Tucht in fasen

geplaatst op 30 april 2011

H.J.C.C.J. Wilschut

 Over vastgrijpen en afstoten

 ‘Fred de Bruin is een eenvoudige vent. Weinig opleiding, maar met een fijne neus voor zaken. Daarvoor reist hij heel de wereld rond. Hij maakt er geen geheim van dat hij dan “net als de zeelui vroeger” wel eens gebruik maakt van dames die seksuele diensten aanbieden. Hij voelt zich daar niet schuldig over, want hij is ongetrouwd. “Niemand heeft er last van.” Hij vindt het zelfs menslievend: “Ik betaal die meiden er goed voor. Hebben ze weer een maand te eten “. De ouderlingen zijn het daar niet mee eens. Ze houden Fred af van het avondmaal. Maar hij zet zijn vrije leven onbekommerd voort. De kerkenraad aarzelt: Hoe nu verder? Een volgende stap van censuur? En hem ten slotte excommuniceren? Daar heeft een aantal ouderlingen toch wel moeite mee. Want “het is verder een heel gelovige jongen”.’

 Fred

Bij de intro boven deze bijdrage merkt u aan de aanhalingstekens, dat dit verhaal niet bij mij vandaan komt. Het is de binnenkomer van een artikel in Dienst (voorjaar 2011), van de hand van ds. K. Harmannij, die in genoemd blad de rubriek ‘Kerkrecht’ verzorgt.
 Een beetje vreemd verhaal, eerlijk gezegd. Wat Fred doet, staat volslagen haaks op wat de Bijbel zegt over sexualiteit. Uiteraard houdt de kerkenraad hem af op grond van zonde tegen het zevende gebod van Gods wet.
Zet Fred – ondanks alle vermaan – zijn zondig leven voort, en laat hij dus de Here maar praten, dan komt art. 76 KO in zicht:
 De kerkenraad zal de toegang tot het avondmaal van de Here ontzeggen aan hem, die de kerkelijke vermaning hardnekkig verwerpt of die een openbare of in ander opzicht ernstige zonde begaan heeft.
Indien deze na talrijke daarop volgende vermaningen geen enkel teken van berouw toont, zal de kerkenraad als uiterste remedie tenslotte tot de excommunicatie overgaan, waarbij het daarvoor vastgestelde formulier dient te worden gebruikt.
Niemand mag worden geëxcommuniceerd zonder instemming van de classis.
 Uiteraard wordt daarbij de procedure van art. 77 KO (drie afkondigingen) gevolgd.
 Ja, maar Fred is verder toch zo’n vrome jongen. Heel postmodern slaat de kerkenraad aan het aarzelen. Jammer dat die kerkenraad blijkbaar vergeten is, dat de kerkelijke tucht niet gaat over het hart, maar over (verharding in) zonde. Je kunt nog zo vroom praten, wanneer je doorgaat met wat volgens de Schrift een ernstige zonde is, dan zal er tucht moeten worden geoefend. Het bestaat niet, dat een gereformeerde kerkenraad zich neerlegt bij een verharding in een zonde als deze. De Schrift is over hoererij glashelder. Wie zich daarin onbekeerlijk vastbijt, zal Gods koninkrijk niet beërven (1 Kor. 6, 9-10).
 Het gaat dan ook niet aan om te stellen, dat voor Fred buitensluiting pas in zicht komt, wanneer hij ondubbelzinnig duidelijk maakt dat hij geen boodschap heeft aan het Woord van God, zoals Harmannij schrijft. Ondanks al zijn vrome woorden is Fred bezig Gods Woord metterdaad aan zijn laars te lappen met een ernstige zonde. Dan wordt buitensluiting uiteindelijk onvermijdelijk.

 IJzeren procedé?

