten van zijn levensdagen, als hij nog midden in het leven staat (Ps. 102,24v; vgl. 55,24; 89,46).
Daarom ligt het voor de hand ook bij de slotwoorden van Ps. 16 (‘voor altijd’) niet te denken aan een voortzetting van het leven, zonder dat eerrst de dood is ingetreden. ‘Voor altijd’ valt ook hier binnen de horizon van het door Jahwe geschonken aardse leven, dat hopelijk lang van duur is, zodat het moment van dood en graf de mens niet overvalt. En zeker niet als een psalmdichter op Jahwe’s hulp rekent wanneer hij bedreigd wordt door Jahwe’s vijanden.
Daarmee is niet gezegd dat er in Psalmen geen gegevens te vinden zijn die in de richting van een leven na dit leven gaan. Mogen we in 16,10 de innige band die de dichter met Jahwe heeft en die hem onverbrekelijk lijkt, niet opvatten als een stap in de richting van het eeuwige leven? Met de dood is het contact met Jahwe niet afgelopen als we aan 22,30 denken, waar we lezen dat allen die in het stof (in het graf) zijn neergedaald, voor Jahwe zullen knielen. En wat te denken van Ps. 49,16: ‘God zal mij vrijkopen uit de macht van het dodenrijk’? Als Ps. 49 de wijze en dwaze mensen ziet sterven, geeft 49,16 dan slechts de belofte van een uitgestelde dood? Of is hier werkelijk sprake van een vrijkopen uit de dood? De zondaars worden een prooi van het dodenrijk, maar ik (de dichter) zal daaruit verlost worden (J. van der Ploeg)? Ps. 73,23vv brengt de onverbrekelijkheid van de band aan Jahwe onder woorden. Anders dan de goddelozen zal de rechtvaardige altijd bij Jahwe zijn. Neemt Jahwe hem weg, dan zal hij met eer bekleed zijn.
We moeten, als we alle gegevens in het OT serieus willen overwegen, ook niet vergeten dat Henoch (Gen. 5,24) en Elia (2 Kon.2) in de hemel zijn opgenomen en het graf niet hebben gezien. En al heel duidelijk spreekt Dan. 12,2v.13 over het rusten (in het graf) en (daarna) het opstaan aan het einde van de dagen.
Conclusie: Gaat het in Psalmen over het leven, dan is dat doorgaans alleen het aardse en begrensde leven. Maar er zijn ook aanwijzingen dat het leven met Jahwe blijft bestaan na de dood, terwijl de mens voor de dood gespaard of daaruit vrijgekocht kan worden. Dat belet ons het vreemd te vinden als in het NT Ps. 16, zowel door Petrus (Hand. 2,25vv) als Paulus (Hand. 13,35), wordt geciteerd om de opstanding van Jezus Christus met deze oudtestamentische psalm toe te lichten. Zie verder onder 16.3.
16.3. VAN OT NAAR NT
Psalm 16 wordt, zoals reeds opgemerkt, zowel door Petrus als door Paulus geciteerd om de opstanding van Jezus vanuit het OT te funderen. De redenering van Petrus op de Pinksterdag te Jeruzalem is als volgt samen te vatten: In Ps. 16 getuigt David ervan dat God hem niet zou overleveren aan het dodenrijk en dat zijn lichaam niet tot ontbinding zou overgaan. Dat is echter met David niet gebeurd, want zijn graf bevindt zich nog steeds hier in Jeruzalem. Maar David heeft destijds als profeet geweten van de Messias. Onder ede was hem beloofd dat een van zijn nakomelingen zijn troon zou bestijgen (2 Sam. 7,12; Ps. 132,11). Welnu, wat Ps. 16 zegt over David, die door God niet aan het dodenrijk zou worden overgeleverd en wiens lichaam niet tot ontbinding zou overgaan, slaat niet op David. Hij is immers wél begraven en tot ontbinding overgegaan. Maar zijn woorden gelden voor zijn nazaat Jezus, die door God is opgewekt. Wij allen zijn daarvan getuigen (Hand. 2,29vv).
Paulus volgt in Hand. 13,36v een soortgelijke redenering: het lichaam van David is wél tot ontbinding overgegaan, en daarom hebben de woorden: ‘U zult niet toelaten dat uw heilige verderving ziet’, op Jezus betrekking wiens lichaam niet tot ontbinding is overgegaan.
Mij aansluitend bij de overgrote meerderheid van de uitleggers van Ps. 16 kom ik op grond van de tekst van deze psalm niet tot conclusies die Petrus en Paulus later wel hebben getrokken. Het ligt meer voor de hand dat in Ps. 16 een priester aan het woord is dan koning David. Een messiaanse psalm, waarin de komst van Jezus Christus voorspeld wordt, kunnen we Ps. 16 niet noemen. Bovendien ligt zowel bij Petrus als bij Paulus veel nadruk op de ontbinding van het lichaam – een woord dat we niet in de Hebr. tekst van Ps. 16 vinden, maar wel voorkomt in de Griekse vertaling (LXX) ervan. Uit deze vertaling hebben de apostelen geput. Jezus is wel gestorven, maar niet tot ontbinding overgegaan. Dat is een duidelijk verschil. De Hebr. tekst zegt dat Jahwe’s gunstgenoot de dood niet zal zien, de Griekse vertaling zegt dat God zijn gunstgenoot in de dood niet zal verlaten!
We komen tot de conclusie dat de uitleg van Ps. 16, die door de apostelen gevolgd wordt, goed verklaarbaar is vanuit de in het Grieks vertaalde tekst van deze psalm en – wat nog veel belangrijker is – vanuit de overweldigende indruk die de dood (maar dan zonder ontbinding van het lichaam) en de daarop volgende opstanding van Jezus op hen gemaakt heeft. Zij gingen Ps. 16 anders lezen. Zoals ook wij dat doen na de opstanding van Jezus Christus, door te denken aan de vervulling van wat Ps. 16 zegt over de redding van het graf en over een overvloedige vreugde die er altijd aan God en Jezus mag blijven. Dus ook na de dood. Wat in Ps. 16 nog niet helder is, is dat na de dood en opstanding van Jezus wel.
16.4. VOOR VANDAAG
1. In Ps. 16 valt ons allereerst de innige band op die de dichter met Jahwe heeft. Het is een zó ‘geestelijke’ psalm dat de dichter boven alles Jahwe als zijn hoogste goed beschouwt. Daarmee versmaadt hij niet de ‘goede dingen’, alsof hij zich boven alles wat aards is zou verheffen. Het gegeven in Ps. 16, dat hij vurig verlangt om aan het graf te mogen ontkomen, bewijst het tegendeel. Jahwe als het hoogste goed schenkt allerlei goede dingen, zoals nageslacht, een royale veestapel en goede oogsten (Deut. 28,11v). Hij schenkt ook het verlengen van het leven en het redden uit de dood. Toch is de band van de dichter aan Jahwe meer dan de som van alle goede dingen die hij van Jahwe ontvangt. Hij heeft een zeer persoonlijke band met God, die hij ‘mijn’ Heer noemt, over wie hij zich verheugt en die hij voortdurend prijst. Hij ziet God voor en naast zich, overdag en ook ’s nachts.
2. Het leven van de dichter ‘in Jahwe’ brengt ons als nieuwtestamentische gelovigen bij ons leven ‘in Christus’. Wij moeten streven naar wat boven is, waar Christus zit aan de rechterhand van God. ‘Richt u op wat boven is, niet op wat op aarde is’ (Kol. 3,1v). Dat betekent evenals bij de dichter van Ps. 16 geen wereldmijding, zoals uit Kol. 3,5vv onmiddellijk blijkt. Het betekent wel dat we, precies als in Ps. 16, bewaard, gevoed en geïnstrueerd moeten worden door ‘boven’ om ‘beneden’ te kunnen leven. Dit vraagt van ons een niet minder persoonlijke band aan en vreugde in Jezus Christus als het ‘in Jahwe zijn’ betekende voor de dichter van Ps. 16. Men moet eens lezen hoe vaak alleen al in die ene brief van Paulus aan de Colossenzen uitdrukkingen als ‘in Christus’, ‘met Christus’, (deelnemen aan het lijden) ‘van Christus’ e.d. voorkomen.
3. Ps. 16 laat ook mooi zien hoe de intieme band met God ons tegelijk diepe vreugde doet beleven aan de kerk, als de gemeenschap van de heiligen. Te merken dat wij met veel anderen eenzelfde vreugde in God en Jezus Christus ervaren, moet ons blijven bemoedigen. Ook in kerkelijke crisistijden, zoals de dichter van Ps. 16 heeft ondervonden, toen hij zeer beslist partij koos tegen allen die afgodische armoede prefereerden boven het goede dat alleen Jahwe kan bieden.
4. In Ps. 16 staat het verlangen naar een blijvende band met Jahwe tegenover de dood, die daaraan een einde zou kunnen maken, naar het oordeel van de dichter (vgl. Ps. 88). Met onze nieuwtestamentische kennis mogen wij een stap verder zetten dan hij kon. Wij weten dat de band met Jezus Christus niet verbroken zal worden door de dood. Alle goede dingen kunnen ons ontvallen, maar met Paulus mogen we dan zeggen: ‘Ik verlang ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste’ (Fil. 1,23). Hoe sterker onze band aan Christus, hoe gemakkelijker wij voor het hoogste goed alle goede dingen kunnen loslaten.
16.5. VERANTWOORDING
Het Hebr. woord miktām (opschrift Ps.16) is vroeger in verband gebracht met kètèm, goud, zodat miktām ‘gulden kleinood’ ging betekenen. Later is gedacht aan het akkadische woord katāmu, bedekken, (de lippen) sluiten, verbergen. Dat verklaart dan het opschrift van NBV: een gebed bidden zonder dat iemand het merkt. Zie bij J.P.M. van der Ploeg, Psalmen I, Roermond 1971,105. Niets is hier met zekerheid ‘en zelfs niet met behoorlijke waarschijnlijkheid’ te zeggen, aldus van der Ploeg.
Met Goldingay, Psalms I,Grand Rapids 2006, 229, ga ik ervan uit dat het Hebr. le in vs.2 (Ik zei tot God) weer opgenomen wordt in vs. 2 (Ik zei tot de heiligen, etc.), dat ons dan in vs. 4 brengt bij wat de dichter tegen hen te zeggen heeft: ‘Vele zijn de smarten, etc.’.
De traditionele opvatting die ik van Ps. 16,3-4 verdedig, wordt ook door veel moderne exegeten gevolgd. Ik denk o.a. aan J.M. Brinkman (Psalmen I, Kampen 1995,78vv, met erkenning dat de vss 3 en 4 onduidelijk zijn, J. Goldingay a.w., I,228vv) en F.L. Hossfeld, De Psalmen 1-50, Würzburg (Die Neue Echter Bibel), 1-50,1993,111). Ook de (rooms-katholieke)in Die Bibel, Einheitsübersetzung, uitgave Herder, Freiburg uit 1980, volgt het oude spoor.
Over de uitleg van Ps. 16 in het betoog van Petrus op de Pinksterdag, Hand. 2,25vv; 13,35 schrijft J.van Eck in Handelingen (CNT),Kok 2005,73, terecht: ‘Terugkijkend op deze redenering kan men zich afvragen of men de psalmen los van het Jezusgebeuren wel zo zou lezen. Ik denk het niet … Maar vanuit de ontmoeting met de Opgestane kunnen zij (nl. Jezus’ leerlingen) de Schrift niet anders meer lezen dan ‘met het oog op Hem’’. In de Septuagint wordt het Hebr. woord šaḥat (graf, groeve) vertaald met diafthoran (bederf).
PSALM 17
17.1. UITLEG
In Psalm 17 verdedigt de dichter tegenover vijanden zijn zaak bij Jahwe. Hij klaagt over zijn tegenstanders die hem ten val willen brengen. Jahwe mag hem oordelen, maar zal niets onrechtvaardigs bij hem vinden. Vurig roept hij Jahwe te hulp.
Wij kunnen Ps. 17 een klaagpsalm noemen, omdat wij daarin met een noodkreet te maken hebben. Tegelijk blijkt dat de dichter een groot vertrouwen heeft in de goede afloop.
De psalm heet een gebed van David. Het daarvoor gebruikte Hebr. woord (tefillā) staat ook boven een aantal andere psalmen (86; 90; 102; 142). Het woord geeft niet aan dat we specifiek met klaagpsalmen te maken hebben. Letten we op Ps. 72,20, dan heten zelfs alle psalmen van David – vanaf Ps. 3 tot en met Ps. 72 – ‘gebeden’, ook al wordt er niet in geklaagd en soms alleen maar gejuicht (denk o.a. aan Ps. 8).
De inhoud van Ps. 17 kan op zoveel situaties van toepassing zijn dat het moeilijk is een bepaalde tijd aan te wijzen, laat staan een bepaalde gebeurtenis, waarop deze psalm betrekking heeft. Ook uit het leven van David is moeilijk zo’n moment aan te wijzen.
We kunnen Ps. 17 goed in drieën verdelen. De dichter beroept zich tot drie keer op Jahwe:
1) In zijn eerste beroep op Jahwe vraagt hij gehoor met het oog op zijn recht(1-5);
2) In zijn tweede beroep vraagt hij opnieuw, nu ook wijzend op zijn vijanden (6-12);
3) In zijn derde beroep vraagt hij om actie tegen zijn vijanden (13-15).
ad 1) De dichter vraagt gehoor bij Jahwe met het oog op zijn recht. Hij bepleit zijn recht, dat hij aan zijn kant heeft in de zaak met zijn vijanden. Over deze vijanden spreekt hij pas in de vss. 8vv. Laat Jahwe zijn oren lenen aan het gebed van de dichter die wars is van alle bedrog (vs. 1). Laat van Jahwe’s gelaat ‘een oordeel over mij’ uitgaan, d.w.z. een oordeel, dat de dichter in het gelijk stelt en hem rehabiliteert. Jahwe’s oren moeten naar het gebed luisteren.
Het oordeel moet dus van Jahwe’s gelaat uitgaan en zijn ogen zullen zien wat juist is (17,2). Het zal ons opvallen dat door de hele psalm heen lichaamsdelen, zowel van Jahwe als van de dichter, genoemd worden.
De dichter is ervan overtuigd dat hij zijn recht bij Jahwe kan bepleiten, omdat hij niet bang is als Jahwe een onderzoek naar zijn oprechtheid instelt. Bezoekt Jahwe hem ’s nachts (zie hierna onder 17.2, Algemeen thema, ‘De nacht en de slaap in Psalmen’), dan mag Hij het hart van de dichter onderzoeken (vgl. Job 7,18vv). Hij mag proberen onzuivere bestanddelen te vinden, zoals de goud- en zilversmid dat doet bij het smelten van goud en zilver. Jahwe zal niets aan slechtheid kunnen vinden (17,3).
