PSALM 1
1.1. UITLEG
Psalm 1 kunnen we opvatten als inleiding op alle psalmen. Waarschijnlijk heeft men dat al vroeg zo gedacht. In sommige handschriften van Hand. 13,33 wordt onze huidige Psalm 2 de eerste psalm genoemd. Het ligt zelfs voor de hand dat Psalm 1 en 2 samen de inleiding op alle psalmen zijn en de poort vormen waardoor we het Psalmboek binnenkomen.
Strikt genomen zijn Ps. 1 en 2 geen psalmen in de betekenis van het Hebreeuwse woord dat boven heel het psalmboek staat (tehillīm) en lofprijzingen betekent. Nu zijn er meer psalmen die dat karakter niet dragen. Zo wordt Psalm 1 doorgaans getypeerd als wijsheidspsalm en staat ze met Ps. 19 en 119 in een rijtje waarin onze aandacht vooral gericht wordt op de wet van Jahwe. Zie hierna onder 1.2. Algemeen thema (‘Typering van de 150 psalmen’). De wijsheidspsalmen onderrichten ons in de onmisbaarheid van wijsheid, die we slechts kunnen verkrijgen door de wet van Jahwe te onderzoeken. Een dergelijke psalm past uitstekend als inleiding op het hele Psalmboek. Voordat we het Psalmboek binnentreden, leren we in de poort wie we (moeten) zijn: mensen die zich niet inlaten met goddelozen, maar vreugde vinden in de wet van Jahwe. Bij de bespreking van Ps. 2 zullen we opnieuw een algemeen aspect onder ogen krijgen, dat voor de bestudering van alle volgende psalmen van belang is.
Over de tijd waarin Ps. 1 gedicht is, valt niets zinnigs te zeggen. Als inleidende psalm hoeft zij niet per se jong te zijn. Er wordt dan gedacht aan tijd van na de ballingschap, of aan een dichter die in het laatste stadium heeft meegewerkt aan het bundelen van de bestaande psalmen en de bundel voorzag van deze inleidende psalm.
Psalm 1 kunnen we in drieën verdelen:
1) De rechtvaardige mens en zijn voorspoed (1-3);
2) De wetteloze mens en zijn tegenspoed (4-5)
3) De twee wegen met tegengestelde afloop (6)
ad 1) Het eerste vers geeft driemaal aan hoe de mens niet moet zijn, terwijl vers 2 hem in positieve woorden omschrijft. In het driemaal ‘niet’ onderscheidt zich de rechtvaardige (pas zo genoemd in vers 5) van de goddeloze. Er zit in 1,1 een bepaalde climax in. De mens komt op een verkeerd spoor als hij zich laat beïnvloeden door de ideeën van goddeloze mensen. Hij zet een stap verder als hij met hen meeloopt. En het wordt nog erger als hij bij de spotters aan tafel gaat zitten en daardoor een van hen wordt.
De rechtvaardige ziet er heel anders uit. Hij mijdt de omgang met goddelozen, zondaars en spotters. Dat zijn drie woorden voor hetzelfde soort mensen. Zij bekommeren zich niet om Jahwe als hun God en drijven de spot met Hem.
Het mijden van goddeloze en wetteloze mensen kan overigens moeilijk betekenen dat men zich terugtrekt uit de wereld waarin goddelozen optreden. Die ‘wereld’ was immers Israël zelf. Uit de klaagpsalmen zal genoegzaam duidelijk worden hoe rechtvaardigen dagelijks met goddelozen te maken hadden!
Tegenover het gedrag van de goddeloze vindt de rechtvaardige zijn vreugde in de wet van Jahwe, waarin hij zich dag en nacht verdiept. ‘Dag en nacht’ betekent niet vierentwintig uren aaneen. Het slot van vers 3 laat zien dat de rechtvaardige ook met andere dingen bezig is. ‘Dag en nacht’ met de wet bezig zijn, geeft aan dat de overdenking ervan zijn leven beheerst. Hij staat ermee op en gaat ermee naar bed. Voor wat NBV als ‘overdenken’ en NBG als ’overpeinzen’ weergeeft, wordt een woord gebruikt dat ‘halfluid lezen’ en ‘murmelend overwegen’ kan betekenen. De rechtvaardige is voortdurend bezig met het lezen van de wet en het nadenken erover. Dat is geen drukkende last voor hem, maar geeft hem juist vreugde.
We zullen ons niet vergissen als we bij de wet vooral moeten denken aan de vijf boeken van Mozes, de zgn. thora. Vaak neemt men dit begrip in Ps. 1 ruimer, zodat het de hele toenmalig geboekstaafde Schrift en ook het Psalmboek omvat. ‘Wet’ wordt dan gelijk aan ‘het woord van God’. Een ruimere opvatting laat zich denken, maar is niet strikt nodig. Het is echter wel zaak aan de hele inhoud van de thora te denken en ons niet te beperken tot wat bij ons ‘wet’ heet.. De thora bevat veel geboden en verboden, maar vertelt ook de geschiedenis vanaf de schepping tot aan Abraham. Daarna vinden we de geschiedenis van het verbond tussen Jahwe en zijn volk vanaf Abraham tot aan de intocht in Kanaän. Wij krijgen onderricht in wat rechtvaardige en wat goddeloze mensen doen. Vaak zijn de verhalen over wat goddelozen doen zelfs nog uitvoeriger.
Het zou een misverstand zijn bij het woord ‘rechtvaardigen’ aan Israël en bij ‘goddelozen’ aan de heidenen buiten Israël te denken. De tegenstelling tussen rechtvaardigen en goddelozen brengt een kloof binnen Israël zelf aan het licht. Als we enkele psalmen verder zijn, zal ons dat al heel duidelijk zijn!
De vraag komt onvermijdelijk op, of de tegenstelling, zoals die hier getekend wordt tussen de rechtvaardige en de goddeloze, niet erg zwart-wit is. Vaak brengen uitleggers de farizeeër ter sprake die God dankt dat hij niet is als de andere mensen met hun roofzucht en overspeligheid, en die zich ver boven de tollenaar verheven acht (Luc. 18,9vv). Terecht wordt dan betoogd dat Ps. 1 zo niet gelezen moet worden.
Waarom niet? Ps. 1 kunnen we niet geïsoleerd van de overige psalmen lezen. Het zal ons duidelijk worden dat de weg van de rechtvaardige lang niet altijd zo kaarsrecht loopt als het in Ps.1 het geval schijnt. Uit Ps. 1 kunnen we opmaken hoe de rechtvaardige behoort te zijn en niet hoe de rechtvaardige in de praktijk van het leven vaak is. Ps. 1 tekent ons het type van de rechtvaardige en de goddeloze als een soort model. Die typering moet helder en kernachtig zijn. In de praktijk zien we altijd nuanceringen, die aan het beeld van de rechtvaardige en de goddeloze in hun zuivere vormen niet beantwoorden. Het model van de rechtvaardige (dus: zo behoort hij te zijn) moeten we laten staan naast de beschrijvingen van rechtvaardigen die wegens hun (zware) zonden vergeving nodig hebben (bv. Ps. 25,11; 32,1v; 51,7vv). De rechtvaardigen zijn heel vaak geen heiligen. En de goddelozen kunnen zich heel behoorlijk gedragen (vgl. 1 Kon. 21,27v over Achab).
Ook wij kennen het verschil tussen hoe iemand behoort te zijn en hoe hij is. Denk aan Zondag1 van de Heidelbergse Catechismus, waarin de gelovige verklaart dat hij de Heilige Geest ontvangt, die hem van harte bereid maakt voortaan voor Christus te leven. Denk aan Zondag 7, waarin verteld wordt wat mijn geloof is (alles voor betrouwbaar houden wat God in zijn Woord geopenbaard heeft en een vast vertrouwen hebben dat het heil ook aan mij geschonken is), terwijl de werkelijkheid vaak een ander beeld te zien geeft.
Dat de rechtvaardige niet op eigen benen staat, maar afhankelijk is van Jahwe, valt ook uit Ps. 1 al af te lezen. Vers 3 noemt hem een boom die floreert omdat hij aan stromend water staat. De boom is voor zijn groei, zijn bladeren en vruchten afhankelijk van dit water. Het doet er weinig toe of het water de boom rechtstreeks of via irrigatiekanalen (wat op grond van het gebruikte Hebr. woord mogelijk is) bereikt. De boom groeit niet vanzelf, maar is van water afhankelijk. De dichter laat in vers 3 het beeld van de boom weer los om van de rechtvaardige te zeggen: Alles wat hij doet, gelukt (komt tot bloei). Ook hier wordt het ideaal, het ‘model’ getekend. De vele klaagpsalmen die zullen volgen, laten ons niet in het ongewisse over de tegenslagen in het leven van rechtvaardige mensen!
ad 2) Met de wetteloze mensen gaat het heel anders (vers 4). Zo vast geworteld en zo vruchtbaar als een boom kan zijn, zo treurig is het gesteld met de wettelozen. Zij worden vergeleken met kaf dat verstrooid wordt. Als de boeren op de dorsvloer het koren omhoog werpen, worden kaf en koren gescheiden en verwaait het kaf in de wind.
De goddelozen houden geen stand in het gericht. Moeten we dit letterlijk opvatten, zodat ze niet overeind kunnen blijven staan als ze veroordeeld worden door de rechter in Israël? Het gebeurde dat de schuldige zich languit moest neerwerpen voor de rechtbank. Aannemelijker lijkt het mij dat de goddelozen binnen de sfeer van wat echt recht is, niet meer geduld worden. Ze worden uit de kring van de rechtvaardigen (de gemeente, Israël) verwijderd, omdat ze daarin niet meer thuishoren. We kunnen ook denken aan het (uiteindelijke) goddelijk gericht, waarin de goddelozen als kaf zullen worden verbrand in onblusbaar vuur (Matt. 3,12). In elk geval voltrekt zich eens een definitieve scheiding tussen de rechtvaardige en de goddeloze in een wereld waarop voor de goddeloze geen plaats meer is.
ad 3) Vers 6 wijst op die scheiding ook nog met het beeld van twee wegen. De rechtvaardigen en goddelozen wandelen op twee verschillende wegen. Jahwe beschermt (Hebr.: kent) de weg van de rechtvaardigen, terwijl de weg van de wettelozen dood loopt. De vertaling met het woord ‘beschermen’ geeft opnieuw goed aan dat de rechtvaardige zijn weg niet op eigen kracht afloopt, maar de bescherming van Jahwe nodig heeft. Juist wie meent dat hij Jahwe niet nodig heeft en met Hem spot, zal merken dat de weg die hij bewandelt dood loopt. Daarmee is niet gezegd dat dit laatste zich vanzelf voltrekt en buiten Jahwe zou omgaan. We zullen in het vervolg nog zien hoe twee dingen samengaan: Het kwaad straft zichzelf en Jahwe toont zijn straffende gerechtigheid.
1.2. ALGEMEEN THEMA
Typering van de 150 psalmen
Voor de indeling van de psalmen kunnen we heel goed een indeling gebruiken die rekening houdt met verschil in stemmingen die we in de psalmen opmerken. Is het een lofpsalm op Jahwe? Wordt er gedankt voor zijn uitredding? Of neemt het klagen een grote plaats in? Is het een psalm die meer op onderricht in de wijsheid gericht is? Gaat het over de speciale positie van de koning?
Een groot aantal psalmen zijn lofpsalmen (hymnen), waarin de majesteit van Jahwe geprezen wordt Daarin wordt Hij geprezen om wat Hij in zijn schepping laat zien (Ps. 19; 29; 93; 104). In de lofpsalmen krijgt ook de hoge plaats van de mens in de schepping aandacht (Ps. 8), evenals Jahwe’s redding van eenvoudige en arme mensen (Ps. 113). Er zijn psalmen die koning Jahwe prijzen als rechtvaardige rechter (Ps. 97 e.v.). Verder kan de lof gericht zijn op Jeruzalem (Sion), als de plaats waar Jahwe woont en van waaruit Hij zijn volk en de wereld bestuurt (Ps. 46 e.v.; 76; 84; 87). Ook twee geschiedenispsalmen zetten in met de lof op Jahwe (Ps. 105; 106).
Naast lofpsalmen treffen we dankpsalmen aan voor de verlossing, die Jahwe gaf. Men dankt Hem voor vergeving van schuld (Ps. 32; 103), voor uitredding uit de greep van vijanden (Ps. 30; 34; 118), voor genezing uit ziekte en ander doodsgevaar (Ps. 41; 116), of voor een goede oogst (Ps. 67).
Een groot aantal psalmen – ruim een derde van het totaal! – zijn klaagpsalmen. Men voelt zich door Jahwe vergeten en verlaten. Ziekten teisteren het leven, zonder dat genezing intreedt (Ps. 6; 22; 38; 88). In deze klaagzangen spelen bijna altijd mensen een rol die het de klager moeilijk maken, of het zelfs op zijn leven gemunt hebben. Vreemden, maar ook bekenden zijn erbij betrokken (Ps. 38,12; 88,9). Zij ontmoedigen de dichter (Ps. 4,7a), klagen hem aan (Ps. 35,1.11; 56), gebruiken leugenachtige woorden (Ps. 5,10; 55,21v), leggen vangnetten en graven kuilen (Ps. 7,16; 10,9; 35,7v; 57,7; 141,9v), of richten hun pijlen op hem (Ps. 7,14; 57,5; 64,4). Ze lijken op leeuwen, die loeren en verscheuren (Ps. 7,3; 10,9v; 17,12; 22,14; 35,17; 57,5), of op honden en stieren, die op vernietiging van de lijder uit zijn (Ps. 22,13.17.21; 59,7.15).
Meestal is in de klaagpsalmen een enkeling aan het woord; maar er zijn ook klaagpsalmen van het volk (o.a. Ps. 60; 74; 79; 80; 83; 85; 90; 137). Het gaat daarin over situaties waarin het volk de toorn van Jahwe ervaart, door het binnenvallen van buitenlandse vijanden, die zelfs Jeruzalem en de tempel kunnen verwoesten.
Dergelijke klachten kunnen zelfs overgaan in aanklachten tegen Jahwe. Hij toonde vroeger zijn macht ten bate van zijn volk zo geweldig, en zie wat er nu is gebeurd! Waarom verstoot U ons voor altijd; waarom houdt uw hand zich in bedwang, d.w.z. doet U niets (Ps. 74,1.11)? Waarom zouden de heidenen zeggen: waar is hun God (Ps. 70,10)? Waarom hebt U de muren rond uw wijngaard afgebroken, zodat buitenstaanders er vrij toegang hebben en van zijn vruchten plukken (Ps. 80,13v)? O, God, houd U niet stil, zwijg niet en zie niet onbewogen toe (Ps. 83,1)! Keer U tot ons, o Jahwe; hoe lang nog (Ps. 90,13)? Wij hebben uw verbond niet verloochend; ontwaak, waarom slaapt u, Jahwe (Ps. 44,18vv)? Het machtige optreden van Jahwe in vroeger tijd wordt als argument gebruikt om Jahwe opnieuw tot ingrijpen te brengen, ja Hem bijna daartoe te dwingen. Het wordt voor de klagers soms onbegrijpelijk, dat Jahwe zo lang op zich laat wachten.
Weer andere psalmen noemen we koningspsalmen (Ps. 2; 18;20; 21; 45; 72; 89; 101; 110; 132; 144). Daarin wordt uitdrukking gegeven aan de bijzondere plaats van de koning binnen het volk, alsook aan zijn speciale relatie tot Jahwe.
Men onderscheidt nog meer soorten psalmen. Ik noem alleen nog de wijsheidspsalmen. We hebben hierboven reeds gewezen op Ps. 1 en 119, waarin de wet van Jahwe centraal staat. Ook Ps.37; 49; 73; 127 zijn wijsheidspsalmen. Omdat het hier veelal gaat over onderricht in de wijsheid, worden deze psalmen ook wel ‘leergedichten’ genoemd.
Sommige psalmen zijn moeilijk onder te brengen bij een van de genoemde soorten (bv. Ps. 11; 50; 131). Zo kunnen we Ps. 19 net zo goed een lofpsalm als een wijsheidspsalm noemen.
We moeten onze schematisering niet te ver doorvoeren. Veel psalmen bevatten diverse elementen, zodat ze niet precies onder één soort gerangschikt kunnen worden.
1.3. VAN OT NAAR NT
Zoals Ps. 1 over de weg spreekt die de rechtvaardige bewandelt, zo doet ook het NT dat. Christenen worden ‘aanhangers van de Weg’ genoemd (Hand. 9,2; 22,4; 24,14.22). Over die weg hebben zij onderricht gekregen van Jezus Christus (Matt. 22,16). Het bewandelen van die weg is altijd een navolgen op de weg die Jezus zelf is gegaan . Zijn leerlingen moeten zich daarom niet verbazen over het lijden dat hun op die weg kan treffen (Matt. 16, 24 e.a.).
Er zijn ook in het NT twee wegen, een brede en een smalle weg, waarvan de brede weg naar de ondergang leidt. Slechts weinigen gaan over de smalle weg (Matt. 7,13v).
Duidelijk wordt ook gezegd dat er geen andere weg loopt die ons bij God de Vader brengt dan de weg van zijn Zoon: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’, zegt Jezus (Joh. 14,6) Dat betekent een verdieping van wat we in Ps. 1 lezen. De afhankelijkheid van Jahwe die we in Ps. 1 aantreffen, liet al zien dat er geen enkele basis voor zelfrechtvaardiging is. Zeker is daarvoor geen grond als we deze psalm in het licht van het NT lezen. Zelfrechtvaardiging maakt plaats voor zelfbeproeving. We moeten telkens weer onderzoeken of wij op de weg van Jezus gaan.
We kunnen ook zeggen dat Jezus zelf in zijn leven getoond heeft dat hij de rechtvaardige mens bij uitstek is geweest. Hij was niet slechts het model van een rechtvaardige, die in zijn reële leven altijd tekort schiet. Hij was de rechtvaardige mens zelf, die geboren werd onder de wet (Gal. 4,4) en daaraan gehoorzaam was tot in de dood (Fil. 2,8), heilig, schuldeloos en zuiver (Hebr. 7,26).
De tegenstelling tussen de rechtvaardige en de goddeloze speelde zich in Ps. 1 binnen Israël af. Vandaag staat de kerk tegenover de wereld Maar kerk en wereld kunnen ook binnen de gemeente van Christus tegenover elkaar staan. Denk aan wantoestanden die Paulus in zijn brieven aan de gemeenten vermeldt. Hij kan wijzen op misstanden die zelfs bij de heidenen niet voorkwamen, terwijl de betreffende gemeente er niet onder gebukt ging (1 Kor. 5,1vv)! De kerk kent perioden waarin zij meer op de wereld dan op de gemeente van Christus lijkt. Het mijden van goddeloze ideeën en van het omgaan met goddeloze mensen is voor iedere volgeling van Jezus Christus actueel.
1.4. VOOR VANDAAG
1. We moeten er aandacht aan geven dat in de verzen 1 en 2 driemaal staat wat de rechtvaardige mens niet doet, terwijl vers 2 in één zin vertelt wat hij dan wel doet. Vaak is het gemakkelijker aan mensen (en niet alleen aan kinderen!) duidelijk te maken wat zij niet dan wel moeten doen. Dit kan tot irritatie leiden. Bestaat het geloof dan vooral uit verboden? Het misverstand moet bestreden worden, alsof onze godsdienst uit gebod op gebod en regel op regel bestaat. Maar het is even duidelijk dat wie op de weg achter Jezus loopt, leert beseffen dat hij allerlei zijwegen niet in mag slaan.
2. Een andere actueel aspect van Psalm 1 heeft te maken met emoties. Ps. 1 laat de emotie van de vreugde ontspringen aan de omgang met de thora van Jahwe. Echte en continue omgang met het woord van God laat zich zonder blijdschap niet denken. Het nadenken over Gods woord is een zaak van dagelijkse aandacht. Binnen ‘doodse gemeenten’ hoeven we emoties niet op te wekken, bv. door opzwepende muziek. De emotie van de vreugde wordt niet gevoed door happenings, maar door onderricht in het Woord (vgl. 2 Tim. 3,16). Muziek kan onze blijdschap over de Bijbelse boodschap ondersteunen, maar niet opwekken.
1.5. VERANTWOORDING
Over de uitleg van Ps. 1 is er veel overeenstemming tussen de moderne commentaren. Nergens plaatst de tekst ons voor grote problemen.
De gedachte alsof Ps. 1 farizeïsme zou ademen, wordt nu vrij algemeen bestreden. A. Weiser, Die Psalmen7, Göttingen 1966, zegt dat de zwart-wit tekening van goddelozen en rechtvaardigen het opvoedkundig doel van deze psalm verraadt. Waarschuwing en vermaning moeten opvallen door helderheid en kernachtige eenvoud. M.i. valt dit te overwegen. Zo kan men er bij iemand die de verkeersregels moet leren kennen, op hameren dat rechts voorrang heeft. De uitzonderingen op deze regel (bv. op een voorrangsweg en een rotonde) komen later vanzelf aan de orde.
Voor het thema ‘Typering van de 150 psalmen’ sluit ik me aan bij de verdeling waarmee H. Gunkel begonnen is en die na hem op verschillende punten werd bijgesteld. Zie zijn Einleitung in die Psalmen, Göttingen 1933, ed. Gunkel-Begrich. Systeemdwang is uitgesloten. Bij elke psalm moeten we ons weer afvragen of zij slechts op één manier kan worden getypeerd.
PSALM 2
2.1. UITLEG
Evenals Psalm 1 draagt Psalm 2 een bijzonder karakter. Veel uitleggers beschouwen Ps. 1 en 2 samen als inleiding op het gehele Psalmboek. Dat is zinvol, omdat Ps. 1 ons vertelt wie de mens is of behoort te zijn, terwijl Ps. 2 duidelijk maakt wie Jahwe is, met de koning van Israël als zijn zoon, te midden van alle koningen en volken in deze wereld. Met deze beide brillen op kunnen we het Psalmboek beter begrijpen.
Met veel andere uitleggers veronderstel ik dat we hier te maken hebben met een koningspsalm, die gebruikt werd bij de troonsbestijging van een nieuwe koning.
De tijd waarin Psalm 2 ontstaan is, kunnen we moeilijk vaststellen. Zij is gericht op een gebeurtenis die zich vaak herhaald heeft vanaf Davids koningschap. Het ontstaan van de psalm ligt dan vóór de ballingschap. Of David de dichter was, wordt niet vermeld. Wel noemt de christelijke gemeente in Hand. 4,25 hem zo.
De indeling van Ps. 2 stelt ons niet voor grote moeilijkheden. De vier strofen zoals NBV die onderscheidt, geven de gang van het lied goed weer.
1) De opstand tegen Jahwe en zijn gezalfde koning en Jahwe’s antwoord daarop (1-6);
2) Het besluit van Jahwe over de koning en zijn heerschappij (7-9);
3) De oproep aan de wereld om zich aan Jahwe te onderwerpen (10-12).
ad 1) Het ‘woeden’ van de volken in de eerste strofe (1-3) laat zich vanuit de gebeurtenis van een troonswisseling goed begrijpen. Bij de overgang van een oude naar een nieuwe koning wordt vaak het verlangen naar vrijheid hevig onder volken die als vazallen aan de overleden koning onderworpen waren. De opstandige volken spannen samen om het juk af te werpen en zich uit de boeien van slavernij te bevrijden. De dichter laat merken dat de opstandige volken zich feitelijk tegen Jahwe keren, omdat de nieuwe koning door Hem gezalfd (Hebr.: mašiach) is. Ps. 2 is een ‘messiaanse’ psalm, maar dan indirect-messiaans. De zalving heeft allereerst betrekking op de aanstelling van een nieuwe koning in het huis van David.
