Wat heeft de GS 2014 met het Appel gedaan?

Meer dan 1500 leden van onze kerken hebben zich begin 2014 tot de GS Ede gericht met een dringend Appel. Dat Appel is door die synode onontvankelijk verklaard. Het was immers ingediend door individuele leden uit de kerken en niet door kerkenraden. En alleen kerkenraden vinden volgens het kerkrecht van de laatste jaren nog rechtstreekse ‘rechtsingang’ bij een synode. Toch is een afvaardiging van de ondertekenaars ter synode uitgenodigd voor een gesprek. Ze zijn een middaglang aangehoord en bevraagd. Een uitvoerig verslag van deze ontmoeting is op deze site te vinden onder ‘kerkelijk leven’.

De belangrijkste vraag is natuurlijk: wat heeft de GS nu besloten met betrekking tot de zaken die één van de zes aandachtsgebieden raken die in het Appel verwoord en geïllustreerd zijn?
Een korte verklaring van onze kant hierover verscheen begin juli al op deze site. Daarin is met name gewezen op de onbegrijpelijke tegenstrijdigheid tussen de besluiten over vrouwelijke ambtsdragers en die over de NGK.
In dit artikel zet ik wat uitvoeriger op een rijtje hoe de synodale besluitvorming zich verhoudt tot de in het Appel aangesneden zaken. Hieronder ga ik dat na aan de hand van de zes punten uit het Appel. De synodebesluiten worden aangehaald zoals ze te vinden zijn op de site www.gkv.nl .

Bij 1. Binding aan de gereformeerde belijdenisgeschriften

Heeft de GS besluiten genomen die waarborgen dat er, zoals voorheen, een duidelijke binding blijft aan de gereformeerde belijdenisgeschriften? In het eerste punt van het Appel wordt gesproken over ‘verslappende interesse voor een strikte binding aan de confessie’.