Het slot van vs. 3 voegen we bij 17,4, wat de volgende vertaling oplevert: ‘Mijn mond loopt niet over als ik let op de menselijke handelingen: bij het woord van uw lippen heb ik de paden van de geweldenaar waargenomen’ (of: ‘heb ik mij gewacht voor de paden van de geweldenaar’).
De precieze betekenis van deze woorden blijft onzeker. Duidelijk is wel dat de dichter in zijn eigen leven let op Gods woorden (op zijn wet) en dat hij daarom de wegen afkeurt van mensen die geweld gebruiken. Hij gaat er beheerst tegen in, zonder heftig tekeer te gaan (zijn mond ‘loopt niet over’). Hoe hijzelf leeft, is voor geen misverstand vatbaar. Zijn voeten gaan in het spoor van Jahwe, zoals een bergbeklimmer de sporen volgt van de gids, die voor hem uitgaat. Dan is er van wankelen geen sprake (17,5).
ad 2) In zijn volgend beroep op Jahwe, vraagt hij opnieuw om hulp. Hij is er zeker van dat God Hem zal antwoorden. Tegelijk is dat ook weer zijn verzoek: ‘wil naar mij horen, luister naar mijn gebed’. Laat Jahwe zijn wondermacht tonen! Hij redt toch in zijn trouw met zijn machtige (rechter-)hand de mensen, die bij Hem schuilen? Hij bevrijdt hen toch van hun tegenstanders (17,7)? ‘Bewaar mij als de appel van het oog’! De pupil van het oog is een kostbaar en tegelijk een teer orgaan, dat extra bescherming verdient. Het beeld wordt ook gebruikt voor het volk Israël. Jahwe bewaakte toen zijn volk als zijn oogappel (Deut. 32,10).
De dichter gebruikt nog een tweede beeld, en wel dat van een vogel die zijn jongen bewaakt in de schaduw van zijn vleugels. Hier zal gedacht zijn aan de adelaar, die boven zijn jongen vliegt en ze zo schaduw biedt. Ook dit beeld is evenals dat van de oogappel te vinden in Deut. 32,10v.
De verwijzing naar deze beelden bevestigt, dat we bij de ‘wonderdaden’ van Jahwe moeten denken aan wat Hij in de geschiedenis van de uittocht uit Egypte voor zijn volk betekend heeft. De dichter vraagt nu van Jahwe om zijn uittocht te ontvangen, zodat hij bevrijd wordt van de goddelozen, die erop uit zijn hem te vernietigen en hem omsingelen om hem te doden (17,9).
In de vss. 10-12 krijgen we een beeld van de vijanden van de dichter. Zij sluiten hun vette hart toe, d.w.z. ze tonen geen enkel mededogen. Wat er uit hun mond komt, is hoogmoedige taal , in tegenstelling tot de dichter, die waakt over wat er uit zijn mond komt. Hoogmoed is een zonde die God haat (Spr. 8,13). Hoogmoed komt voor de val (Spr. 16,18; 29,23). Het is een zonde waartegen met name de profeten waarschuwen. Maar ook in het psalmboek gebeurt dit (18,28; 36,12; 59,13; 75,11; 101,5).
De vijanden komen op de dichter af, omsingelen hem nu en zijn van plan hem tegen de grond te slaan. De tegenstander (nu in het enkelvoud!) lijkt op een leeuw die belust is op een prooi, of als een jonge leeuw (in zijn kracht meer dan een welp!), die weggedoken zit om op het juiste moment toe te slaan (17,12).Dezelfde beelden hebben we al eerder onder ogen gehad (7,3; 10,9) en zullen we nog vaker vinden. Ze behoren bij de stereotiepe tekening van de kracht van de vijanden.
Achter de overgang van vijanden (meervoud) naar vijand (enkelvoud) moeten we waarschijnlijk niet meer zoeken dan een afwisseling die veel vaker in Psalmen voorkomt. Sommige verklaarders denken echter bij het enkelvoud aan Saul, die zich als leeuw wil werpen op David, de leider van Sauls tegenstanders.
ad 3) In zijn laatste beroep op Jahwe, vraagt de dichter Hem om nu in actie te komen. In de beide vorige gebeden vroeg hij God om te erkennen dat zijn zaak rechtvaardig was. Hij mocht toch hulp verwachten als een gekwelde in het volk van Israël, dat eens door God zo wonderbaarlijk bevrijd werd?! Waarom dan nog langer gewacht met zijn bevrijding? ‘Sta op, Jahwe!’ – een oproep die we reeds vaker gehoord hebben (3,8; 7,7; 9,20; 10,2). Laat Jahwe op de vijand afgaan en hem op de grond drukken! ‘Bevrijd mij toch door uw zwaard van de boze’.
Vs. 14 stelt ons voor grote moeilijkheden. NBV vertaalt aldus: ‘(Laat) uw hand mij verlossen van die mannen des doods, die leven voor kortstondig gewin. Ze mogen hun buik vullen met de straf die hun toekomt, ze mogen hun kinderen ermee verzadigen, hun kleinkinderen geven wat ervan overschiet’. Het woord ‘straf’ vinden we ook in de NBG-vertaling. Maar het Hebr. woord dat in beide vertalingen met straf vertaald wordt, betekent: wat God heeft ‘opgespaard’ of ‘verborgen’ of ‘in voorraad’ gehouden. Gaat het daarin over Jahwe’s straf, of over aardse goederen (eten en drinken) die deze goddelozen van God ontvangen?
Het vullen van hun eigen buik, het verzadigen van hun kinderen en dan ook nog het restant doen toekomen aan hun kleinkinderen, wijst erop dat deze goddeloze mensen tot in het derde geslacht hun voorspoedige gang kunnen gaan. Het ligt voor de hand aan Ps. 73 te denken, waar de dichter klaagt over de voorspoed die aan de goddelozen ten deel valt. Toch heeft deze voorspoed (evenals in Ps. 73) een keerzijde. De goddelozen leven in voorspoed, maar let eens op hun einde (73, 17)! Zij kunnen zich vol eten, maar zij zullen er ook in stikken! Voorspoed is hier tegelijk een dreigend oordeel.
Het strafkarakter blijkt ook uit het slotvers, als de dichter zijn eigen ervaring met Jahwe stelt tegenover wat Jahwe zijn vijanden zal aandoen. Wat de goddelozen zullen ervaren, is heel anders dan wat de dichter begeert. ‘Ik’, zegt hij met nadruk, zal als vrijgesproken man uw gelaat aanschouwen; ik zal bij het ontwaken mij verzadigen aan uw gestalte’ (vs. 15). Het aanschouwen van Jahwe’s gelaat kan verschillende betekenissen hebben. Zo kan men Jahwe’s gelaat aanschouwen door de tempel binnen te gaan (o.a. Ps. 63,3). Maar in onze tekst moeten wij aan iets anders denken. De dichter ontvangt wat hij gevraagd heeft, n.l. rehabilitatie die uitgaat van Jahwe’s gelaat (vgl. vs. 2).
In zijn rechtvaardiging ziet de dichter Jahwe’s gelaat. Hij kan (nog een stap verder) zich verzadigen met Jahwe’s gestalte (beeld). Dat is duidelijk totaal iets anders dan zich vol eten zoals de goddelozen doen!
Beide termen – het zien van Jahwe’s gelaat en het verzadigd worden van Jahwe’s gestalte – vullen elkaar aan. Als de dichter over Jahwe’s gelaat en gestalte spreekt (‘gestalte’ omvat meer dan het ‘gelaat’ alleen), moeten we aan Jahwe-in-actie denken. Ik herinner aan de vele lichaamsdelen die er van Jahwe in deze psalm genoemd zijn. Jahwe’s ogen hebben gezien (vsss,2), het woord is van zijn lippen gekomen (17, 4), zijn oor heeft Hij te luisteren gelegd (17, 6) en met zijn machtige hand heeft Hij de dichter gered (17,7.14). In het verhoren van zijn drie gebeden ziet de dichter wie Jahwe is.
Volgens mij moeten we bij het ‘ontwaken’ van de dichter daarom niet denken aan het eeuwige leven dat hem ten deel valt na zijn dood. ‘Ontwaken’ is hier: de volgende dag met vreugde het leven begroeten, omdat Jahwe in actie is gekomen om de klager te redden.
17.2. ALGEMEEN THEMA
De nacht en de slaap in Psalmen
Reeds meer dan eens werden we aan de nacht en aan de slaap herinnerd (Ps. 1,2; 4,9; 6,7; 13,4. Ook de combinatie ‘dag en nacht’ komt voor, zonder dat er van verschil in waardering tussen die beide sprake is. Dag en nacht getuigen van Gods grootheid (19,3; 104,20vv; 136,8v). De bedevaartgangers zijn veilig, ongeacht of het dag of nacht is (121,6). Men kan dag en nacht met (de wet van) Jahwe bezig zijn (1,2; 42,9) en Jahwe prijzen (42,9; 92,3). God kan de mens zowel overdag als in de nacht onderrichten (16,7).
De nacht is ook een geschenk van God, die de slaap aan zijn beminden geeft, nadat de mens zich overdag heeft afgetobd om zijn brood te verdienen.
Gevaren zijn er in de nacht evenzeer als overdag, maar het ligt voor de hand dat het donker de nacht tot een ‘verschrikking’ kan maken (91,5). De eenzaamheid in de nacht accentueert de moeiten, die men in ziekte of in andere omstandigheden te verwerken heeft (6,7).
De nacht is ook de tijd dat men in het verborgen kwade plannen kan beramen (4,5; 36,5). De stilte van de nacht doet mensen nadenken over zichzelf, zonder door de drukte van de dag afgeleid te worden. In de ontmoeting met God valt er in de nacht niets meer te verbergen. De dichter van Ps. 17 durft het echter aan om zijn hart in de nacht door God te laten beproeven (17,3). De nacht is een geschikte tijd voor God om de mens te peilen en een geschikte tijd voor de mens om de stem van God te beluisteren.
Van God zelf wordt gezegd dat Hij als ‘wachter van Israël’ niet slaapt en niet sluimert (121,4). Bij heidense goden is dat wel het geval. Goden als Baäl en Osiris kunnen sterven in het donkere seizoen en weer opstaan als de tijd van planten en oogsten weer aanbreekt. Zij kunnen hun aanhangers in de steek laten, door bv. op reis te zijn (1 Kon. 18,27).
Het is waar dat ook Israël tot Jahwe kan roepen: ‘Ontwaak!’ (7,7; 35,23; 44,24; 59,5). Maar dit is beeldspraak, met geen andere betekenis dan wanneer men ‘Sta op, Jahwe’ (3,8; 7,7 etc.) roept, om Jahwe tot actie te bewegen. ‘Slaapt’ Jahwe, dan is dit een aanwijzing dat het een kwade tijd is waarin Hij zich niet vertoont en het lijkt alsof Hij slaapt.
17.3. VAN OT NAAR NT
Onder 17.2 heb ik gesteld dat de dichter Gods ‘gelaat’ gezien heeft in de uitredding die hem geschonken werd. Hij vroeg erom dat bevestiging van zijn ‘recht’ zou uitgaan van het ‘gelaat’ van Jahwe. Op grond van het slotvers mogen we aannemen dat dit ook gebeurd is en de dichter in deze vervulling het gelaat van Jahwe gezien heeft. We blijven daarmee binnen de oudtestamentische horizon, waarin het zien van Jahwe’s gelaat ons nog niet brengt waar het NT ons vandaag laat zijn: het zien van God in de openbaring van Jezus Christus, met de belofte dat we straks God en Jezus Christus met eigen ogen zullen zien op hun troon in het nieuwe Jeruzalem (Openb. 22,4; vgl. 1 Kor.13,12).
Ook zonder dat we in het NT rechtstreekse aanhalingen vinden uit Ps. 17, brengt deze psalm een boodschap die niet alleen oudtestamentisch is. De scherpe tegenstelling tussen hen die bij God schuilen en hen die Gods vijanden zijn, komt in heel de Bijbel voor. Van wraakzucht is bij de dichter van Ps. 17 is geen sprake, wel van het verlangen om van zijn vijanden verlost te worden. Maar daarvoor moet duidelijk zijn eigen recht en het onrecht dat zijn vijanden hem aandoen, aan het licht worden gebracht.
Nemen we aan vs. 14 desondanks de voorspoed van de goddelozen tekent in de lijn van Ps. 73, dan is ook dat in de nieuwtestamentische tijd aan te wijzen. Wie kiest voor het koninkrijk van God, moet afstand kunnen doen van alles wat slechts schijnbaar hem of haar voorspoed brengt (o.a. Matt. 6,19vv). Het gaat om de keuze voor God. Die keuze sluit niet uit dat ook de gelovigen in Jezus Christus met aardse goederen gezegend kunnen worden (o.a. Marc. 10,30).
Of de roep om recht bij de dichter van Ps. 17 (en van andere psalmen!) te weinig gepaard gaat met het besef van z’n eigen zondige staat voor Jahwe, zullen we bij Ps. 26 in het onderdeel 26.2 bekijken.
17.4. VOOR VANDAAG
1. Gelovigen kunnen hun ‘zaaksgerechtigheid’ bij God bepleiten, zoals we reeds bij de bespreking van Ps. 7 gezien hebben. In 17,7 valt het ons op, dat verhoring van het gebed om rechtserkenning altijd ook een vragen naar het wonder van Gods genade (Hebr.: chèsèd) is. Recht en genade vallen samen, als wij voor Gods aangezicht verschijnen. God heeft oog voor onze rechten, maar daarom kunnen we ze niet zonder meer opeisen. Wie recht ontvangt en van zijn vijanden bevrijd wordt, bedankt voor een wonder.
2. We hebben ook gezien dat het wonder waarom gevraagd wordt, verbonden wordt aan de ‘wonderdaden’ van Jahwe’s bevrijding van zijn volk uit Egypte. Wie om een wonder bidt, moet de God van de geschiedenis kennen. Dat hoort óók bij het volgen van Gods spoor. Gods werk van recht-doen en bevrijding herhaalt zich. Zij, die durven vragen om bewaard te worden als Gods oogappel, laten voor zichzelf gelden wat voor heel Israël als Gods oogappel gold. Het grote voorrecht om met God, door het werk van Jezus Christus, in een verbondsrelatie te staan, geeft alle vrijmoedigheid om rechtvaardiging en bevrijding bij God te zoeken. Die vrijmoedigheid heeft met het zich vrij weten van enige schuld (17,3vv) minder te maken dan met het besef dat God heel genadig is tegenover zijn vaak zeer koppige volk Israël. Vragen om hulp als ‘Gods oogappel’ moeten we lezen tegen de achtergrond van heel Deut. 34!
