Valt het niet voortdurend erg mee?

J.Douma

 Drukte over begraven en herplanten van de kerk

 In de maand april was er enige drukte over de vraag, of we de kerk moeten planten of haar begraven. Beide standpunten kunnen ook samengaan, zo lijkt het. De kerk zoals zij vandaag is, moet begraven worden, willen we echte kerken zien ontstaan. En dat zijn dan missionaire kerken die naar buiten gericht zijn en hun taak in de samenleving serieus nemen. Planten is eerst begraven en pas daarna komt er uit de graankorrels iets nieuws en iets moois tot stand.
We moeten, zo las ik, eerst onze christelijke cultuur en ook de christelijke kerk, waardig naar het graf dragen. Ik zou zeggen dat we wat er christelijk is in de cultuur en wat een christelijke kerk mag heten, niet moeten begraven, maar in stand moeten houden. Als het werkelijk christelijk mag heten, moet je het niet begraven. Om mij even tot de gereformeerde kerken te beperken, het lijkt mij vreemd dat wij ze eerst moeten begraven, voordat zij werkelijk goede kerken kunnen worden. Duidelijk is wel dat het woord ‘gereformeerd’ tot in eigen kring toe steeds meer twijfel en soms ook al verzet oproept. Zelf wil ik een verdediger blijven van het gereformeerde geloof en daarom ook van de gereformeerde kerken. Ik besef dat een gereformeerde kerk zich moet blijven reformeren, omdat binnen deze kerken gearriveerdheid, traditionalisme, ingezonken geloof en twijfel aan de waarheid kunnen toeslaan. Maar de gereformeerde kerk reformeren is uiteraard wat anders dan haar begraven. Ecclesia reformata semper reformanda. Je moet blijven reformeren.
Tal van missionaire gemeenten zijn er de laatste jaren gevormd om ons wat anders te laten zien dan wat de bestaande kerken te bieden hebben. De resultaten van deze kerkelijke wedergeboorte zijn niet bijzonder opvallend, heb ik begrepen. Ook niet als het over nieuwe kerken gaat die met steun van de vrijgemaakt-gereformeerde kerken zijn ontstaan. Ik heb mijn bedenkingen  geformuleerd tegen vooral de onderbouwing van deze missionaire arbeid. Maar daar wil ik het in dit artikel niet over hebben.
Belangwekkend lijkt het mij om aandacht te geven aan een opvatting die momenteel tegen deze moderne missionaire activiteiten in stelling wordt gebracht. Zo heeft dr. Willem Maarten Dekker gezegd dat het nu geen tijd is om erop uit te trekken en het evangelie aan de man te brengen. Wij moeten tot inkeer komen en beseffen dat de ontkerkelijking onderdeel is van Gods plan. Het zendingsbevel uit Matt. 28,19  zou niet absoluut gelden. Als God toeslaat met zijn oordeel en we in de ontkerkelijking een onderdeel van zijn plan moeten ontdekken, hoe kunnen we dan in grote ijver ons inzetten voor het vormen van missionaire gemeenten? Buig onder het oordeel van God en ga daar niet tegen in met uw missionaire activisme!