Men heeft wel gezegd dat hier sterk gezwollen taal gebruikt wordt. Was het Davidische rijk werkelijk zo groot dat koningen en wereldmachten in rep en roer kwamen als in Jeruzalem een nieuwe koning werd aangesteld? Men denkt hier dan vaak aan na-aperij van een hofstijl die wel zou passen bij grote rijken als Egypte en Babel, maar feitelijk belachelijk zou zijn voor het kleine Israël.
Ik stel daar twee dingen tegenover. Allereerst was Israël onder David en Salomo zo klein niet. Vgl. 2 Sam. 7, 9, waar Jahwe tegen David zegt: ‘Ik heb je een naam gevestigd als een van de groten der aarde’. Filistijnen, Moabieten, Arameeërs, Ammonieten en Edomieten waren aan David onderworpen (2 Sam. 8). Het is waar dat al deze volken dicht in de buurt van Israël woonden en we daarom nog niet van een wereldrijk kunnen spreken waarover de ‘gezalfde’ koning vanuit Jeruzalem dan zou regeren.
Daarom moeten we in de tweede plaats bedenken dat deze koning in naam van Jahwe regeert die wel Koning is over de hele wereld (Ex. 15, 14vv; Ps. 100, 1vv). Bij Ps. 2 moeten we geen oogkleppen op hebben, die ons beletten rekening te houden met de omvang van Jahwe’s rijk, dat Hij aan zijn gezalfde koning in handen geeft.
Uit vers 4 wordt pas goed duidelijk wat het karakter was van het ‘waarom?’ in vers 1. De dichter vroeg zich daar niet in angst af waarom het woeden van de naties zijn volk en koning moest treffen (vgl. een ander ‘waarom?’ in Ps. 22, 2!). Hij verbaast zich over de opstand van de volken. Hoe durven ze! Want in de hemel spot Jahwe ermee, zoals een reus zich over dwergen kan vermaken. Niet de gezalfde koning van Israël doet belachelijk, maar het zijn de koningen van machtige naties die, bekeken vanuit hemelse hoogte, op dwergen lijken in hun pogingen om tegen Jahwe en zijn gezalfde samen te spannen.
Het lachen van Jahwe kan echter veranderen in kwaadheid, zodat de opstandige volken en vorsten verbijsterd raken als Jahwe zijn woede laat merken. Daarmee laat Hij voelen dat het Hem menens is met de zalving van zijn koning ‘Ikzelf (met nadruk) heb mijn koning gezalfd’. Hij deed dat op de door Hem uitgekozen en (daarom) ‘heilige’ berg Sion. Vanuit Sion, als de navel van de aarde (vgl. Ez. 5, 5; 38,12), regeert Jahwe door zijn gezalfde de hele wereld.
ad 2) Vanaf vs. 7 maakt de gezalfde koning zelf bekend wat Jahwe omtrent hem besloten heeft. Hij is in een bijzondere relatie tot Jahwe geplaatst. ‘Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt’.(7b). Bij ‘verwekken’ moeten we niet aan een ‘natuurlijke’ relatie tussen Jahwe en de koning denken. De Egyptenaren zagen hun koningen als zoons van de godheid, maar onder Israël is van vergoddelijking geen sprake. De koning is en blijft schepsel, maar wordt door Jahwe als zoon geadopteerd. Vgl. 2 Sam. 7, 14, waar van Salomo gezegd wordt: ‘Ik (Jahwe) zal een vader voor hem zijn en hij voor mij een zoon.’ De verwekking kunnen we dateren op de dag (heden, vandaag) waarop de troonsbestijging plaatsvindt.
De macht die de koning toegezegd wordt, is formidabel, al wordt ze pas geschonken als de koning er Jahwe om vraagt. Hij blijft dus van Jahwe afhankelijk en op Jahwe gericht, zoals ook uit het vervolg nog zal blijken. Vraagt hij erom, dan zijn de volken tot aan de einden van de aarde zijn bezit. Hij kan ze breken met een ijzeren staf of stukslaan, met hetzelfde gemak als waarmee een aarden pot in duigen geslagen wordt.
Het is terecht dat NBV hier niet stellig vertaald met: Jij zult ze breken maar (modaal) met: Jij kunt ze breken (9). Denk aan Salomo! In het begin van zijn koningschap mag hij vragen wat hij wil en hij zal het dan ook ontvangen. Maar in wat hij vraagt – wijsheid om te kunnen onderscheiden tussen recht en onrecht – komt zijn ware koningschap aan het licht. Hij heeft niet gevraagd om rijkdom of om de dood van zijn vijanden (1 Kon. 3, 5vv). Zo hoeft ook de gezalfde koning in Psalm 2 niet perse vernietigend bezig te zijn.
ad 3) Dat laatste (vernietigen) doet de ingehuldigde koning van Ps. 2 inderdaad niet. Dat blijkt uit de laatste strofe (10-13). Hij wenst zijn vijanden niet te vernietigen, maar roept de koningen op als leiders van de aarde verstandig te zijn (10). Zij worden gewaarschuwd om voor Jahwe ontzag te tonen en Hem bevend hulde te brengen. Let erop dat de hulde allereerst voor Jahwe bestemd is, al moeten de leiders ook aan de zoon eer bewijzen. Ze moeten hem kussen met de voetkus als eerbewijs, om geen slachtoffer van zijn woede te worden. Hij laat niet met zich spotten en er is maar weinig voor nodig om zijn woede te laten ontvlammen. In dat geval zal hun weg doodlopen (NBV), zoals die van de wettelozen in Ps. 1,6.
Hoezeer de zware tonen van het oordeel over ‘de koningen van de aarde’ tot aan het einde van de psalm toe domineren, de koning in Sion is op hun ondergang niet uit. Dat zou ook vreemd zijn als we denken aan de belofte die Abraham kreeg, nl. dat in zijn nageslacht alle volken op aarde gezegend zullen worden (Hand. 3, 25; Gal. 3, 8).
2.2. ALGEMEEN THEMA
De koningspsalmen
Bij Psalm 1 heb ik al vermeld welke psalmen we tot de koningspsalmen rekenen: Ps. 2; 18; 20; 21; 45; 72; 89; 101; 110; 132 en 144. Het enige op grond waarvan we deze psalmen als een aparte groep opvatten, is dat het in die psalmen over de koning van Juda (Israël?) gaat. De belangrijke plaats die de koning in het volksleven inneemt en zijn bijzondere band met Jahwe rechtvaardigen het om hier van een speciale groep psalmen te spreken.
Over de omvang van deze groep valt te twisten. Van hoeveel psalmen wordt niet gezegd dat zij van (koning) David zijn? Waarom zou bv. Psalm 22 er niet onder vallen, dat wij tot de klaagpsalmen rekenen; maar wij herkennen er koning David in. De serie psalmen die ik in navolging van velen koningspsalmen noem, hebben allemaal te maken met koningsmacht en –pracht.
Psalm 2 is te verklaren als inhuldigingspsalm voor een koning die door Jahwe als zoon is aangenomen.
Psalm 18 vinden we in het OT op nog een andere plaats: in 2 Sam. 22. Deze psalm laat de koning zien die door Jahwe gered moet worden van zijn vijanden. Met zijn God beklimt hij de hoogste muur (18, 30); hij weet dat God hem tot hoofd van de naties heeft gesteld (18, 44; denk aan Ps. 2!).
Psalm 20 is een gebed voor de koning, mogelijk opgezonden vóór een veldtocht. ‘Anderen vertrouwen op paarden en wagens, wij op de naam van Jahwe, onze God’(20,8).
Psalm 21 is een dankpsalm voor de ontvangen overwinning.
Psalm 45 is een bruiloftslied van de koning en zijn vrouw, die uit het buitenland afkomstig is. De schoonheid en pracht van het koningspaar krijgt alle aandacht.
Psalm 72 is een gebed waarin de wens wordt uitgesproken dat de koning zijn volk rechtvaardig zal besturen, voorspoed zal brengen en vooral de armen en zwakken zal bevrijden.
Psalm 89 dankt het volk Jahwe voor het eeuwigdurende verbond dat Hij met David gesloten heeft. Maar ‘waar is uw liefde van vroeger, Heer?’ (89, 50), nu de vijanden spotten met Jahwe’s gezalfde (89, 50v)?
Psalm 101 toont de koning als een rechtschapen man die in zijn paleis geen leugen en bedrog duldt. Met de getrouwen in het land wil hij zijn woning delen.
Psalm 110 vermeldt dat de koning plaats mag nemen aan Jahwe’s rechterhand om zijn vijanden te onderwerpen. Onder ede wordt de koning priester voor eeuwig, zoals ook Melchisedek was (110, 4). Deze priester-koning zal op de dag van zijn toorn de volken berechten.
Psalm 132 vraagt aan Jahwe David te blijven gedenken, die niet rustte voordat hij een woning voor Jahwe en zijn ‘machtige ark’ gevonden had in Sion. Daar (in Jeruzalem) brengt Jahwe Davids huis tot aanzien.
Psalm 144 beschrijft ons een nederige koning: ‘wat is de mens dat u om hem geeft, de sterveling dat u aan hem denkt?’ Hij vraagt om bevrijding van zijn vijanden en om voorspoed voor zijn nageslacht.
Deze tien psalmen geven niet een afgerond beeld van de koning voor zover Psalmen over de koning spreekt. Denk b.v. aan boete en berouw zoals we daarover horen van David in Psalm 51, na diens affaire met Batseba. Het accent in de tien koningspsalmen valt op hoe de koning moet zijn. Het is meer een normatief dan een feitelijk beeld van de koningen van Juda (en Israël).
2.3. VAN OT NAAR NT
De aandacht die het NT aan Ps. 2 geeft, richt zich op een aantal zaken.
In het verzet van Herodes, Pilatus, van alle volken en ook van de stammen van Israël tegen God en zijn gezalfde, zien Jezus’ leerlingen de vervulling van Ps. 2, 1: het woeden van de volken, het rumoer van de naties (Hand. 4,25v). Let erop dat volgens het citaat in de ogen van de eerste christelijke gemeente ook het volk Israël zich aan dit ‘heidense’ kwaad schuldig maakt!
Verder wordt Ps. 2 gebruikt om op de hoge positie van Jezus Christus te wijzen. ‘Jij bent mijn zoon, Ik heb je vandaag verwekt’ (Hand. 13, 33). Dit ‘verwekt’ wordt in Hand. 13 in verband gebracht met de opstanding van Jezus uit de doden. Als Gods Zoon kon Hij niet tot ontbinding overgaan. Ook Hebr.1,5; 5,5 noemen Jezus de Zoon van God op grond van Ps. 2. In Hem schittert Gods luister. Hij heeft plaatsgenomen aan Gods rechterhand en staat hoger dan de engelen (Hebr. 1,3vv).
In het boek Openbaring wordt aandacht gegeven aan Ps. 2, 9: ‘Jij kunt ze breken met een ijzeren staf, ze stukslaan als een aarden pot’. Deze macht zal Jezus ook aan zijn volgelingen schenken (Openb. 2, 26vv). Hijzelf zal die macht op indrukwekkende wijzeuitoefenen als Hij de wijnpers van de hevige woede van de almachtige God zal treden (Openb. 19,15).
Ik wijs erop dat de mogelijkheid van bekering aan de mensen gegeven wordt, zelfs als de oordelen van God en zijn Zoon zich voltrekken. Wat we in Ps. 2 vinden (oordeel én genade), treffen we voortdurend in het NT aan. O.a. ook in Openb. 9, 20v; 16, 9vv, al grijpen de mensen de gelegenheid niet aan om zich te bekeren.
2.4. VOOR VANDAAG
1. Loop niet met oogkleppen op! Als we om ons heen kijken, is de macht van God en zijn gezalfde Jezus onbegrijpelijk. Maar voor wie in God gelooft en ook in Jezus Christus, aan wie alle macht gegeven is in de hemel en op de aarde (Matt. 28,18), is die onbegrijpelijkheid er niet meer. Wij hebben ogen zoals Elisa had en zijn knecht ze kreeg. De stad Dotan was ingesloten door de Arameeërs, maar Elia zegt: ‘wij zijn met meer dan zij’, omdat paarden en wagens van vuur hen omringden (2 Kon. 6, 16v). De leerlingen van Jezus hebben kracht geput uit Ps. 2 om tegen het verbod van het Sanhedrin in toch vrijmoedig het evangelie te verkondigen (Hand. 4). Stefanus zag de luister van God en van Jezus aan Gods rechterhand, toen hij op het punt stond gestenigd te worden (Hand. 7, 55vv). Ook wij moeten niet aarzelen om God meer te gehoorzamen dan de mensen, gelet op onze bescherming vanuit de hemel.
2. Lach en wees kwaad met God mee! Wie het woeden van de volken weet te relativeren als zinloos, kan met God meelachen over het ‘woeden’. De reus lacht om de dwergen. Opvallend is wat Calvijn over het lachen van God zegt. Als God niet ingrijpt, is Hij nog wel aanwezig; maar het is voor Hem nog tijd om te lachen. Een soortgelijke reactie mag van ons gevraagd worden. Wij moeten kalm blijven als de vijanden van God ons willen imponeren en intimideren. Wat zij doen is belachelijk, ook al zit men ons dicht op de huid.
Zoals Gods lachen reëel is, zo ook zijn kwaadheid. Als God spot met het woeden van de volken, geldt tegelijkertijd dat hij hun verzet tegen Hem en tegen zijn gezalfde haat. Hij komt met zijn afstraffing. Wij kunnen lachen als God lacht, maar wij moeten God ook volgen als Hij in toorn tegen z’n vijanden uitbarst. Onze humor over Gods vijanden leidt dus niet tot een soort onverschilligheid, waarin we ons niet opwinden over wat zij God, Jezus Christus en zijn kerk aandoen. Stefanus bidt nog voor zijn vijanden die hem vermoorden: ‘Heer, reken hun deze zonde niet aan’ (Hand. 7,60), omdat hij weet hoe ernstig die zonde is. Het kwaad moeten we nimmer bagatelliseren.
3. Wees met Jezus Christus bewogen over deze wereld! Bij de tekstuitleg heb ik erop gewezen dat de koning als gezalfde zoon van God de vijanden kan breken met een ijzeren staf. Hij roept hen echter eerst op verstandig te zijn, ontzag voor Jahwe te tonen en Hem en zijn gezalfde hulde te brengen. Op deze wijze zullen in Abraham alle volken op aarde gezegend worden. De verkondiging van het evangelie is een opdracht die er blijft tot aan het einde van de geschiedenis, voor en na de toornuitbarstingen van God en Jezus Christus. Want in de lijn van Ps. 2, 12 geldt nu dat er alleen geluk is als mensen willen schuilen bij Jezus Christus.
Genade en oordeel staan beide op het program. ‘De God van de vrede (!) zal Satan nu spoedig vertrappen en aan u onderwerpen’ (Rom. 16, 20). Ook Jezus Christus zien we beide doen. Hij is onze vrede, die met zijn dood de muur van vijandschap tussen Joden en heidenen heeft afgebroken en ons tot burgers en huisgenoten van God maakt (Ef. 2, 14vv). Maar Hij is het ook die met een ijzeren herdersstaf de volken zal hoeden (!) door de wijnpers van de hevige woede van God te treden (Openb. 19, 15).
2.5. VERANTWOORDING
J.Clinton McCann in The New Interpreter’s BibleNashville 1996, IV,688 ziet in Ps. 1 een tekening van de lezer, die vervolgens in Ps. 2 de kern van zijn onderricht ontvangt: De HEER regeert! Met M. Oeming, Das Buch der Psalmen, Psalm 1-41,Stuttgart 2002,56 kunnen we in Ps. 1 de beslissende houding van de enkeling en in Ps. 2 die van de volken beschreven vinden. N.H. Ridderbos merkt op (Psalmen I, Kampen 1962,76), dat in Ps. 1 de heerlijkheid van de wet naar voren komt, terwijl Ps. 2 de glorie van Sions koning bezingt.
Dat Ps. 1 en Ps. 2 bij elkaar horen, hoe verschillend hun inhoud dan ook is, kan ook blijken uit het feit dat aan het einde van de beide psalmen (Ps. 2, 12), het woord ‘gelukkig’ uit het begin ( Ps. 1,1) terugkeert (als inclusio).
Calvijn maakt zijn opmerking in zijn Commentaar op Psalm 2, 4 (Teneamus….suum illi esse tempus ridendi). In de Engelse Eerdmans uitgave: Als God niet onmiddellijk zijn hand uitstrekt tegen de goddelozen, ‘let us assure ourselves that it is now his time of laughter’.
De vertaling van 2,12 ‘en uw weg loopt dood’ (NBV) lijkt me beter dan die van NBG, die de vijanden onderweg te gronde ziet gaan. Zie Gesenius-Kautsch, Grammatica 118gN: er is hier geen sprake van een acc. loci, maar van een acc. relationis.
PSALM 3
3.1. UITLEG
Psalm 3 is een klaagpsalm, zoals een derde van alle psalmen klaagpsalmen zijn. Wel spreekt uit Ps. 3 tegelijk een sterk vertrouwen op Jahwe, die aan de klager hulp zal verlenen. Sommigen vinden dit vertrouwen zo sterk uitkomen in Ps. 3, dat zij het daarom een ‘vertrouwenspsalm’ noemen.
Op grond van Ps. 3,6 heeft men vaak de hele psalm als een morgenlied opgevat, hoewel deze constatering niet meer dan een eerbiedwaardige traditie is.
Volgens het opschrift, moeten we aan David als dichter denken. Psalm 3 wordt in vs. 1 verbonden aan de tijd dat David op de vlucht was voor zijn zoon Absalom. Zie over dit en andere opschriften onder 3.2. Algemeen: ‘Een psalm van David’. Er is geen sterk argument te noemen om David als dichter van deze psalm uit te sluiten
In het opschrift wordt voor het eerst de term ‘psalm’ gebruikt. Het Hebr. woord daarvoor (mizmōr) wijst op het gebruik van muziekinstrumenten bij de zang. Ik heb er bij Ps.1 al op gewezen dat het psalmboek als geheel met het Hebr. woord tehillim (lofprijzingen) wordt getypeerd.
Psalm 3 kan als volgt worden ingedeeld:
1. De moeite waarin de klager zich bevindt (2-3);
2. Het vertrouwen dat hij in Jahwe’s hulp heeft (4-7);
3. Opnieuw zijn oproep aan Jahwe om in te grijpen (8-9).
ad 1) De belagers van de koning zijn talrijk. Ze vallen hem van alle kanten aan (zie ook vs. 7). Tot drie keer toe wordt over ‘velen’ gesproken. Het lijkt erop dat de koning zal bezwijken onder de massale druk van zijn tegenstanders.
Niet alleen is er sprake van een fysiek belagen, maar ook geestelijk stellen de vijanden hun koning op de proef. Velen verklaren ronduit dat God hem , d.i. hun eigen koning, niet zal redden. Zij die zo spreken twijfelen niet aan het bestaan en de kracht van (hun) God, maar ze zeggen dat God niet meer aan de zijde van hun koning staat. Hij kan op Gods hulp en uitredding niet meer rekenen.
Het gaat hier dus niet over vijanden van buiten Israël, maar over volksgenoten. Zij zijn geen heidenen, zoals de Assyrische rabsake, die de God van Israël niet in staat achtte bescherming te bieden tegen koning Sanherib van Assyrië ( 2 Kon. 18, 19vv). Hier hebben Israëlieten het over hun eigen God die hem – hun koning – niet meer zal redden, ook al is hij eens door God tot koning gezalfd. Een extreem voorbeeld van een dergelijke vijandige houding vinden we bij Simi ( 2 Sam. 16,5vv), die op grove wijze David vervloekte.
ad 2) Tegenover deze vijandige bejegening spreekt de dichter vanaf vs. 4 zijn vertrouwen uit in Jahwe. Jahwe is een schild dat hem beschermt. Zo was Hij destijds ook voor Abraham een beschermend schild (Gen. 15,1). Verder heet Jahwe ook zijn eer, d.w.z. in het grote gewicht dat aan Jahwe’s naam toekomt, deelt ook de dichter. Anderen kunnen zijn naam bekladden, maar de dichter weet dat Jahwe zijn naam in ere houdt. Jahwe ‘heft zijn hoofd omhoog’. Deze uitdrukking kennen we ook uit de geschiedenis van de schenker die door farao in eer hersteld werd (Gen. 40,13). Ook koning Jojachin kon zijn hoofd opheffen, toen koning Ewil-Merodach van Babel hem uit de gevangenis ontsloeg en hem verhief boven de andere koningen die naar Babel gevoerd waren (2 Kon. 25,28). De dichter van Ps. 3 kan fier zijn gang gaan en hoeft zich door zijn vijanden niet vernederd te voelen.
Wat is voor de dichter het bewijs dat hij op Jahwe’s hulp in zijn moeilijke situatie kan vertrouwen? Dat bewijs put hij uit vroegere ervaringen. Roept hij luidkeels Jahwe om hulp, dan krijgt hij antwoord vanaf Gods heilige berg (vs. 5). Dus vanaf de berg Sion in Jeruzalem. De formulering zou goed passen bij iemand die zich niet in Jeruzalem bevindt, maar vast gelooft dat God hem vandaaruit zal helpen, zoals dat hem vaker is overkomen. Gods hand is zijn hoofdkussen (Franz Delitzsch)!
In het bijzonder heeft de dichter de nabijheid van Jahwe ook in de afgelopen nacht ervaren (vs. 6). Hij kon rustig slapen, want Jahwe ondersteunde hem. Hij kon gaan liggen, slapen en wakker worden, ondanks het feit dat vijanden het op hem gemunt hebben. Daarom vreest hij de tienduizenden niet die zich rondom tegen hem opstellen.
ad 3) Ondanks het grote vertrouwen dat de dichter in Jahwe heeft, mondt Ps. 3 uit in een krachtig verzoek: Sta op Jahwe, en red mij, o God! (vs. 8). Het ‘opstaan’ van Jahwe is duidelijk bedoeld tegenover het ‘opstaan’ van de vijanden (vs. 2). NBV vertaalt daar dat ‘velen mij aanvallen’. In het Hebreeuws wordt voor ‘aanvallen’ in vs. 2 hetzelfde woord gebruikt als in vs. 8 voor Jahwe’s ‘opstaan’. De vijanden hebben gezegd dat er voor de dichter geen ‘redding’ bij Jahwe te vinden is, maar zelf vertrouwt hij erop dat Jahwe reddend zal ingrijpen.
De roep aan God om op te staan, komen we vaker tegen in Psalmen (o.a. 7,7; 9,20; 10,12. Laat Jahwe actief tegen de vijanden optreden! Soms betekent ‘opstaan’, dat Jahwe zich als rechter zal laten gelden. Hij staat dan op om recht te spreken (82,8, vgl. Hand. 7,55, waar Stefanus Jezus ziet staan aan Gods rechterhand, om als rechter in te grijpen).
