Uit de Schrift

PSALM 60 

60.1 UITLEG 

Psalm 60 is een klaagpsalm van het volk, waarin het klagen en vragen zowel het begin (vss. 2-7) als het eind van de psalm (vss. 11-14) vormen. Het tussenstuk (vss. 8-10) is een boodschap van God waarin op het klagen geantwoord wordt. De vraag wanneer in Israëls geschiedenis deze psalm te plaatsen valt, is moeilijk te beantwoorden. De oplossingen variëren vanaf Davids tijd tot aan die van de Makkabeeën (vanaf 167 v. Chr.). Zoals altijd neem ik de opschriften boven de psalmen serieus, ook al is het niet altijd mogelijk de daarin vermelde gegevens over te nemen.
Wat is het probleem met Psalm 60? Het opschrift wijst heel duidelijk naar gegevens die we in 2 Sam. 8,3vv vinden. David versloeg de Aramese koning Hadadezer, koning van Soba, terwijl Joab op zijn terugtocht de Edomieten in het Zoutdal versloeg (achttienduizend man, volgens 2 Sam. 8). Nu is het merkwaardig dat deze overwinningen het opschrift van Ps. 60 vermeld worden, terwijl de psalm zelf een klaagpsalm is waaruit we bepaald niet de indruk krijgen dat de ene na de andere overwinning behaald werd.
Vooral dit duidelijke gegeven brengt veel uitleggers ertoe het opschrift te negeren en de ontstaanstijd van Ps. 60 te zoeken in veel droeviger tijden, bv. die van de instorting van het Noordelijke rijk, de verwoesting van Jeruzalem in 586 v. Chr. of de vrijheidsstrijd van de Makkabeeën.
Is er een mogelijkheid het opschrift van Ps. 60 toch te respecteren? Het ligt voor de hand dat de schrijver(s) van de vss. 1 en 2 ook wel wist(en) dat het melden van overwinningen vreemd lijkt als we op de inhoud van de psalm letten!
M.i. zijn er twee oplossingen de moeite van het vermelden waard. De eerste doet Calvijn ons aan de hand, o.a. gevolgd door de Kanttekenaren SV: De diepe ellende, getekend in de vss. 3-5 herinnert aan de toorn die God over Israël heeft gebracht in de tijd van Saul, wegens zijn afval van Jahwe. De verdeeldheid onder het volk was er nog steeds, terwijl de pas geboekte overwinningen van David uit vs. 1 de hoop deden gloren dat God het land zou genezen en allen zich onder de regering van David gingen schikken. De strijd tussen het huis van David en het huis van Saul duurde ook na diens dood nog lang voort, 2 Sam. 3,1!
De tweede oplossing vinden we bij Franz Delitzsch en andere orthodoxe uitleggers: Terwijl Davids troepen hoog in het noorden in de strijd met de Amorieten gewikkeld waren, vs. 1, zagen de Edomieten kans het (daardoor) openliggende land Israël binnen te vallen en grote verwoestingen aan te richten. Gods toorn op Israël zou daarin geproefd zijn. Ps. 60 roept nu God te hulp in de strijd die nodig was om Edom af te straffen.
Ik meen dat Calvijns oplossing aannemelijker is dan die van Delitzsch e.a. Nergens lezen we in de historische boeken iets over een inval van de Edomieten met zulke catastrofale gevolgen als Ps. 60 ons tekent. De catastrofe uit 60,3vv laat zich m.i. in Davids eerste tijd als koning ook heel moeilijk voorstellen.
Daarmee is de vraag nog niet beantwoord waarom in een tijd van overwinningen David Gods hulp inroept. Waarom die verwijzing naar de rampzalige tijd van Saul? Kennelijk heeft David angstige momenten gekend op zijn lange veldtocht naar het noorden. Hij heeft beseft dat zonder Gods steun de moeiten waarvoor hij stond in binnen-en buitenland niet tot een goed einde gebracht konden worden. Kon hem en het volk niet overkomen wat er tijdens Sauls regering gebeurd was?
Het is goed erop te wijzen dat Davids overspel met Batseba en de door hem bewerkte dood van haar man Uria reeds hadden plaatsgevonden voor de overwinningstochten die in 60,2 vermeld worden. Uria werd namelijk gedood tijdens het beleg van Rabba, de hoofdstad van de Ammonieten, onder leiding van Davids veldheer Joab (2 Sam. 11). Deze strijd is het begin geweest van de Ammonitisch-Aramese oorlogen die David gevoerd heeft en die zijn rijk groot hebben gemaakt. De profeet Natan kondigde als straf moord en doodslag in de familie van David aan (2 Sam. 12,10vv.). We denken dan vooral aan Absaloms opstand tegen zijn vader. Van buitenlandse vijanden, die als straf David en Israël zouden teisteren, rept Natan niet. Maar David zal zich zijn veldtochten na Natans profetie sterker bewust zijn geweest dat hij zonder Gods hulp geen overwinning behalen kon in de oorlogen die hij voerde en die nog uitgebreider zouden worden. In Ps. 60 is het juist zijn gebed dat hij in de oorlog tegen Edom, vs. 11vv, God aan zijn zijde zal vinden. Dit wijst er reeds op dat zeker niet de beide overwinningen, vermeld in 60,2., al hadden plaatsgevonden.
Op alle vragen die door de tegenstelling tussen het triomfantelijk (schijnende?) opschrift en de smeekbede om Gods hulp wordt opgeroepen, is moeilijk een antwoord te geven.
Een uitlegger zegt dat we bij de verklaring van Ps. 60 geplaagd wordt door moeilijkheden. Elke uitleg is onzeker. Zie ook onder 60.2. Algemeen thema.
Vs. 1 vermeldt dat de psalm gezongen moet worden op de wijs van ‘De lelie van het getuigenis’, een opschrift dat we ook (gedeeltelijk) aantreffen boven 45; 69 en 80. Er zijn ook andere vertalingen voorgesteld. Zekerheid over de betekenis hebben we niet.
Voor de vermelding  ‘Een kleinood’ (NBG) zie onder 16,1. Ook de vermelding ‘tot lering’ (NBG en NBV) doet de vraag rijzen wat ermee bedoeld wordt. Alle psalmen zullen de bedoeling hebben iets te leren (in de zin van ‘onderwijzen’), vgl. Deut. 6,1; 2 Sam. 1,18). Maar waarom staat het alleen hier in Psalmen? Dat blijft onduidelijk. Zie daarover verder onder 3. Van OT naar NT.
Ik wijs er nog op dat we Ps. 60,7-14 ook vinden in Ps. 108,7-14, met slechts kleine onderlinge verschillen.
De meeste uitleggers van de psalm kiezen de voor de hand liggende indeling in drieën:

 1) De dichter bidt God om een wending te brengen in de moeilijke situatie van het volk  (3-7);
2) God antwoordt dat Hij over heel Kanaän en over de omringende landen beschikt (8-10);
3) De dichter vraagt God hem te helpen om in de strijd met Edom te overwinnen (11-14).

 ad 1) De dichter klaagt dat God hen (de Israëlieten) had verstoten. Gelet op wat ik over de historische achtergrond hierboven heb opgemerkt, sluit ik mij aan bij SV die een voltooid verleden tijd gebruikt: God had zijn volk verstoten onder koning Saul. Het moet opvallen dat Ps. 60 ook niet de vraag stelt ‘Waarom hebt u ons verstoten?’ of iets dergelijks, zoals we dat in andere klaagpsalmen van het volk vinden. Zo’n vraag zou passen in een situatie waarin het volk nog steeds verstoten is, maar daarvan is m.i. hier geen sprake.
Het woord ‘verstoten’ komt vaker voor in klaagpsalmen van het volk, maar dan in contrast met wat God Israël aan heil en bevrijding geschonken heeft. Ook dat element ontbreekt hier. Zie verder onder 60.2. Algemeen Thema.
Wat heeft God tijdens dat verstoten gedaan? Hij heeft een breuk veroorzaakt. Zijn toorn was over ons uitgestort, belijdt de dichter, vs. 3. Wat er precies gebeurd is, kunnen we niet nagaan, maar vs. 4 geeft toch verduidelijking. God heeft het land geschokt en gespleten, vs. 4a. Dat doet aan een aardbeving denken. Maar waarschijnlijk moeten we dat als een beeld opvatten van een bittere realiteit in Israël: het volk is gespleten. Er zijn scheuren zichtbaar die genezen moeten worden, omdat anders het land ineen zal storten, vs. 4b. God heeft in zijn toorn het volk zwaar laten lijden (NBV) of, iets letterlijker vertaald, ‘harde dingen’ doen zien (NBG), vs. 5a. Hij heeft de mensen bittere of (misschien beter) bedwelmende wijn doen drinken, die iemand aan het waggelen brengt. Wie uit de beker van Gods toorn moet drinken (denk aan 75,9), is de zondaar die als straf de weg niet meer goed weet te vinden.
Ook al is het moeilijk van elk onderdeel in de vss. 3-5 precies de bedoeling vast te stellen, de getekende situatie doet toch denken aan een grote nationale ramp. Land en volk van Israël zijn er door getroffen. Gods toorn heeft zich zo laten gelden, dat verdeeldheid en onmacht het onmogelijk maken in eigen kracht de moeiten te overwinnen.
Als we met Calvijn hier denken aan de treurige situatie tijdens de regering van koning Saul, dan past daarin heel goed het volgende vs. 6, en dan ongeveer zoals NBG het voorstelt: ‘U (God) hebt een banier gegeven aan hen die u vrezen, om zich er omheen te scharen wegens de boogschutters’. In alle duisternis was er ook iets goeds te melden. Godvrezende mensen vonden rondom de door God gegeven banier beveiliging tegen de boogschutters die het op hun leven gemunt hadden. Wij kunnen daarbij denken aan David en zijn volgelingen in de harde strijd tegen Saul en de zijnen. Een banier is vaak een hooggelegen punt van verzamelen, bv. Jes. 5,26. Uit vrees voor de vijand kon men het verlaten, Jes. 31,9. In Ex. 17,15 heet Jahwe ‘mijn banier’, waarop men zijn blik kan richten om veilig te zijn. Het Hebr. woord voor ‘banier’ wordt ook gebruikt voor de staak met de koperen slang, waarnaar het volk moest kijken om niet langer door giftige slangen te worden gebeten (Num. 21,8). Zo kunnen we ook de banier van Ps. 60,6 als het veilige toevluchtsoord beschouwen dat God had opgericht voor David en anderen.
De vertaling ‘boogschutters’ vinden we zowel bij NBG als NBV en in de meeste moderne vertalingen, zoals WV, NJB, RSV en EÜ. Andere (vaak oudere) vertalingen, zoals SV, in aansluiting bij Calvijn: U hebt een banier gegeven vanwege de waarheid,  in navolging van Calvijn. Zie ook HSV. Maar het is aannemelijker het gebruikte Hebr. woord als ‘boog(schutter)’ te vertalen.
De dichter sluit zijn klagen over de ramp die het volk getroffen heeft af met zijn oproep in vs. 7. Hij wil dat God ‘zijn geliefde’, d.w.z. zijn volk zal bevrijden. ‘Red toch door uw rechterhand en antwoord ons!’ We kunnen ook lezen: ‘Antwoord mij’, dat m.i. ook beter past in de moeite die David als leider van het volk heeft en hem God doet vragen steun te ontvangen voor het bepalen van de weg die hij binnen en buiten Israël te volgen heeft.
Het ‘antwoorden’ (NBG) betekent hier hetzelfde als ‘verhoren’ (NBV). Als God antwoordt, dan zal dat de verlangde verhoring van het gebed van de dichter zijn.
Als hier om bevrijding gevraagd wordt, kan het lijken alsof het volk Israël nog onder het juk van Saul zucht. Dat is niet het geval, want dan zouden de vss 1 en 2 niet boven deze psalm kunnen staan. Maar het is in deze psalm heel zinvol dat David start met een terugblik op het tijdperk Saul om vervolgens God te smeken dat hijzelf mag slagen in zijn strijd tegen de vijanden rondom Israël en tegen nog aanwezige verdeeldheid binnen het eigen volk. We moeten niet vergeten dat aanvankelijk slechts Juda de kroning van David als koning had geaccepteerd, 2 Sam. 3,10!  Het vuur van de verdeeldheid bleef smeulen. David beseft dat hij volledig afhankelijk is van God. Dat zullen we uit de nu volgende onderdelen nog duidelijker merken.
Nog één opmerking over de vss. 3-7: Velen stellen de vraag waarom de dichter of het volk in deze klaagpsalm niet komt tot een schuldbelijdenis, als we gewezen worden op Gods toorn en op het feit dat Hij zijn volk verstoten heeft. Wanneer we bedenken dat het over een gebeurtenis uit het verleden (periode onder Saul) gaat, wordt het begrijpelijker dat de dichter van de psalm (David) niet met een schuldbelijdenis komt. Dat dit zou kunnen, betekent nog niet dat het zou moeten. Zij die in vs. 6 hun toevlucht tot God hebben genomen, deelden in zijn genade en ontkwamen aan zijn toorn. 

