Voor altijd verloren?

geplaatst op 14 mei 2011

 Ds. J.R. Visser

 Collega A.J. Balk schreef twee opmerkelijke artikelen in de Gerefomeerde Kerkbode van het Noorden.[1]  De grote vraag die daarin aan de orde is: Gaat wie niet in geloof aan Christus verbonden is verloren? Gaat ieder die niet in Christus gelooft naar het eeuwige oordeel?
In het eerste artikel schreef hij dat je niet kunt zeggen dat gelovigen naar de hemel gaan en ongelovigen naar de hel. Tegen dit eerste artikel van collega Balk waren bezwaren binnengekomen. Ik geef uit dit eerste artikel enkele opmerkelijke citaten:
“Dit is ook de manier waarop ik op die leeftijd dacht en hoe ik het meegekregen heb: gelovigen gaan naar de hemel, ongelovigen gaan naar de hel. Toch meen ik deze manier van denken te moeten corrigeren. Ik verwijs daarbij altijd naar de zinsnede uit de apostolische geloofsbelijdenis: Jezus Christus zal weerkomen om te oordelen de levenden en de doden. Punt. De punt zet ik met nadruk omdat het oordeel over ieder mens bij Jezus Christus ligt. Het is niet aan ons om dat verder inhoudelijk in te vullen.”[2]
“Dat zien we ook in artikel 37 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Daar wordt de hel in schrille kleuren getekend. Maar het gaat daarbij nooit om mijn vriendelijke, maar ongelovige kennis, maar om ‘goddelozen die deze wereld getiranniseerd, verdrukt en gekweld hebben.’ Ook als we in de bijbel het woord ‘goddeloze’ lezen, moeten we aan tirannen en geweldenaars denken. De Schrift spreekt zich bij mijn weten niet uit over mensen die in hun leven de Heer niet hebben leren kennen. De gereformeerde belijdenisgeschriften doen dat ook niet. Ook de Dordtse Leerregels doen dat niet, al gaat het daar ook om de uitverkiezing. De uitverkiezing vindt plaats via de prediking van het evangelie. Pas als het evangelie gehoord is, kan er sprake zijn van geloof of ongeloof. Over mensen die het evangelie niet er ore komt, spreken de leerregels eenvoudig niet. Wel zeggen de leerregels in het eerste artikel dat de hele wereld strafwaardig is. Maar over de vraag in hoeverre er daadwerkelijk gestrafd wordt, spreken de Dordtse vaderen zich niet uit. Dat ligt in de handen van de Here Jezus.”[3]
 In het tweede artikel wil collega Balk beter omschrijven wat hij bedoelt. Hij omschrijft het dan zo:
“ Ook zou ik wel willen zeggen dat ieder die Jezus Christus niet in geloof heeft aangenomen, verloren gaat. Ik zou alleen niet willen zeggen dat al deze mensen naar de hel gaan. (….) Wie Jezus Christus heeft aangenomen als Verlosser is na het sterven veilig bij Hem. Het eigendom zijn van Hem is immers een troost in leven en in sterven. Van wie Hem niet heeft aangenomen weten we het niet. Ze zijn verloren. Wél weten we dat Jezus het laatste oordeel over hun leven velt.”[4]
 Er zou over deze dingen veel te schrijven zijn. Ik concentreer mij nu op twee elementen.
Het is goed om elkaar op belangrijke punten die hier genoemd worden  na te rekenen. 
Ik doe dat door eerst te kijken of we in de Dordtse Leerregels alleen belijden dat ieder strafwaardig is. Maar dat dit nog niet zou betekenen dat wie zonder geloof in Christus leeft ook werkelijk gestraft zal worden. 
Het tweede punt waaraan ik aandacht wil geven, is of geloof in Christus nodig is om onder Gods toorn weg te komen.  