Weer beroept de dichter zich op wat vaker gebeurd is: ‘Ja, u slaat al mijn vijanden op de kaak en breekt de tanden van de goddelozen stuk’. Het beeld kan gebruikt zijn om hardhandig de mond dicht te slaan van de vijanden die de dichter hebben vernederd.
Vs. 9 spreekt als slotvers weer het vertrouwen uit dat Jahwe zal ingrijpen. ‘Redding’ is duidelijk een kenmerkend woord voor Ps. 3. De vijanden ontkennen dat de dichter nog redding van God heeft te verwachten, de dichter weet dat het tegendeel zal gebeuren.
Het laatste woord gaat trouwens niet over de redding van de dichter (koning), maar over het volk: ‘uw zegen rust op uw volk’. Wat de dichter voor zichzelf verwacht, breidt hij tot een zegenspreuk in priesterlijke geest uit tot het volk. Hij is aan zijn volk verbonden.
Er is vanwege de opvallende overgang van het vertrouwen op Jahwe in 3,6v naar de oproep: ‘sta op, Jahwe en red mij, God’ wel gedacht aan een vorm van tempelasiel. De bidder zou naar de tempel gevlucht zijn, waar hij de nacht doorbracht om de volgende ochtend van de priester een goddelijke beslissing af te wachten. De dichter zou in de nacht Jahwe’s hulp hebben ingeroepen (3,8a) , en het antwoord van de priester zou dan uit 8b en 9a afgelezen kunnen worden: Jahwe heeft mijn gebed verhoord en mijn vijanden de les gelezen. Erg aannemelijk is deze hypothese niet, zeker niet als we van de gedachte uitgaan dat de dichter, op de vlucht voor Absalom, zich niet in Jeruzalem bevindt.
3.2. ALGEMEEN THEMA
‘Een psalm van David’
Boven Ps.3 en veel andere psalmen staat vermeld: ‘een psalm van David’. Meer dan 70 psalmen hebben zo’n opschrift. Het Hebreeuwse opschrift [ledāwid] kan betekenen: van David, d.w.z. door David gedicht. Maar het voorzetsel le kan ook aangeven dat de psalm voorkomt in een reeks of bundel die op naam van David staat. We kunnen dan vertalen: ‘uit de bundel van David’. Dan hoeft een ‘psalm van David’ niet in alle gevallen door David gedicht te zijn. Hetzelfde geldt voor het opschrift ‘van Asaf’ [Hebr.: le’āsāf], dat eveneens met ‘uit de bundel van Asaf’ vertaald kan worden.
Bovendien hoeft het opschrift ‘van David’ niet altijd te betekenen dat een psalm over David moet gaan. Een dichter kan zich inleven in de omstandigheden van zijn volk of van personen in zijn volk. Zo kan ook een psalmdichter als David in dichterlijke vrijheid psalmen hebben gecomponeerd, waarin de ik –figuur zwaar lijdt, zonder dat deze ‘ik’ daarmee beslist David zelf zou moeten zijn. Neem psalmen waarin de hoofdpersoon (eerst) in grote nood verkeert. We hoeven dan niet te zeggen dat zo’n psalm in grote nood geschreven is, maar voor iemand in grote nood. De psalmen zijn vaak zeer kunstige liederen, die niet zomaar spontaan geformuleerd zijn, maar waarvoor de dichter tijd genomen heeft en erover nagedacht heeft.
Vaak hecht men aan de opschriften geen historische waarde. Ze zouden van later datum zijn dan de psalm zelf en door mensen zijn aangebracht die een psalm graag in verband brachten met een bepaalde tijd en met een gebeurtenis uit die tijd. Zo zou Psalm 3 later verbonden zijn aan de geschiedenis van David die vluchten moest voor zijn zoon Absalom.
In verschillende psalmen ‘van David’ is aan te wijzen dat zij in hun huidige vorm niet (geheel) door David gedicht kunnen zijn. Hij kan moeilijk gezegd hebben: ‘ik mag mij buigen naar uw heilige tempel’ (Ps. 5,8; zie ook Ps. 26,8; 27,4; 65,5; 68,30; 138,2), omdat de tempel pas door Salomo gebouwd is. Oorspronkelijke liederen van David, of afkomstig uit bundels van David, kunnen later zijn bewerkt.
We moeten bedenken dat de opschriften boven en niet in de psalmen staan. Vooral uit handschriften van de Septuagint (de Griekse vertaling van het Oude Testament) kunnen we opmaken, dat het aantal opschriften veel groter is dan in de Hebreeuwse handschriften. Men zocht naar opschriften en vond die dan vaak in gebeurtenissen uit het leven van David. Een voorbeeld: sommige handschriften van de Septuagint hebben boven Ps. 15 een opschrift dat we niet in de Hebreeuwse tekst vinden: ‘Een psalm van David toen hij, na de overwinning op Absalom, terugkeerde om in de tempel te aanbidden’.
Anderzijds mogen we aan de opschriften betekenis hechten. We kunnen ons van een psalm een betere voorstelling maken als we iets van de omstandigheden weten die uit het opschrift af te leiden zijn of daarmee later in verband zijn gebracht. Neem Ps. 3 over David die moest vluchten voor Absalom. We kunnen dan denken aan het grote aantal vijanden dat Absalom volgde in hun revolutie tegen koning David (3,2v). En aan een man als Isi, die David vervloekt. We kunnen ons voorstellen dat David die op de vlucht is en dus niet meer in Jeruzalem verblijft, toch beseft dat zijn redding moet komen vanaf de heilige berg Sion (3,5).
Zodra we de omstandigheden onderzoeken waarin een psalm gecomponeerd is, valt ons heel vaak het volgende op. We krijgen zelden een precieze omschrijving van die omstandigheden. Ps. 3 zal samenhangen met Davids vlucht voor Absalom. We lezen overigens niets over Absaloms opstand en over zijn ondergang. Ook het vluchten van de dichter wordt in de psalm zelf niet vermeld. Hij voelt zich omringd door vijanden, maar Jahwe beveiligt hem en hij kan rustig slapen!
Er is veel voor de opvatting te zeggen dat in Psalmen de omstandigheden waarin de dichter verkeert, heel algemeen beschreven zijn. Daarmee wijs ik nog eens op de dichterlijke vrijheid die we ook aan David niet moeten ontzeggen. We vinden bv. in de individuele klaagpsalmen eigenlijk nooit een vermelding van de aard van de ziekte, van het soort agressie dat de vijanden vertonen, of van de inhoud van hun lastercampagnes. Zijn de situaties soms zo algemeen mogelijk gehouden, zodat velen hun eigen nood konden herkennen in de betreffende psalm? Juist de meer algemene formuleringen maken een bredere toepassing mogelijk. De psalmdichters reiken in vaak vastliggende patronen, met bekende beelden (denk aan de leeuwen, de pijlen en de valstrikken die geregeld genoemd worden) aan de Israëlieten psalmen aan, waarin zij hun lof, dank en klacht in allerlei schakeringen konden vertolken. De psalmen vallen meer op door typeringen dan door concretiseringen. Er kan boven Ps. 3 staan dat deze psalm te maken heeft met Davids vlucht voor Absalom, maar in tal van andere situaties kan de psalm ook troost bieden.
3.3. VAN OT NAAR NT
Psalm 3 wordt in het Nieuwe Testament nergens geciteerd. Toch is het niet moeilijk deze psalm nieuwtestamentisch te lezen. De dichter is een vooraanstaand mens, een koning die veel vijanden heeft, door hen vernederd wordt en toch blijft vertrouwen op God die hem zal redden. In deze mens mogen wij ook de mens Jezus Christus herkennen. Wie is er zo vernederd als Hij? En wie heeft zijn vertrouwen op God, zijn Vader, zo getoond als deze Zoon?
Na Ps. 2, die van de macht van de koning getuigt, laat Ps. 3 een andere kant zien. Zelfs de zondeloze Jezus van Nazaret gaat diep gebukt onder het lijden, zodat Hij in Getsemane kan vragen dat de lijdensbeker aan Hem mag voorbijgaan. Tegelijk spreekt Hij het vertrouwen in God uit: ‘Laat het niet gebeuren zoals Ik het wil, maar zoals u het wilt’ (Matt. 26,39v).
Het is zinvol op de overgang van Ps. 2 naar Ps. 3 te wijzen. Zoals Jezus de Zoon van God bleek te zijn en alle macht verkreeg nadat Hij geleden had, zo is dat ook het patroon in het leven van de christen. Een leerling staat niet boven zijn leermeester en een slaaf niet boven zijn heer. Als men Jezus Beëlzebul genoemd heeft, ‘waarvoor zullen ze dan zijn huisgenoten wel niet voor uitmaken?’ (Matt. 10,25). Wij moeten niet verbaasd zijn over de vuurproef die we ondergaan. Hoe meer we deelhebben aan Christus’ lijden, des te uitbundiger zal onze vreugde zijn wanneer Christus’ luister geopenbaard wordt (1 Petr. 4, 12vv).
3.4. VOOR VANDAAG
1. Het woord ‘vijanden’ is het meest pijnlijk als het over eigen mensen gaat. Jezus wist daar alles van. ‘De vijanden van de mensen zijn hun eigen huisgenoten’ (Matt. 10,36; vgl. Micha 7,6). De ergste strijd is broederstrijd. Vijandschap kunnen en moeten we niet ontlopen. We hebben een strijd te voeren als eigen mensen ons op een verkeerde weg willen brengen. We moeten dan ons kruis op ons nemen en Christus volgen, die niet de lieve vrede kwam brengen, maar de ware vrede, waarvoor hij het zwaard hanteert en tegenstellingen aan de dag brengt (Matt. 10,34vv). De strijd krijgt een extra dimensie als we tegen een (grote) meerderheid op moeten boksen.
2. Op het zonnige begin van Ps. 1 en 2 volgen tal van klaagpsalmen. Ps.1 en 2 vertellen hoe de rechtvaardige voorspoed kent en hoe Jahwe de koning tot alles in staat stelt. Ps. 3 en vele andere psalmen laten ons zien hoe het leven van de rechtvaardige er in de praktijk uitziet: vol strijd en moeite. We moeten proberen de samenhang tussen beide zaken goed voor ogen te houden. Vooral het NT (zie boven) maakt duidelijk dat we een weg van strijd en moeite en van vertrouwen op God moeten afleggen vóór we het doel van de alles omvattende vrede bereiken.
3. We moeten letten op de aanwezigheid van God in ons leven, zoals ook de dichter van Ps. 3 zich daaraan optrekt. Zonder deze ‘Godservaring’ gaat het niet. Er kunnen perioden zijn dat wij God in ons leven niet ervaren. Denk aan Ps. 22 met de uitroep ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ Maar wij weten ook van danken en prijzen, want we ervaren in tal van zaken dat God er voor ons is, zoals bij redding uit ziekte of andere gevaren, ‘s nachts rustig kunnen slapen, kalm blijven in moeilijke omstandigheden, het ontvangen van steun en liefde van andere mensen, etc.
4. We kunnen ons afvragen waarom iemand, die tienduizenden tegenstanders om zich heen niet vreest, toch ineens uitroept: ‘sta op Jahwe, en red mij!’ (vs. 8). Algemeen gezegd, geloof is meer dan logica. We geloven dat we aan alle kanten beschermd zijn, dus zijn we gered. Maar toch roepen we: red ons. We zijn mensen. Ook Jezus wist zich gered door zijn Vader, maar kon toch in Getsemane heel angstig worden en om uitredding roepen. Het geloof wil bevestigd worden. Overwinnaar, kom en overwin; u die alles volbracht hebt, volbreng! (J.J.P. Valeton).
5. Het geloof in God als onze redder bevat logica. God heeft ons zo vaak geholpen en dus zal Hij het nu weer doen als wij Hem daarom bidden. Maar het geloof is meer dan logica. Ons geloofsleven vertoont ups en downs. Het zal ons in Psalmen opvallen dat de overgang van vertrouwen naar hartstochtelijk roepen om uitredding vaak voorkomt.
De volgende vergelijking met de uitspraak van Lucretius, een heidense filosoof uit de Oudheid, is leerzaam. Hij wilde de betekenis van de dood minimaliseren met de volgende redenering: ’zolang ik er ben, is de dood er niet, en zodra de dood er is, ben ik er niet meer’. Dat is heel logisch , maar de realiteit waarin mensen verkeren, spreekt een heel andere taal. De dood kan dreigen; we kunnen de dood voor ogen hebben door ziekte, we zien hem naderen, etc. Tegen dergelijke moeiten is kille logica niet opgewassen. Zo is ook het vertrouwen op God niet alleen een logische conclusie uit ervaringen van Gods genade, maar hebben wij voortdurende bevestiging van Gods aanwezigheid en hulp nodig.
3.5. VERANTWOORDING
Over de waarde van de opschriften met betrekking tot David zie men H.J. Kraus in Psalmen I, Neukirchen 1960, XIX e.v. De traditie is in het OT goed gefundeerd over David als musicus en dichter (1 Sam. 16,17vv; 2 Sam. 1,17vv; 22,1v; 23,1v; Amos 6,5).
Het woord sela dat in Ps. 3 driemaal voorkomt na de vss. 3,5 en 9, en ook verder in Psalmen vaak te vinden is, blijft raadselachtig. Betekent het pauze? Geeft het een verheffing in de muziek aan (van piano naar forte)? Moet na ‘sela’ de strofe opnieuw gezongen worden (da capo)? Veel oplossingen worden aangereikt zonder dat ze overtuigen.
Over de vertaling van de Hebreeuwse werkwoordsvormen (z.g. perfecta) in 3,8b bestaat verschil van mening. Deze perfecta worden wel opgevat als imperativi (zó NBV). NBG e.a. vertalen: ‘U hebt..op de kaak geslagen en u hebt …verbrijzeld’. Dat kan wijzen op wat de dichter in het verleden ervaren heeft.
We kunnen in dit geval ook spreken van perfecta prophetica. De psalmist drukt er zijn zekerheid mee uit (zie het inleidende partikel ḵī: ‘zo is het, ja!’). Zijn vijanden mogen dan van mening zijn dat God hem niet helpt, de psalmist is – sprekend uit ervaring – overtuigd van het tegendeel. Men vertale de betreffende werkwoordsvormen daarom praesentisch (zoals bij het z.g. perfectum propheticum):’Ja, gij slaat al mijn vijanden op de kaak / en breekt stuk de tanden van de goddelozen’ (aantekening van J.P. Lettinga).
PSALM 4
4.1. UITLEG
Psalm 4 staat bekend als klaagpsalm, waarin de dichter vraagt om antwoord als hij roept (4,2). Velen maken hem te schande. Toch doet hij meer dan klagen. We treffen in deze psalm ook een sterk onderwijzend element aan. Hij staat zijn vijanden te woord, maar wijst daarbij de weg die zij moeten volgen (4,5-6) Er is alle reden in de dichter koning David te zien, die door (binnenlandse) tegenstanders belaagd wordt.
In het opschrift vinden we een aanduiding die we boven 55 psalmen vinden: ‘voor de koorleider’. Deze term zal betrekking hebben op de leider van de zang in de tempel. Dat er daarbij van muziekinstrumenten gebruikgemaakt werd, laat de aanduiding ’bij snarenspel’ zien. Op het Hebreeuwse woord ‘psalm’ heb ik reeds bij Ps. 3,1 gewezen.
Op grond van 4,9 is Psalm 4 vaak als avondlied beschouwd.
Het lijkt erop dat de dichter vooral met twee groepen tegenstanders te maken heeft. Ik kies voor de volgende indeling, die met deze twee groepen rekening houdt:
1) De dichter wendt zich tot God en spreekt vervolgens de ‘mannen van naam’ aan, die hem het leven zuur maken (2-6);
2) De dichter weerspreekt daarna ‘velen’, die twijfelen aan hun toekomst (7-8);
3) De dichter weet zich veilig bij Jahwe (9).
ad 1) De dichter vraagt om antwoord als hij tot God roept. Hij heeft ook een goede grond om dat te doen: ‘o God die mij recht doet’. Letterlijk staat er: ‘O God van mijn recht’. Bij uitdrukkingen als ‘God is mijn eer’(3,4) en ‘God is mijn recht’ (4,2), moeten we denken aan God die de dichter eer bewijst en hem recht doet. Vanwege de ervaringen die de dichter uit zijn omgang met Jahwe heeft, vraagt hij of Jahwe hem ook nu wil antwoorden (vs.2). Er had ook kunnen staan: wil mij horen. Beide woorden zijn kenmerkend voor het gebed in het OT. Ze komen op hetzelfde neer. Het gaat er niet om dat Jahwe hem verbaal te woord staat, maar hulp biedt. Horen is verhoren. Een afgod, zoals Baäl, hoort niets en kan dus ook niet antwoorden, d.w.z. te hulp schieten (vgl. 1 Kon. 18,25vv). De dichter bidt dat hem ruimte gegeven wordt, die hij zal ontvangen als Jahwe hem uit zijn nood zal bevrijden (vgl. Ps. 18,20; 118,5). Hoezeer de dichter ook gelooft dat God hem recht zal doen, hij beseft tegelijk dat God hem in dat geval genade bewijst. Van de mens uit gezien, is Gods hulp nooit een automatisch en vanzelfsprekend gebeuren.
De eerste groep die de dichter aanspreekt zijn mensen die wij, gelet op de Hebreeuwse formulering (vgl. Ps. 49,3) als hooggeplaatste personen (‘machtigen’, NBV) zullen moeten beschouwen. Ze zijn te zoeken aan het hof, waar zij de koning te schande maken. Vleierij en leugen kenmerken hun gedrag. Hier komt ons Ps. 101 voor de geest, waarin de koning liegen en bedriegen onder zijn hovelingen aan de kaak stelt. Hoelang, roept de dichter-koning uit, maakt u mij te schande? Duidelijk is de koning het mikpunt van hun smadelijke opmerkingen. Zijn eer staat op het spel.
In zijn reactie op deze onwaardige vertoning houdt de beledigde koning hun een aantal zaken voor. Allereerst verklaart hij dat Jahwe wonderbaarlijk te hulp komt aan mensen die hem trouw zijn. De schijnheiligen, leugenaars en aanranders van de goede naam van de koning hoeven op Jahwe’s goedkeuring niet te rekenen. Als een trouwe volgeling van Jahwe zal de koning gehoord en verhoord worden. Vs. 4 is een bevestiging van wat de koning in vs. 2 beleden heeft.
Anders dan in Ps. 3, waar de dichter Jahwe vraagt om hardhandig zijn vijanden aan te grijpen (3, 8), valt ons in 4,5v op dat hij zijn vijanden juist oproept zich te bekeren! Zij moeten beven voor Jahwe, zoals ook de aarde voor Hem moet beven (Ps. 99,1). De oproep om te ‘beven’ zal (mee) te verklaren zijn uit de houding die deze machtige lieden aan het hof tegenover de koning aannemen. Hoe durven zij dit te doen! Zij moeten sidderen als zij bedenken hoe ze de over de gezalfde van Jahwe denken en spreken! Ze moeten ophouden met zondigen en zo’n schaamteloze houding tegenover hun koning aan te nemen. Zij maken zijn eer te schande.
In plaats van in het donker van de nacht plannen uit te broeden, moeten de ’machtigen’ hun hart het zwijgen opleggen. Ze moeten tot stilte komen.
Als laatste wordt hun voorgehouden dat zij de juiste offers ( let. ‘offers van de gerechtigheid’) te brengen. De tijd is ernaar om zelfs in de nacht met offers naar Jahwe te komen. Het spreekt vanzelf dat deze offers geen vertoon kunnen zijn van uiterlijke vroomheid, maar dat hun hart erin moet meekomen om de toorn van Jahwe af te wenden. Als zij zo offeren, dan kunnen (ook) zij op Jahwe hun vertrouwen stellen.
ad 2) In 4,7 verandert het beeld. We hebben hier niet met uitgesproken vijanden van de koning te maken, maar met twijfelaars, die moedeloos zijn over de ingetreden situatie. Is er nog wel perspectief voor Israël? ‘Wie zal ons het goede doen zien?’, roepen velen uit. NBV vertaalt met; ‘wie maakt ons gelukkig?’ Het goede of het geluk moeten we ons voorstellen in de aanwezigheid van goederen voor een goed leven. Koren en wijn, die in 4,9 worden genoemd, kunnen er model voor staan. Of deze middelen voor het levensonderhoud door het gebrek aan een sterke overheidsmacht (de koning!, vgl. Ps. 72) of door een hongersnood in gevaar is gekomen, is moeilijk na te gaan. Ook hier blijven de historische gegevens vaag. Maar de dichter heeft een duidelijk antwoord als hij tegenover de uitzichtloosheid van velen twee dingen stelt. Eerst vraagt hij Jahwe om Israël te zegenen, waarbij de woorden van de Aäronitische zegen gebruikt worden: ‘Jahwe, laat het licht van uw gelaat over ons schijnen’ (Num. 6, 25). Het verheffen van het gelaat’, zoals de tekst letterlijk luidt, staat tegenover het verbergen van het gelaat (bv. 10,11v), waarmee Hij zijn blik van de mens afwendt.
Er ligt hier een verband met het voorafgaande. Als men voor Jahwe moet beven, is zijn gelaat duister en van ons afgekeerd. Toen Kaïn woedend werd op Abel, werd zijn blik donker (Gen. 4,5). Als Jahwe zijn woede laat varen, verandert de situatie en ziet Hij ons niet meer donker aan (Jer. 3,12; vert. NBG). Gods gelaat wordt licht, Hij toont het volk zijn genade. Vgl. Spr. 16,15 over het stralende gezicht van de koning dat leven brengt.
In de tweede plaats relativeert de dichter koren en wijn. Zijn hart vindt meer vreugde in God dan zij (de ‘velen’) vreugde vinden in hun koren en wijn (4,8).
Uit vs. 8 spreekt geen wereldmijding, alsof geluk niets met eten en drinken te maken zou hebben. Zeker in het OT hangt geluk samen met het bezit van een stuk grond, met wonen in een land van melk en honing, met zitten onder zijn eigen wijnstok en vijgenboom, etc. Het gaat de dichter niet om ‘geestelijke’ dingen boven materieel geluk. Maar hij weet dat koren en wijn zonder eerbied voor Jahwe geen werkelijk geluk brengen. Een goede relatie met Jahwe geeft de dichter meer vreugde dan zij bezitten die het geluk buiten Jahwe in koren en wijn zoeken. Het is mogelijk dat hierdoor niet alleen de ‘velen’, maar ook de ‘machtigen’ worden aangesproken.
ad 3) Het slot van Ps. 4 sluit uitstekend aan bij zowel 4,8 als bij het vermaan waarmee de dichter zowel de ‘machtigen’ als de ‘velen’ heeft aangesproken. Zij zijn opgeroepen eerbied en vertrouwen tegenover Jahwe te tonen. De dichter vermaande zijn vijanden de nacht niet te gebruiken om oproerig te zijn, maar om hun hart tot rust te brengen. Hij weet zelf dat hij zich in vrede kan neerleggen om meteen in slaap te vallen. Hij woont immers, ondanks alle zorgen over het feit dat hij belaagd wordt of kan worden, in een veilig en vertrouwd huis. Dat is de taal van het geloofsvertrouwen, ook al zou de dichter van huis en haard verdreven zijn. ‘God is vanouds een schuilplaats, zijn armen dragen u voor eeuwig’ (Deut. 33,27). Hij is de rots waarop de dichter kan wonen, waar hij altijd heen kan gaan (Ps. 71,3).