ad 2) Als reactie op zijn gebeden ontvangt de dichter antwoord van God. God spreekt vanuit zijn heiligdom of volgens andere uitleggers in zijn heiligheid. In het laatste geval zien vertalers dan soms een spreken onder ede, zoals dat o.a. in Ps. 89,36 en Amos 4,2 het geval is. Nodig is dit niet, we volgen hier SV, NBG en NBV.
Belangrijker is het verschil over de vraag wie hier spreekt. Calvijn, SV, Franz Delitzsch en HSV menen dat het spreken van God in vs. 8a onmiddellijk gevolgd wordt door wat David  mag zeggen. Het ontbreken van hoofdletters in NBG bij ‘ik’ en ‘mij’ wijst erop dat ook deze vertaling ervan uitgaat dat David het onderwerp is. Terecht is daartegen opgemerkt dat men de tekst dan moet aanvullen: God heeft gesproken in zijn heiligdom, ‘daarom zal ik (David) van vreugde opspringen’ (HSV), etc.
Waarom was men vroeger, zowel onder Joodse als christelijke uitleggers de mening toegedaan dat David de ‘ik’ in de vss. 8-10 was? Vooral omdat men het moeilijk kon aanvaarden dat er over God zo mensvormig gesproken werd als (inderdaad) in de vss. 8-10 gebeurt. Kan God van vreugde opspringen, vs. 8? Kan Hij Efraïm de kracht van zijn hoofd, Moab zijn waskom noemen, vss. 9v en op Edom zijn schoen werpen?! Maar zulk antropomorf spreken vinden we vaker. Over ‘juichen’ gesproken, men leze Jes. 42,13 om te zien dat het niet vreemd is als Ps. 80,8-10 zo over God spreekt.
Wel zag men vroeger en kunnen ook wij vandaag zien dat de vss. 8-10 alles met David te maken hebben. Kort geformuleerd: God verklaart in deze verzen dat Hij alle gezag heeft over het hele land Israël en over de wereld eromheen. Maar tegelijk betekent dit voor David dat zijn koningschap verzekerd is over het hele land Israël en zijn heerschappij over de omwonende volken. In de vss. 8-10 krijgen we een beeld van God als de grote krijgsheer, die juichend te werk gaat, vs. 8a. Denk aan de strijd- en overwinningskreet (vgl. Jes. 42,13; Ps. 80,10 slot). God is als krijgsheld uitgerust met helm en heersersstaf, vs. 9.
Wat de details van de vss 8-10 betreft, met de aanduidingen  Sichem en het dal van Sukkot legt God beslag op het hele gebied van Israël, waarbij Sichem op West-Jordaanland en Sukkot op Oost-Jordaanland wijst. Het zijn de plaatsen die we uit Jakobs geschiedenis kennen. In Gen. 33,17v worden beide plaatsen genoemd. Jakob bouwde na zijn verzoening met Esau in Sukkot een huis en kocht daarna in Sichem een stuk grond van de zoons van Hemor. God verdeelt Sichem en meet het dal van Sukkot uit, d.w.z. Hij heeft het overwinningsrecht om het verworven gebied aan zijn vazallen te geven. We kunnen denken aan het verdelen van het land Kanaän zoals het in Joz. 15vv beschreven is. De beide genoemde plaatsen bestonden al voor de intocht van Israël in Kanaän. God heeft het recht het land regionaal (aan een stam in Israël) of landelijk (aan de regering van een door Hem gewilde koning) toe te kennen.
Het vermelden van een aantal gebieden zegt het een en andere over de dienst die zij aan God bewijzen en doet uitkomen hoe hun onderlinge relatie is of moet zijn. Gilead  staat opnieuw voor het  Oost-Jordaanland. Manasse heeft z’n plaats gekregen deels ten oosten oost en deels ten westen van de Jordaan. Efraïm en Juda zijn de belangrijkste stammen die ons meteen doen denken aan het (latere) Noordelijke en het Zuidelijke rijk. De ‘aardbeving’ in vs. 4 wees ons al op de grote verdeeldheid in het land als gevolg van Sauls optreden. De aanwezige rivaliteit tussen Israëls stammen was er toen al en zal ook tijdens  Davids regering  tot een uitbarsting leiden (2 Sam. 20, opstand van Seba). ‘Israël’ in het noorden staat snel op tegen Juda in het zuiden!
Welnu, de godsspraak zegt in vs. 9 dat de veldheer God als ‘beschutting van zijn hoofd’ (NBG) of als zijn helm (NBV) de stam van Efraïm heeft. Efraïm heeft een defensieve taak. Het moet waakzaam zijn tegen de vijanden die uit het noorden Israël kunnen binnenvallen.
Van Juda zegt de godsspraak in vs. 9 dat het de scepter in Gods hand is. Dat herinnert aan Gen. 49,10. In Juda’s handen zal de scepter blijven! Dat is bevestigd in 2 Sam. 7, toen Natan de boodschap van Jahwe overbracht dat het huis van David blijvend de heerschappij zou voeren over heel Israël.
David die in Ps. 60 zijn moeiten onder woorden brengt, zal zich stellig persoonlijk aangesproken hebben gevoeld door wat hier over Juda en (daarom) over zijn eigen huis gezegd wordt. Wel geldt én voor de helm Efraïm én voor de scepter Juda dat zij geheel in dienst staan van God, en dus instrumenten zijn die Hij als veldheer inschakelt.
Vs. 10 vraagt aandacht voor Moab, Edom en de Filistijnen. De wijze waarop zij in beeld gebracht worden, maakt duidelijk hoe God over deze vijanden van Israël oordeelt. Moab is slechts zijn wasbekken – een ding van geringe waarde vergeleken met Gods helm en zijn heersersstaf! Mogelijk houdt het beeld verband met de Dode Zee, die de westgrens van Moab vormde.
Het zuidelijker gelegen Edom komt er niet beter af. Terwijl God zijn voeten wast in het bekken dat Moab heet, werpt Hij zijn schoenen, waarvan Hij zich voor het wassen van zijn voeten ontdoet, op Edom. NBV vertaalt: ‘Op Edom zet ik mijn voet’ , waarin het verachtelijke ‘werpen’ van vuil schoeisel niet uitkomt. Wel ligt er de betekenis in dat God met het plaatsen van zijn voet op Edom dat land in bezit neemt. Dat zal ook de bedoeling zijn. Wat zal David nog kunnen verhinderen om te geloven dat zijn gebed uit vs. 11 in vervulling gaat?
De laatste in de rij van drie landen is Filistea. Deze vijand leek direct na de dood van Saul  oppermachtig in Israël. De Filistijnen joegen de Israëlieten op de vlucht en bezetten hun steden die de Israëlieten leeg hadden achtergelaten (1 Sam. 31,7). David had intussen de macht van de Filistijnen ingeperkt, 2 Sam. 5,17vv. De overwinningskreet van God over de Filistijnen (NBG, in overeenstemming met het parallelle 108,10), of de oproep aan de Filistijnen om God toe te juichen (NBV) geven beide aan, dat de Filistijnen bedwongen zullen worden of het reeds zijn. David hoeft zich over deze vijanden geen zorgen meer te maken. 