3. Het spreekt vanzelf dat het NT aan het ‘zien’ van Gods gelaat en het zich laten verzadigen aan het beeld van God en van Jezus Christus een vollere betekenis geeft. Maar waarin een oudtestamentische dichter ons kan beschamen, is de sterke begeerte naar een innige band met God, die al het genot dat het leven te bieden heeft, overtreft. ‘Uw chèsèd is beter dan het leven’ (Ps. 63,4) – dat klinkt nieuwtestamentisch. maar het komt uit de mond van een man, die evenals de vervolgde ik-figuur van Ps. 17 aan het leven hangt, maar zich ook helemaal kan overgeven aan zijn God.
17.5. VERANTWOORDING
Feitelijk is er geen verschil te ontdekken tussen de Hebr. aanduidingen als tehillīm (zoals het Hebr. woord voor heel het psalmboek) en tefillīm, dat boven een aantal psalmen (o.a. Ps.17) staat. De ook vaak voorkomende woorden šīr (lied) en mizmōr (psalm) geven aan dat het over liederen gaat, die gezongen en muzikaal begeleid worden.
Voor oogappel of pupil (17,8) komen in het Hebr. twee uitdrukkingen voor:: īšōn (lett. ‘mannetje’), dat ook voorkomt in Deut. 32, 10 en Spr. 7,2, en bat-‘ayin (lett. ‘dochter van het oog’), dat we ook vinden in Klaagl. 2,18. Merkwaardig is dat we in 17,8 beide uitdrukkingen vinden. De nadruk valt op het bewaren en bewaken van de pupil als een lichaamsdeel dat bijzondere bescherming nodig heeft. Daarom is het ook beter niet te denken dat de kostbaarheid van de oogappel zou liggen in het weerspiegelen van het beeld van een ander in de pupil, zoals Franz Delitzsch, Die Psalmen, Leipzig 1894, opmerkt bij de bespreking van 17,8.
Bij het beeld van de vogel, die in de schaduw van zijn vleugels de jongen beschermt, moeten we eerder denken aan Deut., 32,10 dan aan het nieuwtestamentische gegeven van de hen die haar kuikens verzamelt onder haar vleugels (Matt. 23,37). Het gaat in Ps. 17 om het gebaar van de moedervogel (adelaar) die haar jongen tegen het felle licht beschermt en stimuleert. Zie Willebrordvertaling, noot bij Ps. 17,8.
G. Kwakkel, ‘According to my rightesness’, diss. 2001,71, gaat in zijn vertaling van Ps. 17,14 uit van de consonanten en hun vocalisatie die we in de Masoretische tekst vinden. Daardoor zit hij meer in de buurt van de vertaling van de NBG dan in die van de NBV. Hij vertaalt als volgt (door mij in het Nederlands weergegeven): ‘(Red mij) van mensen door uw hand, o Jahwe, van mensen zonder levensduur; U kunt hun buik vullen met hun deel onder de levenden en met wat u (voor hen) opgespaard hebt; laten hun zoons verzadigd worden, en wat zij overhouden geven aan hun kinderen!’ Volgens Kwakkel heeft de psalmist er de voorkeur aan gegeven het aan Jahwe over te laten wat Hij zou moeten geven aan z’n vijanden (straf of voorspoed).
Voor de verbinding tussen de aanduidingen in de psalm van Jahwe’s lichaamsdelen en het ‘zien’ van Jahwe door de dichter sluit ik me aan bij de uitleg van J. Goldingay, Psalms I,Grand Rapids 2006, 237,245v.
Voor het onderdeel 17.2 heb ik o.m. gebruikgemaakt van M. Oeming, Das Buch der Psalmen I, Stuttgart 2000, 69vv. M.i. wijst hij er terecht op dat we in Ps. 127,2 mogen lezen dat Jahwe slaap als genadegeschenk aan de zijnen geeft, i.p.v. dat Hij zijn gaven in de slaap geeft.
PSALM 18
18.1. UITLEG
Psalm 18 staat bekend als koningspsalm. We vinden dit danklied eveneens in 2 Sam. 22, waar het lied gevolgd wordt door ‘de laatste woorden van David’ in 2 Sam. 23. Daar en hier in Ps. 18 vertelt het opschrift dat David deze woorden sprak tot Jahwe, nadat Jahwe de koning ‘had ontrukt aan de greep van al zijn vijanden, ook aan die van Saul’. Bovendien wijst het slot van het lied, zowel in 2 Sam. 22 als in Ps. 18 op de trouw van Jahwe aan ‘zijn gezalfde, aan David en zijn nageslacht, voor altijd’.
Ik geef hier een uitleg van Ps. 18 en niet van (de verschillen met) 2 Sam. 22. Of de versie van 2 Sam. 22 ouder is dan Ps. 18 (velen denken juist het omgekeerde), of dat aan beide stukken een nog oudere versie ten grondslag ligt, blijft hier buiten bespreking.
Ps. 18 is een lange psalm (51 verzen), de derde in lengte na Ps. 119 (176 verzen) en Ps. 78 (72 verzen).
Voor de bespreking van onze psalm kunnen we vijf onderdelen onderscheiden:
1) De dankbetuiging van de koning (2-4);
2) Zijn wonderbare uitredding (5-20);
3) Waarom deze uitredding? (21-31);
4) Toerusting en macht van de koning (32-46);
5) Zijn lofpsalm op Jahwe (47-51).
ad 1) In zijn dankbetuiging aan Jahwe (2-4) begint David met het betuigen van zijn liefde voor Jahwe. Daarvoor is alle reden, want de koning heeft Jahwe leren kennen als ‘mijn sterkte, mijn rots, mijn vesting, mijn bevrijder, mijn steenrots, mijn schild, hoorn van mijn bevrijding, en mijn burcht’. Deze opeenhoping van namen, die we nergens zo uitgebreid in Psalmen tegenkomen (vgl. Ps. 144,1v), drukt Davids grote dankbaarheid uit. Veel van deze benamingen voor Jahwe vinden we ook elders. Voor ‘rots’ en ‘steenrots’ worden verschillende Hebr. woorden gebruikt, zonder dat ze in betekenis scherp te onderscheiden zijn. Wie op of in een rots veiligheid vindt, is ongenaakbaar voor zijn vijanden. Als dit dan ook nog gecombineerd wordt met aanduidingen voor Jahwe als ‘vesting’ en ‘burcht’, is de geborgenheid extra uitgedrukt. De omschrijving van Jahwe als ‘hoorn’ geeft zijn kracht aan, waarmee Hij zijn dienaar of knecht David (18,1) uit gevaren gered heeft. Het beeld van de hoorn is ontleend aan die van een stier (NBG: Ps. 75,5v.11; 89,18.25; 92,11 e.a.).David kan uitroepen dat hij van zijn vijanden verlost is. Dat is het werk van Jahwe, en daarom komt Hem de dank toe. ‘Geloofd zij Jahwe!’ David heet de knecht van Jahwe (zie ook 2 Sam.7,20; Ps. 36,1), een eer die ook aan Mozes (Deut. 34,5), Jozua (Joz. 24,29), Job (1,7) en aan de profeten toekwam (Jer. 7,25). De knecht David brengt nu dank aan zijn Heer voor wat hem ten deel gevallen is aan gaven en overwinningen.
ad 2) Vervolgens brengt de dichter zijn wonderbare redding onder woorden (8-20). Hemel, aarde en het dodenrijk zijn erin betrokken. Er is hier sprake van een theofanie (Godsverschijning), waaraan we in 18.2 (Algemeen thema: ‘Theofanieën in het Oude Testament’) afzonderlijk aandacht zullen geven.
Allereerst horen we hoe de dichter bijna door het dodenrijk verzwolgen was (vss. 5v). Hij was als een drenkeling die geen kansen meer zag aan de dood te ontsnappen. De ‘banden van de dood’ maakten dat onmogelijk, de kolkende afgrond van het dodenrijk joeg hem angst aan. Overal lagen op zijn weg de valstrikken die hem het ontsnappen aan de dood verhinderden. Het enige wat hij nog kon doen, was tot God schreeuwen om hulp. Gelukkig hoorde Jahwe in zijn hemels paleis (vgl. 29,9) zijn stem en Hij schoot te hulp (7).
Met het optreden van God brak alle geweld los. De aarde begon te schudden en te schokken, de bergen trilden op hun grondvesten. Dat gebeurt als God in woede ontsteekt. Heel mensvormig voorgesteld zien wij uit zijn trillende neusgaten de rook van zijn woede opstijgen, terwijl uit zijn mond vuur komt dat kolen in brand zet (vgl. 11,6; 120,4; 140,11). We kunnen hier denken aan vulkanische verschijnselen. Zij kondigen aan dat Jahwe de hemel ging openen en neerdaalde om de dichter in zijn grote nood te hulp te schieten.
Zonder afscherming van zijn verblindende verschijning kan echter geen mens een dergelijke aanblik van Jahwe overleven. Vandaar dat Hij zich in donkerheid hulde, die hij als een tent om zich heen trok, van duistere wateren en dichte wolken (vss. 10 en 12). Zoiets lezen we vaker als Gods verschijning beschreven wordt. Denk aan Ex, 20,21; Deut.4,11; 1 Kon. 8,12). In deze duisternis zweefde God, gezeten op zijn troon, die gedragen werd door cherubs (vgl. Ez. 1 en 11), op de vleugels van de wind. De cherubs zijn hemelse wezens, die we voor het eerst in Gen. 3,24 vermeld vinden. Zie daarover ook Ex. 25,18vv, waar de cherubs als gevleugelde wezens beschreven worden.
Voor de duisternis uit vertoonden zich hagel en vurige kolen, waarbij we mogelijk aan geweldige hagelbuien en vulkanische verschijnselen moeten denken.
Daarna verhief Jahwe zijn donderstem, te midden van de opnieuw genoemde ‘hagel en vurige kolen’ (v. 14). Met zijn pijlen (bliksemschichten) verstrooide Hij de vijanden van de dichter.
Er is al vaker op gewezen dat hier niet van vernietiging, maar van verstrooiing en verwarring (verdrijving) van vijanden sprake is. Moeten we hier aan vijanden binnen het broedervolk Israël denken, met name aan Davids strijd tegen Saul? Verderop (18,38v) horen we dat andere (buitenlandse?) vijanden vernietigd worden.
Toen brak het ogenblik aan dat de dichter uit zijn benarde positie in het dodenrijk bevrijd werd (16-19). Jahwe legde de grondvesten van de wereld bloot met zijn briesende adem. De woeste wateren, waarin de dichter dreigde onder te gaan, werden weggeblazen. Jahwe greep van bovenaf in, pakte de dichter vast en trok hem (als eertijds met Mozes gebeurde, Ex. 2,10) uit het water omhoog. Jahwe ontrukte de dichter aan een machtige vijand, die sterker was dan hij. Zonder Jahwe’s hulp was hij aan zijn haters niet ontsnapt. Op de dag dat hij zou zijn ondergegaan, waren zij paraat; maar gelukkig redde Jahwe hem van de ondergang. Het werd de dag van zijn bevrijding. De benauwdheid, veroorzaakt door de ‘banden van de dood’, verdween. Jahwe zette hem in de ruimte!
ad 3) Waarom deze uitredding (21-30)? Het beslissende antwoord is al in vs. 20 gegeven: ‘Hij bevrijdde mij, omdat Hij mij liefhad’. Iets anders vertaald: ‘omdat Hij een welgevallen aan mij had’ (NBG). Dit welgevallen krijgt in de volgende verzen een vrij brede uitleg. Daaruit blijkt dat de dichter in het geding met zijn vijanden het gelijk aan zijn kant had. Jahwe vergold hem overeenkomstig zijn gerechtigheid (vs. 21. vert. NBG) . Hij werd beloond voor zijn ‘reine handen’. Daarmee zal meer bedoeld zijn dan dat de dichter geen onschuldig bloed vergoten had. ‘Reine handen’ houdt iemand ook als hij ze niet uitstrekt naar een vreemde god (44, 21), of (meer in het algemeen) zich onthoudt van welk onrecht dan ook (73,13; 125,3).
De beloning die de dichter van Jahwe heeft ontvangen, is daarom op méér gefundeerd dan op zijn zaaksgerechtigheid alleen! Zeker, hij stond in zijn recht tegenover vijanden die hem naar het leven stonden. Maar heel zijn houding getuigde van sterke verbondenheid aan Jahwe. Hij was Jahwe op diens wegen gevolgd en week niet goddeloos van Hem af. Jahwe’s voorschriften stonden hem voor ogen en zijn inzettingen sloeg hij niet in de wind (23). ‘Ik was oprecht (tāmīm) tegenover Hem en ik was op mijn hoede voor mijn zonde (zondige aard)’, zoals er letterlijk staat (24). De dichter weet dat hij een zondaar is en zich daarvoor moet wachten. Maar daarom kan hij nog wel een man uit één stuk heten, die meent wat hij zegt en doet wat in overeenstemming is met zijn hart. Zie mijn verklaring bij 15,2.
Vinden wij hier niet een te rooskleurig beeld getekend van David? Waar blijft bv. de schuldbelijdenis die we in Ps. 51 lezen over Davids zonde met Batseba? Ik zal het totaalbeeld van de ‘oprechte’ David uitvoeriger bespreken bij Ps. 26, onderdeel 2. Nu wijs ik er alleen op dat de dichter in deze psalm, van het begin tot het eind, niet roemt over zichzelf, maar over zijn God waaraan hij alles te danken heeft.
De herhaling van vs. 21 in vs. 25 onderstreept nog eens dat de dichter bevrijd werd door Jahwe als beloning voor wie hij was in de ogen van Jahwe: een oprecht mens.
Wat de dichter met betrekking tot zichzelf zegt, breidt hij in 18,26v uit tot ieder die in het spoor van Jahwe wandelt. Jahwe is trouw voor de trouwen, oprecht voor de oprechten, rein voor de reinen en … ongrijpbaar voor de sluwe (NBV).
We begrijpen zonder meer de eerst drie vergelijkingen. God beloont trouw, oprechtheid en reinheid. Wat Hijzelf is, beloont Hij in zijn volgelingen. Maar hoe beloont hij de vijand, de ‘verkeerde’? Toch niet door zelf verkeerd te handelen, zoals sommigen in hun vertaling laten uitkomen: Jahwe handelt vals tegen de valsen! Het woord dat voor Gods handelen tegen de ‘verkeerden’ gebruikt wordt, kán als handelen in sluwheid en verdraaidheid wijzen (o.a. Job 5,13; Jes. 29,14). Maar Jahwe valt van sluwheid en bedrog toch niet te betichten. Daarom doen we aan Jahwe recht als we met bv. de Willibrordvertaling 1995 vertalen: (U bent trouw voor de trouwen, oprecht voor de oprechten, rein voor de reinen), ‘maar de sluwen bent U te slim af’.
