Opinie

  OFFERKRITIEK?

Dr. Hans Burger schreef een paar maanden geleden een artikel onder de titel: ‘Voorbij de offerkritiek.’ Het is gepubliceerd in het boekje ‘Cruciaal’. Over dit artikel is al veel te doen geweest. Ik heb hierover ook contact met dr. Burger gehad. Ik ben blij dat in het contact heel duidelijk naar voren is gekomen dat dr. Burger er voor staat, dat Christus Zijn leven voor Gods uitverkoren kinderen gebracht heeft om zo hun schuld bij God te voldoen. Dat hij dat op geen manier betwijfelt.

Dat wil niet zeggen, dat er daarom niet verder over wat dr. Burger schrijft, geschreven kan worden. Ook niet in kritische zin. In dit artikel wil ik graag onderzoeken of het terecht is om over offerkritiek in het Oude Testament en bij de Here Jezus te spreken. In een volgend artikel wil ik er op ingaan of Jezus dood een offer was en wat dat betekent.  Dr. Burger gebruikt de term offerkritiek wel. Is dat een term die verantwoord is als we samen de Bijbel lezen?  Ik geef eerst het gedeelte weer, waarin dr. Burger zo spreekt. Daarna wil ik vanuit de Schrift nagaan of het terecht is om zo te schrijven of te spreken.

 Offerkritiek 

Dr Burger schrijft hierover het volgende:

“Opvallend genoeg vind je de oudste offerkritiek al in de Bijbel zelf. God wil uiteindelijk geen offers, maar mensen die naar God luisteren en zijn wil doen, zegt Psalm 40. Hoe zou je iemand vrij kunnen kopen van de dood, vraagt Psalm 49. Niemand kan dat. Wat hebben offers dan voor zin? Heeft God die offers nodig, vervolgt Psalm 50. Nee. God eet toch geen stierenvlees en drinkt toch geen bokkenbloed? Leef echt met God, daar komt het op aan. Bij de profeten vind je vergelijkbare motieven: al die feesten en offers, wat heb je eraan als ondertussen de zwakken onder de voet gelopen worden? Ook Jezus zelf staat kritisch tegenover de tempeldienst. Zijn ‘tempelreiniging’ aan het einde van zijn leven, betekent dat er even niet meer geofferd kan worden. Alle bedrijvigheid komt op dat moment stil te liggen. Dat Jezus er bewust mee afrekent, blijkt uit een teken dat hij de volgende dag verricht: hij laat een vijgenboom zonder vrucht verdorren. De vijgenboom is als de tempel, lijkt hij te willen zeggen; een onvruchtbaar gebeuren dat zijn betekenis verloren heeft. Als je gelooft voegt hij eraan toe, kun je daarom tegen de tempelberg zeggen: ‘Kom van je plaats en stort je in zee,’en het zal gebeuren. Het gebouwencomplex heeft afgedaan: “Er zal geen steen op de andere blijven, alles zal worden afgebroken.’De kritiek op de tempeldienst die je bij de profeten vindt, komt bij Jezus tot een radicaal hoogtepunt, als hij zelfs zijn eigen lichaam tot een soort vervanging ervan verklaart.

De Hebreeënbrief denkt hierover door en trekt de conclusie: offers leiden niet tot volmaaktheid. Ze herinneren aan zonde, maar dierenbloed kan nooit mensen van hun zonden bevrijden. De Bijbel is dus kritischer over offers dan je misschien denkt.”  (Pagina 53)

Als je dit leest, komt  meteen de vraag op waarom we in de Bijbel zo vaak lezen dat offers voor de HERE een welriekende reuk zijn? Je leest heel vaak dat de HERE blij wordt van offers die in liefde voor Hem en volgens Zijn voorschriften zijn gebracht. Laten we er verder naar kijken.  

De Psalmen 

Ik ga de Psalmen na die dr. Burger noemt en waar volgens hem sprake van offerkritiek is.