ad 3) In de vss. 11-14 stelt de dichter opnieuw een aantal vragen, al kunnen we het moeilijk nog klachten noemen zoals die in de vss. 3-7 voorkomen. Er is een heel directe vraag van de dichter-veldheer David aan de grote Legeraanvoerder die zojuist met zulke bemoedigende woorden tot hem heeft gesproken: ‘Wie zal mij naar de versterkte vesting brengen, wie zal mij naar Edom leiden?’, vs. 11.
Ik heb er in de inleiding al op gewezen dat de overwinningen die in de vss. 1 en 2 worden vermeld, hooguit gedeeltelijk waren bevochten. Dat geldt zeker voor de overwinning op Edom. De route om alle vijanden rondom Israël te verslaan was nog niet afgelegd. We kunnen denken aan tegenslagen die David op zijn tochten ondervond en hem deden terugdenken aan zijn moeiten in vroeger tijd met Saul. Hij is zich, na zijn overspel en bestraffing door Natan ook bewust dat hij zonder Gods steun niets kan beginnen. Vandaar zijn vraag in vs. 11. Moet en wil God hem daarbij helpen? ‘Bent u het niet, God, die ons verstoten had’ (NBV, vs. 12)?. De dichter komt terug op Gods verstoting waarover hij in vs. 3 had gesproken. Is God, die zijn volk toch zo duidelijk had verstoten toen Saul nog regeerde en de Filistijnen machtig waren, nu bereid als ‘Jahwe van de legermachten’ met onze (Davids) legers uit te trekken?
Het was geen kleinigheid het moeilijk toegankelijk gebied van Edom binnen te trekken en de sterke steden te veroveren, die hooggelegen en goed te verdedigen waren.  Op welke ‘versterkte stad’ in vs. 11 David doelt, is niet met zekerheid te zeggen. Men denkt o.a. aan Bozra. Ook Sela (het latere Petra, rots!) in het Zoutdal wordt genoemd, dat in latere tijd  door koning Amasja veroverd werd (2 Kon. 14,7).
In de slotverzen herhaalt de dichter zijn verzoek. Hij vraagt God om hulp tegen de vijand. Of hij daarmee een enkele persoon bedoelt, bv. de koning van Edom, of dat hij meer collectief aan de vijanden denkt, is niet uit te maken. Heel duidelijk is dat hij God om hulp vraagt in het besef dat mensen hem niet kunnen helpen, vs. 13. God moet meetrekken, wil de overwinning volgen, vs. 14. De dichter weet dat zij (David en het volk) zullen triomferen als God meegaat. Er staat letterlijk: Met God zullen wij zullen wij kracht vertonen. NBG: Met God zullen wij ‘kloeke daden’ doen.  De vijanden worden met Gods hulp radicaal uitgeschakeld: God zal onze vijanden vertrappen! 