De gevolgen zijn voor de dichter ook zichtbaar wanneer hij let op de hulp die Jahwe aan het (zijn) volk geeft als het in ellende verkeert. Dat volk verlost hij, terwijl Hij de hoogmoedige tegenstanders, die zich tegen zijn volk keren, ten val brengt (28). Bij het ‘volk’ zullen we moeten denken aan de volgelingen van David, die in deze psalm verder geen aandacht krijgen. We lezen van David, van zijn redding en van zijn overwinningen, zonder dat er uitdrukkelijk aandacht gegeven wordt aan Davids medestrijders. Die medestanders waren er uiteraard, zodat de dichter in plaats van ‘mijn’ God ook over ‘onze God’ kan spreken (32). Het is overigens duidelijk genoeg dat de dichter zijn eigen redding en al zijn overwinningen niet op z’n eigen naam, maar op die van Jahwe zette. In Jahwe’s gunst deelt nu ook Davids ‘vertrapte’ of ‘ellendige’ volk. Het is Davids lamp die van Jahwe haar licht ontvangt en de duisternis opheft in Davids leven (29). Maar deze lamp is tegelijk de lamp of het licht van Israël, waarop de soldaten van David zuinig zijn, als ze tegen hun koning zeggen: ‘Trek niet meer met ons ten strijde, opdat het licht van Israël niet wordt gedoofd’ (2 Sam. 21,17).
Verlicht door Jahwe, kan David de ergste gevaren trotseren. Hij kan afstormen op een legerbende en met zijn God over een muur springen (18,30). Anderen menen dat hier sprake is van het beklimmen van een muur (o.a. NBV). Dat is minder wonderbaarlijk, maar als vertaling minder overtuigend (vgl. Hoogl. 2,8; Jes. 35,6; Sef. 1,9).
Vs. 31 kunnen we als afsluiting van dit gedeelte beschouwen. Gods weg is oprecht (tāmīm) en het woord van Jahwe is zuiver. Daarom staat Hij – geheel in de lijn van 18,26 – aan de kant van hen die onberispelijk mogen heten en in zijn spoor gaan (18,22v). Zij kunnen op Jahwe rekenen, achter wiens schild zij veilig zijn.
ad 4) De toerusting en de macht van de koning (32-46) laten opnieuw zien dat de dichter alles wat hij kan en wat hij bereikt heeft, van Jahwe heeft ontvangen. Is er een andere God dan Jahwe, een andere rots waarop men ongenaakbaar is voor z’n vijanden? (18,32). Dat wordt uitgewerkt in wat de dichter zegt over zijn toerusting, die hij helemaal aan Jahwe te danken heeft. Jahwe omgordt hem met kracht – een beeld dat we vaker tegenkomen (18,40; 65,7; 93,1). Het wordt begrijpelijk als we ons realiseren dat aan de gordel wapens werden bevestigd. Verder maakt Jahwe de weg van de koning tot een ‘oprechte’ weg (18,33 WV). Opnieuw wordt hier het Hebr. woord tāmīm gebruikt. Deze uitspraak is belangwekkend: zijn oprechtheid heeft de dichter niet aan zichzelf, maar aan Jahwe te danken! Jahwe geeft hem kracht, geeft hem oprechtheid in zijn wandel, laat hem met de snelheid van een hinde lopen, brengt hem met die snelheid op de toppen van de bergen en oefent zijn handen voor de strijd (vgl. 144,1).
De krijgskunst is dus evengoed als het vak van de artiesten, die de kleding van de priesters vervaardigden of de tabernakel bouwden, aan Jahwe’s wijsheid te danken (Ex. 28,3; 35,30vv). En zo is de koning ook als boogschutter afhankelijk van Jahwe, die Davids handen oefent. De koning kan met zijn armen de bronzen boog spannen. De boog heet hier van ‘brons’, wat wel zal slaan op het bronzen beslag van de (houten) koninklijke boog.
Ook als de strijder zich moet verdedigen, kan hij op Jahwe rekenen. Jahwe gaf hem het schild dat hem kon redden, Jahwe’s rechterhand ondersteunt hem en Jahwe’s woord maakte hem sterk (vs.36,vert. NBV). Van wankelen in de strijd was geen sprake. Jahwe gaf hem alle ruimte voor zijn voetstappen (37).
De vijanden konden tegen zo’n koning geen standhouden, zoals uit de vss. 38-42 blijkt. Davids achtervolging leidde tot hun vernietiging, Van strijd is nauwelijks meer sprake, want de vijanden kunnen voor zo’n strijder als David alleen maar op de vlucht slaan. Hij achtervolgde hen, haalde hen in en keerde pas na hun vernietiging weer huiswaarts. De vijanden werden verpletterd, dood lagen ze onder zijn voeten. Ironisch constateert de koning dat Jahwe hem de rug van zijn vijanden liet zien (18,41).
David velde hen neer, terwijl zij op hun roepen tot Jahwe om hulp geen antwoord kregen. Dat is goed voor te stellen als het over de binnenlandse vijanden van David gaat, zoals Saul en Absalom, die immers konden weten wie Jahwe was en – zoals Saul – zijn hulp inriepen (1 Sam. 28,6). Maar ook vreemde volken konden onder de indruk van Jahwe zijn. Denk aan de Filistijnen (1 Sam. 6,5v). De woorden die David aan zijn vijanden (dichtbij of veraf) wijdt, getuigen van geen enkel pardon en respect (vgl. hiermee 2 Sam. 1,19vv): ‘Ik verpulverde hen tot stof in de wind en vertrapte hen als modder op straat’ (18,43).
De volgende verzen maken duidelijk dat David binnenlandse en buitenlandse vijanden versloeg, toegerust als hij was met Jahwe’s kracht. Hij werd bevrijd van een opstandig volk, d.w.z. van tegenstanders uit zijn eigen volk, die zijn gezag betwistten. Maar daarnaast stelde Jahwe hem ook aan tot heerser over vreemde volken ( (2 Sam. 8;10;12,26vv). Volken die David niet kende (vgl. onze uitdrukking ‘vreemde’ volken), onderwierpen zich aan hem, zodra ze van hem hoorden. Hun gehoorzaamheid kwam niet uit hun hart, en David wist dit (18,45). Zij brengen de koning en Jahwe hulde, al is het voor de schijn, en dus ‘veinzend’! (vgl. 66,3; 81,16). Hun eigen kracht ging verloren en hun burchten moesten ze prijsgeven, toen ze zich bevend aan deze onoverwinnelijke koning uitleverden.
ad 5) Ps. 18 eindigt met een lofpsalm op Jahwe (47-51). ‘Jahwe leeft!’ Hij heeft laten zien dat Hij er is! Mochten we denken dat David zich erop beroemt dat zijn vijanden zich aan hem onderwierpen zodra hij in hun buurt kwam, dan wijst de kernachtige opmerking in twee woorden (Jahwe leeft!) ons in een andere richting. Het is Jahwe die leeft en geprezen moet worden als Davids rots. Het is God die ‘verhoogd’ moet worden, d.w.z. eer moet ontvangen als Davids redder (47). Wat eerder in Ps. 18 al geconstateerd was, wordt nu in vijf korte zinnen samengevat: God verleende aan David het recht om zich te wreken, zorgde ervoor dat volkeren zich aan hem onderwierpen, redde hem van zijn vijanden, ‘verhoogde’ hem boven zijn tegenstanders en bevrijdde hem van geweldenaars (18,48v).
Twee dingen zijn een extra opmerking waard. Als David zich wreekt, geeft Jahwe daarvoor toestemming. Jahwe neemt wraak op zijn vijanden en schakelt daarvoor mensen in (Deut. 32,35; Ps. 79,10vv; 94,1; Ez. 25,14; Rom. 12,19; 13,4). Zich lichtzinnig wreken wordt afgestraft (2 Sam. 1,16; 4,8).
In de tweede plaats: het moet ons treffen dat David God ‘verhoogt’, terwijl God David ‘verhoogt’ en dus eert. Aan God brengt David alle eer en van God ontvangt hij alle eer.
De lofprijzing, die David aan Jahwe brengt, is voor hem niet alleen een binnenlandse aangelegenheid, maar wie wil hij ook laten horen te midden van de volken (50). Het gaat om de eer van Jahwe’s naam, die zich in zijn grote scheppingswerken en in de geschiedenis van zijn volk zo duidelijk gedemonstreerd heeft (zie ook 8,2; 9,3). Aan zijn koning schenkt Hij grote uitreddingen en aan zijn gezalfde bewijst hij zijn trouw. Vrijwel altijd heeft het gezalfd-zijn in Psalmen (2,2; 20,7; 28,8 e.a.) betrekking op de koning als ‘gezalfde’ (Hebr.: māšīach) van Jahwe. De trouw aan deze ‘gezalfde’ (NBG) ligt vast in de profetie van Natan, waarin aan David en zijn nageslacht een eeuwig koningschap beloofd werd (2 Sam. 7,12vv).
18.2. ALGEMEEN THEMA
Theofanieën in het Oude Testament
Doorgaans openbaart Jahwe zich door te spreken. Hij brengt zijn boodschap aan profeten, koningen e.a. vanuit de hemel of vanuit zijn heiligdom op aarde. Dat is gemakkelijk na te gaan in Psalmen. Jahwe kan spreken in zijn woede over heidense volken of over zijn eigen volk (Ps. 2,5v; 50,7). Hij kan ook in zijn genade spreken uit verbondenheid aan zijn zoon, de koning te Jeruzalem (Ps. 2,7vv). Men kan Hem raadplegen en zijn antwoord (via profeet of priester) afwachten (1 Sam. 9,9; 22,10 e.a.). Hij luistert naar het hulpgeroep van zijn volgelingen en zij rekenen op zijn antwoord (Ps. 3,5; 17,6; 20,2,10 etc.).
Maar Jahwe kan soms ook in grote majesteit ‘spreken’, door te verschijnen vanuit de hemel, terwijl daarbij heel de schepping in rep en roer raakt. We treffen dit in de beschrijving van de doortocht door de Rode Zee (Ps. 77,17vv), toen de wateren begonnen te beven, de hemel luid dreunde en de aarde trilde en schokte. Soortgelijke proporties neemt de verbondssluiting op de Sinai aan , als Jahwe onder donder en bliksem neerdaalt op dit gebergte, dat geheel in rook gehuld wordt en op z’n fundamenten trilt (Ex. 19,16vv; 20,18vv; Deut. 33,2). Niet anders is het in het lied van Debora, waarin de aarde beefde en de bergen wankelden, toen Jahwe voortschreed vanuit Seïr (Recht. 5,4). De strijd die Debora en Barak tegen koning Jabin van Kanaän en diens legeraanvoerder Sisera te voeren hadden, krijgt daardoor dus eveneens buitengewone proporties. Maar ook zonder dat we aan een specifieke gebeurtenis uit de geschiedenis van Israël moeten denken, komt een dergelijke theofanie voor. Ps. 97,2vv laat ons de komst van koning Jahwe zien, in duisternis gehuld en met een alles verterend vuur dat voor Hem uitgaat. De aarde beeft en de bergen smelten als was voor Jahwe. De dichter van Ps. 144 bidt om een dergelijke verschijning van Jahwe, die van de hemel afdaalt en de bergen aanraakt, zodat zij gaan roken. We worden in die psalm in meer dan één opzicht herinnerd aan Ps. 18, omdat we ook hier te maken hebben met iemand die om bevrijding bidt en smeekt dat hij ontrukt wordt aan het geweld van de wateren (144,7).
Breder dan in welke andere psalm ook is de beschrijving van de theofanie in Ps. 18. Zoals reeds opgemerkt komen hemel, aarde en onderwereld (dodenrijk) in het vizier. Jahwe daalt uit de hemel neer, gehuld in duisternis, terwijl een vuurgloed voor Hem uit gaat en voor zijn toorn de grondvesten van de wereld bloot kwamen te liggen. David wordt bevrijd uit het dodenrijk, alsof hij daarin (als dode) reeds verkeerde! Hij wordt immers uit de woeste wateren van de onderwereld omhoog gehesen.
De vraag komt op, of we in dergelijke theofanieën met historiebeschrijving te maken hebben, of met hyperbolen, d.w.z. met beeldende beschrijvingen waarin van overdreven voorstellingen gebruikgemaakt wordt. Het antwoord moet luiden dat hier niet van of-of, maar van en-en sprake is. Zo mogen we aannemen dat de verschijning van Jahwe op het Sinai-gebergte historisch een diepe indruk heeft gemaakt. Maar tegelijk kan de beschrijving ervan trekken toevoegen die niet historisch zijn, maar de bedoeling hebben ons onder de indruk te brengen van het geweldige van Jahwe’s verschijning. Waar Hij van boven naar beneden afdaalt, moeten bliksem en donder Hem begeleiden, moet de wereld beven en moeten de waterstromen voor Hem op de vlucht slaan. Een historische verschijning van Jahwe moet op de aarde die Hij geschapen heeft, alles in beweging brengen.
Reeds Calvijn merkte met betrekking tot Ps. 18 in alle nuchterheid op, dat in de beschrijving van Davids leven (1 en 2 Samuël) geen enkele melding wordt gemaakt van een dergelijke wonderbaarlijke ontvouwing van goddelijke kracht als Ps. 18 doet. Deze psalm gebruikt ‘een hyperbolische manier van spreken’. Waarom gebeurt dat? Om het er bij ons goed in te prenten dat Jahwe David gered heeft en die redding niet aan z’n eigen bekwaamheid, aan het geluk of aan (andere) natuurlijke middelen te danken was. Om dat de mensen duidelijk te maken, grijpt de dichter terug op de wonderen die Jahwe heeft getoond in Egypte, in de doorgang door de Rode Zee en bij de berg Sinai.
Met deze laatste opmerking is gelijk gezegd dat Calvijn niet twijfelt aan de historiciteit van deze wonderen. De hyperbolische beschrijving in Ps. 18 beoogt ook niets anders dan het wonder van Davids redding van de dood, van zijn toerusting tot de strijd en van al zijn overwinningen toe te schrijven aan God, die evenals vroeger zijn genade blijft tonen!