Het gekozen voorbeeld is niet gelukkig. Het is ook maar een voorbeeld. Harmannij wil duidelijk maken, dat kerkenraden het soms als een ijzeren procedé beschouwen, wanneer je eenmaal tuchtoefening hebt ingezet. Heb je iemand van het avondmaal afgehouden, dan kun je niet meer terug, alleen maar vooruit. Komt er geen bekering, dan moet je wel doorgaan tot aan de buitensluiting toe.
 Op zichzelf herken ik uit de praktijk deze aarzeling bij kerkenraden. Wie A zegt, moet ook B zeggen. Alsof de kerkelijke tucht werkt op de automatische piloot. Niet dus. Kerkelijke tucht handelt naar bevind van zaken. Is er sprake van een zonde, die overeenkomstig art. 76 KO vraagt om ontzegging van de toegang tot het avondmaal, dan zal een kerkenraad daartoe besluiten op grond van wat op dat moment aan de orde is.
 Je maakt de discussie oneigenlijk door dan te denken vanuit het stramien: begin je met tucht, dan moet je wel verder, je kunt alleen eindigen wanneer er bekering komt. Doe wat voor een zondaar op dat moment nodig is. En laat je niet verlammen door wat de toekomst brengen kan.
J. Kamphuis heeft er wijze dingen over geschreven in zijn Om de heiligheid van de gemeente. De kerkelijke tucht (Kampen 1982, p. 149v). Ik kan niet nalaten eruit te citeren (p. 151):
 ‘We mogen ons door mensenvrees niet laten terughouden als we voort moeten gaan. We mogen ons door conventie niet laten beheersen, om de ene keer anders te oordelen dan in een ander geval, wanneer in de grond van de zaak dezelfde zonde aan de orde is maar het ‘volksgevoel makkelijker oordeelt. We mogen ons ook niet door zucht om consequent te zijn laten leiden, als zouden we bij het openen van een tuchtprocedure een automatisme in werking hebben gesteld.’
 Deze pastorale wijsheid vind je in kerkelijke besluitvorming terug. Er zijn situaties denkbaar, dat een kerkenraad kan vermanen en zelfs van het avondmaal afhouden, zonder tot het eindpunt van de excommunicatie door te gaan omdat het formulier van de ban niet toepasselijk wordt geacht (’s Gravenhage 1914, art. 140, Middelburg 1933, art. 230). Zoals een kerkenraad ook kan besluiten om niet voort te gaan met de tucht maar om iets aan de verantwoordelijkheid van het betrokken gemeentelid over te laten. Dan praat je overigens wel over andere situaties dan die van ‘Fred’.

 Fasen

Harmannij schrijft:
 ‘Bij het ontwerp voor een nieuwe Kerkorde (de zgn. Werkorde) hebben we deze impasse (niet aan tucht durven beginnen omdat je het zwaarste oordeel niet aandurft, HW) willen doorbreken. Daartoe is de tuchtweg, sterker dan in de huidige Kerkorde, opgedeeld in twee fasen.
De eerste fase is die waarin we alle middelen die ons ten dienste staan op gepaste wijze inzetten om de zondaar tot inkeer te brengen en zo te redden. De buitensluiting is daarbij nog niet direct in beeld, zeker niet in de zin van onvermijdelijk gevolg.
Alleen wanneer blijkt dat deze eerste fase zinloos is, of na verloop van tijd zinloos is geworden, omdat de betrokken zondaar zich niets aan Gods Woord gelegen laat liggen, wordt de tweede fase ingeluid, waarin we afscheid nemen van deze broeder. Een afscheid, waarvan we weten dat wanneer hij zich niet bekeert, het voor eeuwig zal zijn.’
 Tot zover geen echt probleem. Het wil mij alleen niet duidelijk worden, waarin de Werkorde in dit opzicht verschilt van de huidige gang van zaken. Ook nu is er in art. 76 KO de cesuur tussen vermaan/afhouding HA en de eigenlijke communicatie. En ook nu hoeft fase 1 niet automatisch tot fase 2 te leiden.
Over de nieuwe situatie schrijft Harmannij:
 ‘Er is geen wet die bepaalt dat deze tuchtoefening (afhouding HA e.d., HW) na verloop van tijd noodzakelijk moet leiden tot volledige excommunicatie.’
 Een suggestief zinnetje. Een dergelijke wet is er ook nu niet.