Het is goed om eerst te zien dat de HERE zelf de offerdienst onder Israel heeft ingesteld. Het offeren is geen bedenksel van Israel als godsdienstig volk.  De HERE heeft zelf de offerdienst voorgeschreven. Hij heeft Zijn volk voorgeschreven dat ze offers moeten brengen en hoe ze dat moeten doen. Hij neemt het ze kwalijk, als ze Hem de offers niet brengen zoals Hij het voorgeschreven heeft. De offers, die volgens Zijn voorschrift met een hart vol liefde aan Hem gebracht worden,  zijn voor Hem een lieflijke reuk. De HERE heeft daar echt plezier in. Hij wordt er blij van als offers zo gebracht worden. Zie o.a. Leviticus  1 t/m 6  en 8.

Het is belangrijk om vanuit dit perspectief, dat de HERE zelf geeft,  naar het vervolg te kijken. De HERE meent wat Hij zegt, je kunt echt op Hem aan.  

Psalm 40 

David heeft in zijn leven heel moeilijke tijden gekend. Hij vertelt in deze Psalm hoe hij met zijn problemen naar de HERE is gegaan. De HERE heeft op het gebed verlossing uit de nood gegeven. Dan hoor je bij David de dankbaarheid en de verwondering. Hij spreekt over de wonderen die de HERE ook in zijn leven heeft gedaan. Dit heeft David geleerd: dat het in je leven om de gehoorzaamheid in liefde aan de HERE gaat. Allerlei godsdienstige plichten zoals de offers kunnen die redding  niet geven. De offers zijn geen tovermiddelen. Je ziet dat heel duidelijk in Psalm 40:7. Ik gebruik in dit artikel de Herziene Statenvertaling:

“U hebt geen vreugde gevonden in slachtoffer en graanoffer,  U hebt Mijn oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt U niet geëist.”

De offers hebben David niet gered. De offers zelf zorgen niet voor redding en verlossing. Wie de offers alleen als een ritueel brengt,  moet niet denken dat de HERE echt naar je luistert. Wie echter zijn oren laat doorboren, wie met oren en hart voor de HERE als zijn God en Redder openstaat, ontvangt Gods redding. Dit herinnert ook wat de HERE tegen Saul zegt, die wel offers brengt maar in ongehoorzaamheid aan Gods woorden leeft. De HERE zegt dan tegen Saul: “Heeft de HERE evenveel behagen in brandoffers en slachtoffers als in het gehoorzamen aan de stem van de HERE? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerkzaam zijn beter dan het vet van rammen.” 1 Sam. 15:22.

Dat dit niet betekent, dat je in de tijd van het Oude Testament de offers maar kon laten zitten, zien we op een bijzondere manier in een andere psalm.

Psalm 51.

We lezen daar, dat het er op komt dat een mens zich van zijn  zondige weg bekeert. Dat je met berouw in je hart om vergeving vraagt bij de HERE. De offers zelf kunnen daar niet voor zorgen!  Dat wordt in deze Psalm heel duidelijk gezegd en toch eindigt de Psalm er dan mee dat de Oudtestamentische gelovige juist in liefde voor de HERE  de offers met zijn hart gaat brengen, zoals de HERE dat graag ziet.

Ik geef de laatste vier verzen van deze psalm weer:

“Want U vindt geen vreugde in offers, anders zou ik ze brengen; in brandoffers schept U geen behagen. De offers voor God zijn een gebroken geest; een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o, God, niet verachten. Doe goed aan Sion, naar Uw welbehagen; bouw de muren van Jeruzalem op. Dan zult U vreugde vinden in offers van gerechtigheid, in een brandoffer en een offer dat geheel verteerd wordt; dan zal men jonge stieren offeren op uw altaar.” Psalm 51:18-21

 Psalm 49

Het is vreemd dat dr. Burger Psalm 49 zo nadrukkelijk noemt als het over offerkritiek gaat. In deze psalm wordt namelijk niet over offeren gesproken. Het gaat om mensen die voor geld en bezit leven. Om mensen die alles op deze aarde lijken te hebben. Het is niet mogelijk om met geld en goed iemand te verlossen van Gods oordeel. Geld, macht en bezit zijn nooit genoeg om de dood bij je leven weg te houden.