18.3. VAN OT NAAR NT
Uit Ps.18 wordt in het NT slechts eenmaal geciteerd. Rom. 15,9 herinnert aan Ps. 18,50, waar David de lof op Jahwe onder de volken wil verkondigen. Dat komt tot een bredere vervulling door de verkondiging van het evangelie van Jezus, de gezalfde uit het nageslacht van David (Rom. 1,4). Jezus Christus is gekomen om de heidenen in staat te stellen God te loven om zijn barmhartigheid, zegt het begin van Rom. 15,9. God laat zien dat Hij trouw is aan David en zijn nageslacht, voor altijd (Ps. 18,50). David was nog geen evangelist in nieuwtestamentische stijl, maar de lof op God, die hij onder de heidenvolken wil prijzen, krijgt z’n vervolg in wat Jezus Christus als Gods Zoon zal bewerkstelligen onder deze volken. Zo wordt een belofte bevestigd die niet alleen voor besneden Joden gold, maar ook voor de niet-Joden. Jezus Christus is een dienaar voor de Joden geworden om hun te tonen dat God trouw is en om de beloften aan de aartsvaders te vervullen Rom. 15,8. Maar die beloften hadden eveneens betrekking op de heidense volken, zoals uit de onmiddellijk daarop volgende citaten uit het OT blijkt (Rom. 15, 9vv).
Op grond hiervan kunnen we Ps. 18 een psalm met messiaans perspectief noemen, zonder daarmee te beweren dat de psalm messiaans in al haar onderdelen is. Het gaat over een uitredding die David ten deel gevallen is en over gaven en overwinningen die hem geschonken zijn. Parallellen trekken tussen Davids redding uit het dodenrijk en Christus’ strijd tegen het dodenrijk, eindigend met zijn opstanding uit de doden, zijn gezocht.
18.4. VOOR VANDAAG
1. Er is geen tweede psalm te vinden, waarin de activiteit van Jahwe zo uitvoerig verweven is met het leven van een mens als hier in Ps. 18. De dichter dankt zijn redding, de toerusting tot zijn taak en alle prestaties die hij mag leveren, aan Jahwe en hij brengt dit van het begin tot het einde van deze lange psalm ook tot uitdrukking. Wij kunnen onze wenkbrauwen fronsen als David hier zonder reserves een rechtvaardig en oprecht mens genoemd wordt, als wij denken aan zijn affaire met Batseba. Daar ga ik bij de bespreking van Ps. 26 nader op in. Maar deze ‘spanning’ doet niets af aan de belangrijkste boodschap van Ps. 18: alles heeft de mens te danken aan God. En daarom moet God voor alles geprezen worden. Wij weten dat we ons aan twee geboden moeten houden: God liefhebben en de naaste als onszelf (Matt. 22,37vv). Maar om onze religie niet als medemenselijkheid in te kleuren, moeten we blijven beseffen wat het eerste en grote gebod is. Wij zijn helemaal van God afhankelijk en brengen Hem alle eer.
2. Vervolgens zou het onjuist zijn de verwevenheid van Jahwe’s handelen met dat van koning David oudtestamentisch te noemen als we aan het militaire aspect denken. Mengt God zich in zo’n ‘wereldse’ zaak als oorlogvoering? Ja, dat zal Hij blijven doen zolang deze wereld nog draait en ook oorlogen nodig zijn om de uiteindelijke vrede te bereiken. En dus blijft ook de kunst van de oorlog aan God te danken. We moeten daarom niet toegeven aan het verlangen Ps. 18 te reconstrueren tot een ‘nieuwtestamentische’ oproep om alleen bezig te zijn met de geestelijke wapenrusting uit Ef. 6,10vv. Als dit ertoe leidt dat we God uit onze huidige wereld bannen, ook als het over oorlogvoeren gaat, zijn we verkeerd bezig. Wie aan Rom. 13 denkt, met het zwaard dat in handen van de overheid gegeven is, moet ook aan Ps. 18 terugdenken. David staat als koning in dienst van Jahwe (18,1) en is voor het neerslaan van zijn vijanden afhankelijk van Hem die aan mensen het recht op wraak verleent (18, 48). David wist maar al te goed dat hij en anderen Saul niet uit weg konden ruimen. Rom. 12,19 gold in oud- en nieuwtestamentische dagen: ‘Het is aan Mij om wraak te nemen, Ik zal vergelden’. En wie wraak en vernietiging alleen maar in het OT meent te vinden, moet bewust heel wat nieuwtestamentische gegevens negeren. Het Lam dat geslacht is, heet ook de Leeuw uit Juda (Openb. 5), die ook zeer hardhandig zijn (laatste) oordelen uitvoert (Openb. 14vv). Het onafzienbare misbruik van macht en geweld in alle eeuwen, neemt het goede gebruik van geweld door de van God gegeven overheden niet weg.
3. In dit verband is het ook een zeer Bijbels thema om menselijke nederigheid tegenover menselijke trots en hoogmoed te plaatsen (18,28.36). Alle verhoging en eer hebben wij aan God te danken; alle zelfverheffing – met name als het over regerende personen gaat – komt uit ons eigen hart op.
4. Het is verder goed als we beseffen, dat we over een lamp beschikken in alle duisternis die ons omringt en ons onzeker maakt de juiste beslissingen te nemen. God zorgt voor het licht in die lamp, zodat we ondanks veel duisternis onze weg vinden.
18.5. VERANTWOORDING
Het in 18,2 gebruikte woord voor ‘liefhebben’ (Hebr. rḥm, alleen hier in qal-vorm) komt elders niet voor. Het gewone woord daarvoor is ’hb. Maar er is geen reden de Hebr. tekst te corrigeren, zodat we i.p.v. rḥm het werkwoord rūm zouden moeten lezen, om te vertalen met: ‘ik wil u (uw naam) verheffen of iets dergelijks.
Ps. 18,27 wordt in de Einheitsübersetzung 2009 vertaald met: ‘Gegen den Reinen zeigst du dich rein, doch falsch gegen den Falschen‘. Ik volg de WV 1995: ‘maar de sluwen bent U te slim af‘. De sluwe (Hebr.: ‘iqqēš) wordt behandeld zoals hij verdient. ‘De bedoeling is niet dat Jahwe zich sluw gedraagt, sluw is, maar dat hij de sluwe te slim af is; wie God tracht te bedriegen, komt bedrogen uit. De gehele context verbiedt aan te nemen dat Jahwe zich immoreel gedraagt en gemeenheid met gemeenheid beantwoordt’ (J. van der Ploeg, Psalmen I,Roermond 1971,128v). De vertaling die de Einheitsübersetzung geeft, is mogelijk als we aan Deut. 32,5 en Spr. 8,8 denken, waar het woord dat WV 1995 met ‘te slim af zijn’ vertaalt, inderdaad als ‘vals’ of ‘gemeen’ vertaald kan worden. Hier hebben we nu een voorbeeld waarin we met onze vertaling aan God geen onrecht moeten toeschrijven!
De slotwoorden van Ps.18,36 betekenen letterlijk: ‘Uw deemoed maakt mij groot’ (Hebr.: ‘anwātechā tarbēni). Maar kun je dat van God zeggen? Vandaar dat velen hier de lezing van 2 Sam. 22,36 volgen: ‘anōtechā etc., in de betekenis van ‘zorg’ (WV) of ‘woord’ (zoals NBV).
In 18,43b lees ik niet het Hebr. werkwoord rīq , maar dqq, dat ook in 2 Sam. 22,43 voorkomt en een betere lezing geeft: ‘Ik vertrapte hen als modder op straat’(WV), i.p.v. ‘Ik goot hen uit als slijk van de straten’(NBG).
Wat bij Calvijn een ‘hyperbolische manier van spreken’ heet, noemen de Kanttekenaars op de Statenvertaling ‘een figuurlijke beschrijving’ (kanttekening op 2 Sam. 22,8).
PSALM 19
19.1 UITLEG
Altijd is op de tweedeling van Ps. 19 gewezen. 19,1-8 getuigt van Gods majesteit aan het hemelfirmament, met de zon als stralend middelpunt, terwijl 19, 9-15 gaat over de grote betekenis van de wet. Soms is gedacht aan twee aparte psalmen, waarvan de eerste (over de schepping) zou zijn afgebroken, na de vermelding van de zon die elke dag haar tocht langs het hemelgewelf volbrengt. Op zichzelf is het samenbrengen van twee aparte fragmenten tot één psalm denkbaar, zoals we aan Ps. 108 kunnen zien (voor 108,1-6 zie 57,8-12; voor 108,7-14 zie 60,7-14). Met betrekking tot Ps. 19 is een dergelijke tweedeling niet overtuigend aan te tonen. Er is geen doorslaggevend bewijs te leveren voor de opvatting dat we in Ps. 19 met twee gedichten en twee dichters te maken hebben.
In elk geval zal het de taak van elke uitlegger zijn om naar de eenheid van de boodschap van Ps. 19 te zoeken.
Over de tijd waarin Ps. 19 is ontstaan, kan niets met zekerheid gezegd worden. Het woordgebruik doet aan een latere tijd dan die ‘van David’ denken (vs. 8:‘de onverstandige of eenvoudige’, vooral in Spreuken (1,4.22 e.a.).
We kunnen Ps. 19 typeren als een lofzang op Gods schepping en op zijn wet.
In plaats van een tweedeling kunnen we met goed recht deze psalm in drieën verdelen. Na de lof op Gods scheppingswerk aan het firmament en de lof op de wet, vinden we in 19,13-15 een gebed van de dichter om vergeving van Jahwe te ontvangen. We hebben met een psalm te maken (vgl. 15,1) en, gelet op het daarvoor gebruikte Hebr. woord, met een lied dat gezongen en muzikaal begeleid wordt. Het is ‘een zangstuk op naam van David’ (Willebrordvertaling).
Wij onderscheiden:
1) de lof op Gods scheppingswerk (2-7);
2) de lof op Jahwe’s wet (8-12);
3) het gebed om vergeving (13-15).
ad 1) In zijn lof op Gods scheppingswerk beperkt de dichter zich tot het hemelgewelf. Ps. 8 ging verder en bewonderde ook de schepping van de mens. In 19,1 zijn ‘de hemel’ en ‘het uitspansel’ synoniemen. Het gaat niet over de hemel als woonplaats van God, maar over het hemelgewelf. Het woord voor het ‘uitspansel’ of (nog beter) ‘firmament’ komt verder nog voor in Gen. 1,6vv; Ps. 150,1; Ez. 1,22vv; 10,1; Dan. 12,3. Het wijst op iets dat van vast materiaal vervaardigd is. Het hemelgewelf ontvouwt de majesteit van God; dit firmament komt uit zijn handen. We worden dus van wat wij aan de hemel zien, verwezen naar de maker ervan.
Dat wordt concreter gemaakt door op de dag (met de zon) en op de nacht met de (niet-genoemde) maan en sterren te wijzen. Zij brengen telkens beide hun boodschap over aan de volgende dag en de volgende nacht. Iets vrijer geformuleerd, kunnen we ook vertalen: ‘Elke dag opnieuw wordt dat verkondigd, elke nacht opnieuw wordt dat gefluisterd’. (WV). Dit fluisteren gebeurt niet met (voor de mens) verstaanbare woorden, want geen woord of stem laat zich horen, vs. 4. Het is een spraak zonder klank. Sommigen vertalen hier anders: Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord (bv. Calvijn en SV, in navolging van de Vulgaat). Maar dat lijkt me onjuist.
Daarmee is nog niet gezegd dat er – al is het zonder verstaanbare woorden – geen boodschap opgevangen wordt uit Gods hemelgewelf. Over heel de aarde gaat hun stem uit, d.w.z. de stem van dag en nacht. Hun taal gaat tot het einde van de wereld uit, vs. 5a. Er is in dit vers een vertaalmoeilijkheid. Het Hebr. gebruikt het woord qav, dat ik hierboven met ‘stem’ heb weergegeven, zoals ook in NBG (‘prediking’ en ‘stem’) en NBV (‘stem’ en ‘taal’) gebeurt. Deze parallellie ligt voor de hand. Maar een gebruikelijker betekenis van het Hebr. woord is snoer, waarmee gemeten wordt (bv. 1 Kon. 7,23; Jes. 28,17; 34,11; Jer. 31,39; Zach. 1,16). Op zichzelf is dat ook een aantrekkelijke vertaling. Er gaat een boodschap uit van dag en nacht, die de orde bepaalt in het verloop van de tijd (vgl. Gen. 1,16vv). Maar de parallellie in vs. 4 wordt met deze vertaling doorbroken. Gelet ook op een soortgelijke vertaling van ons vers in Rom. 10,18 is het aannemelijker de parallellie te handhaven.
Na vermelding van het firmament met z’n wisseling van dag en nacht spreekt 19,5b-7 over de zon, het glanzend hoogtepunt aan het hemelgewelf. Hij (God) heeft aan dit gewelf een tent opgeslagen voor de zon. Deze tent is het slaapvertrek waarin het huwelijk van de bruidegom (de zon, die bij ons vrouwelijk, maar in het Hebreeuws mannelijk is) met zijn bruid voltrokken is. Dit vertrek verlaat de bruidegom in de ochtend om zijn tocht langs het hemelgewelf als een vrolijke held (een jonge soldaat) te volbrengen. Het bruidsvertrek kunnen we ons voorstellen als de plaats waaruit de zon elke morgen tevoorschijn komt.
De zon komt aan het ene eind van de hemel (het oosten) op en voltooit aan het andere eind (het westen) zijn loop. Onder zijn licht blijft op aarde niets verborgen.
Er zijn allerlei uitleggingen gegeven over de betekenis van de zon in Ps. 19. Hebben we te maken met een oorspronkelijk heidens lied over de zon? Is dat lied van betekenis veranderd, zodat de zon geen heidense god bleef, maar een instrument werd van de God van Israël? Met wie is de zon getrouwd, als ‘hemel’ met de ‘aarde’? Wat betekent hier de seksualiteit, etc.? Het levert weinig tot niets op voor het begrijpen van de psalm.