 Marginaal en missionair

 Niet alleen dr. W.M. Dekker, maar ook zijn vader ds. Wim Dekker laat zich in het pas verschenen boek Marginaal en missionair in soortgelijke zin uit over het oordeel van God. Ik denk dat vader en zoon niet helemaal op één lijn zitten. Zo lees ik bij W. Dekker nergens dat het zendingsbevel niet absoluut zou zijn. Dat lijkt me ook een onhoudbare stelling. De opdracht om het evangelie te verkondigen is er voor alle eeuwen en onder alle omstandigheden. Hoe je dat moet doen, is punt twee. Je kunt ernstige kritiek hebben op de doelstelling en de opzet van het huidige missionaire werk, om er tegelijk geen ogenblik aan te twijfelen dat het evangelie vandaag even goed als vroeger verbreid moet worden. Misschien is het resultaat heel mager, blijft het ploegen op rotsen. Maar ook dat gaat niet buiten Gods plan om.
Wat de beide Dekkers echter gemeen hebben, interesseert mij nu meer. Ik beperk mij verder tot het boek van Wim Dekker. Ook hij spreekt uitvoerig over het huidige oordeel van God. Het ligt voor de hand dat veel in zijn analyse mijn instemming krijgt. Dekker behoort tot (of is in elk geval verwant aan) de Gereformeerde Bond in de PKN. De gereformeerde achtergrond van de schrijver treft ons op tal van bladzijden.
De afval van het geloof is enorm. Zeker, velen geloven wel in ‘iets’, maar dit ietsisme heeft alles te maken met de afschaffing van de christelijke God (pag.64). Je kunt het ietsisme aantreffen bij de helft van de rooms-katholieken, bij een op drie PKN-ers, bij 15 procent van de overige kerkmensen en bij een op de drie buitenkerkelijken, weet Dekker in dat verband te melden. Bij het woord ‘openbaring’ halen kerkgangers hun schouders op, alles wordt door hen – typisch postmodern – hyperindividueel bepaald. Wat vind ik ervan, wat doet het mij?
De eigenheid van het christelijk geloof is tot in de kern van de gemeente aangetast door de secularisatie en door een nieuwe algemene religiositeit. De afval van het geloof in de gezinnen is volop aan de gang. De tegenstelling is niet: zijn we missionair of zijn we behoudzuchtig? Nee, het ligt anders: Zijn we nog een gemeente van Christus die weet wat ze gelooft en daaruit leeft, of zijn we een gemeente waarin de levende Christus en de kennis van de Schriften steeds meer aan het verdwijnen zijn (73)?
Dekker presenteert een zeer somber beeld. Achter dit alles ziet hij het gericht van God. Dat gericht bestaat in Gods afwezigheid, in zijn verberging. God geeft de zondaars (denk aan Romeinen 1!) over aan de gevolgen van hun eigen verkeerde keuzes. Verberging van God is in de Bijbel niet zoiets als dat God het (even) laat afweten. Nee, afwezigheid is juist een van zijn zeer veelzeggende activiteiten (31).

Lijden in de navolging van de Gekruisigde – is dat lijden aan de afval?

Wat staat ons volgens Dekker in zo’n situatie te doen? Het valt te begrijpen dat hij onder het verval van de kerk, waarin hij  Gods oordeel ziet werken, lijdt. Dat doe ik ook, zo vaak de afval in de kerk mij voor ogen staat. Maar Dekker geeft aan dat lijden een merkwaardige invulling. Als wij onder de afval lijden, hebben we volgens hem deel aan het lijden van Christus. Gelovigen kunnen lijden als zij vanwege hun geloof vervolgd worden. Denk bv. aan vervolging in China. Als Dekker z’n boek in een Chinese context zou schrijven, dan zou hij schrijven over de gemeenschap met de Gekruisigde in de gestalte van het lijden en niet ‘in de gestalte van de afval’ (37). Maar hij schrijft nu voor Nederland. Vervolgingen zijn er hier niet, maar wij moeten hier op een andere manier lijden: Wij hebben deel aan het lijden van de Gekruisigde in de gestalte van de afval. Het diepe besef dat we in de afval te maken hebben met een gestalte van de Gekruisigde in ons midden, moet onze houding bepalen. Wij moeten onszelf onderzoeken, tot schuldbesef komen en boete doen.
Mijn vraag is waarom dit lijden in de gestalte van de afval een vorm van het lijden van Christus is. Waar staat dat in de Bijbel? Dat dr. H. Berkhof destijds over het lijden van Christus in de gestalte van de afval heeft gesproken, kan moeilijk de doorslag geven. Denk ik aan het lijden in navolging van Christus, dan weet ik wat de Bijbel daarover zegt. Maar waar staat dat Christus ons oproept om te lijden aan de afval van de kerk? Ik lees heel duidelijk in de Bijbel dat profeten en apostelen zich krachtig tegen de afval van God hebben verzet en dat verzet vaak met de dood moesten bekopen. Zij leden onder de afval, keerden zich ertegen door man en paard te noemen. En omdat ze zo spraken en handelden, moesten zij lijden. Profeten als Jeremia hebben het zwaar gehad. Jeremia ontmaskerde in Juda de afval, waardoor zijn leven een zware lijdensgang werd. Toen de apostel Paulus zag dat men onder de Galaten het spoor bijster raakte, leed hij daaronder. Maar omdat het evangelie op het spel stond, kwam hij er openlijk voor uit dat ieder vervloekt was die een ander evangelie bracht dan wat door hem aan de Galaten verkondigd was.  
Wie de waarheid omtrent Jezus Christus liefheeft en zijn stem laat horen in de kerk tegen het schenden van deze waarheid, moet er rekening mee houden dat hij tegenstand ondervindt en daaronder zal lijden. Nergens lees ik echter in de Bijbel dat Christus ons oproept in zijn spoor te lijden onder de afval van wereld en kerk. Nergens ook vind ik dat onze houding tegenover die afval er een moet zijn van schuldbesef en boetedoening zonder dat wij die afval, zoveel ons mogelijk is, van ons afschudden en de kerk ertegen behoeden. Alweer door man en paard te noemen. Maar Dekker vertelt ons dat wij nog lang niet klaar zijn met ons zelfonderzoek, ons schuldbesef en onze boetedoening.
Het spijt me, maar ik zie niet in dat met dit recept van Dekker de afval bestreden zal worden op profetische en apostolische wijze. Stilte en inkeer is hier het parool! Althans voorlopig, als ik de schrijver goed begrepen heb.