  1. Het Appel verwees ter illustratie naar het missionaire gemeentestichtingsproject Stroom, waar van ambtsdragers die instemming niet gevraagd wordt. De GS, die besluiten moest nemen over de voortzetting van de financiële steun aan dit missionaire project, heeft hieraan geen enkele aandacht gewijd. Steun aan Stroom gaat zonder kritische aanmerkingen door. De steun wordt weer beschikbaar gesteld en dit zelfs “onder toezending van een brief van bemoediging”(het desbetreffende besluit 3a). En zo blijven de kerken verantwoordelijkheid dragen voor projecten waarvan de desbetreffende voorgangers in hun publieke uitingen meermalen duidelijk zijn over de vrijheid die zij zich menen te kunnen veroorloven tegenover de belijdenis van de kerk. Er is bij hen weinig te vinden van de ‘toewijding’ die in het ondertekeningsformulier voor ambtsdragers gevraagd wordt in het ‘onderwijzen’ en ‘trouw verdedigen’ en het ‘afwijzen van elke dwaling’ die met de leer van de kerk in strijd is. Dat bleek ook in de afgelopen maanden weer. Zo kon één van hen, Rikko Voorberg (verbonden aan Stroom-West) onlangs schrijven: “Ik denk niet dat het geloof zeker weten is. Het is een keus om alles voor betrouwbaar te houden wat God ons in zijn Woord geopenbaard heeft. We wagen het erop, we gaan ervoor – en dat is iets anders dan het starre, feitelijke weten. Ik vertrouw dat Woord wel, die Jezus, zijn verhaal heeft de potentie om de wereld te veranderen, om kerken weer kerk te laten worden, om gelovigen weer gelovigen te laten worden en mensen weer mensen – als we maar alles op het spel durven zetten. Tijd voor verwarring. Voor vrijgemaakten en voor iedereen”(in: L. Kamphuis (red.), Vrijgemaakt?, Utrecht 2014, p. 129).
    In een interview deze zomer van Trouw met hem en de andere Stroom-voorganger Martijn Horsman, valt te lezen hoe zij tijdens hun studie geleidelijk tot het inzicht kwamen dat de bijbel “geen eenduidige boodschap bevat over de waarheid en over God”. En: “In een nieuw boek dat het duo onlangs schreef, beschrijft Voorberg het zo: ‘Vroeger wist ik dat wel; je moest je door Jezus laten verlossen van de zonden. En als mensen niet wisten wat zonde was, konden we dat ook nog wel uitleggen.’ Horsman: “Twijfel, lust en jaloezie zijn voor ons niet meer de vijanden van het ware geloof. Het zijn elementen die horen bij een mens. Dus ook bij een gelovig en zoekend mens.” Voorberg: “Ons geloof is experimenteler geworden.””. Verderop in het interview zegt Horsman: “De uitdaging van het geloof is niet: roepen dat Jezus Heer is, maar om zo´n leven te leiden dat mensen zien dat er iets is veranderd.” Voorberg voegt daaraan toe: “We proberen te ontdekken wat het in vredesnaam betekent dat ooit is besloten Jezus de zoon van God te noemen.”
    In hetzelfde interview benadrukt Voorberg: “Wij zijn door onze kerk gevraagd om iets nieuws te doen, niet om ervoor te zorgen dat iedereen die gereformeerde belijdenisgeschriften weer onderstreept.”
  1. Nog afwachten is wat de synode in januari 2015 zal beslissen ten aanzien van de voorgestelde tekst voor het vernieuwde ondertekeningsformulier. Bij de ontmoeting van de synode met de afvaardiging is van onze kant hierover opgemerkt:
    “Volgens dat concept zal een ambtsdrager die verschil ervaart tussen wat de Bijbel leert en de belijdenis, dit ‘op gepaste wijze aan de orde stellen’. Met deze nieuwe bepaling zou door de kerken een omslag worden gemaakt. Volgens het huidige formulier mag een afwijkend inzicht niet openlijk worden uitgedragen. Het moet aan de kerkelijke vergaderingen worden voorgelegd. Het voorgestelde formulier laat wel in het midden wat ‘op gepaste wijze’ precies is, maar het omvat volgens het deputatenrapport in elk geval dat een afwijkend inzicht publiek aan de orde gesteld kan worden. Daar pleiten deputaten zelfs voor. Als er kritische vragen zijn, helpt het niet een open discussie te verbieden, zo stellen deputaten. Door de discussie aan te gaan, zouden we laten zien dat we voor de waarheid staan. Daarbij zou ook het contrageluid gehoord moeten worden. Met het nieuwe Ondertekeningsformulier kan in feite elk deel van de gereformeerde leer openlijk in discussie worden gebracht. Een breuk met ons verleden!”
    Juist de hier gekritiseerde passage over het ‘op gepaste wijze aan de orde stellen’, riep ter synode gelukkig kritiek op. Hopelijk zal de besluitvorming gaan opleveren dat het ‘bindingsformulier’ niet principieel zal verschillen van de manier waarop het oude ondertekeningsformulier ambtsdragers bond aan de leer van de kerk.
  1. Het meest verontrustende besluit bij dit onderdeel is het besluit van de synode om over te gaan tot officiële kerkelijke samensprekingen met de NGK die gericht zijn op kerkelijke eenheid. Verschil in opvatting én praktijk m.b.t. de binding aan de belijdenis vormt de belangrijkste oorzaak van het ontstaan en bestaan van de gescheiden kerkelijke wegen van beide kerkverbanden. Tot aan de directe voorganger van de GS Ede, die van Harderwijk 2011, is door de synodes gesproken over hindernissen op de weg naar eenheid. Steeds was daarom opdracht gegeven aan deputaten kerkelijke eenheid (DKE) het gesprek over deze zaken voort te zetten. Nu is door DKE aan Ede gerapporteerd dat zij geen mogelijkheden meer zagen “om dit onderwerp nog verder uit te spitten”. De GS heeft zich met geen woord uitgelaten over dit niet uitvoeren van de opdracht van haar voorgangsters. En het hele punt van de binding aan de belijdenis komt in de synodale besluitvorming niet meer voor. Ondertussen wacht nog altijd de geconstateerde belemmering t.a.v. de daadwerkelijke binding aan de belijdenis op een oplossing. Bijvoorbeeld inzake een verplicht ondertekeningsformulier en een duidelijke kerkrechtelijk vastgelegde weg wat te doen bij bezwaar tegen (een onderdeel van) de belijdenis. Het Akkoord van Kerkelijk Samenleven (AKS) laat in art.  17 de mogelijkheid bestaan dat een kerkenraad genoegen neemt met het niet (langer) instemmen met wat daarin gevraagd wordt. Er staat: “Wie de ondertekening weigert of niet langer voor zijn rekening kan nemen, legt verantwoording af aan de kerkenraad. Totdat de kerkenraad met deze verantwoording genoegen neemt, wordt de uitoefening van het ambt, het preekconsent of de beroepbaarstelling opgeschort. De kerkenraad doet hiervan mededeling aan de gemeente en de regio en geeft desgewenst nader rekenschap.”  Daar komt nog bij dat in de verklaring die aan het AKS voorafgaat de kerken uitspreken dat het al of niet aanvaarden van dit akkoord “geen oorzaak van breuk of verwijdering mag zijn tussen gemeenten die één zijn in geloof en belijden”. Nog altijd bestaat er ook de belemmering van de tolerantie van publieke uitingen van gevoelens die van de belijdenis afwijken. Die tolerantie is binnen de NGK ook nog niet merkbaar minder geworden. Publicaties waarin het door eerdere synodes veroordeelde onderscheid tussen Christus als fundament van de kerk en zaken uit de belijdenis die het fundament niet raken, zijn ook recent verschenen. Diverse keren alleen al van de hand van ds. J.M. Mudde, tot in het GKv-blad De Reformatie aan toe (met een pleidooi voor de acceptatie in de kerk van een dubbele dooppraktijk, 22 febr. 2013, p. 234 vv.).

Wanneer nu richting een eenheid met de NGK gewerkt moet gaan worden waarbij de wijze waarop aldaar met de binding aan de belijdenis wordt omgegaan acceptabel is, dan is daarmee een wissel echt omgegaan!

 

Bij 2. Het gezag van de Heilige Schriften

Heeft de synode besluiten genomen die eraan mee zullen helpen om bestaande bezwaren en verontrusting rond het gezag van de Heilige Schrift weg te nemen?