Duidelijk is dat een beeld gebruikt wordt: de zon verschijnt ’s morgens als een jonge bruidegom uit zijn bruidsvertrek. Maar het is wel het licht van de zon dat in het eerste deel van Ps. 19 onze aandacht trekt. We mogen dit gegeven uitleggen als beeld van Jahwe’s wet en onderricht, waaraan in 19,8vv de kwaliteiten van helder, zuiver en waar worden toegekend. We kunnen denken aan wet en recht die hun oorsprong in Jahwe vinden als een ‘licht voor alle volken’(Jes. 51,4; vgl. 60,1vv). De zon heet in Mal. 3,20 ‘de zon van de gerechtigheid’, die stralend zal opgaan voor hen die ontzag hebben voor Jahwe’s naam. Ook de laatste woorden(7c) zijn van belang als overgang naar de lof op Jahwe’s wet: voor de gloed van de zon blijft niets verborgen. Mogelijk dat deze gloed twee aspecten heeft. Alles komt aan het licht, terwijl de hitte ook ondraaglijk kan worden. Het spreekt vanzelf dat de zon in dienst van God staat. Hij ontdekt op aarde alle goede dingen, maar ontmaskert ook al het kwaad dat er gebeurt. Wie alles ziet, kan ook rechtvaardig oordelen. Zie ook 19.2 Algemeen thema.
ad 2) Het is niet zo dat de overgang naar de lof op Jahwe’s wet (8-12) het vorige gedeelte abrupt afbreekt. De lof op Jahwe wordt voortgezet, al verschuift nu het onderwerp van het hemelgewelf naar de wet van Jahwe. Zoals het eerste onderwerp kunstig werd geformuleerd, zo ook het tweede. In een ander ritme wordt zesmaal de wet van Jahwe genoemd, telkens onder een andere aanduiding (8-10):
- De wet van Jahwe is volmaakt; zij is een verademing voor de ziel.
- Het getuigenis van Jahwe is betrouwbaar zij is wijsheid voor de eenvoudige.
- De bevelen van Jahwe zijn rechtvaardig ; zij verheugen het hart.
- Het gebod van Jahwe is helder; het verlicht de ogen.
- Het ontzag voor Jahwe is zuiver; het houdt voor altijd stand.
- De voorschriften van Jahwe zijn waarheid; zij zijn allemaal rechtvaardig.
Het is moeilijk de gebruikte aanduiding voor de wet en de daarop aansluitende uitwerking die zij op de gelovige mens hebben precies te onderscheiden. Aan de linkerkant hebben alle aanduidingen betrekking op de wet en zijn het variaties op hetzelfde thema. Ps. 119 zal het aantal synoniemen voor wat ‘wet’ mag heten, nog uitbreiden.
De uitwerking aan de rechterkant is iets variabeler (betekenis voor de ziel, de eenvoudige, het hart, de ogen, de blijvende duur). De zesde aanduiding en uitwerking zijn feitelijk identiek en geheel uitwisselaar.
Alle aanduidingen gaan over de wet van Jahwe. In 19,1 was sprake van Gods eer, vanaf 19,8 is alleen sprake van Jahwe, omdat het over de wet gaat die Hij aan Israël geschonken heeft. De wet in al haar vormen moeten we niet beperken tot specifieke wetten (Tien Geboden e.a.), maar zij omvat alle woorden die Jahwe tot zijn volk gericht heeft. Ook de geschiedenis van zijn verbond met Israël valt er niet buiten. Vgl. Ps.78,4v, waar sprake is van het ‘getuigenis’ en de ‘wet’, die de vaderen aan hun kinderen moeten doorgeven.
Aan de linkerkant schijnt het ‘ontzag voor Jahwe’ (de vreze des HEREN!) uit de toon te vallen. Hoort deze aanduiding niet aan de rechterkant te staan, als reactie van de mens op Jahwe’s wet? Sommigen wijzigen daarom het Hebreeuws enigszins, zodat er staat ‘het woord van Jahwe is zuiver’. Maar nodig is dit niet. Het gaat niet zozeer over het ontzag voor Jahwe als het menselijk antwoord op Jahwe’s wet, maar over de geopenbaarde manier hoe men ontzag voor Jahwe moet hebben. Vgl. 34,12, waar de wijsheidsleraar zijn ‘kinderen’ onderricht geeft in wat ontzag voor Jahwe betekent.
De lof op de wet van Jahwe leidt in vs. 11 tot een waardering die uitgedrukt wordt in goud en honing. De wet met haar voorschriften is meer waard dan een schat aan puur goud. Ze is zoeter dan honing die vers uit de raat komt.
Toch doet de dichter meer dan alleen juichen over de wet. Het laatste vers van dit gedeelte (12) vormt de overgang naar het gedeelte dat tot een gebed leidt. Er staat veel op het spel. De dichter spreekt nu Jahwe rechtstreeks aan. Hij weet dat hij als diens dienaar zich door de voorschriften van Jahwe ook moet laten waarschuwen. Dit ‘waarschuwen’ kennen we o.a. uit Ez. 3,21; 33,4vv, waar de wachter op tijd moet waarschuwen en de mensen deze waarschuwingen niet in de wind mogen slaan. Dat zou ernstige gevolgen hebben. Laat men zich wél waarschuwen, dan wordt het opvolgen van Jahwe’s geboden rijk beloond. Hoe weinig de loongedachte te maken heeft met de eigendunk van iemand, die voor zijn trouw aan de wet loon kan eisen, blijkt uit het vervolg.
ad 3) De psalm eindigt met de erkenning van eigen falen en een gebed om vergeving (13-15). Na wat we in 8-12 over de aantrekkelijkheid van de wet hebben gelezen, veronderstellen de nu volgende verzen, ondanks alle vreugde over de wet, dat de dichter zichzelf als zondaar kent. De lof op Gods openbaring in het hemelgewelf en in Jahwe’s wet waren uitbundig, maar roepen tegelijk het besef op dat de mens achterblijft, zodra hij nadenkt over gehoorzaamheid aan Gods wet. In het licht van de volmaakte wet voelt de dichter z’n eigen onwaardigheid.
Daarbij denkt hij allereerst aan zonden waarvan hij zichzelf niet bewust is. Het zijn afdwalingen (NBG) of fouten (NBV), bedreven ‘in onwetendheid’ (zie Lev. 4,2.22.27, e.a.). Ze kunnen worden onderscheiden van opzettelijke zonden, of zonden met ‘opgeheven hand’(Num. 15,30v). Die komen voort uit een hoogmoedig hart (19,14).
Maar ook al zondigt iemand in onwetendheid, daarom is het nog wel een zonde die voor de heilige Jahwe niet bestaan kan. Vandaar dat de dichter aan Jahwe vraagt om vergeving van zulke verborgen zonden. En uiteraard geldt dat in versterkte mate voor de zwakke mens die hoogmoedig dreigt te worden. Jahwe moge hem ervoor bewaren dat hoogmoed over hem gaat heersen! We kunnen ook persoonlijker vertalen: ‘bewaar mij voor hoogmoedige mensen, zodat zij niet over mij heersen’. Dan zouden we kunnen denken aan de ‘vijanden’, die in zoveel psalmen de dichters belagen. Toch lijkt dat hier niet het geval te zijn. De dichter denkt aan dingen die hem in de verleiding kunnen brengen hoogmoedig te worden en bid om Jahwe’s bewaring voor die verleiding. Dus niet om van vijanden bevrijd te worden!
Als Jahwe hem op deze wijze helpt, mag hij zich volmaakt (NBV) of onberispelijk (NBG) noemen en zich vrij weten van grote overtreding. De omschrijving ‘grote zonde’ wijst er al op dat ‘onberispelijk’ of ‘volmaakt’ nog niet betekent dat de dichter dan zonder zonde is. Hij weet immers van zijn zwakheid. Van verborgen kwaad moet hij gezuiverd en voor hoogmoed moet hij bewaard worden. ‘Onberispelijk’ moeten we uitleggen als: in een goede, afhankelijke verhouding van Jahwe leven.
Dat wordt onderstreept door het slotvers (19,15). Niet alleen in het doen van het goede en het vermijden van het kwade, maar ook in zijn woorden en gedachteleven wil de dichter Jahwe behagen. Hij kan niets beginnen als zijn leven niet gefundeerd is op Jahwe als zijn rots (zie 18,3) en hij Hem niet zijn verlosser kan noemen. Het hier gebruikte Hebr. woord voor ‘verlosser’(gō’ēl) komt in verbanden voor die op een relatie wijzen. Het kan de man zijn die een stuk familiegrond loskoopt (o.a. Ruth 2,20). Het is de bloedwreker die de dood van een familielid komt wreken (Deut.19,16). Het is Jahwe zelf die zijn volk vrijkoopt uit de ballingschap (Jes. 41,14; 43,14). Met dit laatste woord wijst de dichter op een intieme band tussen hem en de God die de zon haar loop wijst, die als Jahwe aan Israël zijn wetten heeft gegeven en zich ook heel persoonlijk aan de dichter als diens verlosser heeft verbonden.
19.2. ALGEMEEN THEMA
Jahwe en de natuur
Ps. 19,2-7 gaat over de majesteit die van Gods scheppingswerken afstraalt in (wat wij noemen) de natuur. Terecht is erop gewezen dat 19,2-7 waarschijnlijk geen afzonderlijke plaats als psalm onder de 150 psalmen had kunnen krijgen. Er is nl. niet één psalm te vinden die geheel gewijd is aan Gods heerlijkheid in de natuur. Neem Ps. 104, waarin de dichter de mensen oproept Jahwe te loven, op grond van zijn grootheid aan de hemel, in de geweldige watermassa’s, de bergen en bronnen, de bomen, in alle dieren die hun voedsel van Hem ontvangen, etc. Maar het is niet alles lieflijkheid wat ons verteld wordt. Jahwe kan zijn gelaat verbergen, zodat alle dieren bezwijken van angst. Hij kan de aarde laten beven en de bergen aanraken, zodat zij rook uitstoten (104,29vv).Zondaars zullen van de aardbodem verdwijnen, onrechtvaardigen zullen niet meer bestaan (104,35). De aarde is geen dode natuur, maar doorloopt een geschiedenis, waarin voor verval tot stof (door Jahwe’s toorn) en voor nieuwe scheppingen plaats is (104,29v).
Deze verwevenheid van de ‘natuur’ met de geschiedenis van de mens moet ons ook voorzichtig maken met het onderscheid tussen een algemene openbaring (in de natuur) en de bijzondere openbaring (in de geschiedenis van de mens). Het een is er niet zonder het ander, terwijl het tweede niet volmaakter is dan het eerste. Niet in de tekst van Ps. 19, maar in een berijmd psalmvers lezen we: Des HEREN wet nochtans verspreidt volmaakter glans, dewijl zij ‘t hart bekeert’ (Ps. 19, 3 in Berijming 1773).
Jahwe schenkt zijn vrede en voert zijn oordelen uit met al de middelen die hem als Schepper ten dienste staan. Ook in geschiedenispsalmen merken we de verwevenheid op tussen ‘natuur’ en ‘verlossing’. Ps. 105 en 106 kunnen als illustratie dienen. De schepping komt in actie om de vijanden te bedreigen. Denk aan de plagen in Egypte. Jahwe sprak en het was er (105,28vv; vgl. 33,9). Hij dreigde en de Rietzee viel droog (106,9). De schepping komt ook in actie om door wonderen Israël telkens weer te bevrijden (106,43vv). En nog evidenter gebeurt dit tijdens de theofanieën in het Oude Testament (zie 18.2 Algemeen thema). Het zou wel vreemd zijn om over ‘algemene’ openbaring te spreken als de schepping door Jahwe in rep en roer gebracht wordt met het oog op zijn toorn of zijn reddend ingrijpen!
Is er dan, met name op grond van Ps. 19 geen onderscheid te maken in openbaringskarakter tussen wat de beide delen van deze psalm te vertellen hebben? Zeker wel, maar dan niet door te onderscheiden tussen de volmaakte wet en de minder volmaakte schepping. Maar er is verschil in spreken: het spreken van Jahwe in de schepping gebeurt zonder dat er door ons een stem gehoord wordt (19,4v), terwijl het spreken van Jahwe in de wet duidelijk door ons kan worden gehoord en begrepen. In beide is van openbaring sprake. We hebben al gezien dat met name 19,7 de overgang vormt naar het tweede gedeelte van de psalm. In het licht van de zon ontdekt God al het goede en kwade wat er op aarde gebeurt. Hij kan rechtvaardig oordelen, zoals Israël deze rechtvaardigheid in de wet van Jahwe, duidelijk onder woorden gebracht, kan ontdekken.
19.3. VAN OT NAAR NT
In Rom. 10,18 vraagt Paulus zich af of de Joden de boodschap soms niet gehoord hebben. Natuurlijk wel, antwoordt Paulus, en daarvoor citeert hij Ps. 19,5: ‘Hun roep klinkt over heel de aarde, hun woorden tot de uiteinden van de wereld.’ Een opvallend beroep van Paulus op deze tekst, om duidelijk te maken dat de Joden de verkondiging van Christus wel degelijk gehoord hebben! We kunnen eruit concluderen dat Paulus bepaald niet scherp in Ps. 19 heeft onderscheiden tussen de ‘algemene’ openbaring die alle mensen bereikt, en de ‘bijzondere’ openbaring die voor Israël bestemd is in de wet van Jahe, die het heeft ontvangen. We zullen Paulus’ beroep op Ps. 19,5 wel als volgt moeten opvatten: De openbaring van God was en is gericht op heel de wereld. Bij ‘hun roep’ zullen we dan niet alleen aan de dag, de nacht en de zon, maar ook aan de roep van alle evangelieverkondigers moeten denken. De Joden, die na de ballingschap verspreid over heel de toenmalige wereld woonden en hun synagogen hadden, konden van het evangelie over (de komst van) de Messias weten. Maar wat zij hebben gehoord, hebben ze niet in geloof aanvaard. Let op de moeite die reeds Mozes en Jesaja met het ongehoorzame en opstandige Israël hadden (Rom. 10,19-21).
Van belang is verder dat Paulus in Rom. 2 over de mensheid in het algemeen veroordelend spreekt: De heidenen zijn door de kennis die er uit Gods scheppingswerken op te diepen valt, niet te verontschuldigen, omdat zij Hem geen eer en dank hebben gebracht die Hem toekwam (vgl. Rom. 1,20 met Ps. 19,2).
We hebben al gezien dat er in Ps. 19,12-15 geen dichter aan het woord is die zich beroemt op zijn onderhouden van de wet van Jahwe. De wet van harte liefhebben valt niet samen met de wet vervullen in heel haar omvang. De dichter weet van zondebesef en van de noodzaak van Gods vergeving. Dit betekent niet dat in Ps. 19 al te vinden is wat Paulus later zegt over de diepte van de zonde en de verlorenheid van ieder mens buiten Christus’ plaatsvervangende dood. Typerend is dat hij in 19,14c vraagt om bevrijd te worden van ‘grote zonde’. Het onderscheid tussen grote en minder grote zonden is gewettigd, ook vanuit het NT. Maakt Jezus zelf geen onderscheid tussen de balk en de splinter (Matt. 7,3vv)? Toch zal het NT verder gaan in de tekening van de verlorenheid van de mens zonder Christus dan (ook) in Ps. 19 het geval is.
