Kort commentaar 5-9

Geplaatst op 10 juni 2011

 J. Douma

 [5] Indianenverhalen

 Op vrijdag 3 juni jl. verliet ds. Hilbert Gunnink, afgevaardigde op de generale synode te Harderwijk de vergadering. Hij stemde tegen de besluiten van deze synode inzake de benoeming van dr. S. Paas. Hij verklaarde ter vergadering dat hij niet anders had gekund dan zo te handelen als hij gedaan had in het formuleren van zijn bezwaren tegen de benoeming van dr. Paas. Hij verliet de vergadering en zou niet aanwezig zijn bij de verdere bespreking van zaken die de Theologische Universiteit betroffen. Verder zou hij zich nader beraden op zijn lidmaatschap van de generale synode.
Waarom precies ds. Gunnink de synode verliet en voor hoelang hij dat doet, daarover gaat het vervolg van mijn bijdrage niet. Ds. Gunnink zal zichzelf wel verantwoorden en wij wachten af.
Waar het mij verder om gaat, is een voorstel dat ds. Gunnink op vrijdag 3 juni nog had ingediend. Het had te maken met een beschuldiging die al meer dan twee jaar oud is. Samen met nog zes predikanten, die bezwaren hadden tegen de benoeming van dr. Paas, werd hij op 4 april 2009 door de toenmalige rector van de universiteit, prof.dr. C. J. de Ruijter, in De Reformatie van 4 april 2009 stevig aangepakt. De Ruijter rangschikte de kritiek van de zeven predikanten onder ‘indianenverhalen’, die de Theologische Universiteit alleen maar schade toebrachten.
Met de bedoeling om deze predikanten van de blaam te zuiveren die in de diskwalificatie van ‘vertellers van indianenverhalen’ ligt opgesloten, diende ds. Gunnink vrijdag 3 juni ter synode nog een voorstel in. Hij vroeg de synode aan de Raad van Toezicht op te dragen ervoor te zorgen dat de uitdrukking  ‘Indianenverhalen’ zou worden teruggenomen.
Dit voorstel werd door de synode verworpen. Ik heb mijn informatie van ds. Gunnink zelf. Het indienen van zijn voorstel en het verwerpen ervan vonden achter gesloten deuren plaats.

 [6] Beschamend

 Ik meen het recht te hebben mij met deze zaak te bemoeien. Direct na het brandmerk dat prof. De Ruijter in 2009 op zeven broeders had gezet, heb ik protest aangetekend. Ik heb meer dan eens én persoonlijk én publiek geprotesteerd tegen deze bejegening van de zeven predikanten. Omdat ook ik ernstige bezwaren had tegen de benoeming van dr. Paas, vroeg ik aan het Kamper College van Bestuur, of ik soms zelf ook Indianenverhalen aan het vertellen was. Dat was niet zo, luidde het antwoord. In feite echter was er niet zoveel verschil in kritiek tussen ‘de zeven’ en mij. Daarom heb ik in de pers ook verklaard dat ik solidair was met de zeven en het discriminatie vond dat zij van Indianenverhalen beticht waren en ik er iets beter afkwam. Hoewel, veel beter niet. Maar daarover zal ik op dit moment zwijgen.
Nu heb ik het nimmer de rector erg kwalijk genomen dat hij zich even liet gaan met zo’n opmerking over ‘Indianenverhalen’. Maar als het zo langzamerhand onmogelijk lijkt te worden broeders-predikanten van een blaam te zuiveren, staan de zaken anders. Ik zal mij blijven inzetten voor hun rehabilitatie.
Laat ik zeggen dat het verwerpen van de motie-Gunnink op mij beschamend overkomt. Met de afhandeling van de zaak-Paas heeft het maar heel gedeeltelijk te maken. Van meet af was het mij duidelijk dat het eenmaal genomen besluit in Kampen om dr. Paas te benoemen, toch niet meer terug te draaien viel. Daarom was het voor mij, na een persoonlijk gesprek met dr. Paas, een afgesloten onderwerp geworden. Maar dat verhindert mij niet aandacht te vragen voor hen die dr. Paas hebben bestreden en op zo’n onbillijke wijze aan de kant werden geschoven door de rector van de Theologische Universiteit. Daarna is er niet geluisterd naar de herhaalde pogingen om deze onbillijkheid op te ruimen. Aan hun integriteit als gereformeerde predikanten, die verontrust waren over de benoeming van dr. Paas, heb ik geen enkele twijfel. Hun het vermelde brandmerk indrukken is treurig en dient daarom ongedaan gemaakt te worden.
Het Nederlands Dagblad gaf maandag jl. een goed getuigenis van Gunnink, door van hem te schrijven dat hij ter synode ‘geldt als een man met duidelijke bijdragen aan de bespreking en onomwonden standpunten. Daarin ligt zijn profiel dicht bij dat van kerkleden die zich al jaren (heel) verontrust tonen over de koers van de kerken’.
Dat lijkt me prima getypeerd. Veel ogen zijn op Gunnink gericht, ook mijn oog. Ik hoop van harte dat hij weer ter synode kan verschijnen. Maar intussen blijft de diskwalificatie van de zeven predikanten in de lucht hangen, tot op een synode toe. De zeven predikanten van destijds, inclusief dus de afgevaardigde ds. Gunnink op de huidige synode, hebben destijds vanuit hun hart gesproken in de zaak-Paas en niet uit hun nek gekletst. Zij niet, ik ook niet. Daarmee zeg ik absoluut niet dat de zeven predikant of ik het gelijk aan hun kant hadden. Maar wie ervan beschuldigd wordt indianenverhalen te vertellen, mag het zich aantrekken hoe anderen aan hun integriteit twijfelen.