De enige die een mens  van de dood en van het oordeel kan verlossen, is God zelf! Dat lees je in Psalm 49:10: “Maar God zal mijn ziel verlossen uit de greep van het graf, want Hij zal mij opnemen.” Gods Zoon wordt mens in Jezus Christus. Hij is de Verlosser voor wie in geloof op Hem bouwt.

Het  gaat in Psalm 49 niet om kritiek op de offerdienst.   

 Psalm 50

Het is altijd weer belangrijk om erop te letten wat het verband van de hele psalm is. De HERE roept Zijn volk voor zich. Als je op de uiterlijke dienst aan God let, dan lijkt alles prima voor elkaar. De offers in de tempel worden gebracht, zoals de HERE het wil. Je zou zeggen dat Israel in die tijd serieus met de dienst aan de HERE bezig is. Zo is het, als je niet verder dan tempel kijkt. Het is dan ook niet zo dat de HERE met Zijn vermaning en straf komt, omdat het dààr misgaat. Deel van het probleem met het verbondsvolk is, dat ze denken dat ze met de offers de HERE tevreden kunnen stellen. Ze denken net als de heidense volken om hen heen dat als je de offers  precies zo brengt als de HERE gezegd heeft, Hij te eten krijgt en daarom tevreden is. Zie vers 8-13. Het gevolg van dit denken is dat ze in het gewone leven niet volgens de wil van God leven. Ze leven in hun omgang met hun naaste goddeloos. Los van God en Zijn goede regels. Vanaf Psalm 50:16 worden de leden van het verbondsvolk als goddelozen aangesproken. Ze willen in het gewone leven voor zichzelf leven. Ze willen in het gewone leven hun eigen baas zijn. Wie zo leeft, moet niet denken dat de offers nog iets voor hen kunnen betekenen. Deze psalm sluit af met de woorden:

“Begrijp dit toch, u die God vergeet; anders verscheur Ik, en er is niemand die redt. Wie dank offert, zal Mij eren; wie de rechte weg gaat, zal Ik Gods  heil doen zien.” Psalm 50: 22,23

Kortom: In Psalm 50 is er geen sprake van kritiek op de offerdienst zelf. Het is kritiek op de instelling en het leven van de offeraars. Ze gaan verkeerd met de offers om. Ze vertrouwen op de offers zelf en leven als goddelozen.  

Profeten 

Dr. Burger schrijft naar aanleiding van wat hij over de psalmen gezegd heeft:

Bij de profeten vind je vergelijkbare motieven: al die feesten en offers, wat heb je eraan als ondertussen de zwakken onder de voet gelopen worden?”

Wanneer je echter kijkt bij de profeten ( kijkt) wat ze hierover zeggen, valt het op, dat het geen kritiek op de offers en op de feesten zelf is. Het is ook geen kritiek op de tempel als huis van God. Het gaat er om dat het verbondsvolk meer dan eens  een ongezond vertrouwen op de tempel en de door God voorgeschreven godsdienstige gebruiken stelde. De tempel en die offers en de feesten waren voor hen de garantie dat God niet met Zijn straf zou komen.  De oproep tot bekering door de profeten werd door valse profeten ontkracht door te zeggen dat de tempel er toch was en dat het volk toch volgens Gods regels offers bracht en de feesten vierde.

Het is in dit verband dat Jeremia in hoofdstuk 7 de tempel een rovershol noemt. Het leven van de mensen die in de tempel komen om te offeren is vol onrecht. In zo’n situatie is de  tempel als gebouw in Jeruzalem echt geen garantie voor Gods hulp en goedkeuring.  Ook niet  als ze zich precies aan de regels voor de tempel en de offers houden.    