 Een voorbeeld van vrijmoedig getuigen

Omdat we hier toch met een belangrijke zaak te maken hebben die we niet kunnen ontwijken in het kerkelijk leven, geef ik een voorbeeld. Ergens merkt Dekker op dat de kerk geen alternatief ethisch programma hoeft te hebben op alle onderdelen van het leven (178). Nu, dat zou ook wel veel gevraagd zijn. Akkoord dus. Maar nu noem ik twee ethische punten: abortus provocatus en het homohuwelijk. Dekker weet evengoed als ik dat per jaar in Nederland het leven van zo’n dertigduizend kinderen in de moederschoot hardhandig wordt beëindigd. Dat zal toch ook wel in zijn ogen in strijd zijn met het duidelijk Bijbels gebod: gij zult niet doden. Moet de kerk dat niet heel openlijk en bij de voortduur blijven zeggen, ook al krijgt ze de wind van voren?
En wat het homohuwelijk betreft, vraag ik Dekker of ook hij niet vindt dat dit fenomeen volstrekt in strijd is met wat de Schrift ons over huwelijk en seksualiteit te zeggen heeft. Als hij het op deze beide punten met mij eens is, hoe kan hij dan zeggen dat het vanuit de ‘identiteit van de gemeente van Christus’ onbestaanbaar is dat rond de formulering van een ethisch standpunt de laatste grote beslissingen vallen? Ethische kwesties hebben volgens hem nooit het zwaarste gewicht. In ‘absolute zin’ wordt onze identiteit door andere dingen bepaald (152v). Dat lijkt mij vreemd als we bedenken dat we in de wet met Gods wil te maken hebben. Waarom zou óók het gehoorzamen aan Gods wil  onze identiteit ‘in absolute zin’ niet mee bepalen? Hoe vaak hebben profeten en apostelen op die gehoorzaamheid niet aangedrongen? Dekker ziet in de prediking van de Reformatie een voortzetting van de oudtestamentische profetie (103). Hij geeft hoog op over de theocratische visie van de Reformatie, die alle terreinen van het leven bestrijkt, ook van de politiek, de erotiek en de sociale verhoudingen (121).
Daarmee kan ik helemaal instemmen. Maar dan zou ik zeggen dat mijn christelijke identiteit mee bepaald wordt door wat ik in ethische zaken doe. Ongeboren kinderen, die in veruit de meeste gevallen gezond ter wereld zouden kunnen komen, worden gedood. En  als wij onze stem er niet tegen verheffen, zou dat dan onze identiteit als christelijke kerk of als gelovige christenen niet ‘in absolute zin’ raken?!
Ik weet hoe de kerk, met name in Zuid-Afrika, gefaald heeft inzake de apartheid. Weer zo’n politiek onderwerp. Ik heb met eigen ogen de ellende van de apartheid in Zuid-Afrika gezien en met eigen oren gehoord hoe christelijke mensen zich tot diep in hun ziel gekrenkt voelden door wat zij te horen kregen van blanke medechristenen over de vanzelfsprekendheid van de apartheid. Zou iemand mij op dat moment Dekkers visie over de (betrekkelijke!) draagwijdte van ethische kwesties onder de neus hebben geduwd, dan had ik daartegen geprotesteerd. Wat als je  hulpeloze mensen voor je ziet? Wat als je nadenkt over tienduizenden abortussen? Wat als je in een land leeft waar we tot in de kerk toe van discriminatie beschuldigd worden als we homo’s niet gunnen wat hetero’s wel mogen?

  Een beslissend punt: hoe zie je de kerk?