  1. In het tweede onderdeel van het Appel hebben wij de synode om een duidelijk antwoord verzocht op de in de afgelopen jaren gerezen vragen over het gezag van de Schrift, vooral wat de historische betrouwbaarheid betreft. Publicaties van m.n. dr. S. Paas en dr. K. van Bekkum hadden niet alleen binnen de kerken, maar ook bij diverse buitenlandse kerken tot kritische vragen aanleiding gegeven. Het appel vraagt de GS om het wegnemen van onduidelijkheid als het gaat om hoe aan de TU in Kampen over dit soort kwesties geoordeeld wordt.
    De Synode heeft een aantal besluiten genomen waarmee ingegaan wordt op deze en andere door de buitenlandse kerken ingebrachte bezwaren. Allereerst spreekt de synode uit dat deze kerken met hun bezwaren aan het enig  juiste adres zijn. Vervolgens wordt gesteld dat de ‘grieven’ uit het buitenland gewaardeerd worden ’als meeleven  vanuit verbondenheid in Jezus Christus’ (besluit 2.1). De GKv wil aanspreekbaar blijven op de binding aan Schrift en belijdenis (besluit 2.2). Maar dat die kerken wel moeten bedenken dat de GKv van nu niet die van veertig jaar geleden is, maar daarom niet minder gereformeerd (besluit 2.3). Die kerken als geheel moeten niet beoordeeld worden vanuit verschillen van mening met bepaalde auteurs of deputatenrapporten (besluit 2.4). Met als grond (grond 2): “De Gereformeerde Kerken zijn aanspreekbaar op de besluiten die zij gezamenlijk nemen, niet op allerlei meningen van personen of deputaten die de kerken niet voor hun rekening genomen hebben”. Dat is een merkwaardige stellingname. Wanneer bijvoorbeeld bezwaren uit binnen- of buitenland zich richten tegen de benoeming of handhaving van docenten van wie gepubliceerde  opvattingen niet gereformeerd worden geacht, dan raakt dat natuurlijk wel degelijk de beoordeling van een kerkverband zelf. Hoe gaat zo’n kerkverband namelijk  om met docenten die zulke opvattingen publiceren? Een kerkverband dat een bepaalde docent handhaaft omdat ze de tegen hem ingediende bezwaren afwijst, heeft daarmee als kerkverband een duidelijke keus gemaakt. En wel deze keus: wat die bepaalde docent geschreven heeft past binnen de bandbreedte van ons kerkverband. Je hoeft het er niet mee eens te zijn, maar het mag wel geleerd en gepubliceerd worden. En dát was nu juist door de buitenlandse kerken aangevochten.
    Vervolgens wordt in een hele rij besluiten door de synode ingegaan op onderdelen van ingebrachte kritiek uit het buitenland. Wat het Schriftgezag betreft is besluit c. relevant. Het bevat, volgens de eigen terminologie van de synode, een kader-uitspraak over hermeneutiek. De buitenlandse kerken krijgen te horen:“c1. dat over het rapport van deputaten m/v door de generale synode nog niet besloten is en dat de zorgen van de zusterkerken bij de bespreking ervan worden meegewogen;
    c2. dat geen hermeneutiek legitiem is waarin de context van de bijbel of de context van de huidige lezer bij de uitleg en toepassing van teksten i. geen rol speelt of ii. een zelfstandige rol speelt;Grond:
    Het is goed om ook al vóór de behandeling van het rapport van deputaten m/v de verontrusting in de zusterkerken tegemoet te komen door een kader-uitspraak over hermeneutiek. Die bevat geen beslissing in technisch-inhoudelijke hermeneutische discussies, maar geeft de grenzen aan waarbinnen die discussie in de kerken plaats vindt: er is niemand die deze grenzen te buiten wil gaan. Omdat er zorgen over zijn dat dit toch gebeurt is een aparte uitspraak op zijn plaats.”

    De  besluitvorming rond M/V heeft na deze besluiten zijn beslag gekregen (zie bij punt 3). Wat de buitenlandse kerken (én net zo goed de binnenlandse) nu moeten denken van deze kader-uitspraak, is een lastige vraag. Want waar in binnen – of buitenland zou iemand te vinden zijn die stelt dat genoemde contexten geen rol spelen bij uitleg en toepassing van Bijbelteksten? Nergens. Maar wat is vervolgens de strekking van de uitdrukking ‘een zelfstandige rol’? Dat is onhelder. Het lijkt me bijvoorbeeld goed te verdedigen dat de context van de bijbel zelf een zelfstandige rol speelt. Niet de enige rol. Maar wel een zelfstandige. Eigenlijk is de kader-uitspraak nogal nietszeggend.
    Hoe dan ook, de duidelijke antwoorden (waar niet alleen in het  onontvankelijk verklaarde Appel om gevraagd werd, maar ook in de ontvankelijk verklaarde buitenlandse bijdragen) zijn niet gegeven.