60.2 ALGEMEEN THEMA 

Speculatieve uitleg 

De titel boven dit onderdeel zal niet zonder meer duidelijk zijn. Onder speculatieve uitleg versta ik die exegese (uitleg) van een tekst die slechts op veronderstelling berust. Als ik zeg dat boven Psalm 60 staat dat David de dichter is, is dat geen veronderstelling. Het staat er immers! Niemand hoeft dat te bewijzen. Maar of David werkelijk de dichter is, wordt door velen betwijfeld. De opschriften boven de psalmen zijn waarschijnlijk later aangebracht, en daarom mag de vraag gesteld worden of de inhoud van de psalm ook altijd correspondeert met wat er boven staat.
Nu is ‘speculeren’ een bezigheid die we bij elke uitlegger van de Bijbel in meerdere of mindere mate vinden. Het woord ‘speculeren’ wordt vaak negatief opgevat, maar dat is niet altijd juist. Neem bv. wat er verder in de opschriften van psalmen kan staan, bv. ‘op de wijs van ‘De dood van de zoon’ (9,1) of van ‘Verdelg niet’ (57,1),of ‘een kleinood van David’ 60,1. Neem ook het Hebreeuwse woord dat meer dan zeventigmaal in Psalmen voorkomt en keurig als Hebreeuws woord in onze bijbels voorkomt: sela. Eenvoudig omdat we niet precies weten wat het betekent. Wie dus zegt: ‘dit of dat betekent zo’n uitdrukking boven een psalm’, of ‘dit of dat betekent sela in de tekst’ speculeert. De eerlijkheid gebiedt om er dan altijd bij te vermelden dat het een veronderstelling (speculatie) is die niet voor honderd procent zeker is.
Ons ‘speculeren’ gaat echter nog verder. We kunnen proberen het op hoofdlijnen met elkaar eens te worden in de uitleg van een psalm, maar er zijn bij elke psalm details waar dit niet zal lukken. Bescheidenheid gebiedt ons dan om dat te erkennen. We moeten niet doen alsof we precies, d.w.z. zonder enige speculatie, kunnen zeggen wat een psalm in al zijn onderdelen betekent.
Psalm 60 biedt ons een interessant voorbeeld van een speculatie die m.i. te ver gaat. Ik heb gekozen voor de mening van Calvijn die de ramp – beschreven in 60,3vv – plaatst in de tijd van koning Saul en niet in de dagen van koning David. Calvijn zag natuurlijk evengoed als alle exegeten dat de overwinningen die David boekt volgens het opschrift van Psalm 50  op gespannen voet lijken te staan met de enorme ramp die in de eerste verzen van de psalm beschreven wordt. Hij zoekt dan de oplossing in de veronderstelling (speculatie!) dat de ramp tot het recente verleden behoort. De Kanttekeningen hebben dat heel fraai geformuleerd in hun commentaar: David vergelijkt de vorige ellendige toestand van het land met de tegenwoordige in zijn koninkrijk!
Als ik het goed zie, is het Franz Delitzsch (1813-1890) geweest die met een geheel andere oplossing kwam. Evenals Calvijn gaat hij uit van het gewicht dat wij aan het opschrift boven Ps. 60 moeten toekennen. Maar hij zegt niet dat de ramp in 60,3vv verleden tijd is. Toen David overwinnend bezig was ver van huis de Arameeërs in het noorden te verslaan, 60,2, zagen de Edomieten de kans schoon vanuit het Zuiden Israël binnen te vallen en grote ravage aan te richten. Delitzsch veronderstelt dus dat dit zeer recent onder koning David gebeurd was.
Nu lezen we van een dergelijke inval van de Edomieten niets in de historische boeken van Samuël tot Kronieken. We hebben opnieuw een voorbeeld van speculatie. Op zichzelf is daar niets op tegen en is het zeker een goedbedoelde poging om de spanning tussen het opschrift en de ramp in 60,3vv te verklaren. Alleen lijkt het me toe dat Delitzsch te speculatief bezig is. Want:
Hoe kan enerzijds David aan de winnende hand zijn en anderzijds God na een inval van de Edomieten zo toornig worden op Israël dat hij het hele land straft met de ramp van 60,3vv? Dat vind ik onverklaarbaar.
Ik stel ook de vraag hoe een klein land als Edom zo snel en zo effectief het hele land Israël kon treffen. Delitzsch spreekt van een ramp in het zuiden van Israël, maar 60,3vv laat zo’n versmalling tot het zuiden m.i. niet toe.
Conclusie: Soms raken oudere beschouwingen in de vergetelheid, terwijl ze toch minder speculatief zijn dan nieuwere. Let wel, Calvijn en Delitzsch zochten beiden naar een oplossing. Beiden konden niet claimen dat het zo en niet anders was toegegaan. Toch is de ene speculatie minder speculatief dan de andere. Daarom kies ik m.b.t. Ps.60,3vv voor Calvijns uitleg en niet voor die van Delitzsch, al moet niemand de mogelijkheid uitsluiten dat noch Calvijn noch Delitzsch het bij het rechte eind hadden. In de uitleg van Psalmen bereiken we nooit een eindpunt. Het onderzoek naar de juiste keuzes blijft doorgaan!