 Pijnpunt

Als het gaat om de fasering in de tuchtoefening zit voor mij het pijnpunt ergens anders. Volgens Harmannij is fase 1 gericht op het vasthouden van de zondaar, terwijl fase 2 gericht is op het loslaten van hem:
 ‘Er is verschil tussen intensieve tuchtoefening (inclusief ontzegging) over wie je nog wilt redden enerzijds en afstandelijkheid tegenover hen die we moeten beschouwen als buitenstaanders anderzijds.’
 Bij deze typeringen heb ik mijn ogen uitgewreven. Ik zal niet ontkennen dat er verschil is tussen de ontzegging van het avondmaal enerzijds en de route van de excommunicatie. Maar ik bestrijd dat de eerste gericht is op vasthouden en de tweede op loslaten en behandelen als een buitenstaander.
 Ik heb altijd begrepen dat héél de tuchtoefening – inclusief de excommunicatie – naast het aspect van de bestraffing het element van geneesmiddel in zich bergt. Ook de weg van de excommunicatie is gericht op het behoud van de zondaar, om tot inkeer te brengen. Het geldt zelfs van de afsnijding als zodanig. Niet voor niets noemt het formulier van buitensluiting de afsnijding het laatste redmiddel (‘de uiterste remedie’, zeiden we vroeger). Het laatste wat de kerk voor iemands behoud kan doen, is hem of haar buiten de gemeente sluiten, hopend en biddend dat mensen hierdoor geschokt tot bekering komen.
 Zeker, Harmannij noemt het bekendmaken van iemands naam in fase 1 ‘het tot dan toe zwaarste redmiddel’. Maar dat afsnijding het laatste redmiddel is, blijft ongenoemd. Zoals ook ongenoemd blijft, dat het loslaten op het (willen) vasthouden gericht is.
 Ik betreur dat. Want fase 2 – die van de excommunicatie – wordt gedragen door voortdurend vermaan, dat wil terugroepen naar de Here en daarom wordt aangescherpt in een voortgang van afkondigingen. ‘Tucht’ klinkt zo hard en onbarmhartig. Terwijl het juist de uiterste inzet is om – voor zover het van ons afhangt – iemand te behouden. De typeringen van Harmannij geven fase 2 een onjuist negatieve klank.