 [7] Welwillendheid gevraagd

 Wind ik mij op over een kleinigheid? Nee, het gaat over een zaak die klein kan lijken, maar grote gevolgen kan hebben, als de synode niet meer doet dan vasthouden aan haar negatieve reactie op het genoemde voorstel-Gunnink. Ik herhaal met nadruk dat ik dit, volstrekt onafhankelijk van de motieven die ds. Gunnink ertoe brachten de synode (tijdelijk) te verlaten, aan de orde stel.
Wat ik vraag is enige welwillendheid bij de huidige synode. Wie de synodezittingen enigermate volgt, zal niet kunnen ontkennen dat de synode een grote mate van welwillendheid aan de dag legt. Ik illustreer dat met een aantal feiten. Denk o.a. aan het besluit van de synode over de overdoop. Die overdoop zou geen feitelijk onttrekking zijn, lezen we. Iemand die  zich laat overdopen heeft het recht, zegt de synode, op Bijbels onderwijs en zo nodig op vermaan van zijn kerkenraad. Dat is een welwillend antwoord. Het had ook minder welwillend geformuleerd kunnen worden. Wij lezen dat de synode uitsprak dat een tweede doop ‘in strijd is met wat de Schriften leert en de kerken belijden’. Welnu, dan zou je zeggen dat iemand die zich laat overdopen, zondigt. Hij (zij) moet niet ‘zo nodig’ vermaand worden, maar behoort vermaand te worden door de kerkenraad. Dat de overdoop geen ‘feitelijke’ onttrekking is, is waar. Zelfs de grootste zonde hoeft niet automatisch tot onttrekking te leiden. Maar elke zonde vraagt wel om vermaan en ook om schulderkenning. De kerk kent één doop en kan niet met een dubbel paspoort genoegen nemen: hier gedoopt als kind en daar als volwassene. Komt de zondaar tot inkeer, dan volgt uiteraard geen onttrekking, maar begrijpt de persoon in kwestie die zich liet overdopen, wat plicht en recht is binnen de gereformeerde kerken. Wie zich laat overdopen en dat een goede zaak blijft vinden, maakt zich los van de gereformeerde kerken en heeft zich de facto aan een andere gemeenschap verbonden. Kinderdoop en overdoop verdragen zich niet met elkaar.
 Een tweede zaak waarin duidelijk van welwillendheid sprake is, vinden we in de tolerantie ten opzichte van ouders die weigeren hun kinderen te laten dopen, maar zelf wel toegang tot het heilig avondmaal willen ontvangen. We weten dat in sommige missionaire gemeenten het wel- en niet-dopen van kleine kinderen beide mogelijk zijn. Maar ook in ‘gewone’ gereformeerde kerken is het voor velen al heel moeilijk geworden de onverbrekelijke band te aanvaarden tussen kinderen krijgen en kinderen laten dopen. Onze belijdenis zegt dat de kinderen van de gelovigen behoren gedoopt te worden. Gebeurt dat niet en blijven ouders in hun kritiek op de kinderdoop volharden, dan kan er voor hen geen plaats zijn aan de avondmaalstafel. Ook dat is geen zaak die van vandaag op morgen z’n beslag kan krijgen. Wie onderricht wil worden, moet dat onderricht ontvangen. Maar daarom zou het