 60.3. VAN OT NAAR NT 

Hoe moeten wij over deze psalm denken als wij er nieuwtestamentisch licht op laten vallen? Het antwoord hangt af van wat wij denken over de (hoofd)inhoud van de psalm. In vs. 2 wordt gezegd dat de psalm ‘ter lering’ is. Dit leren zou, volgens sommigen, verband houden met het onderricht in het boogschieten waarvan  2 Sam. 1,18.22 spreekt, ter nagedachtenis aan Jonatan die in het boogschieten zeer bekwaam was geweest.
Zou Ps. 60 deze bedoeling hebben, dan hadden we mogelijk te maken met de ‘meest krijgshaftige van alle psalmen’ – een lied dat in dienst staat van het oefenen met wapens (Franz Delitzsch)! Deze militaire bedoeling van Ps. 60 kan ik echter niet uit de psalm aflezen. Eerder is het tegendeel het geval. David zal op zijn strijd tegen de Arameeërs in het noorden en tegen de Edomieten tegenslagen hebben ondervonden en, ondanks bepaalde overwinningen, zijn gaan twijfelen of God nog wel met het leger van Israël wilde uittrekken, vss. 12vv. Het beeld van David is in Ps. 60 niet krijgshaftig, maar getuigt van nederigheid tegenover God. Wat zou hij kunnen beginnen als God hem in de steek liet? Wellicht ontstond de opvatting over de ‘meest krijgshaftige van alle psalmen’ door de vss. 8-10 David in de mond te leggen in plaats van hier woorden van God te vinden die voor David bemoedigend zijn. Zie mijn uitleg.
Staan de zaken zo, dan getuigt David hier van Gods overwinningen op de vijanden en gedraagt hij zich zo afhankelijk en ootmoedig dat het niet moeilijk is verbindingen te leggen met wat het NT van de gelovige vraagt in zijn houding tegenover God, vgl. Luc. 1,48v; Hand. 20,19. Daarom heeft een verklaarder m.i. de kern getroffen als hij het ‘eeuwige gehalte’ van Ps. 60 zoekt in het geduld dat de gemeente van God moet oefenen in moeilijke omstandigheden . De gemeente moet blijven hopen en de beloften van God dat Hij over de vijanden zal triomferen, vast in het hart sluiten (E.W. Hengstenberg).
De NT-gemeente volgt niet David, maar Davids grote zoon Jezus Christus, zodat alles wat met macht, geweld en wraak te maken heeft, ons verplicht achter Hem aan te gaan. De kerk in het NT is niet een voortzetting van Davids heerschappij, maar die van Jezus Christus waarin wij wapengeweld schuwen en het lijden kunnen aanvaarden. De uiteindelijke overwinning ligt achter onze aardse horizon. 

60.4. VOOR VANDAAG 

1. Onder 13.2. Algemeen Thema heb ik gezegd dat het van belang is te letten op de historische plaatsing van een psalm. Dat blijft gelden, ook al heb ik aan de hand van Ps. 60 moeten wijzen op het pogen om over historische setting zinnige dingen te zeggen. Maar een psalm ook historisch aanschouwelijk maken is van belang. Inzicht in de geschiedenis van Israël en in het leven van z’n grote voorgangers (David etc.) moet in preken voorafgaan aan allerlei illustraties die op te diepen vallen uit het leven van de prediker en zijn toehoorders.

2. In allerlei onzekerheden die er over de uitleg van Ps. 60 blijven, hoeft één ding niet onzeker te zijn: Davids triomfen op het slagveld staan niet haaks op zijn belijdenis dat hij in zijn nood tot God roept. Hij weet dat hij zonder Hem de vijanden niet kan overwinnen. De psalm is niet krijgshaftig, laat staan krijgszuchtig, maar erkent Gods beslissing om al of de strijd tegen Edom aan te binden, vss. 11vv.

3. Bij alle roem die David ten deel valt (‘Saul versloeg ze bij  duizenden, David bij tienduizenden’ (1 Sam. 18,7 NBV), moeten we de menselijke behoefte om z’n helden te vereren matigen. David zelf zei over zijn bereidheid om het tegen Goliat op te nemen: Jahwe heeft mij gered uit de klauwen van leeuwen en beren, Hij zal me ook redden uit de handen van deze Filistijn (1 Sam. 17,37). Ps. 60,13 zet daar nog een streep onder door menselijk hulp vergeefs of ijdel te noemen.