Het meest scherp is waarschijnlijk wat de profeet Amos zegt. Ook dan gaat het om een tijd, waarin het volk trouw naar de tempel komt en daar de offers brengt en de feesten houdt. Net als in de tijd van Jeremia leeft het volk in het dagelijkse leven tegen Gods wil in: Ieder voor zichzelf en het recht van de sterkste heerst. In die omstandigheden laat de Heilige Geest Amos dan zeggen: “Ik haat, Ik versmaad uw feesten. Uw bijzondere samenkomsten kan Ik niet luchten, want al brengt u Mij brandoffers, en uw graanoffers, Ik schep er geen behagen in en het dankoffer van uw gemest vee wil Ik niet aanzien.  Doe het lawaai van uw liederen van Mij weg, en het getokkel van uw luiten kan Ik niet aanhoren!  Laat het recht stromen als water, de gerechtigheid als een altijd stromende beek.” Amos 5:21-24

Ook bij de profeten gaat het niet om kritiek op de tempel zelf of op de offers zelf. De tempel is in de tijd van het Oude Testament een prachtig cadeau van de HERE aan Zijn volk. Zo is het ook met de offers en de feesten die Hij voorschrijft. Het gaat in de kritiek die er is  dus  niet om de tempel, de offers of de feesten. Het gaat erom, hoe het volk van God daarmee omgaat en het vertrouwen dat ze daarop stellen. Je kunt zeggen dat de kritiek zich richt op het verkeerde gebruik. Ze mogen van iets heel moois gebruik maken, maar doen dat in de praktijk als ongelovige mensen.

 De Here Jezus

Heeft de Here Jezus wel echt kritiek op de tempel en wat daar volgens Gods voorschriften gebeurde? Ook dan moet ons antwoord ontkennend zijn. De tempel is voor de Here Jezus een bijzonder gebouw. Het is voor Hem het gebouw waar Zijn Vader op een bijzondere manier woont. Wanneer Jezus als twaalfjarige in de tempel is en Jozef en Maria Hem daar vinden en als ze dan zeggen dat  ze nu samen weer naar Nazareth moeten, zegt de Here Jezus dan in reactie daarop: “Waarom hebt u Mij gezocht? Wist u niet dat Ik moet zijn in de dingen van Mijn Vader?” Luk. 2:49

De Here Jezus heeft geen kritiek op de tempel als huis van God. Hij is het wel die aangeeft, dat de tempel niet altijd Gods huis op aarde zal zijn. De tijd komt en is tijdens Zijn leven op aarde dichtbij gekomen, dat de tempel zijn functie als huis van God op aarde zal verliezen. De Here Jezus maakt dat Zijn leerlingen duidelijk als Hij vertelt, dat er van de tempel geen steen op de andere zal blijven. Als Christus aan het kruis heeft uitgroepen dat Hij Zijn werk volbracht heeft, scheurt het gordijn in de tempel. Dat  is het moment dat de HERE duidelijk maakt, dat Hij niet meer in de tempel woont. De tempeldienst is tot Zijn doel gekomen. Het grote offer waar alles op gericht was, is gebracht.

Jezus heeft geen kritiek op de tempel. Hij heeft wel kritiek op de manier waarop mensen in  de tempel zich gedragen. Ze maken van de tempel een rovershol. Een plaats waar ze proberen zoveel mogelijk aan de dienst aan de HERE te verdienen en dat in eigen zak te steken. Ze overleggen zelfs in de tempel hoe ze de Here Jezus kunnen gevangennemen en doden! De Here Jezus laat ook zien dat het cadeau van de tempel tijdelijk is. Als Hij Zijn werk op aarde gedaan heeft, is de tempel niet meer het gebouw, waarin de HERE op aarde op een bijzondere manier woont. Bij de Here Jezus is er geen kritiek op de tempel en op de offers! Hij laat wel zien dat die offers een echte functie hebben tot het moment dat Hij Zichzelf aan het kruis als het volmaakte offer gegeven heeft.