19.4. VOOR VANDAAG
1. De eenheid tussen de beide delen van Ps. 19 is in allerlei opzichten van grote betekenis voor ons geloof. Allereerst kunnen wij stellen dat God als Schepper van deze wereld geen andere is dan Jahwe, de God van Israël, die wij vandaag kennen als Vader van Jezus Christus. Zogenaamde goden zijn er heel wat in de hemel of op aarde, maar wij weten dat er één God is, de Vader uit wie alles is ontstaan en één Heer Jezus Christus, door wie alles bestaat en door wie wij leven (1 Kor. 8,6). Wij kunnen het een vreemde manier van citeren vinden als Paulus in Rom. 10,18 de boodschap die er van het hemelgewelf en de wisseling van dag en nacht over de hele aarde uitgaat (Ps. 19,5) in verband brengt met de verkondiging van het evangelie van Jezus Christus. Maar dit citeren geeft wel aan dat er één openbaring van God is die voor heel de wereld bestemd is en het evangelie van Jezus Christus insluit. Het onderscheid dat wij maken tussen ‘algemene’ openbaring (d.w.z. gericht op alle mensen) en ‘bijzondere’ openbaring (d.w.z. gericht op Gods uitverkoren volk) valt te maken, maar heeft slechts een beperkte betekenis.
2. Het is van belang te beseffen dat niet wij in Ps. 19 worden opgeroepen om aan een op zichzelf dode natuur stem te geven (tot eer van God), maar dat de schepping haar boodschap, hoezeer ook zonder woorden, zelf laat horen. De hemelen vertellen Gods eer en het firmament roemt het werk van zijn handen. Het werk prijst zijn Maker, ook zonder dat wij ons bij dat prijzen zouden aansluiten. Gods scheppingswerk imponeert en moet ieder tot nadenken stemmen. De geseculariseerde mens staat verder van de schepping af dan de heidenen, die met hun verafgoding van zon, maan en sterren, in elk geval nog diep onder de indruk waren van wat zij boven hun hoofd aan de hemel zagen. Voor geseculariseerde mensen zwijgt het heelal, voor de heidenen niet. De taal die er van de schepping uitgaat, is zo imponerend dat ook zonder kennis van de wet er kennis is van Gods eeuwige kracht en goddelijkheid. Geen mens valt te verontschuldigen als hij zich afgoden vormt (Rom. 1,19vv).
3. De wet, zoals daarover gesproken wordt in Ps. 19,8vv, verheugt het hart. Zo gaat ook de zon als een vrolijke held zijn dagelijkse gang lang het hemelgewelf (19,6). Wat we ook weten over de toorn van God die de mensen treft als zij het schepsel in plaats van de Schepper gaan vereren (Rom. 1,18vv), Ps. 19 is zowel in het eerste als tweede deel op vreugde gericht. De zon gaat zijn weg langs de hemel even vrolijk als de mens die in zijn hart jubelt over de wet. Dat de hele schepping in barensweeën zucht en lijdt (Rom. 8.22), is waar. Maar wie preekt over Ps. 19 moet vertellen wat dáárin de boodschap is. Dat is een evangelische boodschap die blijdschap in heel de wereld brengt.
Uiteraard hebben we wat de wet betreft, hier niet te maken met de wet in farizeïstische zin, maar met de openbaring van God die leven brengt.
4.Het is treffend dat de vreugde die deze psalm beheerst, toch in een gebed uitmondt. Wie nadenkt over de majesteit van de Schepper en de rijkdom van zijn woord in de wet (breed opgevat), moet ook wel nadenken over zichzelf als een zwak schepsel en een zondig mens, die zonder vergeving van zonden niet kan leven. Dat de dichter de God van het machtige firmament en van de volmaakte wet zijn ‘goël’ (bevrijder) durft noemen, wijst erop hoe de almachtige God een verbond met mensen heeft gesloten en zo familie (zie onder 19,15) heeft willen worden van zondige mensen die verlossing nodig hebben.
19.5. VERANTWOORDING
In tegenstelling tot de Statenvertaling wijkt de Herziene Statenvertaling 2010 wél af van de Vulgaat e.a. en vertaalt vs. 4b met: ‘hun stem wordt niet gehoord. Zij volgt dus (terecht) NBG en NBV. Calvijn was in zijn commentaar op Ps. 19,4 zich ervan bewust dat hij het woordje ‘waar hun stem niet wordt gehoord’, moest invoegen. Dat komt in de Hebr. tekst niet voor.
Wie 19,10 over ‘het ontzag voor Jahwe’ niet als een gen. subjectivus, maar objectivus wil lezen, grijpt vaak naar de verandering van de Hebr. tekst jir’at jhwh in ’imrat (d.i. woord) jhwh (zie BHS, met verwijzing naar 119,38). Begrijpelijk, maar onnodig wanneer we jir’at jhwh opvatten als het onderwijs in ‘het ontzag voor Jahwe’.
NBV vertaalt 19,12 met: ‘uw dienaar laat zich erdoor verlichten, i.p.v. vermanen (NBG). Het Hebr. werkwoord zhr kan zowel ‘doen schijnen’> ‘verlichten’> ‘onderwijzen’ betekenen alsook (daarmee samenhangend) ‘waarschuwen’. Zie M. Görg, art. zāhar in ThWAT II,544vv. In 19,12 ligt ‘vermanen’ meer voor de hand.
In 19,13 en 14 mogen we rekening houden met het onderscheid tussen onopzettelijk zondigen (Hebr. bišgāgā, in onwetendheid dwalen) en opzettelijk zondigen (Hebr. : bejād rāmā, met opgeheven hand, Num. 15,30). Onopzettelijk kon men zondigen door bv. in onwetendheid van het heilige te eten (Num. 15,25v). In geval van onopzettelijke doodslag kon men naar een vrijstad vluchten, om uit handen van de bloedwreker te blijven. In alle gevallen blijft zonde toch zonde, waarvoor vergeving nodig is of waartegen maatregelen getroffen moeten worden.
N.H. Ridderbos, De Psalmen I (KV), Kampen 1962, 206, maakt de opmerking dat in de psalmbundel geen psalm voorkomt die opgaat in het bezingen van Gods heerlijkheid in de natuur.
PSALM 20
20.1 UITLEG
Psalm 20 is duidelijk een koningspsalm. De persoon die met ‘u’ wordt aangesproken (20,2vv), heet in vs. 7 Jahwe’s gezalfde en in vs. 10 de koning. Zie voor de koningspsalmen het ‘Algemeen thema’ bij Psalm 2. De situatie waarin Ps. 20 geplaatst moet worden, heeft te maken met oorlogsvoering. De psalm vraagt aan Jahwe om op ‘de dag van de benauwdheid’ (20,2) hulp te bieden, zodat de koning de overwinning kan behalen (20,7) tegenover vijanden die vertrouwen op paarden en wagens (20,8). We kunnen denken aan omstandigheden waarin een koning uit het huis van David genoodzaakt is zich te verdedigen tegen een opdringend vijandig leger. Voordat het tot een treffen komt, vraagt men aan Jahwe in de tempel of Hij uitredding wil geven uit deze benarde situatie.
Het ligt niet voor de hand dat deze psalm van David zelf afkomstig is. Er wordt er over de koning gesproken. In deze psalm is het volk en niet de koning aan het woord. Ook moeten we bedenken dat met het heiligdom (20,3) de tempel bedoeld zal zijn, die in Davids dagen nog niet gebouwd was.
Zie voor het opschrift (vs. 1) over de ‘koorleider’ en ‘een psalm van David’: Ps. 3 (Algemeen thema) en Ps. 4,1.
Het indelen van Ps. 20 is eenvoudig:
1) de zegenbede om de overwinning voor de koning (2-6);
2) antwoord op de zegenbede (7-9);
3) het aanhoudend gebed om de overwinning (10).
ad 1) 20,2vv vormt in strikte zin geen gebed, omdat niet tot Jahwe wordt gebeden, maar de koning wordt aangesproken. De koning krijgt Jahwe’s zegen toegewenst, vandaar dat we 20,2vv beter als zegenbede kunnen aanduiden, gericht op de overwinning van de koning. Zie over de zegenbede hierna in 20.2 ‘Algemeen thema’.
Aan het woord in het eerste deel is mogelijk een priester, die in de tempel de koning begeleidt als deze zijn offers daar brengt (vs.4). De dichter spreekt hier namens het volk, dat de koning Jahwe’s zegen toewenst op een moeilijk moment in zijn leven. Jakobs God moge Hem beschermen! Jakob, de stamvader van het volk Israël, heeft ook in zijn eigen leven ervaren dat God hem heeft ‘geantwoord’ op de dag van zijn ‘benauwdheid’ (Gen. 35,3). ‘Antwoorden’ heeft duidelijk de betekenis van gunstig antwoorden, in de zin van hulp bieden. Het kan ook een antwoord zijn op de offers die de koning nu in de tempel brengt (vs. 4).
Driemaal wordt in deze psalm de naam van God ter sprake gebracht (vss. 2,6,8). Gods naam is zijn openbaring. Zij is als een sterke toren (Spr. 18,10; vgl. Ps. 9,10v), waarin de koning zich veilig kan weten. Omdat Gods naam zich gevestigd heeft op de Sion in zijn tempel, verwachten de dichter en het volk Gods hulp uit dit heiligdom (vs. 2). Uiteraard is er verschil tussen Gods woonplaats op de Sion en in de hemel (20,7), maar de tempel op Sion kan als het voorportaal van het hemelse paleis beschouwd worden.
De priester wenst de koning toe dat God denkt aan alle offers die de koning brengt. Bij het woord dat voor ‘offer’ gebruikt wordt, kunnen we aan geschenken denken die, in de vorm van graanoffers, als geurige gaven Jahwe zullen behagen (Lev. 2.2.9). De priester spreekt de verwachting uit dat Jahwe deze offers zal gedenken, d.w.z. er aandacht aan zal schenken en de hulp zal bieden die de koning nodig heeft. Deze offers gaan samen met een brandoffer, dat in z’n geheel voor Jahwe bestemd is en daarom ook helemaal verbrand moet worden op het altaar. Moge voor Jahwe ook dat offer welgevallig zijn (NGB), moge Hij het welwillend aanvaarden (NBV)! Het hier gebruikte werkwoord is niet helemaal duidelijk. Het kan betekenen dat Jahwe dit brandoffer ‘als vet beschouwt’, en er daarom ‘welgevallen’ in heeft. De vette onderdelen van een offer werden als het belangrijkste onderdeel beschouwd.
Van dergelijke offers die gebracht werden voordat de strijd begon, lezen we vaker. Denk aan Samuël in de strijd tegen de Filistijnen,1 Sam. 7,9, maar ook aan het ontijdig offer dat Saul bracht en dat (daarom) het einde van zijn koningschap inluidde, 1 Sam. 13,9vv.
Vs. 5 geeft duidelijk weer wat de koning met zijn offers beoogt en het volk hem toewenst: Moge Jahwe geven wat het hart van de koning verlangt en moge Hij al de plannen die hij voor de a.s. oorlog heeft uitgedacht, doen slagen! We kunnen hier denken aan wat Jahwe aan Salomo beloofde: ‘Vraag wat je wilt, Ik zal het je geven’(1 Kon. 3,5). De zegenbede van 20,5 sluit goed aan bij de zegen die Salomo destijds ontving en bij de belofte van Ps. 2,8 aan de messiaanse koning.
In vs. 6 bereikt de zegenbede van de priester (het volk) haar hoogtepunt. Het volk juicht alvast om de overwinning die de koning ten deel zal vallen. Men grijpt al vooruit op wat er gebeurt bij de terugkeer van de koning. Dan zal het volk de vaandels opheffen ‘in de naam van onze God’, aan wie de overwinning te danken is. Van vaandels lezen we ook in Jes. 11,12; 49,22 e.a. In het kamp van de Israëlieten hadden tijdens de woestijntocht alle afdelingen hun eigen vaandel (Num. 1,52).
We kunnen ons de gang van zaken in Ps. 20 misschien concreet zo voorstellen: de offers worden door de koning gebracht, terwijl de priester (en het volk) de zegenbede van 20,2-6 ten gehore brengen. Zodra de offers gebracht zijn, breekt er gejuich uit, in de overtuiging dat de offers van de koning door Jahwe aanvaard zijn en hij de overwinning zal boeken. Wat stellig verwacht wordt, is in 20,6c echter ook nog een gebed: Moge Jahwe alle wensen van de koning vervullen!
Het samengaan van offer en gebed treft ons ook in andere psalmen, b.v. 4,6; 50,8.14v; 51,17vv; 141,2.
ad 2) Hier vinden we het antwoord op de zegenbede uit de voorafgaande verzen. ‘Nu weet ik dat Jahwe zijn gezalfde de overwinning geeft!’ (vs. 7) zal de overtuiging uitdrukken van dezelfde priester die in 20,2vv aan het woord was, of van een andere priester (hogepriester?). We kunnen ook vertalen: ‘Nu weet ik dat Jahwe zijn gezalfde bevrijd heeft!’ Maar in deze psalm komt dat neer op het behalen van de overwinning. Zie voor deze betekenis ook o.a. Ps. 98,1; 108,7. Voor de aanduiding van de koning als ‘gezalfde’(Hebr.: māšiach) kan ik verwijzen naar Ps. 2.
Is de overtuiging dat de overwinning een feit wordt bij de priester tot zekerheid geworden door de geestdrift van het volk? Of heeft hij een boodschap ontvangen (bv. door het raadplegen van urim en tummim, o.a. Ex. 28,30; Num. 27,21) als antwoord van Jahwe ‘uit zijn heilige hemel’? Een duidelijk antwoord is niet te geven. We weten dat er vaker een priester of Leviet een boodschap van Jahwe overbracht voordat men ten strijde trok (Deut. 20,2vv; 2 Kron. 20,14vv). Het antwoord van Jahwe zal in de strijd duidelijk worden door de machtige ‘heilsdaden van zijn rechterhand’. Die heeft Jahwe in het verleden getoond (uittocht uit Egypte etc.) en de verwachting is nu dat Hij opnieuw zijn macht zal bewijzen in een overwinning die de koning behaalt.
De overwinning is echter wel helemaal aan Jahwe te danken. Andere volken zetten hun vertrouwen op goed oorlogsmateriaal – ‘dezen op paarden en anderen op strijdwagens’ -, maar ‘wij’ op de naam van Jahwe, onze God’ (20,8). De spreker van deze woorden zal weer een andere zijn dan die in 20,7. Hij is mogelijk dezelfde als die van 20,2-6.