 Volgens mij kán Dekker ook moeilijk anders schrijven dan hij doet. Dat wordt al snel duidelijk in zijn boek. Hij zegt dat wij samen schuld moeten belijden. Zoiets kunnen we, schrijft hij, wel als een bepaalde modaliteit. Ik vul hier in: bv. als gereformeerde vleugel binnen de PKN. Maar het gaat Dekker om het geheel van de kerk en van de kerken. Ik citeer een aantal regels uit zijn boek: ‘Juist door zoiets als een modaliteitenorganisatie ontbreekt het aan het geestelijk gezag dat nodig is om te vertolken wat voor het geheel van de kerk geldt – en zeker geldt dat voor de gezamenlijke kerken. Zo komen we misschien als vanzelf wel bij de grootste schuld terecht, die van de verdeeldheid, het gedeeld-zijn van het lichaam van Christus’(20).
We zouden samen moeten boeten. Dat begrijp ik. Maar dat lukt in een modaliteitenkerk niet. Dat begrijp ik ook, want in een modaliteitenkerk moet je met alle modaliteiten rekening houden, van orthodox tot vrijzinnig. En dat moet je ook als je alle kerken in een oecumenische beweging wilt samenbrengen, zoals ook Dekker dat wil. Zowel in een modaliteitenkerk als in de oecumenische beweging ben je niet in staat om, precies als eertijds de profeten en apostelen, het woord van de HERE met kracht aan de kerk en aan de wereld voor te houden. Uit één mond spreken is er niet bij als je met orthodox, minder orthodox en vrijzinnig rekening moet houden.
Wie Dekkers boek helemaal gelezen heeft, weet dat hij voor geen prijs de PKN als kerk zal opgeven. Want die PKN is de voortzetting van de Nederlandse Hervormde Kerk als de ware kerk van en voor het Nederlandse volk. Het was een ‘planting Gods’ en dat werkt blijkbaar door tot op vandaag. Alleen deze kerk is diep en breed in het volk verankerd (89v). Alle andere protestantse kerken noemt Dekker bij voorkeur denominaties. Dat woord is niet bepaald vriendelijk bedoeld. Men sticht steeds maar weer nieuwe kerken. Met dat stichten ontkent men volgens Dekker de geschiedenis die God met het Nederlandse volk is gegaan. God plant zijn kerk. Hij gaat daarin een verbintenis aan met een volk. Samen gaan ze op weg. De geloofsbeleving die daarin ontstaat, is een vermenging van de volkscultuur met het evangelie. Dat levert altijd strijd op. De ene keer zal het evangelie het winnen, de andere keer dreigen invloeden van de tijd het evangelie te overwoekeren. Nooit is er echter een zuivere kerk (87). De modaliteiten beschrijft Dekker positief, omdat ze ‘als vitale bewegingen’ de mensen binnen de kerk bij de les houden (141)!
Met Noordmans is Dekker van mening dat de kern van de gemeente en de ‘schare’ als de brede rand van de gemeente bij elkaar horen. Ze kunnen niet zonder elkaar, ze vormen een ‘dialectische verhouding’ (143). Zo weet Dekker geloof en ongeloof toch weer te verbinden.
Ik zou weer graag het Schriftbewijs hebben voor de bewering dat de ‘schare’ ook bij de kerk hoort. De schare was in Jezus ‘dagen nieuwsgierig naar Hem en luisterde naar Hem, ook al zouden velen later ‘Kruis Hem’ roepen. Maar die schare heeft geen plaats gekregen in de Nieuwtestamentische kerk. In de PKN echter is een schare die in kaartenbakken staat geregistreerd. Ze zetten nooit een stap over de drempel, vertelt Dekker, en toch horen we bij de kerk. De PKN is een afbrokkelende kerk, maar gelukkig nog wel een volkskerk, met een betrekkelijk lage drempel (144).
Ik begrijp niet dat een gereformeerd theoloog zich hierbij gelukkig voelt.
Het spraakgebruik van de gereformeerde belijdenis dat er ware en valse kerken zijn, hanteert Dekker in zijn boek niet. In het Nieuwe Testament lees ik van ware kerken en van dwalende kerken, waarvan Christus de kandelaar dreigt weg te nemen. Maar ik vind nergens als model een volkskerk beschreven, waarin per definitie het evangelie vermengd is met de volkscultuur.
Opvallend is hoe Dekker wel over de ware kerk weet te spreken, maar nergens laat blijken dat zijn belijdenis ook over de valse kerk spreekt en over de tucht in de kerk, als een van de kenmerken van wat een kerk is. Uit Zondag 21 van de Heid. Catechismus en uit artikel 27 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis (pag. 76v) kan Dekker onmogelijk een volkskerk tevoorschijn toveren. En de rest van wat deze belijdenis over de kerk zegt, functioneert bij hem nauwelijks of helemaal niet. Met Dekkers boek in de hand zou je niet zeggen dat er naast ware ook valse kerken zijn. Evenmin dat de bovengenoemde belijdenis naast de prediking van het evangelie en de bediening van de sacramenten ook nog de tucht als kenmerk van de kerk beschouwt. We lezen wel dat niemand zich afzijdig van de kerk moet houden (78), maar nergens dat gelovigen zich moeten afscheiden van de valse kerk. Dat is kennelijk oude taal uit een oud geschrift, waar we vandaag niet meer mee overweg kunnen.
Dekker verheft de PKN boven de denominaties die zich afgescheiden hebben. Merkwaardig vind ik het, dat door een fusieproces de Gereformeerde Kerken (synodaal), die vroeger een denominatie vormden, ineens samen met wat vroeger de Nederlandse Hervormde Kerk was, in de PKN nu wél diep en breed in het volksleven verankerd zijn. Merkwaardig vind ik dat het tegendeel voor de Hersteld Hervormde Kerk geldt. Deze hervormde kerken sloten zich niet aan bij de PKN, maar wilden ‘hervormd’ blijven. Tien jaar geleden waren ze nog geworteld en gegrond in ons volksleven, om met Dekker te zeggen. Maar vandaag degradeert Dekker hen tot ‘een van de vele reformatorische denominaties’ (90)!
Toch, als het erop aankomt, is Dekker vriendelijk tegenover alles wat zich in Nederland als kerk aandient. ‘Zowel de Rooms-Katholieke Kerk als de protestantse kerken hebben in hun theologie bewaard, dat het in de kerk draait om een mystieke gemeenschap van God met zijn volk’ (86). Door zo ingesteld te zijn en dankbaar te blijven dat hij van een pluriforme PKN lid is, krijgt het klagen over Gods oordeel en de noodzaak om tot inkeer te komen en af te wachten wat God gaat doen, voor mij onechte trekken. Mensen als Dekker weten immers dat een modaliteitenkerk eenvoudig niet in staat is profetisch op te treden. Zij zullen ook beseffen dat een brede oecumene dat evenmin meer mogelijk maakt. Ja, dan kan men de kussens van de klagende en boetvaardige gelovigen blijven opkloppen! In de kerkelijke gesprekken en publicaties blijken de opvattingen alle kanten op te kunnen, constateert Dekker. Wie naar kerkdiensten luistert, kan de meest tegenstrijdige dingen horen (137). Hoe kan hij dan verwachten dat de kerk weer profetisch gaat spreken?