 Hebreeën 

Is er (dan) in de brief aan de Hebreeën dan wel kritiek op de offerdienst te vinden? Met wat we tot nu toe gezien hebben, zou dat vreemd zijn. Als je deze brief leest, zie je ook nergens kritiek op de offerdienst zoals de HERE die onder Israel ingesteld heeft.  Wel wordt duidelijk gemaakt dat de hele tempeldienst riep om de vervulling door Christus. Hij moest de priesterdienst en de offers vol maken.

De offers en de hele tempeldienst zijn het  niet, die echt verlossen. Er is hier geen kritiek, maar wel wordt de  juiste plaats aangewezen. Christus maakt het vol. Brengt de echte verlossing: het echte offer. De Bijbel is niet kritisch over offers volgens Gods wil en vanuit liefde voor Hem gebracht. Dat waren offers, waar de HERE blij mee was. Ze waren voor Hem offers met een heerlijke geur. Het waren offers die naar Christus wezen. De Geest maakte al steeds duidelijk dat deze offers niet voor de verlossing zelf konden zorgen. Daarvoor was de beloofde Verlosser zelf nodig. Hij brengt dan ook, ook volgens de schrijver van de Hebreeënbrief het volmaakte offer. Het offer dat er voor zorgt, dat de tempeldienst en de offers in de tempel hun tijd hebben gehad. Dat is geen kritiek, maar het wijzen op de positieve plaats en functie die de tempel en de offers in de geschiedenis van het heil hebben gehad.

Tegenover de Joden, die niet in Christus geloven, wordt de armoede van de tempeldienst op dat moment aangewezen. Je moet bij Christus zijn. De tempeldienst was een schaduw. De werkelijkheid in Christus is nu door de HERE gegeven. Je leest dat o.a. in Hebreeën 10:

“Want de wet, die slechts een schaduw heeft van de toekomstige heilsgoederen en niet het wezen van de dingen zelf, kan nooit met dezelfde offers, die zij jaar in jaar uit ononderbroken brengen, hen die naderen tot volmaaktheid brengen.  ……  Op grond van die wil zijn wij geheiligd door het offer van het lichaam van Jezus Christus, eens en voor altijd gebracht.

En iedere priester stond wel dagelijks te dienen en bracht vaak dezelfde slachtoffers, die de zonden toch nooit zouden kunnen wegnemen,  maar deze Priester is, nadat Hij één slachtoffer voor de zonden geofferd had, tot in eeuwigheid gezeten aan de rechterhand van God.” Hebreeën10:1,10-12

 Conclusie 

Er is in de Schrift geen sprake van offerkritiek in de zin dat er kritiek op de offers, de tempel of de door God voorgeschreven feesten is. Het zijn juist heel mooie cadeaus   voor een bepaalde periode van de geschiedenis. Er is kritiek op de omgang met deze cadeaus  door het verbondsvolk. Verder wijst de Geest er o.a. op dat de offers niet voor altijd zijn. Zij wijzen vooruit naar Christus die het volmaakte offer brengt, waardoor die gewone offers niet meer nodig zijn.

Door de hele geschiedenis heen geldt, dat wat in de offers afgebeeld is en door het volmaakte offer van Christus verdiend is, voor hen is, die in vertrouwen en liefde met de HERE leven. Wie vandaag  ongelovig leeft en tegelijkertijd zegt dat Christus voor hem vergeving verdiend heeft, deelt niet in wat Christus verdiend heeft. Dat is geen kritiek op het offer van Christus maar het gevolg van een ongelovig omgaan met Christus’ offer. De term offerkritiek past niet in het gelovig omgaan met de Schrift. Het is een term die in Schriftkritische kringen gemunt is. Het is goed om deze term niet over te nemen. Dat brengt alleen maar onnodige verwarring.

 

Ds Rob Visser

 

Reacties zijn gesloten.