4.2. ALGEMEEN THEMA
De klaagpsalmen
De klaagpsalmen zijn zo talrijk in Psalmen, dat we aan dit genre speciale aandacht moeten geven. De vele klaagpsalmen kunnen we als een oefenschool in het klagen opvatten. Het gedicht van Nic. Beets: ‘Niet klagen, maar dragen en bidden om kracht’ komt duidelijk niet uit het Psalmboek! De dichters klagen wel, maar ze doen meer dan klagen. Ze dragen ook. Op één uitzondering na (Ps. 88) is geen klaagpsalm enkel een klacht. We treffen in de klaagpsalm vaak de volgende elementen aan: klagen – roepen om hulp tot God – de aanwezigheid van vijanden, maar ook van familie en bekenden, die het de dichter moeilijk maken – God heeft zo vaak uitredding geschonken – vertrouwen op God dat Hij opnieuw zal helpen – dank voor de geschonken uitredding.
Wat het klagen betreft, de dichter voelt zich door Jahwe vergeten en verlaten. Hij kan klagen over ziekte die niet genezen wordt (Ps. 6; 22; 38; 88). Bijna altijd spelen ook mensen een rol, die het de klager moeilijk maken of het zelfs op zijn leven gemunt hebben (38,12; 88,9). Zij ontmoedigen hem (zoals ook in Ps. 4,7a), klagen hem aan (35,1.11; 56), gebruiken leugenachtige woorden (5,10; 55,21v), leggen vangnetten en graven kuilen (7,16; 10,9; 35,7v; 57,7; 141,9v), of richten hun pijlen op hem (7,14; 57,5; 64,4). Ze lijken op leeuwen, die loeren en verscheuren (7,3; 10,9v; 17,12; 22,14; 35,17; 57,5), of op honden en stieren die op vernietiging van de lijder uit zijn (22,13.17.21; 59,7.15). Ik heb er in het Algemeen Thema bij Psalm 2 al op gewezen dat de gebruikte beelden over vangnetten, dieren en pijlen stereotiep kunnen zijn. Dat de dichter tegenstanders heeft, is duidelijk, maar de beelden die hij daarvoor gebruikt, zijn inderdaad beelden en geen historische beschrijvingen.
Meestal is in de klaagpsalmen een enkeling aan het woord; maar er zijn ook klaagpsalmen van het volk (o.a. Ps. 60; 74; 79; 80; 83; 85; 90; 137). Het gaat daarin over situaties waarin het volk de toorn van Jahwe ervaart, door aanvallen van buitenlandse vijanden, of door de verwoesting van Jeruzalem en van de tempel.
Dergelijke klachten kunnen zelfs overgaan in aanklachten tegen Jahwe. Hij toonde vroeger zijn macht ten bate van zijn volk zo geweldig, en zie wat er nu is gebeurd! Waarom verstoot U ons voor altijd; waarom houdt uw hand zich in bedwang, d.w.z. doet U niets (74,1.11)? Waarom zouden de heidenen zeggen: waar is hun God (70,10)? Waarom hebt U de muren rond uw wijngaard afgebroken, zodat buitenstaanders er vrij toegang hebben en van zijn vruchten plukken (80,13v)? O, God, houd U niet stil, zwijg niet en zie niet onbewogen toe (83,1)! Keer U tot ons, o Jahwe; hoe lang nog (90,13)? Wij hebben uw verbond niet verloochend; ontwaak, waarom slaapt u, Jahwe (44,18vv)? Het machtige optreden van Jahwe in vroeger tijd wordt als argument gebruikt om Jahwe opnieuw tot ingrijpen te brengen, ja Hem bijna daartoe te dwingen. Het wordt voor de klagers soms onbegrijpelijk, dat Jahwe zo lang op zich laat wachten.
4.3. VAN OT NAAR NT
Dat deze Psalm in Ef.4,26 wordt geciteerd, voegt aan de uitleg van Ps. 4 weinig toe. Want Ef. 4,26 is een weergave vanuit de Griekse vertaling (LXX): ‘wees toornig, maar zondig niet!’ (zo ook NBG), terwijl de Hebreeuwse tekst veel beter weergegeven kan worden zoals NBV en andere vertalingen doen met ‘beef of sidder (voor Jahwe) en zondig niet’. Wat voor geldige reden zouden de vijanden kunnen hebben om toornig te zijn? Beven voor Jahwe moet ertoe leiden dat zij hun praktijken van bedrog en samenzwering tegen de dichter staken en dus niet ‘zondigen’.
Willen we deze psalm in nieuwtestamentisch licht lezen, dan moeten we denken aan de derde profetie over de dienaar van Jahwe uit Jes. 50,7vv. Jahwe zal hem recht verschaffen, zodat hij niet te schande wordt. God zal hem helpen, wie zal hem dan veroordelen?
Het valt verder op dat de dichter-koning, anders dan in Ps. 3, niet om de wraak van Jahwe op zijn vijanden vraagt, maar er bij hen op aandringt zich te bekeren. Ook daarin vertoont hij het beeld van Jezus Christus. We zouden ook hier aan Jes. 50 kunnen denken: ‘Ik heb geen verzet geboden, ik ben niet teruggedeinsd…Wie mij de baard uittrokken, bood ik mijn wangen aan’. De dienaar weet immers dat hij niet beschaamd zou worden, omdat Jahwe bij hem was. Zijn gezicht kan zo onbewogen blijven als een rots, ‘want ik weet dat ik niet beschaamd zal staan’ (Jes. 50,5vv). Dat vertrouwen spreekt ook uit Ps. 4.
4.4. VOOR VANDAAG
1. Het grote aantal klaagpsalmen wijst erop dat het leven van de individuele gelovige of van de kerkelijke gemeenschap voortdurend aan schommelingen onderhevig is. Wie zich over het aanhoudend klagen in Psalmen verbaast, moet zich afvragen waarom hijzelf elke zondag weer naar de kerk gaat. Het grote nieuws is hem allang bekend, maar deze boodschap ontvangt hij telkens weer in zijn leven en in dat van zijn kerkelijke gemeenschap met al hun ups en downs. Altijd valt er ook te klagen. Waarom doet God dit of dat? Waar blijft Hij, als het evangelie van Jezus Christus waar is? Het feit dat wij onze klachten voor de HEER uitspreken, wijst niet op een armoedig geestelijk leven, maar op ons verlangen met God in contact te blijven en met Hem in het reine te komen. Wij moeten niet in de dingen die ons overkomen, berusten, maar ze actief aanvaarden. ‘Niet klagen, maar dragen’ is een eenzijdige uitspraak. Wij mogen van God klagen, als wij er maar niet in blijven steken. Dat doen de klaagpsalmen vrijwel nooit.
2. Het valt op in Ps. 4 dat de dichter wel met klagen begint, maar daarboven uit getild wordt als hij anderen te woord moet staan. De armoede in het leven van de vijanden, die het op de dichter gemunt hebben, grijpt hem zo aan dat hij hén tot bekering oproept en voor zichzélf rust vindt: De HEER luistert als ik roep! Dit verschijnsel kennen veel van Gods kinderen: in de spiegel waarin zij de armoede bij anderen opmerken, zien ze tegelijk hun eigen rijkdom.
3. Datzelfde doet zich ook voor als de dichter de ‘velen’ die twijfelen, te woord moet staan. ‘Wie zal ons het goede doen zien?’ Dat is ook een klaagpsalm! Om hun te antwoorden grijpt de dichter terug op de Aäronitische zegen, die zij en hij honderden keren gehoord zullen hebben. Zeer bekende klanken grijpt de dichter aan om voor anderen en voor zichzelf Jahwe’s genadige en vriendelijke aanwezigheid in te roepen. Het kan de gelovige, die begon met klagen ertoe brengen het ‘goede’ van eten en drinken zelfs te relativeren en zijn vreugde over God groter te vinden dan anderen die in lekkere maaltijden beleven. We beseffen dat we ook met het OT, dat heel ‘aards’ spreekt, de secularisatie kunnen bestrijden. We komen ook daar al uit bij Ps. 63,4: ‘Uw liefde is meer dan het leven, mijn lippen zingen uw lof’.
4. De dichter komt voor zijn eer op, Ps. 4,3: ‘hoelang is mijn eer tot versmading?’ (NBG). We kwamen dit aspect al tegen in Ps. 3,4, en we zullen het nog vaker in de Psalmen vinden. Ook in Spreuken komt het thema voor. In tegenstelling tot vroeger is de eer van de mens nauwelijks nog een onderwerp in de ethiek. Maar daarom zijn er ook in de kerk nog genoeg mensen die zich miskend en gekrenkt voelen. Dat heeft met hun eer (Hebr.: kāvōd, d.w.z. zwaarte, gewicht en daarom ook eer) te maken. Jagen naar eer is verkeerd. ‘Eer is weggelegd voor wie bescheiden is’, Spr. 29, 23. Maar mensen respecteren, en dus eren, is nog een even actueel onderwerp als het was in de dagen van de psalmdichters.
4.5. VERANTWOORDING
De termen ‘antwoorden’ [Hebr. ʻānā] en ‘horen’ [Hebr. šāmaʻ], die beide in vs. 2 voorkomen, zijn de woorden die we telkens weer aantreffen als men zich tot Jahwe richt. In beide termen wordt om Gods ingrijpen gevraagd. Zie J.J.P. Valeton, De Psalmen2, Nijmegen 1912, I,32. Het gaat in het ‘horen’ niet om het simpele horen van woorden. Nooit vraagt den psalmdichter dat God zijn lofprijzing zal ‘horen’. ‘Horen’ heeft het dringende van een roep in nood. God wordt als ‘hoorder’ vooral met het menselijk roepen, schreeuwen, klagen, huilen en bidden in verband gebracht, aldus H. Schult in THAT (Jenni/Westermann). I,979.
De Hebreeuwse beginletters van de Hebreeuwse regels van Ps. 4, van onderaf te lezen tot en met de regel van het opschrift, vormen de woorden ‘tot een lamp voor Zerubbabel’. Is dat louter toeval? Of is deze psalm in de tijd van Zerubbabel, die tot gouverneur werd aangesteld over de in Juda teruggekeerde ballingen, zo omgewerkt dat de naam van Zerubbabel er op een verborgen wijze in aangebracht werd? Het blijft gissen. Zie o.a. N.H. Ridderbos, De Psalmen I, Kampen 1962,90.
De verwijzing naar de derde profetie over de lijdende dienaar van Jahwe (Jes. 50) ontleen ik aan H.J. Kraus, Psalmen, Neukirchen 1960, I,35.
PSALM 5
5.1. UITLEG
Psalm 5 is een klaagpsalm, zoals uit 5,2 en 3 blijkt. Deze psalm, met het opschrift ‘van David’, is goed te plaatsen in het leven van deze koning. Hij heeft vaak te maken gehad met belagers, zeker tijdens de opstanden van Absalom (2 Sam. 15vv) en Seba (2 Sam. 20). Voor het kenbaar maken van zijn nood maakt de dichter van de (vroege) ochtend gebruik (5,4). Er is goede grond deze psalm een morgenlied te noemen.
De psalm is overzichtelijk en kan als volgt worden ingedeeld:
1) De dichter klaagt bij Jahwe over zijn nood (2-4);
2) In tegenstelling tot zijn vijanden zal hij toegang ontvangen tot Jahwe’s huis (5-11);
3) Hij geeft uiting aan de vreugde van hen die bij Jahwe mogen schuilen (12-13);
ad 1) De dichter richt zich tot ‘mijn koning en mijn God’ – een dubbele aanduiding die we in Psalmen niet vaak vinden (ook nog in 44,5; 68,25; 74,12 en 84,4). De dichter klaagt. Eerst vraagt hij Gods aandacht voor zijn zuchten (NBG), dat in vs. 3 overgaat in luid geroep om hulp. Dat hij God zijn koning noemt, kan erop wijzen dat ‘koning’ hier vooral op de functie van rechter ziet – een belangrijke taak die de koning zelf had te vervullen ( 2 Sam. 8,15; 1 Kon. 3,28; vgl. Ps. 72,2).
De dichter bidt in de morgen. Jahwe zal naar zijn stem horen als hij in de morgen zijn zaak aan Hem voorlegt. Het daarvoor gekozen Hebr. woord betekent: ‘schikken’ en ‘ordenen’. Het wordt ook gebruikt voor het schikken van het hout op het altaar (denk aan Abrahams offer van Isaak, Gen. 22,9). Is er soms verband tussen het bidden van de dichter in de ochtend en het morgenoffer in de tempel, ter voorbereiding op rechtsuitspraken? Het slot van vs. 4 meldt dat de dichter vervolgens afwacht wat Jahwe hem zal antwoorden. Zie onder 5.2: Algemeen thema (‘Asiel en rechtspreken in de tempel?’).
ad 2) Van één ding is de dichter in 5,5-7 zeker: God verheugt zich niet in het kwaad en geen boosdoener zal bij Hem ‘als gast verkeren’, in concreto zijn heiligdom binnentreden. Het is al niet vanzelfsprekend dat de rechtvaardige mens binnen kan komen. De dichter die zich tot de rechtvaardigen rekent (5,13), weet dat hij alleen het heiligdom mag betreden door Gods grote genade (5,8: Hebr.: chèsèd, genade, liefde, verbondstrouw, hier voor het eerst in Psalmen). Dan is het uiteraard ondenkbaar dat gewetenloze mensen overeind blijven als zij God onder ogen komen. Jahwe haat immers allen die onrecht doen. Leugenaars gaan te gronde, bedriegers en bloedvergieters verafschuwt Hij.
Let erop dat na drie negatieve uitdrukkingen (God verheugt zich niet in het kwade, geen boosdoeners komen bij Hem binnen, geen gewetenloze houdt stand) er drie bevestigingen volgen: God haat allen die onrecht doen, richt leugenaars te gronde en verafschuwt bedriegers en bloedvergieters. Wat negatief en positief geformuleerd is, onderstreept dezelfde boodschap: God verdraagt de boosdoeners absoluut niet.
Maar nu treedt de tegenstelling aan de dag ! De tegenstanders moeten uit de tempel wegblijven, ‘maar ik mag uw huis binnengaan’. Zoals reeds gezegd, beseft hij dat dit een grote genade is. Vervuld van ontzag voor Jahwe zal hij zich neerbuigen in de richting van Jahwe’s tempel (5,8).
Er is verwantschap met Ps. 1 in de tekening van twee soorten mensen: de goddelozen tegenover de rechtvaardigen. Ook kunnen we denken aan Ps. 15 en 24, met hun antwoord op de vraag wie er gast in Gods tent en op zijn heilige berg mag zijn. De vreugde die de rechtvaardigen daarover vervult, vinden we aan het slot van deze psalm.
Daarna komt de dichter met zijn eigenlijke vragen (5,9-11). Eerst bidt hij of Jahwe hem wil leiden door zijn gerechtigheid, d.w.z. door zijn (d.i. Jahwe’s) rechtvaardig ingrijpen, met het oog op zijn vijanden, de tegenstanders van de dichter. Zij liggen altijd op de loer. NBV vertaalt m.i. minder duidelijk: ‘Leid mij langs mijn belagers’. Wellicht is de bedoeling daarvan om uit te drukken wat de dichter direct daarop vraagt, nl. dat Jahwe zijn weg voor hem effent, zodat hij ontkomt aan zijn tegenstanders. Vaker vinden we in Psalmen het gebed om de weg te mogen weten, die Jahwe voor de vromen wil banen (Ps.25,4.9.12; 27,11; 86,11; 119,27.33; 143,8).
Het gebed om de weg te mogen kennen, heeft direct met zijn tegenstanders te maken. Want onmiddellijk keert hij zich in de scherpste woorden opnieuw tegen zijn belagers (10-11). Er is niets betrouwbaars in wat zij zeggen, van binnen zijn ze door en door verdorven, uit hun keel walmt de lijklucht je tegen, en hun tong is een vlijmscherp wapen.
De dichter vraagt God of Hij hen wil laten boeten voor wat zij misdaan hebben. Laten ze maar in hun eigen valkuilen lopen! Volgens het recht verdienden valse aanklagers de straf die zij hun slachtoffers hadden toegedacht (Deut. 19,15vv). Het thema van ‘met gelijke munt betalen’ komt in Psalmen herhaaldelijk voor. De goddeloze graaft een kuil of spant een net voor een ander, maar zal zelf in die kuil vallen of in het net verstrikt raken (7,16; 34,22; 35,8; 57,7; 140,10v; 141,10).
Is Ps. 5 niet een stuk zelfrechtvaardiging die ons aan de Farizeeër tegenover de tollenaar doet denken (Luc. 17,11)? Roept hij feitelijk niet om wraak op zijn vijanden? Wie antwoord op deze vragen geeft, moet zich eerst rekenschap geven van het slot van vs. 11: de vijanden van de dichter ‘zijn opstandig tegen u’ (Jahwe)! Niet: Jahwe moet mijn, maar zijn vijanden laten boeten!
ad 3) De laatste verzen (12 en 13) getuigen van de vreugde die de rechtvaardige dichter samen met andere rechtvaardigen vervult. Hij heeft niet alleen aandacht voor zijn belagers, maar ook voor zijn medestanders die, evenals hijzelf, mogen schuilen bij Jahwe. Het woord ‘schuilen’ komt veel voor in Psalmen. Zie reeds 2,12. Wie bij Jahwe schuilt, is vellig als de klipdas in de hoge rotskloven (104,18). De jubel daarover kan ‘eeuwig’ heten, omdat het Jahwe is die bescherming biedt. Wie Jawe’s naam beminnen, juichen Hem toe. Dat is geen wonder, omdat Jahwe’s naam, d.w.z. zijn openbaring, een groot gevoel van geborgenheid biedt. De naam van Jahwe is een sterke toren. Als de rechtvaardige erheen snelt, is hij veilig (Spr. 18,10). God zegent de rechtvaardige, in de Psalm concreet door hem van zijn vijanden te bevrijden. Hij beschut de rechtvaardigen in zijn welbehagen als achter een (groot) schild.
Het slot van de psalm geeft duidelijk aan dat de dichter er geheel van overtuigd is dat zijn gebed verhoord wordt, of dat hij die verhoring reeds ervaren heeft.
5.2. ALGEMEEN THEMA
Asiel en rechtspreken in de tempel?
Het valt in veel psalmen op dat de dichter eerst klaagt, maar daarna God dankt. Die wisseling heeft veel aandacht getrokken.. Het is begrijpelijk dat velen hebben gedacht aan een bepaalde gebeurtenis die deze wending tussen het klagen en het danken kan verklaren. Heeft de dichter soms een boodschap ontvangen dat God hem zal redden? Is die boodschap door een priester overgebracht, nadat in de tempel offers zijn gebracht?
Zo hebben sommige uitleggers zich dat ook bij Ps. 4 en 5 voorgesteld. Mensen die beschuldigd of aangeklaagd werden, zoals in deze psalmen, zouden in de tempel asiel hebben gezocht. Ze brachten daarvoor in het heiligdom de nacht door. In de morgen zou Jahwe hun stem horen en konden zij de goddelijke beslissing afwachten (vgl. 5,4).
De volgende ochtend, na het brengen van het morgenoffer, werd dan door middel van een godsoordeel of vonnis over hun schuld of onschuld beslist. Jahwe zou hebben beslist en een van de priesters kwam dit ‘antwoord’ van Jahwe overbrengen. Zo valt te verklaren dat de betreffende psalm van toon kon veranderen. De dichter wist zich gered en begon God te danken en te prijzen.
Een voorbeeld dat vaak wordt aangehaald, vinden we in Ps. 22. De dichter ervaart diepe ellende, voelt zich door allen bespot en verlaten en bidt om uitredding. Die zou hij ontvangen door een woord van Jahwe in de tempel; ‘U geeft (hebt gegeven) mij antwoord’! (22,22). Daarna verandert Ps. 22 in een lofpsalm.
Als dit zou gelden voor veel klaagpsalmen die een dergelijke wending van klacht naar lofprijzing kennen, zouden veel psalmen daarmee duidelijk in een cultisch kader staan.
Op zichzelf is het een aanlokkelijke gedachte. Zoals wij de psalmen in een kerkelijk kader gebruiken, zo zou ook hun ontstaan en gebruik aan de tempel verbonden kunnen zijn. Vaak wordt in Psalmen de tempel genoemd.
Toch stuiten we op moeilijkheden als we de klaagpsalmen met hun wending van klacht naar dank met de rechtspraak in de tempel verbinden. Allereerst is het niet zo dat alle rechtspraak in Israël aan de tempel verbonden was. De vader sprak recht in zijn familie, er werd recht gesproken ‘in de poort’, de koning sprak recht in zijn paleis, etc. Aanvankelijk werd er in de zes vrijsteden asiel verleend aan mannen die vervolgd werden door hun familie wegens bloedschuld. Misschien is dat later geconcentreerd in Jeruzalem gebeurd. Maar vond dat in de tempel plaats?
Bovendien is in geen enkele psalm duidelijk af te lezen dat de priester een rol speelde bij de overgang van het klagen naar het danken en loven. Men kan, zoals in Ps. 5, het morgenoffer in verband brengen met de rechtspraak, maar dat is een veronderstelling en geen vaststaande exegese.
Het beste lijkt mij om ook in de klaagpsalmen vaste patronen te ontdekken, die niet één bepaalde gebeurtenis (van ellende naar redding) beschrijven, maar het leven van de gelovige over veel langere tijd volgen. Dergelijke psalmen weerspiegelen de beweging van het geloof dat van klacht naar dank gaat. Soms kan in één psalm deze wending meer dan eens, zelfs tot driemaal voorkomen (Ps. 31; 35; 59 e.a.).
5.3. VAN OT NAAR NT
De felle veroordeling die in Ps. 5 wordt uitgesproken over de belagers van de dichter, heeft Paulus in Rom. 3 gedeeltelijk overgenomen. Wij vinden Ps. 5,10 terug in Rom. 3,13: ‘hun keel is een open graf, hun tongen zijn bedrieglijk’. In Rom. 3 fungeert Ps. 5,10 met andere oudtestamentische fragmenten als bewijs voor de stelling dat alle mensen, zowel de Joden als de Grieken (d.w.z. de niet-Joden), onder de heerschappij van de zonde staan (Rom. 3,9v). Uit dit gedeelte is duidelijk dat Rom. 3,13vv niet slechts een tekening van het heidense leven geeft, maar dat de door Paulus aangehaalde fragmenten juist op Israëlieten slaan.
Is de stelling die Paulus hier over de slechtheid van de mensen poneert, ook uit Ps. 5 af te lezen? In haar algemeenheid niet, want Ps. 5 gaat er evenals Ps. 1 vanuit dat er behalve goddelozen ook rechtvaardigen zijn. Paulus komt tot de conclusie dat er geen mens rechtvaardig is, zelfs niet één (Rom. 3,10). Dat zegt hij met aanhaling van Ps. 143,2: ‘voor u is geen sterveling onschuldig’. Ook uit het OT is dus al duidelijk dat in het licht van Gods heiligheid niemand onder de mensen onschuldig is. Maar Paulus diept dat aspect uit het OT zodanig uit, dat hij moet concluderen tot de totale verlorenheid van alle mensen zonder Jezus Christus. Uiteindelijk wordt ieder mens het zwijgen opgelegd en staat de hele wereld schuldig voor God. Ook is er geen mens onschuldig omdat hij de wet naleeft (Rom. 3,19v).