  1. Besluitvorming die het Schriftgezag raakt, is ook die rond de verhouding met de NGK. De synode heeft met blijdschap kennis genomen van een document dat Tweede overeenstemming over hermeneutische uitgangspunten heet. Daarmee is de belemmering weggenomen die volgens eerdere synoden het NGK-besluit om de ambten voor de vrouw open te stellen had opgeworpen (alsmede de daaraan ten grondslag liggende argumentatie in het zgn. VOP-rapport) . Dit is diep te betreuren. Ik schreef eerder (in: Nader Bekeken april 2014 p. 103v.) over deze overeenstemming: “De teneur van het stuk is dat het verschil tussen GKv en NGK wat betreft de vrouw in het ambt een praktische kwestie blijk te zijn. En dus geen principiële. Vanuit gelijke eerbied voor de Schriften wordt de bijbel op dit punt verschillend gelezen, wat tot verschillende praktische keuzes leidt. Een woord dat in het stuk veel valt is ‘intentie’. Omdat de NGK geen schriftkritische intenties heeft, is met hun praktische keuze te leven. Eén citaat: “dit (nl toelating van de vrouw in het ambt, PLS) is niet gebeurd omdat de Schrift niet normatief is, maar omdat we in ons schriftverstaan kunnen verschillen en tot verschillende conclusies kunnen komen” (p. 10).  Bovendien wordt benadrukt dat er ook binnen de NGK wel verschillend gedacht wordt over de hermeneutiek van het VOP-rapport. Van de kant van de CCS werd gesteld dat dit rapport geen wetenschappelijke pretenties had en dat de bekendheid en het vertrouwen dat de opstellers binnen de NGK genieten, met zich meebracht dat minder vragen werden opgeroepen dan wanneer je met hen niet vertrouwd bent (p. 11). Eigenlijk zet de hele overeenstemming in op de gedeelde subjectieve intenties om de Bijbel als de ene canon te erkennen en recht te willen doen. En dat dit desondanks toch tot verschillende uitkomsten kan leiden. Er wordt een beroep gedaan op het gegroeide wederzijdse vertrouwen wat dat betreft. En eigenlijk, zo concludeer ik, laat dat geen ruimte meer voor een standpunt als: de Schrift verbiedt de vrouwelijke ambtsdrager en wie het anders leert doet geen recht aan de Schrift. Hoe nobel de intenties ook zijn.” En even later schrijf ik: “Maar het lijkt me nogal een stap om op deze manier de kwestie van de vrouw in het ambt  tot een praktische kwestie te devalueren in plaats van als een principiële kwestie te waarderen waarover de Schrift zich duidelijk uitspreekt. Wie meent dat het laatste het geval is kan met deze overeenstemming onmogelijk instemmen. Je kúnt toch als kerken ook niet volstaan met een overeenstemming over alleen subjectieve intenties? Alsof ook die niet onderworpen en toetsbaar zijn aan wat geschreven is? Er wordt bovendien wel erg vlot geconcludeerd dat we als GKv niet bang hoeven te zijn ‘voor Schriftkritiek bij de NGK’. Dan valt er, om maar één voorbeeld te noemen, toch nog wel wat door te praten over het tamelijk recente pleidooi van drs. H. de Jong voor een vrijere en ruimhartiger omgang met Schriftkritiek dan de Gereformeerde Kerken vanouds gewend zijn (in zijn boekje De Weg uit 2010)”.
    Toen een afgevaardigde ter synode dit laatste punt naar voren bracht, werd hij vanuit de vergadering en door de preses afgekapt. De afgevaardigde zou hetzelfde doen als de buitenlandse kerken: een kerkverband beoordelen op basis van opvattingen van individuele leden. Alsofbij kerkelijke samensprekingen het niet een belangrijk punt van overweging is welke publiek gemaakte opvattingen binnen een kerkverband geleerd én getolereerd worden.

De synode heeft, kortom, bestaande vragen en zorgen op het punt van het Schriftgezag niet weggenomen, en die zelfs met het aanvaarden van de hierboven genoemde  hermeneutische overeenstemming doen toenemen.

Bij 3. De vrouw in het ambt

De meest brandende en omstreden kwestie ter synode is ongetwijfeld die van de beoordeling van het rapport van deputaten M/V geweest. Het heeft de synode heel veel moeite gekost om tot besluitvorming te komen. De meningen liepen ver uiteen. Vinden we in de  uiteindelijke besluitvorming iets terug van de in ons Appel genoemde zorgen en verzoeken?