in de huidige omstandigheden niet misplaatst zijn om predikanten en kerkenraden ernstig op te wekken eraan te werken, dat toelating tot het heilig avondmaal dient aan te sluiten bij de overtuiging van ouders om hun kind(eren) te laten dopen. Gereformeerde mensen moeten geen ruimte ontvangen voor baptistische gevoelens binnen de gereformeerde kerken. Er wordt nogal eens een beroep gedaan op een bepaling van de synode van Den Haag-1914. Die bepaling geeft inderdaad tijdelijk enige ruimte voor afwijkende gevoelens omtrent de kinderdoop. Maar mensen met deze gevoelens, die duidelijk afwijken van de gereformeerde leer, moeten zich laten onderwijzen om een beter inzicht te krijgen. En ontvangen ze een volgend kind, dan behoort dat kind gedoopt te worden!
 Nog een derde vorm van welwillendheid. De Nederlands Gereformeerde Kerken willen graag dat de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) meedoen in een studiecommissie om een antwoord te geven op de volgende vraag: Welke weg wijst Gods Woord inzake gemeenteleden die een homoseksuele relatie onderhouden, als het ambt van ouderling of diaken ter sprake komt? De synode van Harderwijk heeft, voor zover ik kon nagaan, hier nog  geen besluit over genomen. Maar de voorstellen die op tafel liggen wijzen op een zeer welwillend antwoord: Laten de GKv op een of andere wijze maar meedoen met de NGK! En letten we op de fundering van dit advies, dan valt het ‘welwillende’ karakter ervan heel duidelijk op. Terwijl het homoseksueel samenwonen in de GKv wordt afgewezen (onlangs nog door de synode van Groningen-Zuid 2008), wordt in de NGK-formulering uitgegaan van de geoorloofdheid van een dergelijke homoseksuele relatie. De te onderzoeken vraag is immers voor de NGK, of mensen die homoseksueel samenleven ook ambtsdrager kunnen worden! Dat ik dit niet verkeerd interpreteer, blijkt me uit een advies dat prof. De Bruijne in deze zaak geeft. Hij merkt onder meer op:
 ‘Zoals de zaken onder ons formeel liggen, liggen ze niet feitelijk. Het is een kwestie van tijd voordat ook onder ons plaatselijke kerken tot een volstrekt ander beleid overgaan op dit punt dan de officiële lijn. Ik krijg daar nu al allerlei aanwijzingen voor. Van velen schuift het standpunt, ook onder onze voorgangers en zeker onder andere academici. Het zou niet de eerste keer zijn dat we eerst de boot afhouden en vervolgens alsnog een vergelijkbaar proces in moeten’.
 Deze welwillendheid tegenover de NGK houdt alvast rekening met het verschuiven van de panelen! Ik hoef niet duidelijk te maken, dat deze welwillendheid om zich bij moderne standpunten aan te sluiten, niet correspondeert met wat ik zelf onder welwillendheid versta. Ik zou zeggen tegen de NGK: wij aanvaarden als GKv uw uitgangspunt niet en moeten u daarom meedelen dat u op onze steun niet kunt rekenen.

 [8] Enerzijds zo welwillend en anderzijds ….?