Aan de uitleg van Ps. 5 in haar oudtestamentische context voegt Paulus niets toe. Maar hij ontvouwt de boodschap over de enige weg die er is tot behoud voor Joden en niet-Joden in Jezus Christus (Rom. 1,16v). Daarvoor gebruikt hij een bloemlezing van oudtestamentische uitspraken om te laten zien dat de gelovigen ook toen reeds afwisten van de slechtheid van mensen.
5.4. VOOR VANDAAG
1. We hebben in Ps. 5 met een morgengebed te maken, dat ook leerzaam voor de huidige christenheid is. Begin de dag met gebed en overweeg wat je tegen God te zeggen hebt. 5,4: ’In de morgen wend ik mij tot u’ (NBG), of: ‘in de morgen leg ik het u voor’ (NBV). Hier wordt het Hebr. woord (ʻārak) met ‘schikken’ vertaald, ‘Schikken’ wijst erop dat ons gebed geordend moet zijn. Bidden is voor de psalmisten niet een onbeheerst uitstorten van hun gevoelens. Als goede advocaten leggen ze allerlei pleitgronden. zorgvuldig gerangschikt, voor de HERE, de koninklijke rechter, neer (H.N. Ridderbos).
2. Dat wij geen belagers hebben zoals de dichter van Ps. 5, is geen argument om Ps. 5 voor het gebed niet belangrijk te vinden. Zie hierboven 5.3 over de gang van OT naar NT. Wij zijn allen zondaars voor de heilige God en hebben zonder uitzondering redding door Jezus Christus nodig. Vandaar dat in ons gebed naast lofprijzing en dankzegging ook belijdenis van onze schuld een vast element is. Vgl. in het Onze Vader de bede ‘Vergeef ons onze schulden’.
3. Het zou een vergissing zijn dat de opmerking ‘we zijn allen slecht’ ons altijd voor in de mond moet liggen. We maken deze woorden tandeloos als we van brute nazi’s, communisten, christenvervolgers en hun slachtoffers in één adem zeggen dat ze allen even slecht zijn. Dat is een leugen als we het kwaad van onderdrukking, uitbuiting en moord serieus nemen. Bijbelse tegenstellingen tussen slechte en goede mensen blijven hun waarde behouden.
4. Het zou eveneens een vergissing zijn als we van de dichter van Ps. 5 een soort Farizeeër maakten. Dat gebeurt nogal eens. Ps. 5 wordt dan in verband gebracht met de Farizeeër die God dankt dat hij geen rover of bedrieger is, ‘en dat ik ook niet ben als die tollenaar’ (Luc. 18,11). Maar van de Farizeeën wordt gezegd dat zij zichzelf rechtvaardig vonden en anderen minachtten (Luc. 18,9). Dat heeft een heel ander inhoud dan wat de dichter van Ps. 5 zegt. Hij lijdt onder vijanden, de Farizeeër lijdt in het geheel niet, maar laat juist mensen lijden door hen te minachten. De rechtvaardige in Ps. 5 weet dat hij de tempel binnenkomt door Gods genade, de Farizeeër voelt zich er door eigen verdienste al zo rechtvaardig dat hij in tempel thuishoort. We zien hier hoe belangrijk het is de context (het verband) te kennen om bepaalde uitspraken van mensen over zichzelf ( ‘ik ben een rechtvaardige’) en over anderen (‘mijn belagers zijn slecht’) op de juiste wijze te taxeren.
5. Evenmin moeten we beweren dat de dichter wraakzuchtige gedachten koestert als hij vraagt aan Jahwe om krachtdadig tegen zijn belagers op te treden. Wraakzuchtig hoeft zelfs de overheid niet te zijn, die in dienst van God staat als toornende wreekster en tot taak heeft de kwaden te wreken (Rom. 13,4; NBV vertaalt vager: iemand zijn verdiende straf geven). Opvallend is in het OT dat zij die roepen om wraak, altijd Jahwe vragen die wraak uit te voeren. God bidden om wraakoefening is nog geen wraakzuchtig bidden.
Het begrip ‘wraak’ hoeft na de openbaring van Jezus Christus niet uit ons woordenboek geschrapt te worden. Wel is het NT veel duidelijker dan het OT in het antwoord op de vraag hoever wij moeten gaan in onze liefde voor onze vijanden (Matt. 5,43vv; Rom. 12,14vv).
5.5. VERANTWOORDING
Voor het onderdeel 5.2 ‘Asiel en rechtspreken in de tempel? heb ik veel ontleend aan Manfred Oeming, Das Buch der Psalmen, Psalm 1-41, Stuttgart 2000, 64vv.
Dat er verband kan zijn tussen een offer op het altaar en een vraag om Gods antwoord, kan blijken uit geschiedenissen als van Bileam met zijn offers op zeven altaren (Num. 23, 3 (‘misschien dat de HEER naar mij toe wil komen’) en van Elisa op de Karmel (1 Kon. 18, 24: ‘de god die antwoordt met vuur, is de ware God’).
Voor het ‘tandeloos’ maken van vijandige tegenstellingen tussen mensen, die wij serieus moeten nemen en niet krachteloos moeten maken met opmerkingen als: ‘we zijn allemaal zondaars’, zie men, zie H.A. Visser, De Psalmen in onze tijd !, Den Haag 1989,51vv.
Wel heel ver gaat Oeming, a.w.,73v, als hij in Ps. 5 de Farizeeër uit Luc. 18,11 herkent. En dan ook nog meent dat volgens Ps. 5 de vijanden van een andere substantie zouden zijn dan de bidder zelf. Hij ziet hier de gnostiek opdoemen die de mensen in pneumatische (Gr. pneumatikoi, de geestelijke) en stoffelijke (hulikoi, vleselijke) wezens zou onderscheiden.
PSALM 6
6.1. UITLEG
Ps. 6 kunnen we, gelet op 6,2-4, een klaagpsalm noemen. Het opschrift stelt ons met de woorden ‘op de wijs van de achtste’ voor een raadsel. Gaat het hier om een muzikale aanwijzing? Moet men een octaaf lager gebruiken (basbegeleiding)? Moet ‘bij snarenspel’ de achtste snaar gebruikt worden? Gaat het om een muzikale begeleiding met een lied dat ‘met de achtste’ begint? Het blijft gissen.
Weer hebben we met een psalm ‘van David’ te maken, zoals van heel de eerste Psalmbundel vanaf Ps. 3 tot Ps. 41 geldt. Of deze psalm met Davids persoonlijk leven verbonden kan worden, is niet te zeggen.
In Ps. 6 kunnen we drie onderdelen onderscheiden:
In 6,5-8 bidt de dichter uitvoeriger om uitredding. De plotselinge wending van klagen naar jubel vinden we in 6, 9-11. Met deze driedeling hebben we een goed overzicht van de psalm.
1) De dichter, ernstig ziek, vreest voor zijn leven (2-4);
2) Hij bidt uitvoerig om redding (5-8);
3) zijn klagen verandert in jubelen (9-11).
ad 1) De ‘ik’ in deze psalm is ernstig ziek. Hij kwijnt weg en vreest voor zijn leven (3v).
Hij gaat gebukt onder Jahwe’s toorn, die hij ervaart als de bron van zijn ziekte. Het lijden, ook als ziekte de mens treft, komt van Jahwe (Ps. 32,2vv; 38,2vv; 39,9.12 e.a.). Waarom de dichter door Jahwe’s toorn getroffen werd, krijgen we niet te horen, maar het verband tussen Gods toorn en de ziekte van de dichter is duidelijk. Ik wijs er weer op dat deze vaagheid opzettelijk kan zijn. Ps. 6 is daardoor in allerlei ziektesituaties te gebruiken.
De dichter vraagt in 6,3 om genezing, nadat hij eerst in 6,2 bidt om niet langer getroffen te worden door Jahwe’s toorn. Als hij met God in het reine komt, zal ook zijn ziekte genezen kunnen worden. Genezing moet van God komen (Ex. 15,26; 2 Kon. 5,7.15).
Het valt op dat de dichter, zonder over schuld en zonde te spreken, zich toch schuldig weet, al belijdt hij zijn zonde niet, zoals de zieke in Ps. 38,4 dat wel doet. Voelt hij zich soms als Job? Er is echter verschil tussen de aangevochten Job, die Gods toorn voor ongegrond verklaarde, en onze dichter die kennelijk weet dat Gods toorn terecht is. Hij vraagt immers om Gods genade (6,3) en om Gods trouw aan zijn verbond (6,5). De dichter wijst niet, zoals in Ps. 4,4; 5,13, op het feit dat hijzelf tot de rechtvaardigen behoort. Niet de dichter is trouw aan Jahwe, maar Jahwe is trouw aan de dichter. Dat bepaalt zijn roep om uitredding.
ad 2) In het tweede gedeelte (6,5-8) vraagt de dichter of Jahwe wil terugkeren. Jahwe heeft zich van de dichter afgekeerd. We kunnen denken aan wat Ez. 10 en 43 ons vertellen over Jahwe’s vertrek uit de tempel in Jeruzalem en aan zijn terugkeer. Door Jahwe’s vertrek rust zijn toorn op stad en land, door zijn terugkeer zal het leven weer opbloeien. Zo weet de dichter zich van Jahwe verlaten en vraagt hij om Jahwe’s terugkeer. Het omgekeerde geldt voor zijn vijanden. Met hetzelfde Hebr. woord verklaart hij in 6,11 dat zijn vijanden in een oogwenk beschaamd zullen omkeren, afdruipen!
Met een appel op de trouw van Jahwe (zie boven) smeekt de dichter om de redding van zijn leven. Hij houdt rekening met de dood (6) en is een man die er ‘s nachts volkomen uitgeput bij ligt door zuchten en tranen, badend in het zweet (7-8). We lezen ook van vijanden die hem het leven moeilijk maken (8-9). Maar het ligt niet voor de hand dat zij de ziekte veroorzaakt hebben door lichamelijk geweld te gebruiken. De dichter weet dat hij door de toorn van Jahwe getroffen is. Vijanden vergroten zijn ellende, mogelijk door hem op zijn eigen schuld te wijzen. Zij zullen zijn onheil willen en leugens verspreiden, zoals we in Ps. 38,13 in een soortgelijke situatie lezen.
Om voor de dood behoed te worden, gebruikt de dichter een argument dat we in Psalmen vaker tegenkomen. Wat heeft Jahwe eraan als hij zal sterven? Wie in het dodenrijk terecht komt, looft immers God niet meer? Zie ook 88,11; 115,17. Het dodenrijk komt in het OT in negatieve zin ter sprake, ook al is de mens daar niet buiten Gods bereik (139,8). Maar het is de plaats waar de mens niet wil zijn. Hij wil ervan gered worden (16,10; 18,6; 49,16; 86,13; 116,3). Wie van ziekte geneest, is door Jahwe uit het dodenrijk omhoog getrokken (30,4). De Israëliet geloofde in het voortbestaan van de mens na zijn dood. Het dodenrijk vernietigde niet het bestaan van de mens, maar beroofde hem wel van alles wat in het leven op aarde vreugde geeft. De dichter vraagt overigens niet om die vreugde in het algemeen, maar weet wat het belangrijkste in het aardse leven is, nl. God loven. In de dood is er echter geen ‘gedachtenis’ aan Jahwe. Het hier gebruikte woord is gericht op de naam van Jahwe. Vgl. Ex. 3,15, waar Mozes tegen de verdrukte Israëlieten in Egypte moet zeggen dat hun God Jahwe heet. ‘Dat is mijn naam voor altijd, en zo wil Ik aangeroepen worden (‘in gedachtenis zijn’) van geslacht tot geslacht.
Opnieuw geeft de dichter aan hoe slecht het er met hem voorstaat en hoe dringend hij dus hulp nodig heeft. Hij is moe van het zuchten en het huilen. Zijn ogen staan dof van wanhoop, verzwakt door wat hij ondervindt van hen die hem benauwen (7-8).
Het gaat hier over mensen die zijn leed verzwaren. Andere uitleggers denken aan onpersoonlijke krachten of innerlijke problemen, die door de zieke als handlangers van de dood ervaren worden. Wat de dichter als reële vijanden zag, zouden wij nu benoemen als virussen en bacillen! Deze uitleg overtuigt niet. In 6,9a.11 zijn de tegenstanders toch duidelijk mensen. Daarom is het ook beter 6,8 te blijven vertalen met ‘allen die mij benauwen’(NBG) dan met ‘alles wat mij benauwt’(NBV).
ad 3) In het derde gedeelte (6, 9-11) treffen we de dichter heel anders aan. Hij is ervan overtuigd dat Jahwe hem heeft gehoord en zijn smeekbede aanneemt. Dat hoeft nog niet te betekenen dat hij reeds genezen is, maar hij weet nu zeker dat het zal gebeuren. Hoe verkreeg hij deze zekerheid? Heeft hij een boodschap van Jahwe ontvangen, via een cultische handeling in de tempel? Is hij innerlijk tot deze overtuiging gekomen? Wij krijgen daarop geen antwoord. Er is op gewezen dat we hier een van de sterkste overgangen vinden van klacht naar jubel. De dichter zegt zijn vijanden nu de wacht aan. Jahwe is teruggekeerd, zij zullen nu in een oogwenk beschaamd uit zijn leven verdwijnen. Zijn gebeente was eerst verschrikt (6,3 NBG) of doodsbang (NBV), nu zullen zijn vijanden verschrikt of doodsbang (6,11; vgl. 2,5) en te schande worden.
6.2. ALGEMEEN THEMA
Ziekte in het Oude Testament
Het aantal psalmen waarin ziekte een rol speelt is niet zo groot, als we bedenken dat er meer dan 50 klaagpsalmen zijn. We denken aan Ps. 6; 13; 38; 39; 88 en 102. Toch zijn de grenzen niet altijd duidelijk te trekken. Waarom zouden we bv. Ps. 22 ook geen klaagpsalm van een zieke kunnen noemen (vgl. 22,7v.15v.18)?
Wat de dichter in Ps. 6 doet, vinden we ook in de andere ziektepsalmen; de zieken gaan gebukt onder de toorn van Jahwe. Niet altijd wordt op persoonlijke zonden gewezen, maar het is zeker niet zo dat de zieken zich vrijpleiten op grond van hun eigen vroomheid.
Vijanden verzwaren (bewerken?) het lijden van de zieke. Zelfs vrienden en bekenden kunnen dat doen, omdat ze liever niet in de buurt van de zieke komen, of door Jahwe bij hem vandaan worden gehouden (38,12; 88,9.19). Het valt in de ziektepsalmen op dat we nergens familieleden aantreffen die de zieke verzorgen en met hem begaan zijn.
Er is wel gedacht (zoals ik hierboven al aangaf) aan de inwerking van ontelbare en onzichtbare demonische machten. We kunnen aan Saul denken die een tovenares in Endor raadpleegde. Maar daarmee handelde hij in strijd met het verbod op geestenbezwering en waarzeggerij dat hij zelf had uitgevaardigd (1 Sam. 28,3). Ook Jes. 8,19 plaatst tegenover de waarzeggerij het getuigenis dat Jahwe door zijn profeten geeft. Bezwering is uit de boze.
De ziektepsalmen laten duidelijk uitkomen dat Jahwe de ziekte zendt en dat de zieke onder zijn toorn gebukt gaat. De ziekte kan zich alleen op Jahwe’s barmhartigheid en trouw beroepen om genezing te ontvangen, die alleen bij Hem te vinden is.
Ook andere aspecten die we in het Nieuwe Testament duidelijker waarnemen, vinden we reeds in het Oude Testament. Niet altijd is de toorn van Jahwe aanwezig als men door ziekte getroffen wordt. Denk aan Job, die zijn onschuld terecht volhoudt tegenover zijn vrienden, die wèl een gelijkteken tussen ziekte en toorn van Jahwe zetten. De vrienden worden veroordeeld, Job wordt gerehabiliteerd. We kunnen zeggen dat Job niet gestraft werd wegens zonde. Ook is het niet toereikend om een pedagogisch motief te veronderstellen, al komt dat motief voor. Men leert zich in Gods wil te schikken door te lijden (bv. Ps. 119,67.71.75; Spr. 3,11v). Bij Job kunnen we beter denken aan de blindgeboren man uit Joh. 9. Niet hij of zijn ouders hadden gezondigd, maar Gods werk moest in hem zichtbaar worden (Joh. 9,2vv). Ik heb hier van een theocentrische richting in het lijden gesproken. Zie mijn Job en Psalmen,51v. Jobs lijden laat zien dat Satan hem niet van Jahwe heeft kunnen scheiden.
Soms kan het lijden ook plaatsvervangend lijden zijn, waarin de dienaar van Jahwe in Jes. 53,4v, ziekten op zich neemt vanwege ‘onze’ zonden en wandaden (Jes. 53,5a). Aan dit unieke plaatsvervangend lijden valt ons op dat de zieke dit lijden zwijgend ondergaat (Jes. 53,7). Meestal horen we in de ziektepsalmen luid roepen, klagen en schreeuwen om genezing.
6.3. VAN OT NAAR NT
Ps. 6,4v vinden we terug in Joh.12,27. ‘Nu is mijn ziel ontroerd’ (NBG), of korter met NBV: ‘ik ben doodsbang’. We kunnen ook nog denken aan het vervolg in Joh. 12,27, waar Jezus bidt: ‘Vader verlos mij uit deze ure!’ (NBG) – de roep om verlossing die ook in Ps. 6,5 voorkomt. Ps. 6,9, waar de dichter uitroept: ‘weg van mij allen die kwaad doen!’ vindt zijn echo in Matt. 7,23; Luc. 13,27. Daar worden de bewerkers van wetteloosheid door Jezus op de oordeelsdag weggestuurd. Als Jezus zal sterven, laat hij evenals de psalmisten zijn doodsangst zien (Matt. 26,36vv; Joh. 12, 27; Hebr. 5,7). Vergelijkbaar is ook dat de vijanden van Jezus zijn doodsbed aan het kruis verzwaard hebben. Zelfs als het over familie en bekenden gaat die hun zieke hebben verlaten, kunnen we aan Jezus denken. De leerlingen hebben Hem verlaten en/of staan van een afstand toe te kijken (Matt. 27,55). Heeft Hij soms ook zijn moeder Maria zorgvol verbonden aan zijn vriend Johannes (Joh. 19,25vv), voordat ook zij Golgota verlieten? Het woord van de zieke uit Ps. 88,19 ging in vervulling: ‘Mijn beste vrienden hebt u van mij vervreemd, mijn enige metgezel is de duisternis’.
Van nog groter betekenis werd het dat Jezus de dood overwon en daardoor het ziek/sterfbed van de gelovige mens draaglijker heeft gemaakt door het uitzicht op de blijvende verbondenheid aan Hem. Wat in het OT nog ondenkbaar was, kan zich in het NT voordoen dat iemand (Paulus) ernaar verlangt te sterven en bij Christus te zijn (Fil. 1,23).
Dat men onder het OT negatiever tegen de dood aankeek dan wij dit moeten doen, kunnen we niet ontkennen. Het is geen uitleg van Ps. 6 wanneer wij bv. met de Kanttekenaren op de Statenvertaling zouden zeggen: ‘De gestorvenen kunnen Gods naam in zijn gemeente op aarde niet grootmaken, waarin God nochtans een zonderling welgevallen heeft’. De veronderstelling is dan dat de dichter zich ervan bewust zou zijn dat hij God wel lof kan brengen in de hemel. Maar dat is zeer de vraag. Calvijn lost de moeite op door te veronderstellen dat David hier vreest voor de eeuwige dood. Maar dat ligt in het woord voor ‘dodenrijk’ niet opgesloten. Wat we hier bij Calvijn e.a. zien, is geen exegese, maar een dogmatische uitleg van Ps. 6, waarin de nieuwtestamentische openbaring reeds in oudtestamentische teksten wordt ingedragen.
Wel zijn er gegevens die in de richting wijzen van een leven met God na dit aardse leven, zoals ik bij de bespreking van Ps. 16 duidelijk zal maken.
6.4. VOOR VANDAAG
1. Wij zullen ziekte minder met de toorn van God en met persoonlijke zonde verbinden dan de dichter van Ps. 6 deed. Wel zullen ook wij ziekte en lijden niet buiten onze relatie met God plaatsen, alsof niet Hij, maar de duivel, het noodlot of wat dan ook, het leed ons aandoet. Ook in tegenspoed zien wij Gods hand. Ons lijden is echter, nadat Jezus Christus de toorn van God op Golgota heeft gedragen, van karakter veranderd. Het is duidelijker pedagogisch van aard. We letten nu meer op Gods hand die ons nog steeds kan slaan, maar dan wel met de hand van onze Vader die zijn kinderen berispt voor hun eigen bestwil, om hen te laten delen in zijn heiligheid (Hebr. 12,10vv). Wij hebben doorgaans in de strijd tegen de zonde ons leven nog niet op het spel gezet (Hebr. 12,4)! Anders dan in het OT zal onze blik gericht moeten zijn op Jezus, de grondlegger en voltooier van ons geloof. En evenals Hij denken aan de vreugde die vóór ons ligt (Hebr. 12,2vv).
2. Uit Hebr. 12 blijkt dat de realiteit van de zonde wel degelijk aan ziekte en lijden verbonden blijft, al leven wij met ons beroep op Jezus Christus niet meer onder de toorn van God. Het gaat dan niet over specifiek individuele zonden, maar wel over ons nog altijd zondige leven, onze zondige aard, waartegen we tijdens heel ons leven te strijden hebben.
6.5. VERANTWOORDING
Ook bij de uitleg van Ps. 6 is het gezocht om aan een wending te denken in 6,9 door een openbaring van Jahwe, die via priesterlijke bemiddeling aan de ziekte is overgebracht. De wending is duidelijk, maar niet het plaatsen van een cultische handeling tussen 6,8 en 6,9. Zie reeds onder 5.2. Algemeen thema (‘Asiel en rechtspreken in de tempel?’)
Zie voor 6.2 Algemeen thema ook Oeming, a.w.,75v. Maar het lijkt mij twijfelachtig wanneer hij begint met de opmerking dat ziekte en lijden in het Oude Testament vaak als zinloos gezien worden. Dat is meer een moderne dan een Bijbelse interpretatie, zelfs als we denken aan Job en aan vele klagers in Psalmen, waarnaar Oeming verwijst. Hier wordt een verkeerde sprong gemaakt van onbegrijpelijk lijden naar zinloos lijden. Van zinloos lijden zou te spreken zijn als God niet zelf het de mensen aandeed. Het heftige klagen en zelfs protesteren tegen het lijden heeft echter altijd God als adres. Men wil het lijden begrijpen en juist niet als zinloos bestempelen!
De opmerking dat we in de praktijk de demonen zouden kunnen vergelijken met onze bacillen, vinden we bij F.M.Th. Böhl, De Psalmen I, Groningen 1946,110. In de oud-oosterse wereld gebeurde dat (uiteraard) nog niet, maar werden deze ‘vijanden’ als mensen of als demonen voorgesteld. Deze magisch-bijgelovige gedachtewereld, die sterk was in Babylon, vinden we echter nauwelijks in de Bijbel.