  1. De synode heeft in ieder geval niet het besluit genomen dat zusters tot de kerkelijke ambten kunnen worden toegelaten. Ook heeft de synode niet willen voldoen aan het verzoek van (de meerderheid van) deputaten om in te stemmen met hun onderbouwing van de conclusie dat het dienen van vrouwen in  alle ambten past ‘binnen de bandbreedte van wat als Schriftuurlijk en gereformeerd kan worden bestempeld’ (besluit 2a). Wel verklaart de synode dat de visie dat vrouwen in het ambt mogen dienen ‘vrij bespreekbaar’ moet zijn ‘zolang er vanuit de Schrift geargumenteerd wordt’ (besluit 2b). Waar de synode zich helaas niet duidelijk over heeft uitgelaten is over de belangrijke vraag: behoort de door deputaten voorgestelde hermeneutische benadering ook tot dat ‘argumenteren vanuit de Schrift’?  Of doet de rol die deputaten geven in hun hermeneutische benadering aan het verschil tussen culturele achtergronden daar afbreuk aan? Terwijl dit wel juist één van de belangrijkste vragen is. In het Appel hebben wij aangewezen dat deze hermeneutische benadering ook gevolgen heeft voor heel andere vraagstukken dan die van vrouw en ambt.
    Wel heeft de synode in haar grond bij haar besluit om niet met de conclusie van deputaten in te stemmen getracht een piketpaaltje te slaan bij de voortgaande studie en bezinning waartoe ze ook besloot. De synode argumenteert: “Het doorlopend spreken van de Schrift laat twee lijnen zien. De ene lijn is die van de gelijkwaardigheid tussen man en vrouw – de andere die van het verschil in verantwoordelijkheid die God aan man en vrouw heeft gegeven: deze beide lijnen dienen verdisconteerd te worden.” Wat de synode hier stelt is waar, maar geeft ook weer niet erg veel duidelijkheid. Heeft, om een voorbeeld te noemen, de lijn van de onderscheiden verantwoordelijkheden ook gevolgen voor de vraag of dat onderscheid misschien binnen de ambten tot zijn recht kan komen? Dat is geen theoretische kwestie. In de jaren zestig hebben de synodaal gereformeerde kerken enige tijd voor deze benadering gekozen, zonder dat dit ooit verder nog wezenlijke praktische concretisering heeft ontvangen toen de zusters eenmaal definitief tot de ambten waren toegelaten.
  1. De synode heeft tot twee omvangrijke studieprojecten besloten, uit te voeren door twee verschillende deputaatschappen. Het één heet ‘M/V en ambt’, het andere ‘M/V in de kerk’. De eerste moet zich bezighouden met de ambtsstructuur in de kerk en de inzetbaarheid van vrouwen, de tweede heeft tot taak “te werken aan de integratie van het bijbels onderwijs, de confessionele normen en de praktijk in de Gereformeerde Kerken met betrekking tot de rollen en functies van vrouwen en mannen in hun onderlinge samenhang” (besluit 4a).  Over de uitgebreide taakomschrijving voor beide deputaatschappen zou veel te zeggen en te vragen zijn.  Toch is er een ander besluit dat in dit verband meer aandacht verdient. Juist dat besluit maakt duidelijk dat het niet zo is dat al deze studieprojecten nog een open einde zouden hebben. Als uitkomst van al dit breed opgezette gestudeer en geïnventariseer (in binnen- en buitenland) is bijvoorbeeld bij voorbaat deze slotsom al uitgesloten: de huidige ambtsstructuur is zo gek nog niet, zusters zijn in de praktijk qua inzetbaarheid helemaal niet zo tweederangs in het kerkelijk leven als sommige voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers suggereren, en de bijbel is duidelijk: geen vrouwen in het ambt. Want de synode heeft kort na deze besluiten ook besluiten genomen m.b.t. de NGK, die de vrouw in alle ambten toestaan. Er is besloten tot samenspreking gericht op kerkelijke eenheid.  Maar kan dan tijdens die samensprekingen niet alsnog blijken dat dit punt een verhindering voor eenwording is? Nee, dat kan niet. Want de synode besloot (besluit 3): “uit te spreken dat door de overeenstemming in de gesprekken over hermeneutiek de belemmering die er lag vanwege het besluit van de NGK om de ambten voor de zusters der gemeente open te stellen, is weggenomen.” Met als grond: “ondanks het verschil in praktische uitkomsten ten aanzien van de vrouw in het ambt, is gebleken dat we als kerken elkaar vertrouwen kunnen geven inzake de erkenning en aanvaarding van het gezag van de Heilige Schrift.”
    Eigenlijk is dit de meest schokkende uitspraak die te Ede door de kerken is gedaan. Hiermee is gekozen voor het ontstaan van één kerkverband waarbinnen de kwestie van de vrouw in het ambt tot een praktische kwestie is teruggebracht, waar plaatselijke kerken zelf over mogen beslissen. Zo is het in de NGK al geregeld. Samengaan met dat kerkverband terwijl dit geaccepteerd wordt, houdt in dat je dit voor de verenigde kerken dus ook bereid bent te accepteren. En welke grond daar dan onder ligt, die van het VOP rapport of een andere (in de NGK wordt de hermeneutiek van het VOP-rapport ook niet door alle voorstanders van vrouwelijke ambtsdragers gedeeld), het doet er niet meer toe. Het gaat immers niet om een principiële maar praktische kwestie op basis van de hermeneutische overeenstemming waarover hierboven onder onderdeel 2 geschreven is.
    Dit besluit m.b.t. de NGK heeft het eerdere besluit m.b.t. vrouw en ambt feitelijk opgeblazen en alle omvangrijke studieprojecten al bij voorbaat tot overbodige drukte gemaakt. De uitkomst staat al vast: niemand hoeft het ermee eens te zijn, maar het moet wel kunnen.
    De meerderheid van onze deputaten, die zich naderhand publiek zo teleurgesteld en gefrustreerd geuit hebben over de te Ede ontvangen bejegening, hebben langs deze weg alsnog hun zin gekregen: de GS acht  het invoeren van vrouwelijke ambtsdragers binnen de bandbreedte te vallen van wat Schriftuurlijk en gereformeerd mag heten.  Wat nu al binnen de NGK praktijk is, moet ook kunnen binnen een verband van verenigde kerken. Het is niet langer een belemmering. Aldus Ede.  Kerken die hier bij plaatselijke samenspreking nog wel een punt van maakten, weten nu waar ze aan toe zijn. Voor wat in Ede (nog) niet via de voordeur mocht, is de achterdeur wijd open gezet.

De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) hebben hier inhoudelijk en besluit-technisch  zonder meer een dieptepunt in synodale besluitvorming bereikt.

 Bij 4. Visie op de kerk van Jezus Christus

Het Appel vroeg aandacht voor het huidige enthousiasme voor nieuwe en uitdijende oecumenische contacten in relatie tot wat we in de gereformeerde confessie belijden over het onderscheid tussen wat kerk heten mag en wat niet.