Kort intermezzo

 Vrijgemaakt-gereformeerden (dus ook ik), die in deze geest schrijven, worden gauw uitgemaakt voor radicaal. Zij lezen anderen de les, omdat zij menen de waarheid in pacht te hebben en zelf de (enig) ware kerk te vormen. Ik heb in het verleden vaak genoeg geschreven dat ik dit radicalisme verwerp. Maar ik verwerp even beslist dat er alleen maar ware kerken zijn en we dus moeten ophouden over valse kerken te spreken.
Daarom lever ik kritiek op het uiteindelijk toch nog zonnige beeld dat Dekker van de volkskerk en van de oecumene geeft. Hij wil op weg naar de profetie, maar aanvaardt een situatie waarin voor profetie geen plaats meer is. Ik zeg dat echter evenzeer tegen mijn eigen kerken, ook al zijn dat geen volkskerken. Zij krijgen evengoed moeite met de belijdenis (omtrent de kerk), die zij als confessionele grondslag hebben. Wanneer Dekker laat zien hoe marginaals de kerk in Nederland is geworden, dan blijft het gereformeerde kerkelijke leven niet buiten schot.
Zo gleden we bijna ongemerkt in de moderne oecumene, toen een delegatie van onze kerken vorig jaar de ‘synode van Dordrecht’ bezocht. Deze delegatie getuigde van veel ontroering en veel herkenning. Maar laten we nuchter blijven: de synode kwam niet met een boodschap voor het Nederlandse volk, waarin ons volk werd opgeroepen zich te bezinnen en te bekeren. Dat is in zo’n oecumenisch gezelschap eenvoudig niet haalbaar. En omdat we dit vooraf kunnen weten, moeten we er ook niet aanwezig willen zijn. Je weet immers bij voorbaat dat alles een compromiskarakter moet dragen. Ik noemde abortus provocatus en het homohuwelijk. Dat zijn toch geen punten meer waarover de brede kerk van vandaag ons volk durft toe te spreken?
Je proeft de moeite met de eigen belijdenis omtrent de kerk ook uit simpele berichtjes in de krant. Wat te denken over een Evangelie-markt te Stadskanaal, waar elf kerken, van rooms-katholiek tot vrijgemaakt-gereformeerd toe, verklaren dat zij een gemeenschappelijke basis hebben, namelijk het evangelie, ondanks de verschillen in opvatting en uitvoering? (Ned. Dagblad van 10 mei jl.)? Wij worden heel vriendelijk voor elkaar. Het bespaart je ook veel tegenstand als je je mond erover houdt.