 De Schrift

In fase 1 zou je volgens Harmannij te maken hebben met mensen die binnen zijn, in fase 2 met buitenstaanders. Daarvoor beroept hij zich op Matt. 18 en 1 Kor. 5.
 Wat Matt. 18 betreft wijst Harmannij op vs. 15: daar is de focus nog gericht op het behoud van de zondaar voor de gemeente, in vs. 17 raken de gemeente en de zondaar elkaar volledig kwijt.
 Ik acht dit een schijnberoep. Gedurende fase 2 kun je de zondaar nog niet beschouwen als iemand die al buiten is. Fase 2 is de fase, waarin de gemeente – onder leiding van de ambtsdragers – de zondaar vermaant. Pas ná de buitensluiting kun je iemand typeren als iemand, die buitenstaander geworden is.
 Overigens betekent dat niet dat je dan je handen van zo iemand aftrekt. Graag geef ik hier een breed citaat van J. van Bruggen (Matteüs. Het evangelie voor Israël, CNT derde serie, Kampen 1990, p. 350):
 ‘Wanneer de man, die zondigde tegen een leerling van Jezus, zich zelfs niet laat gezeggen door het vermaan van de gehele kring, moet hij voor de verongelijkte (en de anderen) zijn „als de niet-Israëliet en de tollenaar”. Sommige uitleggers vinden dit een harde en onevangelische uitspraak (Beare). Toch breekt de draad van de zoekende liefde hier niet. Juist tot heide­nen en tollenaren richt het evangelie zich! Men zal de hardnekkige zondaar echter niet langer als een reeds bekeerde broeder kunnen behandelen. Hij moet voelen, dat hij alsnog tot bekering moet komen, evenals heidenen en tollenaren. Deze mensen worden door Jezus’ leerlingen niet geminacht en gepasseerd (zoals wel gebeurde door de Farizeeën). Men wil hen tot broe­ders maken. Men kan hen niet opnemen in de kring zonder geloof. De zon­daar wordt opnieuw een object voor zending of evangelisatie. Hij komt buiten de broederschap te staan, en daardoor juist in het zoeklicht dat op de ongelovige wereld is gericht. Zolang hij zich echter niet bekeert en zijn schuld belijdt en ongedaan maakt, is geen gemeenschap mogelijk als broe­ders. Hij past zó niet in hun samenkomsten. De hele leerlingenkring brengt hem op deze wijze de ernst van zijn hardnekkigheid metterdaad onder het oog.’
 Laat helder zijn dat hier de zondaar wel uitgeschreven is. Maar niet afgeschreven.
Nog bonter maakt Harmannij het met zijn beroep op 1 Kor. 5. In vs. 12 maakt Paulus onderscheid tussen leden van de gemeente en buitenstaanders. Het middel van de ontzegging van het avondmaal hoort typisch binnen de gemeente. De blikrichting is dan gericht op de redding van de zondaar (vs. 5). Maar bij de buitenstaanders past terughoudendheid en moet je het oordeel aan God overlaten.
 Het is mij een raadsel hoe Harmannij 1 Kor. 5, 5 kan betrekken op wat wij kennen als de afhouding van het avondmaal. Voor de duidelijkheid citeer ik hier 1 Kor. 5, 1-5:
 1 Het is algemeen bekend dat er een geval van ontucht bij u is dat zelfs bij de heidenen niet voorkomt: er is iemand die met de vrouw van zijn vader leeft. 2 En u blijft maar trots op uzelf. Zou u niet eerder geschokt en bedroefd moeten zijn en degene die dit doet uit uw midden moeten verwijderen? 3-4 Wat mijzelf betreft, in persoon ben ik afwezig, maar in de geest ben ik aanwezig; en alsof ik bij u was, heb ik in de naam van onze Heer Jezus de man die dit doet al veroordeeld. Wanneer u en ik dus in de geest bij elkaar zijn, en de kracht van onze Heer Jezus bij ons is, 5 moet u die persoon aan Satan uitleveren. Dan gaat zijn huidige bestaan verloren, opdat hij zal worden gered op de dag van de Heer.
 Ieder kan zien, dat het hier gaat over de buitensluiting uit de gemeente. Dáárvan zegt de apostel  dat die gericht is op behoud. Binnen de kerk moeten zondaars beoordeeld en bestraft worden. Dit in tegenstelling tot de buitenstaanders, die God wel zal oordelen. Maar voor zich verhardende zondaars binnen de gemeente geldt: Verwijder wie kwaad doet uit uw midden (vs. 13). De tuchtwaardige zondaar is niet als buitenstaander aan te merken. En ook zijn buitensluiting is op zijn heil gericht.

 Nog eens Fred

Volgens mij is Fred geestelijk gezien zwaar ziek. Volgens Harmannij kun je bij hem fase 1 lang volhouden:
 ‘Maar zolang Fred regelmatig in de kerk blijft komen, de ouderlingen welwillend ontvangt en nog steeds laat merken dat hij – hoe eigenwijs ook – nog altijd de nabijheid zoekt van de hemelse Vader van Jezus Christus, hoeven de ouderlingen zich niet gedrongen te voelen om hem definitief buiten de gemeente te sluiten. Laten ze liever heel lang doorgaan met de kerkelijke tucht, om deze broeder voor de gemeente van Christus te behouden.’ 
 Maar volgens mij wordt aan deze patiënt het nodige medicijn van voortgaande tucht onthouden. Hier wreekt zich, wanneer je fase 2 niet meer ziet als medicijn voor een broeder maar als afstand nemen van een buitenstaander.
 Dan krijg je deze techniek van pappen en nathouden. Het doet mij denken aan een dokter, die bij een blindedarmontsteking paracetamol voorschrijft, een pijnstiller in plaats van een uiteindelijk onvermijdelijke operatie. Zo’n dokter is – ondanks al zijn ongetwijfeld goede bedoelingen – levensgevaarlijk bezig. De kwaal ziekt door, ten koste van de patiënt.
 Het gaat mij hier dan ook niet om scherpslijperij. In het juiste zicht op fase 2 is  het heil van mensen in geding!

Reacties zijn gesloten.