  1. In dat kader wezen wij op de deelname van onze kerken aan de zgn. ‘Nationale synode’ (NS). Op die deelname is indertijd nogal wat kritiek geuit i.v.m. het aanvechtbare Credo dat als  gezamenlijke verklaring is vastgesteld, terwijl duidelijk was dat een aantal van de deelnemende kerken en bewegingen zich niet eens achter één van de oud-kerkelijke belijdenissen zouden kunnen en willen scharen. Ook de pretenties en doelstellingen, die heel wat verder strekken dan het vormen van een gespreksforum, riepen bedenkingen op. Vorig jaar zei de voorzitter van de stuurgroep van de NS, ds. G. de Fijter”, bijvoorbeeld daarover:  “Alles wat we nu doen, dient in het perspectief gezien te worden van 2018 en 2019, waarbij we een protestantse variant destilleren uit het rooms-katholieke bisschoppen-model”(te vinden op www.nationalesynode.nl).  De wens dat ook de Roomse kerk zal aanhaken is al diverse malen geuit. Van de nu al deelnemende genootschappen, inclusief vrijzinnige, wordt in het gezamenlijk aanvaarde Credo beweerd: “De vreugde van dit evangelie bindt ons samen, wij horen bij elkaar en zijn aan elkaar gegeven in het ene lichaam van Christus, zijn kerk”.
    Het is wonderlijk dat de synode van Ede over deze dingen met geen woord heeft gerept. De synode blijft doen alsof het heus om niet meer gaat dan een vrijblijvend gespreksforum, waarbij deputaten opdracht kunnen krijgen ‘het katholiek-gereformeerde belijden naar de Schriften in te brengen’(besluit b.). Deelname kan volgens de synode gebeuren in het kader van ‘ het contact met andere (protestantse) kerken’ dat ‘vrijmoedig en onbekommerd’ kan worden aangegaan, ‘zonder dat kerkelijke eenheid direct als doel wordt nagestreefd’(grond 4). De synode heeft sowieso de mogelijkheden voor dit soort contacten voor de Deputaten Kerkelijke Eenheid op hun verzoek enorm verruimd (in weerwil van de naam van dit deputaatschap!).
  1. Het pijnlijkst duidelijk wordt de zich voltrekkende verandering in visie op de kerk van Christus, in de besluitvorming over de beoogde eenwording met de NGK. Daarover is hierboven al het belangrijkste vermeld. De grootste belemmeringen voor eenheid, zoals wij die tot voor kort zagen, zijn volgens de synode weggenomen. En dat zonder dat er binnen de NGK sprake is van principiële veranderingen  voor wat betreft vrouw en ambt en de binding aan de belijdenis. Niet de NGK, maar de GKv is veranderd en dát heeft de toenadering mogelijk gemaakt waarvan te Ede nu is uitgesproken: “het is vertroostend en verblijdend te constateren dat de Heer van de kerk de NGK en de GKv 50 jaar na de droeve scheuring zo dicht tot elkaar heeft doen naderen” (besluit 5, grond 2). Of het de Heer van de kerk is die deze toenadering heeft gegeven, dat zal toch op grond van zijn Woord uitgemaakt moeten worden? Is het heus op grond van dat Woord vol te houden dat we samen met de NGK één kerkverband moeten gaan vormen waarin er ruimere mogelijkheden zijn om publiek de belijdenis van de kerk te weerspreken? En waarin de kwestie van vrouw en ambt alleen nog een praktische kwestie mag heten, zonder dat daarbij het gezag van dat Woord in geding is?  Waarin plaatselijk  desgewenst  kinderen aan het avondmaal toegelaten kunnen worden? Waarin de in een relatie samenlevende homofiele broeders en zusters aan het avondmaal worden toegelaten (iets wat door GKv-synodes tot nog toe steeds principieel is afwezen!)? Waarin het een onbeslist vraagpunt is of zo’n, in een homoseksuele relatie samenlevende, broeder of zuster tot de ambten kan worden toegelaten? Werkt de Heer van de kerk zulke toenadering? En was er in die ‘droeve scheiding’ in de jaren zestig dan niets van zijn werk te bekennen waardoor de GKv, ondanks alle eigen lek en gebrek, toch bewaard mochten blijven bij het gebonden willen blijven aan de gereformeerde belijdenis als katholieke belijdenis? En dus ook bij het houden van de voorgangers van de kerk aan hun gegeven woord (middels hun handtekening onder het ondertekeningsformulier)?
    Ondertussen betekent deze koerszetting te Ede tegelijkertijd dat kerkelijke eenheid met de CGK steeds verder achter de horizon komt te liggen. De Gereformeerde Kerk te Bunschoten-Oost had de synode verzocht om de samensprekingen met de NGK voortaan samen met de deputaten eenheid van de CGK te laten plaatsvinden. Dat zou nu eens een oecumenische daad van betekenis zijn geweest! Maar de synode wees dat af. Ruimte voor afzonderlijk overleg is juist goed ‘gelet op het verschil in de ontwikkeling van het contact met de Nederlands Gereformeerde Kerk bij de betrokken kerkverbanden’ (besluit 9, grond).
    Steeds duidelijker wordt op deze manier hoezeer wij binnen de GKv uit elkaar gegroeid zijn voor wat betreft het antwoord op de vraag naar wat de Schriftuurlijk en gereformeerde bandbreedte van een kerkverband eigenlijk is.

De besluitvorming van de GS Ede heeft bepaald niet de in het Appel gevraagde duidelijkheid verschaft, nl. dat er bij al deze ontwikkelingen geen sprake zou zijn van een breuk met ons kerkelijk verleden als het gaat om gehoor willen geven ‘aan de eis van de Heilige Schriften om te onderscheiden tussen wat kerk mag heten en wat niet’. Zeker in de besluitvorming met betrekking tot de NGK tekent zich die breuk juist wel af.

 Bij 5. Kerkdiensten en catechismusprediking

In het Appel hebben wij ook aandacht gevaagd voor de zorgen rond de eredienst, zoals het verlies aan eenheid tussen de kerken, het afnemend bezoek van de tweede eredienst op zondag en het dreigende teloor gaan van de catechismusprediking. Diverse synodebesluiten hebben hiermee te maken.