1  Dordtse Leerregels

 We lezen in de Dordtse Leerregels I,1 heel duidelijk dat God niemand onrecht had aangedaan als Hij alle mensen in de geschiedenis aan zonde en vervloeking had overgelaten.
Dit belijden we op grond van het duidelijke getuigenis van Gods eigen Woord. In dit artikel worden Rom 3:19,23; 6:23 genoemd. Wordt hiermee alleen maar gezegd dat iedereen strafwaardig is, maar dat het daarom nog niet zo is dat iedereen ook die straf ontvangt? In zekere zin is dat zo, omdat we daarna belijden dat er door Christus’ komst en werk redding van die straf is voor Gods uitverkorenen.
Die uitverkorenen zijn de mensen die tijdens hun leven op aarde tot geloof in Christus komen. Met hun hart in liefde aan Christus verbonden zijn. Dat wordt o.a. heel duidelijk beleden in Dordtse Leerregels I,4:
 “Op hen die dit evangelie niet geloven, blijft de toorn van God. Maar zij die het aannemen en de Verlosser Jezus Christus met een echt en levend geloof omhelzen, worden door Hem van de toorn van God en van de ondergang verlost, en zij ontvangen door Hem het eeuwige leven.”
 Dat het over hen die het evangelie niet geloven echt de straf van God komt, belijden we bijvoorbeeld I,15. Ik haal daarvan het tweede deel aan:
 “God besloot hun het heilbrengend geloof en de genade van de bekering niet te schenken, maar hen op hun eigen wegen en onder zijn rechtvaardig oordeel te laten en hen tenslotte niet alleen om hun ongeloof, maar ook om alle andere zonden te veroordelen en voor eeuwig te straffen, en daarin zijn rechtvaardigheid te tonen. Dit is het besluit van de verwerping, dat God beslist niet maakt tot de bewerker van de zonde – dat is een godslasterlijke gedachte!- maar dat Hem stelt tot de ontzagwekkende, onberispelijke en rechtvaardige Rechter en Wreker ervan.” 
 We zien hier dus heel duidelijk dat wie niet tot Christus komt, onder het oordeel van God ligt. Dat dit oordeel ook leidt tot de eeuwige straf. Het is ook heel belangrijk om te zien dat het daarin om een rechtvaardig oordeel van God gaat. Het is alleen maar onverdiende genade als een mens tot het levende geloof in Christus komt. Dat is echt redding uit een verdiend oordeel dat zonder geloof in Christus als de Verlosser tot echte straf leidt.
Het is duidelijk dat Balks redenering geen stand houdt dat we in de Dordtse Leeregels wel zouden belijden dat iedereen strafwaardig is, maar dat dit nog niet zou betekenen dat je zonder geloof in Christus toch ook altijd de eeuwige straf zal krijgen.