Uit de vroege Middeleeuwen of reeds uit de Oude Kerk dateert het spreken over zeven boetepsalmen, waartoe naast Ps. 6 ook de psalmen 32, 38, 51, 102, 130 en 143 gerekend worden. Voor de meeste van deze psalmen overtuigt de benaming ‘boetepsalm’, maar niet voor Ps. 6. Er wordt in Ps. 6 wel geklaagd, er zal schuldbesef zijn, maar van boetedoening kunnen we niet spreken.
PSALM 7
7.1. UITLEG
De psalm is een ‘psalm van David’ en kan worden getypeerd als klaagpsalm. Het eerste woord in deze psalm wordt vaak ook zo weergegeven: ‘Een klaagpsalm van David’ (NBG en NBV), maar zeker is die vertaling niet.
Volgens het opschrift heeft David dit lied gezongen heeft over ( de woorden of de daden) van de Benjaminiet Kus (1). In deze Kus, die ons verder onbekend is, zullen we een handlanger moeten zien van koning Saul, die uit de stam van Benjamin kwam. Hij kan vergeleken worden met Doëg de Edomiet (1 Sam. 22,61). Evenals deze Doëg en de inwoners van Zif, een plaats in de stam van Juda (1 Sam. 23,14vv) heeft hij zich verraderlijk gedragen. David beklaagt zich over ‘de woorden van de Benjaminiet Kus’ (NBG). We moeten hier denken aan een leugenachtig en bedrieglijk optreden.
In Psalm 7 kunnen we vier onderdelen onderscheiden:
1) De dichter klaagt over zijn vijanden, waarbij hij zijn eigen onschuld betuigt (2-6);
2) Hij vraagt om Jahwe’s ingrijpen, om zijn onschuld te bevestigen (7-10);
3) Hij spreekt zijn vertrouwen in Jahwe uit en is zeker van zijn redding (11-17);
4) Hij belooft dat hij Jahwe’s naam om diens rechtvaardig ingrijpen zal bezingen (18).
ad 1) De dichter zoekt zijn steun (‘schuilt’) bij Jahwe en smeekt om van zijn vijanden verlost te worden. Om zijn vijanden aan te duiden, gebruikt hij de ene keer het meervoud (2,7,10), de andere keer het enkelvoud (3.5,6). Dat komt in NBG beter uit dan in NBV. De wisseling van enkelvoud naar meervoud zien we vaker in het OT.
Zijn belagers dreigen hem te verscheuren, zoals een leeuw dat doet, die zijn prooi doodt en vervolgens meesleept naar z’n hol, om het daar helemaal te verslinden (2).
De dichter durft de dichter op zijn onschuld te wijzen. De formulering laat zien dat hij van een (reinigings-) eed gebruik maakt: ‘als ik onrecht heb gedaan en schuldig ben…., dan moge de vijand mij achtervolgen en vertrappen’ (vgl. Ruth 1,17; 1 Sam. 10,13). Hij ontkent dat hij iets misdaan heeft en er onrecht aan zijn handen kleeft. Eveneens is hij er zich niet van bewust dat hij ooit een vriend onrecht heeft aangedaan (NBV: goed met kwaad heeft vergolden), of zijn belager zonder reden heeft beroofd (4v).
Vs. 5b wordt verschillend opgevat. NBG geeft in navolging van de Statenvertaling m.i. een te gunstig (‘nieuwtestamentisch’) beeld van dichter: ‘ja, ik heb hem (de tegenstander) gered, die mij zonder oorzaak benauwde’. Beter is het hier NBV te volgen: de dichter heeft z’n vriend geen onrecht aangedaan en z’n vijand niet zonder reden beroofd. Beroven van vijanden (in oorlogsomstandigheden) was een goed recht, maar binnen bepaalde grenzen. Denk aan Davids milde optreden tegen Saul (1 Sam. 24,20; 26,22v) en de manier waarop de buit verdeeld werd, die op de Amalekieten veroverd was (1 Sam. 30,24v).
ad 2) De dichter vraagt vervolgend dat Jahwe zal ingrijpen om zijn onschuld te bevestigen. Het hoeft ons niet te bevreemden dat voor dit ingrijpen de ‘raad van de volken’ te hulp wordt geroepen. Ps.7 doet aan Ps. 2 denken. De volken (de Zifieten uit Davids eigen volk Juda, Kus uit Benjamin, Sauls volgelingen uit Benjamin en uit andere stammen van Israël, Doëg uit het volk van Edom) spannen samen tegen de door Jahwe gezalfde koning David!
De dichter, die onder ede tegenover Jahwe heeft verklaard dat hij onschuldig is en het recht aan zijn zijde heeft, roept Jahwe’s hulp in. Jahwe moet opstaan, ja zelfs wakker worden (NBG), om zijn woede te tonen tegenover de vijanden van de dichter (7). De gekwelde man vraagt aan Jahwe om een rechtszitting te houden, in aanwezigheid van de volken. Deze volken zullen Hem omringen, terwijl Jahwe dan zelf, boven hen verheven. op zijn troon plaats moet nemen (8).
De vertaling van vs. 8 is niet helemaal duidelijk. NBG vertaalt, in navolging van de Statenvertaling, heel letterlijk, maar in betekenis vrij onbegrijpelijk: ‘keer weer boven haar (nl. boven de vergadering van de volken) naar den hoge’. Is dat een terugkeer van Jahwe naar de hemel, nadat er vonnis geveld is? Maar om het vonnis wordt pas gevraagd in de vss. 9 en 10. Daarom is er, met een wijzing van de Hebr. tekst, veel voor te zeggen NBV en de Willebrordvertaling te volgen. Zij denken aan het vormen van de vierschaar. ‘O God, roep de vierschaar bijeen en neem zelf plaats op het podium daarboven’(WV). De volken staan rond Jahwe, maar Hijzelf is boven hen (op een verhoging) gezeten. Jahwe is de rechter en de volken zullen getuigen zijn. Wat David moest ondervinden van Kus de Benjaminiet, leidt tot een rechtsgeding waarin de vijanden van David veroordeeld worden en David onschuldig blijkt. Aan de goddelozen wordt een halt toegeroepen, terwijl de rechtvaardigen (David e.a.) vrijgesproken worden.
De rechtspraak van Jahwe is betrouwbaar, want Hij kent de mens. Hij beproeft hart en nieren (10). Het meest innerlijke van de mens is Hem bekend.
We kunnen spreken van zaaksgerechtigheid bij de dichter. Hij jaagt een zaak na of voert een strijd die rechtvaardig is in de ogen van Jahwe. Denk aan Ps. 4,2: o God mijner gerechtigheid (NBG), in de betekenis van: ’God die mij recht doet’ (NBV), ‘God die voor mij pleit’ (WV 1995). Zegt de psalmdichter dat er geen onrecht kleeft aan zijn handen in de zaak die hij met zijn vijanden heeft, dan verklaart hij niet dat hij zondeloos is, maar dat hij in de betreffende zaak onschuldig is. ‘Rechtvaardigheid’ en ‘onschuld’ gaan in vs. 9 samen.
ad 3) Daarna laat de dichter blijken dat hij vertrouwen heeft in Jahwe, die met zijn vijanden zal afrekenen (11-17). ‘ God is het schild dat mij beschermt, hij bevrijdt de oprechten van hart (NBV), roept de dichter uit (11). God zelf is het beschermend schild voor de dichter. Hij is immers een rechter die rechtvaardig handelt en dus in de bres springt voor rechtvaardige mensen. Daarom keert Hij zich elke dag toornig tegen het kwaad (12). Bij het bestraffen van het kwaad kunnen we bv. denken aan de dood waarmee Hij mensen treft. Dat Jahwe daarvoor moet opstaan en wakker geschud moet worden, was de emotionele oproep van de dichter in vs.7. Nu beseft hij dat God alle dagen wakker is om zijn maatregelen tegen de kwade mensen te nemen.
Uit de volgende verzen wordt duidelijk dat Jahwe zijn toorn zich op verschillende manieren laat merken. Allereerst scherpt Hij telkens zijn zwaard, spant zijn boog en legt die aan. Dodelijke wapens brengt Hij in stelling, terwijl Hij van zijn pijlen schichten van vuur maakt. Het beeld zal ontleend zijn aan pijlen met een dikker eindstuk, voorzien van gaatjes en gevuld met in olie gedrenkte vlasdraden. De pijlen konden op die manier brandend worden afgeschoten.
NBV e.a. menen dat het hier niet over Gods pijlen gaat, maar over die van de vijand, die ‘opnieuw zijn zwaard scherpt, zijn boog spant’, etc. Maar het is veel overtuigender aan Gods optreden te denken. Hij toont zijn toorn elke dag en laat dat op verschillende manieren merken. Hij doet dat als de vijand zich niet bekeert (13a) Er blijft dus nog ruimte voor de vijanden over om hun vijandschap te laten varen. Altijd is Jahwe echter paraat, zodat Hij direct kan toeslaan (13v).
Maar ook indirect kan Jahwe zijn vijanden treffen (15-17). Zij handelen dan zo, dat hun eigen kwaad hun ondergang oproept. Het gaat als met een zwangere vrouw, die ter wereld brengt waarmee zij bevrucht was. Wie met ongerechtigheid bevrucht wordt, gaat zwanger van onheil en moet wel leugen, d.w.z. schade, baren (15). Men graaft een kuil, maar valt er zelf in (16). Terwijl men probeert een ander dodelijk te laten struikelen in zo’n kuil, wordt het hun eigen graf. Het onheil (zie vs. 15 NBV) komt op iemands eigen hoofd terecht, z’n geweld dat gericht was tegen anderen, daalt op z’n eigen schedel neer (17)!
ad 4) De dichter verheugt zich over deze gang van zaken. Het brengt hem er slotte toe de rechtvaardige God te loven, die de kwade mensen straft en de goeden uit hun ellende verlost. Hij wil Jahwe prijzen, Jahwe bezingen, de Allerhoogste (18). Vs. 8 heeft al duidelijk gemaakt dat Jahwe hoger verheven is dan welk volk en welke god onder de volken dan ook.
De dichter belooft (‘ik zal/wil…) dat hij Jahwe in het heiligdom zal prijzen. Zo zien we opnieuw dat de klacht overgaat in diepe dankbaarheid voor de redding, die de rechtvaardige God schenkt aan allen die bij Hem schuilen (vgl. 5,12v).
7.2. ALGEMEEN THEMA
Daad en straf
Wat wij in Ps. 7 vinden, keert in Psalmen, maar ook in de boeken Job en Spreuken vaak terug: de slechte daad die de mens verricht, komt op z’n eigen hoofd neer. Uitdrukkingen die wij (ook) in het Nederlands kennen, spreken eenzelfde taal: ‘wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in’, of ‘boontje komt om zijn loontje’. Leest men moderne commentaren over de hier genoemde kwestie, dan wordt vaak op de samenhang gewezen tussen iemands handelen en de gevolgen daarvan voor hemzelf. In de Duitse theologische taal spreekt men van de samenhang tussen Tun und Ergehen. De wijze mens ondervindt voorspoed, de dwaze mens tegenspoed. De weg van de rechtvaardige is stralend als de zon, de weg van de goddeloze is alleen maar duisternis (Spr. 4,18). Wie ontzag heeft voor Jahwe, leeft lang, het leven van de goddeloze wordt bekort (Spr. 10,27). Heel kras ligt het uitgedrukt in de volgende spreuk: de rechtvaardige wordt niet door onheil getroffen, goddelozen worden bedolven onder ellende (Spr. 12,21).
Het kwade lijkt dus zichzelf te straffen. We kunnen denken aan wat ik bij de bespreking van Ps. 1 over het model-karakter van zulke typeringen geschreven heb. Zo gaat het vaak en zo behoort het eigenlijk ook te zijn. Wie God dient, mag op voorspoed rekenen, en wie zijn geboden in de wind slaat, zal het tegenzitten. Wie zo spreekt over de samenhang tussen het doen en de gevolgen ervan, spreekt feitelijk zijn geloof uit!
Het is ondenkbaar dat de dichters van Psalmen niet geweten hebben dat de praktijk ook heel andere dingen laat zien. Ze hebben er zelf immers van getuigd, dat het de goddelozen voor de wind gaat, terwijl rechtvaardige mensen vaak lijden en vijandschap moeten verdragen. Lees o.a. Ps. 73. Het ligt toch voor de hand dat, als een derde van de psalmen klaagpsalmen zijn van vrome mensen, onmogelijk het besef kon ontbreken dat men ook het omgekeerde altijd en overal tegenkomt: voorspoed voor de goddeloze en tegenspoed voor de rechtvaardige.
Het is buitengewoon gevaarlijk te menen dat menselijke ellende het gevolg is van slecht handelen. Het boek Job kunnen we immers niet lezen zonder vóór de lijdende Job te kiezen en tégen zijn vrienden, die zo goed menen te weten dat Job slechte dingen heeft gedaan. Zij menen immers dat Jobs deplorabele toestand aan hemzelf te wijten is.
Daarom moeten we niet vergeten dat elke samenhang tussen zonde en straf in Gods handen ligt. De samenhang tussen beide verloopt niet automatisch, maar is geheel van Gods ingrijpen afhankelijk. De samenhang speelt zich niet af in de sfeer van het noodlot, maar van God, die de loop van de wereld en van elk mensenleven stuurt. En dat wetend valt er over de samenhang van daden en gevolgen meer te zeggen dan in Ps.7 e.a. gezegd wordt. Dat sluit het aspect van de samenhang tussen God dienen en daarvoor beloond worden, of God niet dienen en daarvoor gestraft worden niet uit. Maar er zijn meer aspecten!
7.3. VAN OT NAAR NT
Zaaksgerechtigheid is geen onderwerp in het OT alleen. We kunnen zaaksgerechtigheid ook verdedigen voor het forum van het NT, waarin ons het diepe besef van eigen zondigheid en verlorenheid wordt bijgebracht. Ook Paulus kan ‘zijn zaak’ met goede moed verdedigen voor de stadhouder Felix (Hand. 24,10). Van de Korinthiërs kan in een bepaalde kwestie gezegd worden: ‘In ieder opzicht hebt u bewezen dat u in deze zaak niets te verwijten valt’ (2 Kor. 7,11). Het kan zijn dat men eigen zaken niet voor de wereldlijke rechter moet brengen en liever onrecht moet lijden, terwijl men in de zaak zelf het recht aan z’n zijde heeft (1 Kor. 6,7v). Tussen gelijk hebben en z’n gelijk halen is verschil. maar dat doet niets af aan het samengaan van recht en onschuld die men in eigen zaken mag bepleiten. Paulus kan schrijven dat er niemand rechtvaardig is (Rom. 3,10), maar dan heeft hij het over onze rechtvaardigheid voor God. Dan geldt dat niemand die leeft rechtvaardig is.
Het verband tussen zonde en straf is ook aan het NT niet onbekend. Wel wijst Jezus de beschuldiging af dat de blindheid van iemand het gevolg zou zijn van zijn eigen schuld of van die van zijn ouders. Dat was de gedachte bij de leerlingen en ook bij de Farizeeën. De blindgeborene (noch zijn ouders) hebben gezondigd, zegt Jezus, ‘maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden’ (Joh. 3,3). De samenhang tussen zonde en daarop volgende rampen komt in het NT in het volgende verband voor: als men blind is door niet naar Jezus te luisteren, zoals dat voor de Farizeeën geldt, wordt men als blinden die de blinden leiden, zodat zij samen in een kuil vallen (Matt. 15,12vv). Hetzelfde vinden we bij Paulus in Rom. 1,24vv. Het verwerpen van de Schepper leidt ertoe, dat God de mensen overgeeft aan hun hartstochten en zij het verdiende loon voor hun afdwaling ontvangen. God levert de mens aan zichzelf over, zodat niets anders dan ontwrichting en ondergang van het menselijk leven te verwachten valt. Dit handelen van God bespeuren we ook in Matt. 15,14: ‘laat ze toch, die blinde blindengeleiders!’
7.4. VOOR VANDAAG
1. Het valt op dat een vervolgde persoon (David) in Juda aan Jahwe vraagt recht te spreken over de volken (7,9). Ik heb uiteengezet dat de vervolgers van David uit verschillende volken kwamen. Maar ook dan kan men zich afvragen of David niet veel genoegdoening vraagt door Jahwe recht te laten spreken over de volken! Dat is alleen te verklaren vanuit het feit dat Jahwe zich aan Juda en Jeruzalem verbonden heeft als zijn volk. Hij heeft aan dit volk beloften gegeven die wereldwijd van omvang zijn. De geschiedenis van Israël vormt het hart van de wereldgeschiedenis. Nu na de komst van Jezus Christus kunnen we hetzelfde zeggen van de kerk, als het nieuwe volk van God. Ps. 2 klinkt door in Ps. 7. Ik heb bij Ps. 2 reeds opgemerkt dat we niet met oogkleppen voor moeten lopen. Zo moeten we ook als kerk de gebeurtenissen in de wereld zien in het perspectief van ons geloof. We denken met name aan de zaaksgerechtigheid van allen die van God en Jezus Christus getuigen in deze wereld en op grond daarvan vervolgd worden. De zielen van allen die afgeslacht zijn, kunnen in de hemel aan de voet van het altaar roepen: ‘wanneer zult u de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken?’(Openb. 6,10).
2. Zaaksgerechtigheid wordt ook verdedigd in zaken waaraan we niet het zojuist vermelde weidse perspectief van Ps. 7 kunnen verbinden. Dit neemt niet weg dat wij aan gekwelde mensen, die van mening zijn dat aan hen geen recht wordt gedaan, aandacht moeten schenken. Tal van conflicten in de familiekring, op het werk en in de kerk leiden tot de roep om recht. Mensen vragen met Ps. 7 of God hen wil helpen tegenover mensen die het recht met voeten treden. Of die – wat vaak minstens zo grievend is – voor hen niet in de bres springen en het te druk hebben met andere zaken. Het getuigt van liefdeloosheid wanneer wij zo ingesteld zijn. Het lijkt gewichtig het argument te gebruiken dat er wel ergere dingen in de wereld gebeuren (honger, oorlog, natuurrampen), of dringender taken die de kerk op zich moet nemen (bv. haar missionaire roeping). Stellig zijn er beroepsklagers en egoïsten die alleen maar met hun eigen zaak bezig zijn. Maar er zijn ook mensen die met reden over hun zaaksgerechtigheid beginnen in bepaalde conflicten. Ook zijn er genoeg mensen die er leed over dragen dat het recht in de kerk van Jezus Christus geschonden wordt. In veel kerkelijke verontrusting is meer aan de orde dan conservatisme en angst voor het nieuwe. Men roept om gehoor uit liefde voor de kerk. Daarover onze schouders op te halen of er zwijgend aan voorbij te gaan. zou treurig zijn.
3. Hoe waar het ook is dat het werk van God en Jezus Christus in de wereldgeschiedenis voor ons vaak raadselachtig blijft, toch kunnen wij van Ps. 7 gebruikmaken om veel ontwikkelingen in deze zondige wereld beter te begrijpen. Het kwaad kan van die aard zijn dat het zichzelf straft. Tirannen graven voor anderen het graf waarin zij zelf zullen vallen. Wij hebben dat ook gezien bij de ondergang van Hitler en bij het instorten van de communistische wereld. We kunnen dat ook met Schriftbewijs onderbouwen als we erop letten hoe hoogmoed en daardoor machtsmisbruik van een mens hem ten val brengt (Spr. 29,23). Het fenomeen van de hoogmoed van vorsten, die daardoor aan hun eigen ondergang meewerken, wordt vaak aangewezen (o.a. Jes. 10,12; 13,11; 23,9; 25,11; Dan. 4,32; Hos. 5,5; 7,10v; Am. 6,8.13v; Ob. 1,3.15).
7.5. VERANTWOORDING
Psalm 7 stelt de vertalers en uitleggers voor nogal wat moeilijkheden. Ik heb reeds op 7, 5b gewezen. St.Vert. en NBG vertalen vs. 5b als volgt: ‘ja, ik heb hem gered die mij zonder oorzaak benauwde’. Maar het is veel duidelijker hier met een kleine tekstwijziging niet ‘gered’, maar ‘beroofd’ te lezen (niet van het werkwoord ḥlṣ, maar van lḥṣ). Versdeel 5b vervolgt dan gewoon 5a, zoals in NBV: ‘(5) als ik goed met kwaad heb vergolden, of mijn belagers zonder reden heb beroofd, (6) laat dan, etc.
Voor de vertaling in 8b ‘bestijg hoog boven hen (nl. boven de volken) uw troon’ (NBV), die ik prefereer boven de NBG-versie, is een enigszins andere lezing van de Hebr. tekst (van šūvā naar šēvā) nodig.
Het begin van vs. 13 (Hebr.: ’im-lō’) kan conditioneel worden opgevat: indien niet. Zo NBG, N.H. Ridderbos e.a. in hun vertaling: indien iemand zich niet bekeert (Hebr.: šūv), dan wet Hij (God)het zwaard, etc. Maar men kan de geciteerde Hebr. woorden ook in deiktische zin vertalen met ‘voorwaar’ of iets dergelijks. Zo NBV die vertaalt: ‘Maar de vijand scherpt opnieuw (Hebr.: šūv!) zijn zwaard’. We hebben al gezien dat het meer voor de hand ligt niet aan de ‘vijand’, maar aan Jahwe te denken die zijn zwaard scherpt, etc. NBV geeft in een noot deze mogelijkheid ook aan.
PSALM 8
8.1. UITLEG
Psalm 8 is duidelijk een hymne, een lofpsalm, dat begint en eindigt (1,10) met dezelfde woorden van lof op de naam van Jahwe. Over de tijd van ontstaan en de situatie van het moment waarop deze psalm ontstaan is, valt weinig te zeggen. David heet de dichter van de psalm, die duidelijk een lof- en geen dankpsalm is. In het laatste geval zouden we het kunnen verbinden aan een reddende gebeurtenis uit het leven van de dichter. Zie hieronder 8.2 Algemeen thema (‘Lof- en dankpsalm’), waarin het onderscheid tussen lof- en dankpsalmen wordt uitgelegd.
In onderscheid van andere lofspalmen wordt in Ps. 8 niet uitdrukkelijk opgeroepen om Jahwe te prijzen. Het meervoud ‘onze’ Heer in de vss. 2 en 10 geeft aan dat de hymne niet individueel, maar collectief bedoeld is. Sommigen denken dat na de koorzang in de vss. 1-3 een solozanger (‘ik’) de vss. 4-9 reciteerde.
Het opschrift spreekt van ‘de wijs van de Gattitische’. Dit zal een muzikale aanwijzing zijn, waarvan de precieze vertaling en betekenis onduidelijk blijven. Dit opschrift vinden we ook boven de psalmen 81 en 84.
De indeling van Ps.8 is eenvoudig:
1) De dichter prijst de naam van Jahwe, die zich in de schepping vertoont (1-3)
2) Hij beschrijft de opmerkelijke positie van de mens in de schepping (4-9);
3) Hij rondt de psalm af zoals hij ermee begonnen is (10).
ad 1) Uit vs. 2 blijkt hoe belangrijk de naam van Jahwe is. Zoals Jakob de naam wilde weten van de man die met hem worstelde bij Peniël (Gen. 32,30), omdat deze man door zijn handelen een bijzondere indruk op Jakob had gemaakt, zo is het ook met de naam Jahwe. Al het werk dat God in de schepping verricht heeft, maakt zo’n indruk, dat men de naam ‘Jahwe’ gaat prijzen. Heel het scheppingswerk is eraan verbonden. De naam van Jahwe ligt als het ware in de schepping opgesloten.