  1. Het beargumenteerde verzoek in het Appel om de catechismusprediking een verplichting te laten blijven, is niet ingewilligd. De nieuwe kerkorde, die per 1 juli 2015 in werking zal treden, schrijft voor in art. C37.2: “Een van de zondagse erediensten is doorgaans een leerdienst waarin aan de hand van de belijdenis van de kerk onderwijs wordt gegeven in de christelijke leer .” Te vrezen is dat de praktijk nu zal gaan uitwijzen (net als eerder in de NGK en daarvoor in de synodaal-gereformeerde kerken) dat dit ook binnen ons kerkverband in steeds meer kerken het einde zal gaan betekenen van de Catechismus als leidraad voor het verkondigen van ‘al de raad Gods’. In plaats daarvan zullen het steeds meer de voorgangers zelf zijn die uitmaken welke onderdelen van de leer nog aan de orde worden gesteld en welke niet. De gekozen formulering uit de nieuwe kerkorde (‘aan de hand van’) zal daar ruimte genoeg voor bieden.
  1. In de nieuwe kerkorde is de bepaling over het samenroepen van de gemeente op zondag definitief geworden, C36.1: “De gemeente viert de zondag als dag van Christus’ opstanding. De kerkenraad roept de gemeente daarvoor samen in openbare kerkdiensten, als regel twee maal per zondag.” De huidige kerkorde had in art. 65: “De kerkenraad zal de gemeente op de  dag des Heren tweemaal samenroepen voor de eredienst”. Het nu toegevoegde  ‘als regel’  werkt relativerend. Het geeft de ruimte aan kerken die menen goede gronden te hebben om van de regel af te wijken en maar één dienst willen beleggen. Zoals in sommige plaatsen al gebeurt of overwogen wordt.
    Het illustreert hoe het kerkrecht in onze kerken veranderd is van ‘voorschrijvend’, naar ‘beschrijvend’ en ‘volgend’. Het zal op termijn het einde betekenen van de leerdiensten in de kerk (al dan niet aan de hand van de catechismus)
  1. Dat het selecteren, beoordelen en vaststellen van wat in de eredienst gezongen kan worden een zaak is die je als kerken beter samen kunt doen, is een overtuiging die de synode nu definitief opgegeven heeft. Ook hierin is het kerkelijk beleid volgend geworden. Op steeds meer plaatsen trok men zich toch al weinig aan van wat de kerkelijke afspraken waren. Nu is besloten: “de verantwoordelijkheid voor de liedkeuze in erediensten over te laten aan de plaatselijke kerkenraden” (besluit 2). Want, zo redeneert de synode, kerkenraden die in staat geacht worden de prediking op schriftuurlijkheid te beoordelen, moeten dat ook met liederen kunnen. Een wonderlijke vergelijking! De preken komen stuk voor stuk langs, twee per week. Een kerkenraad hoeft preken niet vooraf helemaal door te nemen om te beoordelen of  ze wel of niet gehouden moeten kunnen worden. Nee, het Woord wordt ’s zondags ook aan de kerkenraadsleden zelf met gezag verkondigd. Ze zijn allereerst luisteraars. Maar wel moeten ze daarbij waakzaam blijven op trouw aan Schrift en belijdenis en op het begrijpelijke en opbouwende karakter voor heel de gemeente. Dat is toch echt een heel andere taak dan het verantwoord moeten kiezen uit een overvloed liederen  (alleen het nieuwe Liedboek telt ver over de duizend liederen), die uit alle mogelijke kerkelijke en theologische achtergronden stammen. Plus dat daarbij niet alleen de vraag naar schriftuurlijkheid zich aandient, maar ook naar poëtische en muzikale kwaliteit en de geschikte manier van begeleiding. Hebben alle plaatselijke kerken daar genoeg deskundigheid, mankracht en tijd voor ter beschikking? De inmiddels gegroeide grote diversiteit in de kerken wat het zingen betreft is door dit besluit definitief geaccepteerd en leidt tot het opgeven van elke eenheid in de lofzang voor de HERE.  Een enorme last wordt daarmee ondertussen op elke plaatselijke kerkenraad gewenteld . Bovendien is daarmee een mogelijke twistappel gelegd in veel gemeenten, waarin de levende wensen en voorkeuren van de gemeenteleden zeer ver uiteen lopen.  Zelfs de eenheid in psalmberijming is nu opgegeven, nu de kerkenraad vrij is ook de eerste 150 liederen uit het nieuwe Liedboek (dus de psalmberijming uit het oude Liedboek voor de Kerken) te gebruiken, alsmede hun a-, b-, c- , etc.- varianten.
    Goed beschouwd is het verbazingwekkend dat de synode de uitspraak heeft gedaan het nieuwe Liedboek “te aanvaarden voor gebruik in de kerken” (beluit 3).  De verantwoordelijkheid voor de liedkeuze was een besluit eerder toch helemaal bij de kerkenraden gelegd? Wanneer in het nieuwe (nog te verschijnen) Gereformeerde Kerkboek heel wat liederen verdwenen zullen blijken te zijn, is dat geen enkel probleem, zo is ons al verzekerd. Je mag ze gewoon blijven zingen. We mogen alles. Maar hoeveel liederen – en hoeveel psalmen! – kennen we en zingen we straks samen eigenlijk nog echt?

De conclusie kan niet anders zijn dan dat de synode op geen enkel zorgpunt dat in het Appel aangesneden was met betrekking tot de zondagse erediensten, besluiten heeft genomen die aan onze verzoeken tegemoet komen.

 

Bij 6. Is binnen het christelijke leven een homoseksuele relatie mogelijk?