2  Door geloof alleen

 Na de zondeval liggen we in de dood. Zijn we verloren, omdat we onder het rechtvaardige oordeel van God liggen. We spreken dat ook uit als een kind in ons midden gedoopt wordt. We lezen dat in het eerste en klassieke doopformulier zo:
“Ten eerste: wij en onze kinderen zijn in zonde ontvangen en geboren. Daarom rust Gods toorn op ons, zodat wij in het rijk van God niet kunnen komen, of wij moeten opnieuw geboren worden.”
 Toch lijkt collega Balk een argument te hebben als hij zich beroept op Rom 2 en dan vooral vers 14. Waar het gaat om heidenen, niet-Israelieten, die toch doen wat er in de wet van God staat. De grote vraag is of het hier over mensen gaat die buiten het geloof in Christus staan. Als je het verband van de hele brief aan de Romeinen leest, is er veel meer voor te zeggen dat het hier gaat om mensen die uit de heidenen tot geloof in Christus zijn gekomen. God is niet partijdig. Wanneer mensen uit de heidenen uit liefde tot de HERE gaan doen wat de Hij wil  worden deze mensen door Hem aangenomen en delen in de verlossing. Als Joden die Gods beloften van het begin van hun leven ontvangen hebben tegen de wil van hun hemelse Vader leven, zullen ze de eeuwige straf ontvangen.
Ook als je van mening bent dat het hier niet over heidenen gaat die op dat moment in Christus zijn gaan geloven, kun je nog niet tot de conclusie komen dat het hier om mensen gaat die buiten het geloof  in de HERE staan. Prof. dr. J. van Bruggen, die meent dat het niet aannemelijk is dat het hier om christenen uit de heidenen op dat moment gaat, schrijft in zijn commentaar:
 “De apostel bedoelt werkelijk niet-joden die in feite godvrezend leven. Uit het boek Handelingen weten we dat er in die tijd vele godvrezenden waren. Ze zijn er altijd geweest (Rachab, Ruth, Naäman, de weduwe die Elia in huis nam enz.). En ze zijn er ook in de tijd van het evangelie van Jezus Christus: de centurio in Kafarnaüm, Cornelius in Caesarea en vele ongenoemden. God ziet hun godvrezend leven aan, ook al leven ze zonder de thora buiten Israel. Wat Paulus hier schrijft had Petrus reeds veel eerder helder onder woorden gebracht toen hij bij Cornelius uitriep (voordat deze het evangelie aanvaardde!): “Nu begrijp ik pas goed dat God geen onderscheid maakt tussen mensen, maar dat Hij zich het lot aantrekt van iedereen, uit welk volk dan ook, die ontzag voor Hem heeft en rechtvaardig handelt (Hnd.10,34,35).”
 Dat dit nu betekent dat je ook juist komt tot een leven met Christus, verwoordt Van Bruggen bij de uitleg van vers 16 zo:
 “Dit is juist het evangelie van Paulus: mensen worden niet behouden door jood of Griek te zijjn, maar door te geloven in Jezus Christus als de gezondene van God. Het oordeel is ‘door Christus Jezus’  en daarmee zonder aanzien van persoon. Het evangelie loopt vooruit op de gerichtdag: dan ‘zal blijken’ dat God ieder gelijk beoordeelt wanneer  joden die Hem niet liefhadden veroordeeld worden (2,12-13) en wanneer heidenen die Hem beminden aanvaard worden. (2,14-16).”[5]
 Het grote geheim is dat mensen door het geloof in Christus, dat dan ook een geloof is dat door liefde werkt,  gered worden van Gods oordeel. Zonder dat geloof  kunnen we niet gered worden. Het gaat echt om dat leven met God in geloof. Zo lezen we in Hebr 11:6: “Zonder geloof is het onmogelijk God vreugde te geven; wie Hem wil naderen moet immers geloven dat Hij bestaat, en wie Hem zoekt zal door Hem worden beloond.”
De vrijspraak van het oordeel van God is er voor wie in Christus geloven. Zonder geloof kun je Gods vrijsprekende, vriendelijk gezicht niet zien. Heel duidelijk leert de Heilige Geest ons dit in Rom 3:22: “God schenkt vrijspraak aan allen die in Jezus Christus geloven. En er is geen onderscheid.”
Steeds weer lezen we in de Bijbel dat je zonder het geloof in Christus niet gered kunt worden. Het is ook daarom dat we in Zondag 7 van de Catechismus het volgende belijden:
 “Krijgen dan alle mensen door Christus het heil terug, zoals zij in Adam veroordeeld zijn?
Nee, maar alleen zij die door een waar geloof bij Hem worden ingelijfd en al Zijn weldaden aannemen.”
 Hier wordt heel duidelijk gemaakt dat je zonder het geloof in Christus niet gered kan worden.

 Afsluiting

 Het is duidelijk dat er ernstige vragen te stellen zijn bij wat collega Balk schrijft. Hier worden belangrijke zaken die we in de belijdenisgeschriften uitspreken in feite tegengesproken. Dit terwijl we van elkaar mogen verwachten om samen te staan voor wat we vanuit Gods eigen Woord  in de confessie belijden.
Het gaat hier om echt belangrijke zaken. Het is in onze tijd juist zo nodig om ook de jeugd op de catechisatie te laten zien dat God rechtvaardig is. Ook wanneer Hij ons allemaal na de zondeval gestraft had  met de eeuwige dood. We verdienen allemaal de eeuwige dood.  Het is zo belangrijk om te zien dat het alleen genade is als je door het geloof, als geschenk van God aan jou, gered bent. Gered door Christus. Om zo in diepe eerbied voor de HERE te leven. Om eerbiedig Zijn rechtvaardige oordelen te aanbidden en daarom verwonderd te zijn over het delen in Gods genade. Laat dat ook een stimulans zijn om steeds weer met kracht het evangelie te brengen bij mensen die Christus niet kennen. Tot hun behoud.

  


[1] Deze artikelen verschenen in de Gereformeerde Kerkbode (Groningen-Fryslân-Drenthe). In nummer  6 (18 maart 2011)  en nummer 9 (29 april 2011)  De titels van deze artikelen waren: ‘Jezus doet  recht’ en ‘Jezus spreekt recht’.

[2] Jezus doet recht,  p.5

[3] Jezus doet recht,  p. 6.

[4] Jezus spreekt recht,  p. 14

[5] J. Van Bruggen, Romeinen, Kok Kampen 2006,  p. 53

Reacties zijn gesloten.