 Driemaal heb ik op (grote, te grote) welwillendheid gewezen als het over de bejegening van dwalende broeders of van andere kerken gaat. Ik zou het aantal voorbeelden gemakkelijk met drie kunnen vermenigvuldigen. Maar drie voorbeelden zijn voldoende als onderbouwing voor wat ik beoog. Ik vraag de synode om welwillendheid en vriendelijkheid te betrachten vooral en allereerst tegenover eigen broeders en zusters. Ik noem het een kleinigheid om in te stemmen met een verzoek op de synode welwillend te zijn tegenover zeven predikanten, die onwelwillend door Kampen zijn behandeld. De zaak-Paas werd afgesloten. Het zou mooi zijn geweest als tegelijk met de lof die dr. Paas werd toegezwaaid, ook zijn bestrijders recht hadden ontvangen. Denkt men werkelijk dat de duizenden die in onze kerken steeds grotere moeite met de gang van ons kerkelijk leven krijgen, enthousiast in beweging komen voor een predikantenopleiding, wanneer dominees, die met hart en ziel verbonden waren aan hun universiteit, zo afgestraft blijven als het twee jaar geleden gebeurd is? Vijf van de zeven predikanten hebben de GKv niet verlaten. Een van die vijf heeft nog pas een goede dissertatie afgeleverd en verdedigd in Kampen. Van afkeer van Kampen is geen sprake. Van treurnis wel. Alle zeven predikanten hebben gemeend dat wat ze aan bezwaren inbrachten tegen de dissertatie van een nieuwbenoemde docent, voortvloeide uit hun gereformeerde opleiding destijds in Kampen. Daarmee zeg ik niet  – ik herhaal het – dat het gelijk aan hun kant was. Ook niet dat het gelijk aan mijn kant is. Maar ik kom op voor hun gereformeerde integriteit en voor die van mijzelf. Wat wij deden, deden we uit oprechte verontrusting. Wie die in twijfel trekt, mag blijven praten over indianenverhalen. Maar wie onze integriteit aanvaardt, verzoek ik eraan mee te werken dat de huidige synode dominees van de blaam gezuiverd worden die hen getroffen heeft. Opdat de liefde voor de kerken en hun theologische opleiding niet nog verder taant dan nu al het geval is.

 [9] Welwillend zijn of een docent uitspuwen?

 Mij was gemeld dat het synodelid dr. K. Mollema zich niet bijzonder welwillend over mij had uitgelaten. Ik zou aan de TU te Kampen grote schade toebrengen. Bij navraag meldde dr. Mollema mij het volgende:
 ‘Ik heb tien jaar lang aan een postdoctorale opleiding zonder subsidie leiding gegeven, in een zeer concurrente omgeving en weet dus hoe moeilijk het is om elk jaar maar weer voldoende studenten te trekken. Het is daarvoor van groot belang aan kwaliteit te werken, maar minstens zo belangrijk is het imago dat je uitstraalt. Ik heb gezegd dat uw website het imago van de TU schaadt en dat, als ik als hoogleraar van de Erasmus mij publiekelijk zo over mijn universiteit/faculteit zou uitlaten, ze me zouden uitspuwen’.
 Wie wil weten wat ik allemaal over Kampen gezegd heb, kan het nalezen in mijn Situatietekening, zoals die nog te vinden is op mijn website www.jochemdouma.nl. Ik heb mij over bepaalde docenten kritisch uitgelaten, over andere met lof. Ik heb kritiek geleverd op een dissertatie. En dat niet omdat ik bij voorbaat al weet dat een Kamper dissertatie niet goed meer kan zijn. Ik heb onlangs binnen enkele weken vier dissertaties uit Kampen ontvangen die ik alle vier met genoegen gelezen heb. Een ervan hoop ik binnenkort in een kerkelijk blad te bespreken. Waar ik kritiek lever, doe ik dat op een theologische opleiding die kwaliteit moet leveren en een goed imago moet uitstralen, maar die in beide ook moet laten blijken dat haar opleiding een gereformeerd karakter draagt.
Ik mag kennelijk blij zijn dat ik mijn kritiek niet tegen Rotterdam, maar tegen Kampen heb gericht, want dan was ik allang uitgespuwd. Van dr. Mollema vraag ik om iets meer welwillendheid te tonen tegenover een docent  die zich de vrijheid veroorlooft om naast de loftrompet ook de bazuin aan de mond te plaatsen om ernstig te waarschuwen. Het eerste doe ik stukken liever dan het tweede. maar beide wil ik verantwoord doen als dienaar van het Woord. Ik weet hoeveel weerstand dat oproept. Ik weet hoe graag ik het bijltje er bij neer zou gooien. Wie mij zal oordelen, is God.
Dr. Mollema kan, als hij zich iets welwillender opstelt, nog een steentje bijdragen wanneer ook hij zich durft in te zetten voor een aantal oud-studenten van Kampen, die een billijker beoordeling verdienen dan nu al twee jaar lang door het huidige Kampen gebeurt. Niet alleen de eer van dr. Paas is teer. Ook die van de mensen die hem hebben bestreden en toen wat anders deden dan indianenverhalen vertellen.

 

Reacties zijn gesloten.