4. Ps. 60 belijdt dat God beslist. Dat moeten we ook kunnen aanvaarden als er geen overwinningen worden geboekt en diep leed ons treft.

5. Militaire strijd is een middel voor een doel. Het doel is de rust die God aan David gaf van al zijn vijanden (2 Sam. 7,1). God is de God van de legermachten, maar Hij doet ook wereldwijd de oorlogen ophouden, Ps. 46,10.
Nog steeds moeten we een legitiem gevoerde oorlog beschouwen als een middel om vrede te herstellen. De helm die God in Efraïm bezit is een defensief wapen. De vijanden van Israël die meestal vanuit het noorden kwamen, moeten kunnen worden afgeweerd.

6. In het bewaken van de interne eenheid en van de verscheidenheid binnen het volk Israël (o.a. Efraïm naast Juda), alsook in het verdedigen van de grenzen tegen z’n vijanden zien wij de oudtestamentische afspiegeling van wat ook voor de christelijke gemeente geldt. Zij weet van eenheid en verscheidenheid binnen het ene lichaam van de kerk (vgl. o.a. 1 Cor. 12). Zij weet ook dat de ‘de poorten het dodenrijk’ de kerk van Jezus Christus, gebouwd op een rots, niet kunnen overweldigen (Matt. 18,18).

 60.5. VERANTWOORDING 

Voor de historische achtergrond van deze psalm, zoals die in vs. 1 vermeld is, wijs ik naast de Bijbeltekst in 2 Sam. 8-12 op de samenvatting die The Carta Bible Atlas4 (2002) van de gebeurtenissen geeft:

1. Moab wordt vazal van Israël, 2 Sam. 8,2;

2. De Ammonieten beledigen Davids gezanten, 2 Sam. 10,1-5, wat leidde tot oorlog met Ammon. De Ammonieten zochten steun bij de Aramese koningen van o.a. Rechob en Soba in het noorden. Davids veldheren Joab en zijn broer Absai vechten succesvol op twee fronten, zowel tegen de Ammonieten als de Amorieten, 2 Sam. 10,6-14.

3. De Arameeërs onder koning Hadadezer hergroeperen zich , met steun van Arameeërs uit het gebied van de Eufraat. In de slag bij Chelam (Helam) verslaat David hen, 2 Sam. 10,15-19.

4. De strijd tegen de Ammonieten wordt voortgezet. Joab slaat het beleg voor Rabba, de hoofdstad van Ammon. Let erop dat tijdens dit beleg de affaire tussen David en Batseba zich heeft afgespeeld. Uria, de man van Batseba werd gedood, waarna David door Natan als schuldig aan overspel en doodslag werd aangewezen en bestraft, 2 Sam. 11. David zelf sluit de overwinning op Rabba af en ontneemt de koning van de Ammonieten z’n gouden kroon.

    N.B. Davids overspel wordt in 2 Sam. 11 beschreven wordt, maar heeft plaatsgevonden tijdens de in  2 Sam. 8 beschreven overwinningen van David. Hij onderwierp ook de Ammonieten (2 Sam. 8,12), waarover wij dan meer lezen is in 2 Sam. 10 en 12,26-31.

5. Koning Hadadezer probeert zijn macht over vroegere vazallen langs de Eufraat te herstellen, maar David valt zijn gebied binnen. Hij verslaat Hadadezer, die op weg is naar het Tweestromenland,  bij Hamat (naam voor een stad en het land), 1 Kron. 18,3. David maakt de Aramese vorsten tot zijn vazallen en stelt gouverneurs aan in Damascus, 2 Sam. 8,3-6.

6. Toi, de koning van Hamat aan de Orontes sluit een bondgenootschap met David, 2 Sam. 8,9-11.

7. De baan is nu vrij om met Edom af te rekenen. Opnieuw spelen de veldheren Joab en Absai een rol, 2 Sam. 8,13-14; 1 Kron. 18,12-13; Ps. 60,1. Edom is nu geheel aan David onderworpen, 2 Sam. 8,14. We mogen hierin de verhoring zien van het gebed in Ps. 60.

Een soortgelijk schema van de gebeurtenissen vinden we bij C. van Gelderen, Bijbelsch Handboek (1935) I,134vv.

Van M.E. Tate (1990),103 is het oordeel dat we in Ps. 60 ‘geplaagd’ worden met moeilijkheden en dat elke interpretatie ‘tentative’ (een poging, onzeker) is. Zie ook H.J. Kraus (1960),428.

 Vs. 1 vermeldt dat Joab in het Zoutdal 12.000 man versloeg, terwijl 2 Sam. 8,13 deze roem op naam van David zet, en 1 Kron. 18,10 de eer geeft aan Abisai (de broer van Joab). Zij zullen alle drie aan de strijd hebben deelgenomen, terwijl de Joab en Abisai de eer van de overwinning lieten aan hun koning David, zoals Joab ook had gedaan aan het slot van het beleg van Rabba, de hoofdstad van de Ammonieten ( 2 Sam. 12,28). Het is niet met zekerheid te zeggen waarom Ps. 60,1 bij Joab 12.000 verslagen mannen telt, terwijl 2 Sam. 8,13 bij David en 1 Kron. 18,12 bij Abisai over 18.000 mannen spreken.

 In vs. 6 leest NBV i.p.v. nātattā – U hebt (een banier) gegeven - een imp. (te), in de betekenis van: ‘Geef een teken (aan wie ontzag hebben voor u)’. Zo ook H.J. Kraus (1960),426. M.i. is dat een geheel onnodige ingreep op de Masoretische tekst, zeker wanneer we in vs. 6 mogen denken aan David en de zijnen die Gods redding hebben ervaren tijdens hun vervolging door Saul.