Deze naam is niet alleen machtig op heel de aarde, maar vertoont haar majesteit ook aan de hemel. We moeten hier niet denken aan ‘boven’ het hemelgewelf (dus aan de hemel als Gods woonplaats), maar aan het firmament met maan en sterren, zoals uit vs. 4 blijkt.
In 8,3 geeft de uitdrukkingen ‘kinderen en zuigelingen’ moeilijkheden bij de uitleg. Moeten we hier echt aan kleine kinderen denken, of is die uitdrukking een beeld (metafoor)? Sommige uitleggers denken daarbij aan ‘kleinen’ in de zin van lijdende en weerloze mensen, die door hun volksgenoten verdrukt worden. Soms vindt men in de aanduiding ‘kinderen en zuigelingen’ ook het hele volk van Israël aangeduid, dat zwaar te lijden had onder vijandschap en wraak. Het zou dan niet gaan om fysiek hulpeloze kinderen, maar om sociaal onderdrukte mensen uit het volk Israël of het onderdrukte volk Israël als geheel. In deze betekenis zou Ps. 8 duidelijk gekoppeld kunnen worden aan vorige en volgende klaagpsalmen om uitredding. Geeft Jahwe juist aan de verdrukten niet zijn uitredding? En wordt er daarom niet gezegd in 8,3 dat Jahwe uit hún mond sterkte grondvest (NBG) of een macht opbouwt (NBV), die de vijand in hun wraak en verzet breekt?
Deze uitleg is aantrekkelijk, maar niet overtuigend. De psalm gaat niet over sociaal zwakke mensen, maar over de mens in het algemeen. De mens is slechts mens, maar let er eens op hoe hoog in aanzien hij bij Jahwe staat! Daarom ligt het meer voor de hand ook in vs. 3 deze gedachte terug te vinden en aan fysiek kleine kinderen te denken. Reeds op wat het kleine kind zegt over Jahwe, afgezien nog wat zo’n kind ervan begrijpt, bouwt Hij sterkte, of een burcht. Denk aan Spr. 18,10, waar de naam van Jahwe een sterke burcht genoemd wordt, waarin de rechtvaardige veiligheid kan vinden. Ook de kleinste mens is er veilig. Zelfs dit stamelen van kleine kinderen is in Jahwe’s oog sterker dan wat zijn tegenstanders in hun vijandschap en met hun wraakgevoelens proberen te bereiken. Het schijnbaar machtige optreden van Jahwe’s vijanden moet het afleggen tegen het getuigenis van de zwaksten onder de mensen.
Bij de vijand en de wrekers zullen we moeten denken aan vijandige mensen, die we in Psalmen zo vaak tegenkomen. Er is geen reden hier te denken aan vijandige machten die bij de schepping tegen God zouden hebben gestreden, zoals in menige verklaring van Psalm 8 beweerd wordt.
We volgen dus de letterlijke uitleg die we ook in Matt. 21,16 vinden, waar Ps. 8,3 wordt geciteerd en de kinderen, in onderscheid van volwassen priesters en schriftgeleerden, ‘Hosanna voor de Zoon van David’ roepen.
We moeten ons de groep ‘kinderen en zuigelingen’ ook niet al te jong voorstellen, alsof ze allen nog in de wieg liggen en nog geen woord kunnen uitbrengen. Het zogen duurde destijds langer dan tegenwoordig, zodat het kind al drie of vier jaar was voordat het gespeend werd. Het kon al enig besef hebben van de naam van Jahwe.
ad 2) In het tweede gedeelte van de psalm (4-9) wordt de overgang gemaakt van de kracht van de naam van Jahwe naar de mens, die in Jahwe’s scheppingswerken zo’n hoge plaats ontvangt. Wie opkijkt naar de hemel en daar de maan en de sterren ziet, moet zich verbazen over het feit dat Jahwe aan de mens denkt en naar het mensenkind omziet. Deze beide aanduidingen voor de mens zijn hier gelijk in betekenis. De mens en zijn nageslacht zijn zwak en nietig, vergeleken met wat we om ons heen zien op aarde en ’s nachts aan het hemelgewelf kunnen bewonderen.
In deze zwakheid van de mens (Hebr.: ēnōsj) ligt ook zijn sterfelijkheid besloten, zoals o.a. uit Ps. 103,15 blijkt: ‘de mens – zijn dagen zijn als het gras’. De zon wordt in dit verband niet genoemd, omdat de dichter naast Jahwe’s naam op aarde (vs. 2) nu op die naam aan de hemel wijst, nadat de duisternis is ingevallen.
Jahwe ‘denkt’ aan de mensen, d.w.z. Hij vergeet hen niet, maar helpt en redt hen, zoals ook opgesloten ligt in de vermelding dat Jahwe naar de mens ‘omziet’.
Het wonderbaarlijke bij Jahwe is dat Hij niet alleen om de nietige mens geeft, maar aan hem zijn eigen scheppingswerk ook nog in handen heeft gegeven en alles aan zijn voeten heeft gelegd om erover te heersen (6v). Daardoor kan de dichter van de mens zeggen dat Jahwe hem bijna ‘goddelijk’ of bijna ‘een god’ heeft gemaakt.
De hoge plaats die Jahwe aan de mens heeft gegeven, herinnert ons aan Genesis 1. De mens is naar Gods beeld geschapen en heeft daardoor veel met God gemeen. Wij denken dan aan het regeren van de mens over de wereld die God geschapen heeft en waarover Hij het bestuur toevertrouwt aan de mensen. Een onderkoning lijkt op de koning zelf. Het koninklijke wordt vermeld in de woorden: U hebt hem gekroond met ‘macht’(Hebr.: kāvōd) en ‘luister’.
Het is opvallend dat, wat in het oude Nabije Oosten alleen van koningen (die als godenzonen beschouwd werden) te zeggen viel, hier in Psalm 8 op de mens in het algemeen betrokken wordt.
In de vss. 8 en 9 wordt de macht van de mens nader uiteengezet. Hij ontvangt heerschappij over de dieren. Deze heerschappij gaat niet alleen over de tamme dieren, waarvan de mens de melk, de wol en het vlees gebruikt: schapen, geiten en al het vee. De mens is ook in staat over de dieren in het wild (zoals de Willebr.Vert. 1995 terecht vertaalt) te heersen en te beschikken. Verder oefent de mens zijn macht uit over de vogels aan de hemel, de vissen in de zee, die ‘de paden van de zeeën doorkruisen’. Is dat laatste alleen een nadere bepaling bij alle vissen, of wordt ook hier de wilde variant van de zeedieren genoemd, nl. de zeemonsters, zoals ze in Gen. 1,21 voorkomen? Dat is moeilijk met zekerheid te zeggen. In elk geval moeten we niet aan de menselijke scheepvaart denken. De heerschappij is er een over alle dieren.
ad 3) Het slot van de psalm (vs. 10) lat vs. 2 terugkeren. Dit herinnert ons er nog eens aan dat het om Jahwe gaat in deze psalm en Hij alle lof ontvangt, ook al worden er verheven dingen over de mens gezegd. De grootheid van de mens is een geschenk, dat nooit los te denken valt van zijn ‘natuurlijke’ menselijke nietigheid.
8.2. ALGEMEEN THEMA
Lof- en dankpsalm
In Psalm 8 maken we kennis met het genre psalmen dat het meest beantwoordt aan wat we letterlijk onder Psalmen moeten verstaan, nl. lofpsalmen (Hebr.: tehillīm), waarin Jahwe geprezen wordt om wie Hij is en wat Hij gedaan heeft. We tellen ruim 30 lofpsalmen.
Om het karakter van deze lofpsalmen goed te leren kennen, gaan wij ze onderscheiden van dankpsalmen. In een dankpsalm brengt de enkeling of ook het volk God dank voor een speciale redding of voor een bijzondere gave, die Hij geschonken heeft.
Lang niet altijd is het verschil tussen loven en danken duidelijk. Toch is het goed aan het onderscheid tussen beide vast te houden. Gaan we even terug naar Ps. 7, dan zien we dat in deze klaagpsalm Jahwe om uitredding gevraagd wordt. Komt die uitredding er, dan zal de dichter Jahwe loven om zijn rechtvaardigheid en de naam van de Allerhoogste bezingen (7,18). Eerst de bevrijding en dan de daarbij horende dankpsalm en het eventuele dankoffer! Letten we vervolgens op Psalm 8, dan is dat puur een lofpsalm op Jahwe’s grootheid als Schepper, zonder dat we hier aan een dankpsalm voor een bijzonder reddend ingrijpen van Jahwe moeten denken.
Dergelijke lofpsalmen noemen we ook hymnen. Ze kunnen de lof bezingen over Gods majesteit in de schepping (Ps. 19; 29; 93; 104). Ze kunnen ook gericht zijn op Jeruzalem (Sion) waar Jahwe woont en van waaruit Hij zijn volk en de wereld bestuurt (o.a. Ps. 46; 76; 87). Speciaal zijn koning-zijn kan tot een lofpsalm leiden (Ps. 47; 93; 96-99).
Terwijl er in klaagpsalmen elementen kunnen voorkomen die lof brengen aan Jahwe, zijn er ook psalmen die in hun geheel dankpsalmen zijn. Men dankt Jahwe voor de verlossing die Hij gaf. Zo voor zijn vergeving van schuld (Ps. 32; 103), zijn uitredding uit de greep van vijanden (Ps. 30; 118), zijn genezing uit ziekte en ander doodsgevaar ( Ps. 41; 116), of voor een goede oogst (Ps. 67).
Het is te begrijpen dat, evenals in de klaagpsalmen, ook in de lof- en dankpsalmen naast de enkeling het volk als geheel z’n stem kan verheffen. Zo begint de dichter van Ps. 103 en 104 met: ‘Prijs de HEER, mijn ziel’. Maar naast de ‘ziel’ worden ook de zon, maan, sterren, en de bewoners van de aarde of hun koningen opgeroepen Jahwe te prijzen (bv. Ps. 148).
Er is op gewezen dat er minder dank- dan klaagpsalmen zijn. Hermann Gunkel, die zeer veel heeft bijdragen aan het indelen van de psalmen-in-soorten, zal het bij het rechte eind hebben als hij zegt dat wij in onze menselijke armzaligheid gauwer geneigd zijn te klagen dan te loven en te danken. De Israëlitische vroomheid steekt overigens nog gunstig af bij die van de Babyloniërs, die opvallend weinig dankliederen voor hun goden kenden.
8.3. VAN OT NAAR NT
Ps.8 is door drie citaten in het NT zeer bekend. De ‘kinderen en zuigelingen’ uit deze psalm worden door Jezus aangehaald tegenover de hogepriesters en schriftgeleerden, die zeer verontwaardigd waren toen kinderen tijdens zijn intocht in Jeruzalem Hem toeriepen: ‘Hosanna voor de Zoon van David!’ (Matt. 21,16v). De tekst die Jezus gebruikt, gaat terug op de Septuaginta-vertaling, die in onderscheid van de Hebr. tekst niet van het grondvesten van sterkte, maar van het bereiden van lof spreekt. Dat laatste is begrijpelijk omdat we uit de mond van kinderen eerder het loven dan het funderen van sterkte kunnen verwachten. Het een hoeft het ander niet uit te sluiten, als we ervan uitgaan dat het loven van Gods naam als Schepper of van Jezus’ naam als Verlosser invloed, uitwerking of macht heeft in Gods ogen.
In het tweede citaat, nl. Hebr. 2,6v, wordt Ps. 8,5-7 zo uitgelegd, dat het daarin genoemde ‘mensenkind’ de Mensenzoon Jezus is, aan wiens gezag God alles onderworpen heeft. Wij zien dat laatste nog niet, zegt Hebreeën. maar we zien Jezus die voor korte tijd lager dan de engelen geplaatst was, opdat door zijn dood Gods genade iedereen ten goede zou komen, terwijl Hij nu met ‘eer en luister’ gekroond is 2,8v).
Deze lezing in Hebr.2 is een vrije weergave van Ps. 8. Staat in Ps. 8 dat de mens bijna goddelijk is gemaakt, Hebr. 2 sluit zich bij de Septuagint-vertaling aan door over de mens te spreken die ‘voor korte tijd’ onder (in de zin van: lager) de engelen geplaatst is. In Ps. 8 gaat het erom dat de mens God zeer dicht naderde door de hoge positie die hem door God geschonken werd. Daarom maakt het zakelijk niet zoveel uit of wij de mens bijna ‘een god’ of bijna een ’engel’ noemen. In beide gevallen gaat het om de goddelijke kring waartoe de mens bijna behoorde. Bijna, maar toch ook weer niet, omdat hij sterfelijk is. Dat onderscheidt hem van God en van de engelen.
De grootste verandering ten opzichte van Ps. 8 is echter de christologische uitleg van deze psalm in Hebr. 2. Het ‘mensenkind’ wordt hier de Zoon van de mens, die eerst God was, hoger dan de engelen (Hebr. 1, 5-14), maar ‘voor een korte tijd’ lager dan de engelen geplaatst werd (Hebr. 2, 5vv). Het bijna goddelijk zijn in Ps. 2 verandert in Hebr. 2 zodanig, dat de Mens Jezus Christus tijdelijk (temporeel dus) lager werd dan de engelen. De mens van Ps. 8 met zijn heerschappij over de dieren verandert in de mens Jezus Christus, die thans niet meer lager dan de engelen is. Hij bleek God zelf te zijn, die na zijn menswording, lijden en sterven alle macht heeft ontvangen.
Deze concentratie op de mens Jezus Christus vinden we ook in 1 Kor. 15,27 en Ef. 1,22, waar Paulus teruggrijpt op Ps. 8. Het betreft hier een citaat uit Ps. 8,7, waar over de mens gezegd wordt dat Jahwe ‘alles aan (onder) zijn voeten gelegd heeft’. Onder dat ‘alles’ moet dan volgens Paulus ook de dood vallen, als de laatste vijand die vernietigd wordt (1 Kor. 15,26v). Deze alles onderwerpende macht van Jezus Christus ziet Paulus in Hem als het hoofd van de kerk, die zijn lichaam is (Ef. 1,22).
We kunnen op grond van deze gegevens zeggen dat het NT zich minder op de menselijke grootheid richt dan de oudtestamentische psalm. Ps. 8 begint en eindigt met de lof op God. Alle nieuwtestamentische citaten van de psalm richten zich op Jezus Christus en op de komende wereld, waarin de dood is overwonnen en Hij, geheel verbonden aan de kerk, zal laten zien wat wij nu nog niet zien: de algehele onderwerping van alles aan zijn macht (Hebr. 2,9).
8.4. VOOR VANDAAG
1. De nieuwtestamentische vervulling van Ps. 8 in Jezus Christus hoeft de oudtestamentische aandacht in deze psalm voor de hoge positie van de huidige mens in de schepping niet te laten verbleken. Wie over de mens als beeld van God nadenkt, kan niet voorbijgaan aan Gen. 1 en Ps. 8 in hun ook nu nog geldende betekenis. Maar Ps. 8 heeft een spits die niet cultureel, maar religieus gericht is, nl. op de lof die aan God en aan Jezus Christus toekomen. Geseculariseerde cultuur is ongehoorzaamheid aan God. De mens wordt te paard gezet, terwijl zijn kleinheid als schepsel geen rol meer speelt.
2. Als zelfs de kleinste mensen voor God een kracht betekenen en niet alleen een koning in Israël dichtbij God stond, zoals gedacht werd in Israëls omgeving, vraagt dat om respect voor elk menselijk leven.
3. Het moet ons opvallen dat er aan de mens wel macht wordt gegeven over de dieren, maar dat in Ps. 8 geen sprake is van de macht die de ene mens over de andere heeft. Komt die macht in het boek Psalmen in het vizier, dan is het juist de taak van de koning zich het lot van de armen en verdrukten aan te trekken (o.a. Ps. 72).
4. Als Ps. 8 over de plaats van de mens binnen Gods schepping gaat, waarom is er dan geen sprake van zijn zondeval? Kun je over de mens als beeld van God spreken zonder dat je zijn val in zonde verdisconteert? Mijn antwoord: zoals een klaagpsalm nog niet betekent dat het bestaan van de mens beklagenswaard is, zo is Ps. 8 als lofpsalm nog geen bewijs dat de mensen, onder wiens voeten God zijn schepping heeft gelegd, alleen maar lofwaardig te werk gaan. Ook in het OT wist men dat natuurlijk al heel goed. Maar niet alles staat in een en dezelfde psalm. Wel blijkt uit Ps. 8 dat er sprake van vijanden is (8,3), zodat onze psalm niet over een paradijselijke wereld gaat.
Wie zich uitvoerig over de mens als beeld van God wil laten voorlichten, moet meer lezen dan Gen. 1 en Ps. 8. Uit Ps. 8 valt al te raden dat de mens, die dieren en mensen vertrapt. of in hoogmoed zijn weg gaat (zie aant. onder Ps.7.4 over hoogmoed), Gods naam niet zal prijzen.
5. Wij mogen in onze waardering ook eenzijdig zijn. De bergen, zeeën, de gevarieerde dierenwereld en het hemelgewelf blijven indrukwekkend, ook al valt ons in andere opzichten (bv. in de milieuvervuiling) op hoe de mensen Gods schepping schenden. Waarom zouden we ons, nog meer dan de dichter van Ps. 8, niet mogen verheugen over allerlei technische ontwikkelingen, waarvan men in de tijd van Ps. 8 nog niet kon dromen, bv. over het zetten van de eerste stap in het wereldruim? Dit blijft allemaal mogelijk en ook positief te waarderen, als wij met Ps.2 niet verzuimen de naam van God en van Jezus Christus prijzen.
8.5. VERANTWOORDING
De eenheid van dankpsalm en dankoffer komt ook uit in hetzelfde woord dat het Hebreeuws voor beide gebruikt (tōdā) van het werkwoord jdh (hi.) prijzen en danken betekent.
Voor het kleinere aantal dankpsalmen in verhouding tot de klaagpsalmen, zie H. Gunkel/J. Bergrich, Einleitung in die Psalmen , Göttingen 1933, 284. De mooie gedachte van de dankbaarheid jegens God (‘Vergiss es nicht, o Herze mein’), is volgens Gunkel eerst op Israëlitische bodem zichtbaar geworden. Maar, zo vervolgt hij: ‘ook hier was deze vermaning niet overbodig’!
De vertaling ‘op de Gittit’(NBG) of ‘op de wijs van de Gattitische’ gaat terug op een Hebr. woord dat niet alleen met Gat, maar ook met ‘wijnpers’ kan worden weergegeven. Zo denkt men soms bij Ps. 8 aan een dankpsalm bij de wijnoogst. Anderen zien in de vermelding van de plaats Gat een verwijzing naar de reus Goliat die het moest afleggen tegen David, een ‘kind’ (vgl. 8,3!). Zie F.M.Th. Böhl, De Psalmen, Groningen 1946, in zijn verklaring van 8,1. Hij acht het mogelijk dat we aan de melodie uit 1 Sam. 18,7 moeten denken, waarop David werd bejubeld na zijn overwinning op Goliat. J.M. Brinkman, Psalmen I, Kampen 1995,53 vermeldt dat Joodse uitleggers aan de Gatiet Obed-Edom uit 2 Sam. 6,15vv denken, bij wie de ark tijdelijk verbleef. Ps. 8 zou gedicht zijn toen David de ark naar Jeruzalem bracht. Weer anderen denken bij Gittit aan een muzikaal instrument uit Gat. We zien ook hier weer: veel veronderstellingen en geen duidelijkheid!
De vertaling (en betekenis) van 8,2 geeft moeilijkheden. We kunnen vertalen: ‘boven’ (Hebr.: ‘al) de hemel, maar hier zal het zijn: boven aan, langs de hemel in de betekenis van hemelgewelf. Vgl. Gen. 1,20. De Hebr. imperatief (tenā, lett. ‘geef) past hier niet. Ik lees met vele vertalingen de indicatief (Hebr. nātattā): U, die uw majesteit toont, of iets dergelijks.
Voor de opvatting van de ‘kinderen en zuigelingen’ als metafoor voor weerloosheid en onderdrukking, zie o.a. E. Zenger Psalmen I, Freiburg 1996,208v.
Er is verschil van mening of in vs. 6 de vraag van vs.5 (wat is de mens…?) nog doorloopt, of dat vs. 6 reeds het antwoord geeft. In het eerste geval kan men vertalen: Wat is de mens, dat u aan hem denkt, en het mensenkind….6. en dat U hem bijna goddelijk doet zijn en met heerlijkheid…kroont? Dat is grammaticaal met de gebruikte Hebr. waw consecutivum verklaarbaar. Zo bv. H.N. Ridderbos, De Psalmen, 118. Maar NBG en NBV zetten een punt achter vs. 5 en vertalen vs. 6 : U hebt hem bijna goddelijk (of: een god) gemaakt, etc. In die vertaling komt beter uit dat er aansluiting is bij Gen. 1 (de schepping van de mens).
Het feit dat de mens zwak en sterfelijk is, is niet typisch aan het Hebr. woord ’ènōš verbonden, omdat ook het meer bekende woord ’ādām op de mens als zwak en sterfelijk kan wijzen. Zie TWZAT I,374 (F. Maass).
PSALM 9 en 10
9/10.1. UITLEG
Ps. 9 en 10 kunnen we als één psalm beschouwen. In de Hebr. tekst vormen zij een alfabetische psalm of acrostichon. De eerste letters van de psalmregels (in dit geval van twee psalmen) zijn geordend naar het Hebr. alfabet. Zie verder onder 9.2
Als Ps. 9 en 10 één psalm vormen, hoe kunnen we de psalm dan typeren? Het eigenaardige geval doet zich voor dat Ps. 9 sterk aan een dankpsalm en Ps. 10 aan een klaagpsalm doet denken. Dat is voor menige verklaarder dan ook de reden toch twee psalmen te onderscheiden. Maar dat hoeft niet, als we ervan uitgaan dat het danken in (met name) Ps. 9,1-13 is bedoeld om aan het smeken en klagen wat erop volgt kracht bij te zetten. Iets soortgelijks ontdekken we in Ps. 44 en 89.
De betekenis van het opschrift ‘Op de wijs van De dood van de zoon’ blijft onduidelijk. Wel ligt het voor de hand eerder aan een melodie dan aan de gebeurtenis zelf van de dood van iemands zoon te denken. De lofprijzing in Ps. 9,2vv kan gemakkelijker met een melodie dan met een sterfgeval verbonden worden.
Ook over de tijd waarin Ps. 9 en 10 geplaatst moeten worden, is geen zekerheid. De ene verklaarder denkt aan situaties vóór de ballingschap, de andere aan omstandigheden van na die ballingschap. Volken spelen een rol, steden liggen in puin en een mooi verleden staat tegenover een moeilijk heden. Dat zou inderdaad goed passen in een na-Babylonische tijd, waarin het volk van de Joden opnieuw in grote problemen kwam. We hebben al gezien (onder 3.2) dat een psalm die op naam van David staat, niet altijd van hem afkomstig hoeft te zijn.