 Nog eens: marginaal en missionair

 Met de typering ‘marginaal’ geeft Dekker zaken aan die over het verval van de kerk gaan en die mij zeer aanspreken. Zodra hij zijn eigen opinie daartegenover plaatst, gaan onze wegen uiteen. Eerlijk gezegd was het lezen van het laatste (derde) deel van zijn boek over ‘missionair’ weinig verrassend meer. Ik ben het met hem eens dat het probleem dieper gaat dan methodeverandering alleen. Het christelijk geloof heeft zwaar aan geloofwaardigheid ingeboet. En dat verbeter je niet door geloofwaardiger te communiceren. Ook is niet in te zien waarom hier per se nieuwe gemeenten nodig zijn. Dat zou ook een miskenning zijn van Gods werk in de kerk der eeuwen (158v).
Toch is het in de ogen van Dekker ook weer goed dat er, gelet op geseculariseerde stadswijken of vinex-wijken-zonder-kerk, missionair bevlogen en bewogen mensen zijn (160). En daarom spant Dekker zich in om op enig toezicht bij het stichten van kerken aan te dringen. Het moet allemaal in nauwe samenwerking met de PKN (!) gebeuren (162). Ook moet het oecumenisch gebeuren, zodat vrijgemaakt-gereformeerden, christelijke-gereformeerden of hervormd-gereformeerden hun eigen kerkelijk wereldje niet gaan cultiveren (163). Het woord ‘cultiveren’ wijst erop dat Dekkers missionaire hart sneller klopt als het over PKN-vestigingen gaat! Hoopvol stemt voor Dekker de ontwikkeling rond de Synode van Dordrecht. We moeten vrijmoedig naar elkaar doorverwijzen en zo elkaar als verschillende gemeenschappen aanvullen, helpen en dienen (163).
Ja, dat is de logische prijs die we moeten willen betalen als we menen allen op dezelfde bodem van het evangelie te staan. Waarom dan de PKN toch kennelijk iets steviger op die basis staat dan vrijgemaakten en christelijke-gereformeerden, is mij niet duidelijk. Het zal meer met oude hervormde romantiek dan met een Bijbels gefundeerde theologie te maken hebben.
Wat in het hele boek van Dekker opvalt, is zijn poging om zo royaal mogelijk te zijn naar alle kanten. Hoe vaak lezen we niet dat deze of die stroming of bewering ‘een punt heeft’! Zo is het ook met de missionaire zaak. Eerst vraagt de schrijver zich af waarom die zo nodig eigen kerken moet stichten. Maar als deze storm is gaan liggen, kunnen we ook lezen dat het ‘niet ondenkbaar is dat missionair werk en kerkgroei uiteindelijk leiden tot geloofsverdieping’ (173). De lucht wordt onheilspellend als het over Gods verberging gaat, maar…God regeert niet alleen in oordeel, maar ook in genade (28). Als we gaan lijden aan Gods afwezigheid, dan is God al niet meer helemaal afwezig (32). De ernst van Gods afwezigheid wordt ons ingeprent, maar toch heeft Hij ook weer een lijntje met ieder mens (48). Valt het bij Dekker niet voortdurend erg mee?
Ondanks alle kritiek die ik op het betoog van Dekker geleverd heb, sluit ik af met de wens dat het missionaire werk, verricht door mensen die de vruchten van God verwachten en het evangelie van Jezus Christus doorgeven, gezegend zal worden!

 

N.a.v. ds. Wim Dekker, Marginaal en missionair, uitgave Boekencentrum, Zoetermeer 2011. ISBN 978 90 239 2563 7. Prijs € 18,90.

 

 

 

Reacties zijn gesloten.