Zie over het Hebr. woord nēs (banier, teken, staak) ThWAT V,467vv (H.J. Fabry). Het gaat ook in 60,6 duidelijk over het toevlucht nemen tot God, een bekend thema in veel psalmen. Het maakt weinig verschil voor de uitleg of we lehitnōsēs opvatten als een vorm van het werkwoord nss (waarvan nēs een derivativum is) of van nūs (vluchten). In het woord toevlucht liggen beide elementen besloten: de rechtvaardige bezit een veilige oriëntatie als hij zich op God richt, en hij ontkomt vluchtend aan zijn vijanden.

Verder kies ik met NBG, NBV en vele anderen voor de lezing qèšèt, ‘boog’, i.p.v. voor   qōš, ‘waarheid’, dat in Spr. 22,21 voorkomt (‘Het is om je de waarheid te leren’, NBV).

 Vs. 7 lees ik met KJV, N.H. Ridderbos (1973),257, e.a. Q: wa‘anēnī (antwoord mij) i.p.v. K: wa‘anēnū (antwoord ons).

 M.b.t. de vss. 8-10 gingen vroeger de joodse en de christelijke verklaringen ervan uit dat de ik-figuur daarin niet God, maar David was. Het valt op hoe vanzelfsprekend deze uitleg zonder enige discussie werd geponeerd, o.a. door Rashi (ed. 2007),421 (God zwoer bij zijn heiligheid dat ik (David) koning over hen zou zijn) en in Tehillim (ed. 2010),753. Zie ook Calvijn in zijn toelichting op 60,8. Maar m.i. zou het telkens herhaalde ‘van mij’ en ‘mijn’  uit Davids mond erg verzekerd klinken als we aan zijn zo afhankelijke opstelling tegenover God denken, vss. 11vv.

 T.a.v. vs. 9 wijs ik erop dat Moab vaker denigrerend wordt aangeduid. Zo in  Jes. 25,10v, waar Moab vertrapt wordt, zoals stro in mest wordt getreden.

De naam Dode Zee komt in de Bijbel niet voor. Het meer wordt daarin aangeduid als Zoutzee, o.a. Gen. 14,3; Num. 34,12, of als Oostzee, Ez. 47,18; Joël 2,20.

 T.a.v. vs. 11 meent J. Goldingay (2007),232, dat na 8-10 de ik-figuur God blijft. Hij geeft toe dat het wel heel uniek voor God is als jij in vs. 11 vraagt om geleid te worden. Maar dat geldt niet minder voor de antropomorfe opmerkingen over Hem in vs. 9! De meeste uitleggers denken er anders over dan Goldingay. Terecht, m.i., want anders zou de overgang van vs. 11 naar 12vv vreemd zijn.

 T.a.v. onderdeel 60.2. Algemeen Thema wijs ik op  F. Delitzsch (1894),410v). Er zou nog meer tegen de veronderstelling van Delitzsch in te brengen zijn. In zijn verklaring van Ps. 44, die hij een tweelingspaar met Ps. 60 noemt, legt hij 1 Kon. 11,15 uit. Ik citeer NBG: ‘Toen David met Edom bezig was, en de legeroverste Joab optrok om de gevallenen te begraven…’. Delitzsch interpreteert dit vers als volgt: Joab begroef de doden die in de bloedige oorlog met Edom gevallen waren, en nam daarna, nadat hij de Edomieten in het Zoutdal verslagen had, op een verschrikkelijke wijze wraak door in het land Edom alles wat mannelijk was te doden, a.w.,327.  Niets in 1 Kon. 11,15 wijst erop dat Joab eerst Israëlieten begroef en vervolgens  Edomieten doodde.

Het valt op dat de exegese van Calvijn in de vergetelheid raakte onder de orthodox-christelijke exegeten, terwijl de opvatting van Delitzsch tot op heden aanhangers vindt, o.a. bij D. Kidner (2008),233.

 Zie voor 60.3. Van OT naar NT Delitzsch, a.w.,409vv. Hij zet boven zijn bespreking van Ps. 60 ‘Waffenübungspsalm nach verlorener Schlacht’, en vermeldt op pag. 411 dat Ps. 60 de meest ‘kriegerische’ van alle is.

De opmerking van E.W. Hengstenberg over het ‘eeuwige gehalte’ van Ps. 60 citeer ik via J. Ridderbos (1958), 137.

 M.b.t. tot 60.4 wijs ik op joodse exegeten uit de Middeleeuwen die moeite bleken te hebben met Davids annexeren van Aramese gebieden. Was er vroeger geen verbond gesloten tussen Jakob en Laban de Arameeër (Gen. 31,44vv)?! Het Sanhedrin, dat men al aanwezig achtte in Davids tijd te Jeruzalem, zou wel aan David de goedkeuring voor een oorlog tegen de Arameeërs gegeven hebben, maar niet voor annexatie van hun gebied, Tehillim I (ed. 2010),747,749). De uitlegger Radak beweert dat David in grote moeite kwam door de Aramese koning Hadadezer, die door de linies van Davids leger brak, a.w.,749.  Dergelijke exegeten zagen niet de Edomieten, maar de Arameeërs als veroorzakers van Davids moeite. Dát zou hem ertoe gebracht hebben Gods hulp in te roepen.

Reacties zijn gesloten.