De inhoud van de beide psalmen kan in de volgende onderdelen besproken worden:
1) De dichter prijst Jahwe, die in het verleden zo bijzonder heeft geholpen (9,1-13);
2) Hij vraagt Jahwe daarom ook nu weer om redding (9,14-10,14);
3) Hij vertrouwt erop dat Jahwe de zijnen zal redden en hun vijanden zal straffen (9,14-18).
Het is moeilijk ps. 9 en 10 samen een klaagpsalm te noemen. In de drie hierboven onderscheiden onderdelen, is de stemming verschillend: 1) de dichter prijst Jahwe, 2) hij klaagt bij Jahwe en 3) hij vertrouwt op Jahwe.
ad 1) In het eerste gedeelte (9,1-13) looft de dichter met heel zijn hart Jahwe. Het vertellen van Jahwe’s wonderdaden en het bezingen van zijn naam (9,2v) heeft hier vooral betrekking op de geschiedenis die Jahwe met zijn volk gegaan en niet op wat Ps. 8 over de naam van Jahwe in de schepping heeft gezegd. Jahwe heeft Israël uit Egypte geleid en daarna talloze andere uitreddingen gegeven. De majesteit die Hij ten toon heeft gespreid als de Allerhoogste (vgl. 7,18), zal de dichter er zo meteen toe brengen om Jahwe ook nu te vragen om in te grijpen, nl. in de situatie waarin hijzelf verkeert.
Zowel NBG als NBV denken in 9,4 dat de vijanden nu, op dit moment terugdeinzen. Maar gelet op het vervolg laat de dichter juist merken (9,10vv) dat hij om een optreden van Jahwe tegen zijn vijanden vraagt. Het ligt meer voor de hand dat hij teruggrijpt op wat ook hemzelf reeds is overkomen: Jahwe heeft zijn vijanden laten terugdeinzen, ten val gebracht en voor zijn aangezicht te gronde laten gaan. Hij kwam toen voor de rechten van de dichter op en zat op zijn rechterstoel (9,5).
Wat de dichter in de ik-stijl zegt, blijkt vervolgens van veel groter omvang te zijn dan zijn persoonlijke omstandigheden: Jahwe dreigde volken en wiste de namen van goddelozen voor altijd uit. De vijanden werden zó verslagen dat hun naam – in tegenstelling tot die van Jahwe zelf – voor altijd werd uitgewist en hun steden voor altijd tot puinhopen werden (9,5-7). Dit doet ons denken aan de vernietiging van volken bij de verovering van Kanaän en van het volk van Amalek, met uitwissing van diens naam (Ex. 17,14; Deut. 25,19). Anderen die Ps. 9 en 10 veel later in de tijd plaatsen, denken aan de ondergang van grootmachten als Assyrië, het Nieuw-Babylonische rijk en de val van steden als Nineve en Babel.
Tegenover deze uitschakeling van volken en steden verrijst het beeld van Jahwe die voor eeuwig zetelt en zijn rechterstoel heeft geplaatst om recht te spreken. Hij oordeelt over de wereld op rechtvaardige wijze en spreekt over de volken zijn rechtmatig vonnis uit (9,8v).
In de vss. 10 en 11 gaat de lofprijzing over in een wens, die m.i. al aankondigt dat de situatie waarin de dichter verkeert, moeilijk is. Moge Jahwe een burcht zijn voor de verdrukte, in tijden van nood! Dat is Hij voor allen die bij Hem schuilen, zoals vorige psalmen al duidelijk maakten (2,12; 4,9; 5,12; 7,2; 8,3). Maar altijd klinkt weer de roep aan Jahwe om dit ook nu te tonen. Zij die de naam van Jahwe kennen, vertrouwen op Hem, en wie Hem zoeken laat Hij toch nooit in de steek?
Dat ontlokt aan de dichter opnieuw een lofprijzing. Laat men Jahwe bezingen, die in zijn tempel op de berg Sion woont (9,12v)! Niet alleen Jahwe’s volk, maar ook de andere volken moeten van Jahwe’s daden weten. Hij wreekt immers het bloed van hen die onschuldig ter dood gebracht zijn. Zulke slachtoffers vergeet Hij niet, evenmin als het geschreeuw van de zwakken.
ad 2) Daarmee zijn we bij het tweede gedeelte van Ps. 9 en 10 aangekomen (9,14-10,14), Daarin wordt het duidelijk wat de dichter heeft bewogen Jahwe zo uitbundig te prijzen. Wat hij bezongen heeft, is voor hem de grond onder zijn eigen smeekbede, waarmee hij Jahwe tegemoet durft te treden: ‘Wees mij genadig’ (9,14). Het lofpsalm draagt het gebed, het gebed bevestigt de waarheid van het lofpsalm (J.J.P. Valeton). Nog sterker gezegd: de wonderbare reddingen in het verleden, maken het onbegrijpelijk dat Jahwe niet ook heden ingrijpt!
Het gebed is in 9,14 persoonlijk (wees mij genadig), maar uit het vervolg wordt duidelijk dat het niet alleen om de dichter, maar om een collectief gaat : de armen, de ootmoedigen, de wees, en mogelijk het volk als geheel, in hun ellendige omstandigheden.
Allereerst vraagt de dichter om genade in de ellende, die zijn haters hem berokkenen. Het argument dat hij daarvoor gebruikt, kennen we inmiddels al: hij bidt dat Jahwe hem zal opheffen uit de poorten van de dood (hij staat al met één been in het graf), zodat hij weer in staat zal zijn Jahwe’s roemrijke daden te vertellen en in de poorten van de ‘dochter van Sion’(Jeruzalem, in of bij de tempel) over zijn redding te jubelen (9,14v). In het dodenrijk zal hij dat niet meer kunnen. De dichter is de psalm begonnen met Jahwe’s wonderen te verhalen (9,2), nu hoopt hij op uitredding, zodat hij die wonderen kan blijven verhalen (9,15; vgl. 6,6).
Ook de volgende passage (9,16-19) werkt met een ons reeds bekend motief (vgl. 7,15vv): De volken vallen in de kuil die zij (voor anderen) groeven en raken met hun voet verstrikt in het net dat zij zelf (voor anderen) hebben gespannen. Dat gaat niet automatisch, want de dichter ziet daarin Jahwe aan het werk. Door Jahwe’s hand raakt de goddeloze verstrikt in z’n eigen werk. De goddelozen ‘keren terug’ naar het dodenrijk, d.w.z. zij gaan daarheen waar zij thuishoren. Dat geldt voor alle volken die God vergeten zijn (9,18). NBG vertaalt dat de goddelozen omkeren naar het dodenrijk. Ook die vertaling is mogelijk, in de zin van: zij keren zich bewust van God af naar het dodenrijk toe.
Let erop dat deze volken God – niet Jahwe – vergeten zijn. Het zijn heidense volken, zonder band aan Jahwe. Toch zijn zij schuldig, want zij hebben God vergeten.
Geheel anders gaat het met de arme mens die bij Jahwe schuilt. Hij wordt niet vergeten, hij hoeft zijn hoop nooit te laten varen (9,19).
Na dit korte intermezzo (9,16-19), waarin de dichter zijn vertrouwen laat blijken dat hij op een goede afloop voor zichzelf en voor alle rechtvaardigen heeft, herhaalt hij zijn roep om hulp nog krachtiger: ‘Sta op HEER, laat de macht niet aan mensen, laat de volken voor uw aangezicht berecht worden!’. Jahwe zit als rechter (9,5), maar Hij moet ook opstaan om in te grijpen en toe te slaan (9,20). Wat mensen – ook rechtvaardige mensen – niet kunnen, vraagt de dichter nu dringend van Jahwe. Hij moet de volken schrik aanjagen, zodat ze doorkrijgen wie ze zijn, nl. zwakke en sterfelijke mensen. Het woord dat voor ‘mens’ gebruikt wordt, vonden we ook al in Ps. 8,5: wat is de mens dat u aan hem denkt?
Wat nu volgt, is een klaagzang over het feit dat Jahwe op verre afstand blijft staan en zich verbergt in tijden van nood (10,1), terwijl de goddelozen hun gang gaan (10,2vv). In hun hoogmoed vervolgen deze goddelozen de armen en ellendigen. Meteen bidt de dichter dat zij in de (boze) plannen die zij bedenken, verstrikt mogen raken. Een gedachte die al eerder in deze psalm verwoord werd (9,16v) en die we ook al in 7,16v vonden. Jahwe moet zelf ingrijpen, wil de vijand in de kuil vallen die hij voor anderen gegraven heeft.
De goddeloze echter pocht op zijn begerige plannen, hij is blij met de woekerwinsten die hij boekt en … veracht Jahwe (10,3; vgl. Spr. 30,9). Tegelijk met zijn constatering dat de goddeloze Jahwe veracht, zal de dichter denken: waarom grijpt Jahwe dan niet in?!
Dit verachten van Jahwe leidt tot wat we noemen een ‘praktisch atheïsme’. De goddeloze uit die tijd zal nog niet ontkennen dat God er is (theoretisch atheïsme), ook al beweert hij met z’n neus in de lucht (NBG) dat er geen God is (10,4). Maar omdat God niet direct ingrijpt, gaat hij rustig z’n gang. God vraagt immers toch geen rekenschap?!
Dat de dichter daar anders over denkt, blijkt uit wat er nu volgt (10,5-7). Het gaat de goddeloze in alles wat hij onderneemt voorspoedig en Gods geboden raken hem niet. Ze zijn hem te ver en te hoog. Hij spuwt op iedereen die zich tegen hem keert. Tot bezinning komt hij niet. Hij blijft bij zichzelf denken dat zijn positie nooit (NBG: van geslacht tot geslacht) kan wankelen (10,6). Zijn mond is vol vloek, bedrog en onderdrukking. Onder zijn tong huizen onrecht en slechtheid (10,7).
Hoe geniepig de goddeloze bezig is, vertelt 10,8. Hij ligt in hinderlaag op stille plaatsen (NBV) of bij de gehuchten( NBG), of achter de muur (WV95). Verborgen voor het oog van anderen doodt hij onschuldigen en is hij altijd op de loer naar weerloze mensen.
In 10, 9-10 wordt het bespieden, dat blijkbaar kenmerkend is voor de goddeloze of boze mens, nog verduidelijkt met het beeld van een leeuw. Dit dier ligt in het struikgewas op de loer naar zijn prooi. Hij probeert wat weerloos is te grijpen en in een net te vangen.
Hier verspringt het beeld even van de leeuw naar de jager, die met een net probeert zijn prooi te verschalken (9,9). De leeuw bukt zich, duikt ineen en … de zwakken vallen in zijn klauwen (9,10).
De vertaling van vs. 10 (NBG) die ik hier volg, staat lang niet vast. Zo laat NBV niet de leeuw, maar het slachtoffer buigen en ineen duiken.
Opnieuw laat de dichter de goddeloze mens denken dat God vergeet wat hij (de goddeloze) doet. God wendt zijn blik af en … vergeet voorgoed wat er gebeurt (10,11)!
Deze gedachte is voor de dichter zo onverdraaglijk, dat hij opnieuw met kracht uitroept: ‘sta op, Jahwe, hef uw hand op, o God (om toe te slaan), vergeet de ellendigen niet!’ Het mag toch niet zo zijn dat de goddeloze u veracht en kan denken, dat u geen rekenschap van zijn optreden vraagt (10,13)?
ad 3) Uit het derde deel van onze klaagpsalm wordt duidelijk dat de dichter niet blijft steken in klagen, maar eindigt in het vertrouwen dat Jahwe zal ingrijpen (10,14-18).
God ziet en peilt de moeite en het verdriet van de zwakke en de wees wel degelijk, ook al denken de goddelozen dat Hij de ravage die zij hebben aangericht, niet ziet (10,14). Jahwe legt deze moeite en dit verdriet in zijn hand. Hier staat niet dat de zwakken en ellendigen hun nood in Gods handen moeten leggen, maar dat God zelf hun moeite in zijn hand neemt. Waarom doet Hij dat? Hij weegt hun moeite en verdriet. Van vergeten is geen sprake. En met de hand waarin Hij hun nood gelegd heeft, zal Hij krachtig toeslaan. Weerloze mensen vertrouwen op Hem en voor wezen is Hij de (enige) helper (10,14b). Verbreek daarom, aldus de dichter, de arm van de boze en de slechte mens! En dan zo radicaal dat, als u zou zoeken naar zijn boosheid, u die (daarna) niet meer kunt vinden (10,15)!
Jahwe is koning voor ‘eeuwig en altijd’. Dit houdt in dat de (vijandige) volken verdwijnen uit zijn land, d.w.z. uit Israël (10,16). Hier brengt de dichter zijn vertrouwen op God onder woorden. God is koning en dus verdwijnen de goddelozen en de goddeloze volken die zich van het land van God meester hebben gemaakt. Jahwe luistert naar (en verhoort!) de wens van de zwakken of nederigen. ‘U sterkt hun hart, uw oor luistert scherp toe’ (10,17) om recht te doen aan de wees en de verdrukte. De wees is in 10,14 al genoemd en komt in de psalmen vaker voor. God wordt zelfs ‘vader van wezen’ genoemd (Ps. 68,6).
Het gevolg van Gods opkomen voor allen die zwak zijn, zal ertoe leiden dat geen mens-uit-de-aarde, zwak als hij is, hen nog schrik kan aanjagen (10,18).
9/10.2. ALGEMEEN THEMA
Alfabetische psalmen
Een aantal psalmen vertoont de bijzonderheid dat de eerste letter van een regel of van een aantal regels het Hebr. alfabet volgt. We noemen een dergelijke alfabetische psalm ook acrostichon (meervoud: acrosticha). Dit uit het Grieks samengestelde woord betekent dat de ‘uiterste’ (eerste) letter van een versregel (Gr.: stichos) of van een aantal versregels samen met andere letters het Hebr. alfabet vormen. Het alfabet loopt bij ons van a tot z en in het Hebreeuws van alef tot tau. Dit alfabet heeft 22 tekens. In oudere uitgaven van de Bijbel, o.a. de Statenvertaling (SV) en bv. in de Willebrordvertaling 1995 en de Herstelde Statenvertaling (HSV 2010) is dat alfabet nog afgedrukt. Merkwaardig is dat in SV en HSV het acrostichon van Psalm 9 en 10 niet en van de andere alfabetische psalmen wel is afgedrukt.
We kunnen het acrostichon toelichten met ons Wilhelmus, waarvan de eerste letters van elk couplet samen de naam WILLEM VAN NASSOV vormen. In dat geval gaat het niet om de weergave van het (Nederlandse) alfabet, maar om de vorming van een naam.
In Psalm 9/10, 25,34,37,111,112,119 en 145 hebben we met alfabetische psalmen te maken. Verder komt het acrostichon nog in Klaagpsalmen 1-4 en in Nah. 1,1-8 voor.
Elke alfabetische psalm heeft weer z’n eigenaardigheden, die we het beste bij de bespreking van de betreffende psalm aan de orde kunnen stellen. Niet altijd vinden we het hele Hebr. alfabet terug. Wat Ps. 9 en 10 betreft valt op te merken dat de alfabetische volgorde in de ons overgeleverde tekst gebrekkig is. Er ontbreken een aantal letters aan het alfabet. Dat zal erop wijzen dat de oorspronkelijke tekst langer geweest is dan die wij nu hebben.
De vraag rijst waarom dergelijke alfabetische psalmen gedicht zijn. Het zullen echte studeerkamerproducten geweest zijn. Men plaatst in zo’n geval immers eerst de letters van het alfabet om daaraan de regels te verbinden die bij de letters van het alfabet aansluiten. Dat heeft sommige uitleggers ertoe gebracht om dergelijke psalmen erg kunstmatig te vinden. Vanwege de toevalligheid van het alfabet zou de inhoud aan elkaar geregen zijn en weinig samenhang vertonen. Dat is een veel te hard oordeel. In Ps. 9 en 10 is een weloverwogen plan te ontdekken, zoals ik hierboven heb trachten aan te geven.
We moeten niet te veel achter het acrostichon zoeken, bv. door met Franz Delitzsch van de alfabetische letters een trap te maken, waarlangs de leerling naar het ‘heiligdom van de wijsheid’ wordt geleid. Eenvoudiger is het te denken aan een middel om een psalm in het geheugen te prenten, zoals ook het acrostichon van het Wilhelmus ons een steuntje biedt om te weten hoe de coupletten beginnen.
9/10.3. VAN OT NAAR NT
Om de slechtheid en de verlorenheid van de mens te onderstrepen beroept Paulus in Rom. 3,13 zich op Ps. 5,10, zoals we bij die psalm reeds hebben gezien. Maar hij citeert in Rom. 3,14 ook Ps. 10,7. We moeten bedenken dat Paulus met het citeren van zowel Ps. 5 als Ps. 10 geen onderscheid maakt tussen de goddelozen en de rechtvaardigen. Dat doen die beide psalmen wél. In Rom. 3 worden alle mensen onder het goddelijk oordeel geplaatst. Alle mensen – zowel Joden als heidenen – zijn verloren, als ze door geloof niet aan Christus verbonden worden. Gelet op het vervolg van zijn betoog zegt Paulus zeker niet dat de oudtestamentische gelovigen verloren zijn. Denk aan wat Rom.4 en Rom. 9-11 over Abraham en de oudtestamentische uitverkiezing zeggen.
Verder kunnen we bij Ps. 9,9, dat spreekt van Gods oordeel over de wereld en over de volken, denken aan bv. Hand. 17,31 en aan wat Openb. 19,11vv over de dag van het rechtvaardig oordeel zegt.
Wat Jak. 1,27 over de zuivere godsdienst zegt – weduwen en wezen bijstaan in hun nood – is een duidelijke navolging van Gods aandacht voor de zwakke en de wees, zoals we die in Ps. 10,14 vinden.
Ook zonder dat er tekstueel in het NT directe verbanden met Ps. 9 en 10 zijn aan te wijzen, kunnen we op overeenkomsten wijzen. Ps. 9,18 zegt dat de (heiden)volken God vergeten zijn. Die gedachte vinden we terug in Rom. 1, 18vv, waar van Gods toorn over de heidenen gesproken wordt. De heidenen zijn geen onschuldige wezens als ze buiten de kring van Jahwe’s eigen volk leven. Wat een mens over God kan weten, is hun bekend, omdat God het aan hen kenbaar gemaakt heeft in zijn werken, vanaf de schepping. Wat Ps. 9 een schuldig ‘vergeten ’noemt, heet bij Paulus: ze hebben de waarheid over God ingeruild voor, of veranderd in de leugen (Rom. 1,25).
9/10.4. VOOR VANDAAG
1. Het kan lijken dat het prijzen van God, als middel om Hem te bewegen opnieuw uitredding te geven, te kort doet aan het loven-zonder-bijbedoelingen. Maar waarom zou het loven van God geen bijbedoeling mogen hebben? Mag de gelovige wel Gods roemrijke daden verhalen als hij gered wordt, en dat als motief gebruiken voor zijn bidden om uitredding (9, 14v)? Mag hij vanuit zijn oudtestamentische horizon wel zeggen dat in het graf niemand God lof brengt en hij dat graag op aarde blijft doen en dus van de dood gered wil worden (Ps. 6,6)? Zoals wij op grond van gegevens uit OT en NT niet te bang moeten zijn over ons loon te spreken, zo mogen we ook wijzen op het belang dat wij erbij hebben om hulp van God te ontvanger.
2. Voor het prijzen van God hebben we stof genoeg. De ‘wonderen’ in 9,2 strekken zich over heel de heilsgeschiedenis uit, maar eveneens over onze eigen geschiedenis. Ik heb bij de bespreking van Ps. 3 er reeds op gewezen dat het zonder eigen Godservaring niet gaat. Hoe kunnen wij God prijzen als wij daarvoor niet ook de stof gebruiken, die onze eigen geschiedenis aanreikt in wat we persoonlijk en kerkelijk hebben ervaren?
3. Het praktisch atheïsme, waarvan in deze psalm (9,18; 10,4.11.13) sprake is, heeft P.C. Craigie in zijn commentaar (Psalms 1-50,126v) gevaarlijker genoemd dan het theoretisch atheïsme. Zuivere theoretische atheïsten hoeven niet noodzakelijk gevaarlijk te zijn, omdat ze er nog een goede moraal op na kunnen houden. Het atheïsme van Ps. 9 en 10 kon destijds in het veelgodendom moeilijk reeds theoretisch atheïsme genoemd worden, maar was en is in haar bruut verachten van God en zijn geboden gevaarlijker. Onze ervaringen met het nationaalsocialisme en het communisme hebben dat bevestigd. Het zijn twee voorbeelden van wat de psalmist het ‘vergeten ’van God noemt. Mensen worden daarvan de dupe.
4. Wanneer de kern van het christelijk handelen eenvoudig (onder meer) geformuleerd kan worden als ‘weduwen en wezen bijstaan in hun nood’ (Jac. 1,27), dan blijft het ook voor christenen oppassen om niet te vervallen tot praktisch atheïsme. Men richt zich niet op de naasten, die God als de armen en weerlozen continu voor zijn aandacht heeft, maar zoekt het eigen voordeel ten koste van de behoeftige mensen.
5. Leerzaam is ook de manier waarop de goddeloze te werk gaat. In Ps. 9 en 10 is de blik dan niet alleen op goddeloze heidenen, maar ook op gewetenloze mensen uit eigen kring gericht. Het lijkt vaak fatsoenlijker, maar de kerk bezwijkt aan soortgelijke manieren als waarvan de wereld gebruik maakt. Men handelt achterbaks: kuilen graven en netten spannen, hinderlagen leggen en rondloeren (9,16; 10,8vv). Uiteraard kan dat alles niet zonder van de leugen gebruik te maken (10,7).
6. We zien hetzelfde in het NT als we horen over de duivel als ‘uw vader’. Het gaat dan niet over heidenen, maar Joden. De duivel is een moordenaar en een leugenaar vanaf het begin (Joh. 8,44vv). Tegen zijn listen moet de christen Gods wapenrusting aantrekken (Ef. 6,11) en niet in de strikken van de duivel vallen (1 Tim.3,7). De christen kan, als hij de waarheid leert kennen, met Gods hulp weer ontsnappen aan die valstrik (2 Tim. 2,26).
7. Het listige en bedrieglijke karakter kennen we vanaf de zondeval onder het beeld van de ‘oude ’slang, die duivel of Satan genoemd wordt en die de hele wereld misleidt (Openb.12,9). De slang, die onverhoeds de nazaten van Eva in de hiel zal bijten (Gen. 3,15), zien wij in Ps. 10,9v onder het beeld van de leeuw terug, verborgen in het struikgewas, loerend naar een prooi, terwijl menigeen in zijn klauwen valt.
9/10.5. VERANTWOORDING
Achter 9,17 staan de (meestal onvertaald gelaten) woorden: ‘higgajon, sela’. Het woord ‘sela’ komt niet minder dan 71x voor in 39 psalmen. Zie daarover reeds onder 3.5. Verantwoording. Duidelijkheid over de betekenis ontbreekt. Hetzelfde geldt voor higgajon.
Veel vertalers geven de bedoeling van 10,13 goed weer als zij ongeveer op de volgende wijze vertalen: waarom veracht de goddeloze mens God, en zegt hij (de goddeloze) in zijn hart, dat U (aldus de dichter) geen rekenschap vraagt? Letterlijk staat er dat de goddeloze in zijn hart God met ‘u’ aanspreekt, wat voor een praktische atheïst niet waarschijnlijk mag heten.