In het zesde en laatste onderdeel van het Appel hebben wij zorgen met betrekking tot het christelijke leven en de tuchtoefening verwoord. Eén zaak werd uitgewerkt: namelijk de schuivende opvattingen m.b.t. homoseksuele relaties.  Aan de synode vroegen wij in feite bekrachtiging van door haar twee voorgangers in concrete appelzaken gedane uitspraken.

  1. Anders dan ten tijde van de opstelling van het Appel verwacht werd, heeft de synode geen uitspraak hoeven te doen over relaties die met homoseksualiteit te maken hebben. 
  1. Wel is gesproken over een studierapport ‘Huwelijk en samenlevingsvormen’. Eenstemmigheid over daarin ontwikkelde denklijnen was er echter al niet bij de deputaten die hierbij betrokken waren. De synode heeft er daarom nog geen uitspraken over willen doen. Er zijn vooral opdrachten voor het vervolg gegeven. Het onderdeel over de bijbelse uitgangspunten wordt voor gebruik in onderwijs, toerusting en pastoraat aan de kerkenraden aanbevolen. Het onderdeel over bijbelse uitgangspunten wordt voor gebruik aande kerkenraden aanbevolen.Toch heeft de synode een tweetal uitspraken gedaan die verbazing oproepen. Ik citeer ze even: “c. uit te spreken dat voor het huwelijk als “een totale levensgemeenschap van één man en één vrouw, rechtsgeldig aangegaan voor het leven” in de huidige maatschappij het Burgerlijk huwelijk de meest passende vorm is;
    d. in afwachting van een definitief besluit inzake de verschillende samenlevingsvormen de kerkenraden op te roepen erop toe te zien dat bij het aangaan van een geregistreerd partnerschap de betreffende man en vrouw elkaar trouw beloven voor het leven;”Wat verbaast hier? Wie zegt dat iets ‘de meest passende vorm’ is, sluit daarbij andere vormen niet uit. Ze zijn alleen minder passend, maar desondanks (onder bepaalde voorwaarden wellicht) toch acceptabel. Dat blijkt ook. Wanneer degenen die een geregistreerd partnerschap aangaan, bereid zijn trouw voor het leven te beloven, dan kun je (moet je?) als kerkenraad die samenlevingsvorm accepteren. En zo is hiermee te Ede toch een officiële stap gezet die – hoewel onbedoeld – bevorderen kan dat binnen de kerken verdere aanpassing zal plaatsvinden aan de maatschappelijke ontwikkelingen. Waarom zou dit stoppen bij geregistreerd partnerschap? Er zijn al kerkenraden die het samenwonen van stellen accepteren. Met tegenzin waarschijnlijk, maar ja, je moet toch in gesprek blijven, anders raak je ze kwijt. De overstap naar een kerkverband waar niet moeilijk gedaan wordt, is tenslotte zo gemaakt.  Zouden die kerkenraden ook niet gebaat zijn bij dit beloven van levenslange trouw aan samenwonenden? Dan doet de kerk toch nog wat. Het genoemde rapport oppert die mogelijkheid ook en geeft een voorbeeld van hoe de kerkenraad dat zou kunnen doen en welke formuleringen er voor een afkondiging gebruikt zouden kunnen worden.
    Met de besluiten c en d heeft de synode er dus toch al een begin meegemaakt om knopen door te hakken, en dat terwijl ze in één adem zegt dat het allemaal in afwachting is van definitieve besluiten. Maar kunnen die definitieve besluiten straks nog terug achter wat je al voor een aantal jaren als mogelijkheid gegeven hebt?

 Conclusie

De enige conclusie die ik uit het bovenstaande overzicht kan trekken is dat wat de 1541 ondertekenaars van het Appel aan de generale synode van Ede aan zorgpunten en verzoeken hebben voorgelegd geen (uit de besluitvorming merkbare) herkenning en erkenning heeft opgeroepen bij de synode.

 Hoe verder?

Deze conclusie maakt de vraag urgent: hoe verder?  Er is nu door ons kerkverband duidelijk koers gezet. Bijvoorbeeld richting eenwording met de NGK. Dat betekent koerszetting richting het vormen van een kerkverband waarin wij dan (onder meer!) moeten tolereren dat:

- de binding aan de gereformeerde confessie losser wordt, zoals dat in de NGK tot op heden toe nog steeds het geval is;

- de toelating van de vrouwen in het ambt van ouderling en predikant aan de vrijheid van de plaatselijke kerk wordt overgelaten;

- de homoseksuele leefstijl geen belemmering meer vormt om aan de viering van het heilig avondmaal deel te nemen.

 

Elke kerkenraad in ons kerkverband komt daarmee de komende tijd voor de vraag te staan of ze op deze weg mee kan én mag. En – bij negatieve beantwoording van deze vraag – of en hoe deze koers nog te keren is.

Veel bezinning, in het licht van wat de HERE zegt, en veel gebed zal nodig zijn. Hoe zullen we anders de dingen kunnen zeggen en doen om samen toe te blijven groeien naar Hem die het Hoofd van de kerk is: Christus?  Waarvan Paulus zegt dat dit niet anders kan dan “door ons aan de waarheid te houden en elkaar lief te hebben” (Ef. 4: 15).  Of: hoe bewaart een kerk de eenheid die vrucht van Christus’ Geest is? Want dát is toch de opdracht (Ef. 4: 3-6):

 “Span u in om door de samenbindende kracht van de vrede de eenheid te bewaren die de Geest geeft: één lichaam en één geest, zoals u één hoop hebt op grond van uw roeping, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, die boven allen, door allen en in allen is” .  

 

Ds. P.L. Storm, 9 oktober 2014.

 

Reacties zijn gesloten.