Deut. 17,16 verbood om veel paarden te houden. Maar in de koningswet van Deut. 17 is geen sprake van een absoluut verbod om paarden te houden. Anders dan David bezat Salomo veel paarden én wagens (1 Kon. 5,6vv; 10,25vv), als gevolg van de rijkdom en het aanzien die Jahwe hem had geschonken en niet als bewijs van zijn ontrouw aan Jahwe’s wet. Beslissend is of men op zijn eigen overwinningen pocht en op eigen kracht vertrouwt in plaats van Jahwe’s hand in de behaalde successen te zien. Jes. 31,1vv waarschuwt tegen het zoeken van hulp in Egypte met z’n vele paarden en wagens. Dat kan ook de achtergrond van Ps. 20(,8) zijn. ‘Ten dage van de benauwdheid’ moet je geen hulp zoeken bij een volk dat met paarden en wagens kan helpen, maar bij Jahwe.
Wie op de naam van Jahwe steunt, zal merken dat de tegenstanders door de knieën gaan en ten val komen, terwijl ‘wij’ ons oprichten en standhouden (20,9). Vgl. Ps. 33,16vv en 75,8.
ad 3) Ps. 20 sluit af met het aanhoudend gebed om de overwinning (20,10). We zouden op grond van de voorafgaande verzen kunnen concluderen dat de overwinning al zeker is. Jahwe schenkt de overwinning aan zijn gezalfde, wist de priester immers te melden (10,7). Maar wat profetie is en zekerheid biedt, is nog geen werkelijkheid geworden. Vandaar dat de priester volhardt in het bidden. Hij richt zich nu rechtstreeks tot Jahwe: ‘O Jahwe, schenk de koning de overwinning’ en niet meer in de vorm van de zegenbede (‘moge Jahwe de koning, etc.’). Ook het tweede deel van het slotvers zal een rechtstreeks gebed zijn, hoewel de Hebreeuwse tekst een iets andere lezing heeft (‘moge Hij antwoorden, vgl. NBG). Ik volg NBV en de Willebrordvertaling, waarin het volk Jahwe vraagt om antwoord te ontvangen op de dag dat het (om uitkomst) roept. Deze afronding van de psalm laat zien hoe de koning en het volk voor een en dezelfde zaak staan en hun toekomst in Jahwe’s handen leggen.
20.2. ALGEMEEN THEMA
Zegenbeden
Doorgaans beschouwen de uitleggers Ps. 20 als een gebed om overwinning voor de koning. Zij geven zelden aandacht aan het feit dat hier van een rechtstreeks gebed tot Jahwe geen sprake is. Voor de uitleg van de psalm zal deze kwestie geen groot verschil maken. Toch heeft het zin hier nauwkeurig te zijn. Als we de bekende zegenbede uit Num. 6,24-26 (Moge Jahwe u zegenen en u beschermen, etc.’) een zegenbede noemen, kan dat ook gelden voor Ps. 20. Op dezelfde wijze als in Num. 6 is hier van een zegenbede sprake, die mensen ten behoeve van anderen aan Jahwe kenbaar maken.
Zo moeten Aäron en zijn zonen (de priesters) de Israëlieten met in de wet vastgelegde woorden zegenen. Zij spreken daarmee de naam van Jahwe over het volk uit, dat rekenen mag op Jahwe’s zegen (Num. 6,22.27). Zo zegende ook de (koning-)priester Melchisedek Abram (Gen. 14,18vv).
Een zegen uitspreken deden de patriarchen Isaak en Jakob over hun kinderen (Gen. 27,27vv; 48,15; 49,28). Mozes en Jozua zegenden het volk Israël ( Deut. 28,3vv; 33,1vv; Joz. 8,33), zoals ook koningen als David en Salomo dit deden ( 2 Sam. 6,18; 1 Kon. 8,14).
Volgens Hebr. 7,7 is het buiten kijf dat de mindere altijd gezegend wordt door de meerdere. Dat kunnen we van al de hierboven genoemde voorbeelden van ‘zegenen’ zeggen. Ook zal dat gelden voor de vertrekkende Rebekka die door haar familie gezegend wordt (Gen. 24,60). Maar geldt dat ook voor Joab, die David ‘zegent’ (2 Sam. 14,22)? Of voor het volk van David dat z’n nieuwe koning Salomo ‘zegent’ (1 Kon. 1,47; 8,66)? En nog sterker, kunnen we zeggen dat mensen God ‘zegenen’? Zegenen betekent altijd iets schenken, iets toevoegen. Elke zegen heeft te maken met wat God aan vruchtbaarheid, voorspoed, vrede e.d. aan zijn schepping en in het bijzonder aan de mens schenkt (Gen. 1,22.28). Maar wat kan de mens aan God schenken?
Daarom is het terecht wanneer het Hebr. woord voor ‘zegenen’ in heel wat gevallen vertaald wordt met ‘loven’, ‘prijzen’, ‘danken’, ‘gelukwensen’. Zo prijst de knecht van Abraham de God van Abraham dat hij Rebekka heeft gevonden (Gen. 24,48) en loofden de Israëlieten God toen het dreigende conflict met de stammen Ruben, Gad en half Manasse was opgelost (Joz. 22,33). Joab dankt zijn heer David dat die hem goedgezind is (2 Sam. 14,22). Even juist is het om in al die gevallen dat de Israëliet Jahwe ‘zegent’, dit woord weer te geven met ‘loven’ of ‘prijzen´ te vertalen (Ps. 16,7; 18,47; 103,1; 104,1.35 e.a.). Wie Jahwe zegent, verklaart daarmee dat Hij de oorsprong is van alle heil, overwinning, vrede e.d. die men ontvangt.
‘Zegen mijn ziel, de grote naam des HEREN’ (Ps. 103:1 berijmd) is in het Liedboek van de Kerken terecht gekomen, maar gaat niet terug op de Statenvertaling, NGB of NBV, die alle drie met ‘prijs’ of ‘loof’ de HEER’ vertalen. Trouwens in Ps. 104,1 keert het Liedboek al op zijn schreden terug waar het dezelfde woorden als in Ps. 103,1 weergeeft met: ‘Mijn ziel, verheerlijk God om zijne macht’!
Voor Ps. 20 is van het ‘zegenen’ van Jahwe geen sprake. We vinden hier (en op andere plaatsen) een zegenbede. Het volk vraagt aan Jahwe om de koning de overwinning te geven en hem dus te zegenen! Zo is ook de uitdrukking ‘Hij (de koning) leve!’ een zegenbede. Het volk spreekt de wens uit dat Jahwe de koning zal zegenen met een lang leven (Ps. 72,15, vgl. NBV; vgl. 118,26).
De zegen is nooit een toverformule die zonder meer effect heeft. ‘Als u Jahwe, uw God, gehoorzaam bent …. zullen u de volgende zegeningen toevallen’ (Deut. 28,1vv). Aan de andere kant is geen enkele zegen krachteloos als zij in de naam van Jahwe wordt uitgesproken en verder bouwt op wat Hij eerder reeds voor zijn volk gedaan heeft. De ene zegen vloeit uit de andere voort, zoals Salomo bij de inwijding van de tempel in zijn zegen over het volk zich beroepen kon op wat Jahwe vanaf de uittocht uit Egypte al over koning en tempel gezegd had (1 Kon. 8,15vv).
20.3 VAN OT NAAR NT
Het zou onjuist zijn Ps. 20 als messiaanse psalm te beschouwen op grond van het feit dat 20,7 over Jahwe’s gezalfde (Hebr.: māšiach) spreekt. We weten dat een Davidische koning gezalfd werd, maar daarmee is nog niet gezegd dat in de beschrijving van een gezalfde koning ook het beeld van de Messias voor ons oprijst. Dat beeld is toch een vereiste om een psalm messiaans te noemen. Nu is er wel geprobeerd om van Ps. 20 een messiaanse psalm te maken door bv. de volgende redenering: Laten wij bidden voor onze Koning Jezus Christus, zoals het volk Israël in Ps. 20 bad voor de overwinning van hun gezalfde koning. Zeker, wij kunnen bidden om de wederkomst van koning Jezus (Openb. 22,17vv). Maar de ‘wederkomst’ is niet het thema van Ps. 20. Deze psalm bidt tot Jahwe om een overwinning voor zijn gezalfde koning. Iets dergelijks vragen wij niet aan Jezus Christus, aan wie alle macht in hemel en op aarde gegeven is (Matt. 28,18) en van wie wij als koning in hemelse heerlijkheid niet kunnen zeggen dat Hij – zoals in zijn aardse leven – nog steeds in dagen van ‘benauwdheid’ kan verkeren (vgl. 20,2). Wij kunnen in benauwdheid verkeren en Jezus Christus smeken ons uit onze nood te bevrijden. Hij bidt in de hemel voor ons, wij niet vanaf de aarde voor Hem. Wij kunnen niet doen alsof het lijden van Christus zelf nog realiteit is, nadat Hij uit de dood is opgestaan en in heerlijkheid naar de hemel is opgevaren.
De weg die wij nu voor de uitleg van Ps. 20 naar het NT afleggen, is er eerder een van contrast. Wat de gezalfde koning uit deze psalm niet kon en hoefde, heeft de Messias wel gedaan: Zijn leven opofferen tot in de kruisdood toe, zonder zijn Vader te vragen om de legioenen engelen, die Hem uit de dag van zijn benauwdheid hadden kunnen redden. De Schriften moesten in vervulling gaan, waarin stond dat Hij moest en wilde lijden (Matt. 26,53v).
Ook het gebruik van geweld komt in het NT in een ander licht te staan, zoals in het nu volgende onderdeel duidelijk wordt.
20.4. VOOR VANDAAG
1. De goede verhouding in Psalm 20 tussen de koning en het volk, dat voor zijn overwinning bidt, is ook voor vandaag leerzaam voor het (christelijke) leven. Dat er tegenwoordig meestal geen sprake meer is van koningen die over grote politieke bevoegdheden beschikken, doet niet ter zake. Wij bidden en danken voor de overheden op grond van hun hoge positie die zij van God ontvangen hebben (Spr. 8,15; Joh. 19,11; Rom. 13,1vv; 1 Tim. 2,1vv; Tit. 3,1). De secularisatie van overheid en volk is geen grond om het respect en het gebed voor de overheid te staken. Wij weten voor welke (goddeloze) overheden Paulus de christenen liet bidden. Hun taak was en is het de kwaden te straffen en de goeden te belonen (Rom. 13,3v). Het mag waar zijn dat de burger tegenwoordig veel inspraak heeft in het aanwijzen van overheidspersonen. Maar ook in een democratie blijft gelden: zij regeren ons en wij gehoorzamen hen. Geen argwaan, maar respect voor hun werk moet ons kenmerken.
2. Het volk in Psalm 20 staat achter z’n koning, omdat zijn ‘benauwdheid’(20,2) ook hun benauwdheid zal zijn geweest. De overwinning van de koning wentelt ook het gevaar voor het volk af. In het NT telt een ander belang zwaar. Christenen worden gewaarschuwd zich niet vijandig op te stellen tegenover hun overheid, maar in alle vroomheid en waardigheid te leven (Rom. 13,2; Tit. 3,1v). Die waarschuwing zal niet ongegrond zijn geweest. In elk geval achten Paulus en Petrus een verkeerde houding tegenover de overheid schadelijk voor de verbreiding van het evangelie (1 Tim. 2,4v; 1 Petr. 2,13vv).
3. Nergens echter worden de christenen opgeroepen zich tegen alle wapengeweld uit te spreken. Op grond van Rom. 13 is dat ook niet te verdedigen. Wel kunnen we vanuit Rom. 12,9vv zeggen dat de houding van de christen moet getuigen van geweldloosheid, door zichzelf niet te wreken, geen kwaad met kwaad te vergelden, z’n vervolgers te zegenen, etc.
4. Geweldloosheid ligt ook niet opgesloten in Ps. 20,8. Bidden om een overwinning sluit het gebruik van geweld niet uit maar in. Zie reeds wat ik bij dit vers hierboven opgemerkt heb. Wel is Ps. 20,8 van groot belang: Als christenen brengen we geen lof aan legermachten en hun materialen, maar denken we allereerst aan wat God wil. Soms wil Hij een oorlog niet, of is Hij tegen het sluiten van een verkeerd bondgenootschap. Verder brengen we Hem de dank voor de overwinning. Dergelijke overwegingen klinken staatslieden en generaals vreemd in de oren. Maar wij zijn geroepen over God niet te zwijgen als het over zo’n ingrijpend onderwerp als een (overwinning in een) oorlog gaat. Een land is er niet slecht aan toe als het over wapens beschikt om zich te verdedigen, wel als het in nood en victorie over God zwijgt. Maar als het volk zwijgt, is het een zegen wanneer de kerk voor overheid en volk blijft bidden.
20.5. VERANTWOORDING
In 20,4 wordt het werkwoord dšn vaak in verband gebracht met dèšèn, dat ‘vet’ betekent en zo tot vertalingen leidt als ‘welgevallig, ‘aangenaam zijn’ e.d. Maar zeker is deze vertaling niet.
Voor de opmerkingen over Ps. 20,2vv als zegenbede sluit ik me aan bij John Goldingay, Psalms I, Grand Rapids 2006,301vv. Het werkwoord brk I betekent ‘knielen’, Gen. 24,11; Ps. 95,6 en 2 Kron. 6,13 (vgl. Hebr. bèrèk, knie).Veel vaker komt brk II voor, in de betekenis van ‘zegenen’, (God) ‘loven’ en ‘prijzen’, etc. Zie voor brk II en het gebruik daarvan in verschillende relaties (hooggeplaatsten versus lagergeplaatsten of omgekeerd) met name het artikel van J. Scharbert brk in ThWAT I,808vv.
Een voorbeeld van het bidden voor i.p.v. tot Jezus Christus vinden we bij J. Eaton, The Psalms, T&T Clark International, Londen 2003, 113. Eaton verwijst daar naar een uitspraak van Spurgeon: Alle loyale burgers bidden voor hun koning en zo hebben burgers van Sion zeker ook goede reden te bidden voor de Prins van de Vrede. Waaraan dan Spurgeon toevoegt dat al de dagen van de Heiland dagen van moeite waren, die Hij alle tot dagen van gebed maakte. De kerk verbindt haar voorbede met haar Heer en pleit ervoor dat Hij mag worden gehoord in zijn roepen en tranen.
Uit wat Spurgeon in zijn Treasury of David over Ps. 20 schrijft, wordt in alle onduidelijkheid wel duidelijk dat het accent valt op het bidden met en niet voor Christus. Reeds Augustinus formuleerde terecht als volgt: ‘De christenen dragen elkander aan God op door hun gebeden; maar Hij voor wie niemand bidt, maar die zelf bidt voor anderen, die is de enige en ware Middelaar’ (geciteerd door Calvijn, Insitutie II,20,20).