Conceptbrief

CONCEPT-BRIEFGERICHT AAN DE KERKENRAAD TE …………

Geachte broeders, 

Over de ontwikkelingen in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) maken wij ons grote zorgen. Wij weten dat geen kerk volmaakt is en dat wij, zowel in ons eigen leven als binnen de kerkelijke gemeenschap waartoe wij behoren, altijd moeten blijven strijden tegen de zonde. Wanneer wij in deze brief kritiek leveren op de richting die onze kerken de laatste jaren gaan, zijn wij onze bewust van onze eigen zwakheid voor God en voor de mensen, inzonderheid als wij aan onze broeders en zusters in dezelfde kerkelijke gemeenschap denken. Maar wij weten dat het Woord van God ook in het kerkelijk leven een licht op ons pad is. Dat licht moeten we ook verder gebruiken om de weg te blijven volgen die God ons gewezen heeft.
Het is niet uit zucht om kritiek te leveren dat wij ons bij u melden, maar juist om uiting te geven aan onze dankbaarheid voor wat God ons geschonken heeft en voor wat wij mogen bewaren. Ondanks alle tekortkomingen die ons kerkelijk leven sinds de Vrijmaking van 1944 heeft getoond, overheerst bij ons nog steeds de vreugde over wat wij gedurende ruim zeventig jaren in de kerk van onze Here Jezus Christus ontvangen hebben.

Daarom doet het ons verdriet dat wij in deze brief op een ontwikkeling moeten wijzen die ons van de goede weg afvoert. Hoewel er meer is dat ons zorgen baart, willen wij ons in deze brief beperken tot één zaak, die volgens ons heel duidelijk laat zien in welke verkeerde richting de kerken zich bewegen.

 Het gaat over het streven naar eenwording met de Nederlandse Gereformeerde Kerken.
Zoals bekend rezen er in de zestiger jaren bezwaren tegen voorgangers die in strijd kwamen met het ja-woord dat zij hadden gegeven ter instemming met de leer van de kerk, samengevat in de drie formulieren van eenheid. Maar zij hielden zich niet aan hun woord. We denken aan het conflict met ds. B. Telder, die zich keerde tegen wat wij in Zondag 22 belijden, nl. dat ‘onze ziel na dit leven terstond tot haar hoofd Christus opgenomen zal worden’. Deze en andere verschillen leidden tot de scheuring in 1967.
We zijn nu bijna vijftig jaren verder en bevinden ons in een totaal andere kerkelijke situatie. Alom is er de begeerte om een eind te maken aan het conflict van destijds. De generale synode van Ede 2014 noemde het ‘vertroostend en verblijdend te constateren dat de Heer van de kerk de NGK en de GKv 50 jaar na de droeve scheuring zo dicht tot elkaar heeft doen naderen’. De synode meende dat nu het ogenblik was aangebroken om ‘over te gaan van gesprekken naar samensprekingen met het oog op kerkelijke eenheid.’
Dit besluit verbaast ons, omdat wij moeten constateren dat zeker in drie belangrijke zaken geen sprake kan zijn om te streven naar een vereniging tussen GKv en NGK. Wij zijn er namelijk van overtuigd dat daarmee de waarheid geweld wordt aangedaan. De synode van Ede kan wel zeggen dat het ‘de Heer van de kerk’ was die de beide kerken naar elkaar toebracht, maar wij bestrijden dat. De Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) begeren zelf een eenheid die tegenover de Heer van de kerk niet te verdedigen valt. Wij noemen drie zaken die wij daarvoor aan u voorleggen.

 Allereerst wijzen wij erop dat tot aan de generale synode van Ede er door haar voorgangsters gezegd werd dat er een duidelijke hindernis op weg naar eenheid was. Steeds kregen onze deputaten weer de opdracht om met de NGK over de binding aan de gereformeerde belijdenis door te praten. Want op die eenheid in belijden zou immers het samengaan van GKv en NGK moeten berusten. Ook de voorlaatste synode van Harderwijk 2011 drong er weer op aan dat hier duidelijkheid zou moeten komen. Maar onze deputaten hebben aan de synode van Ede 2014 bericht dat zij geen mogelijkheden meer zagen ‘om dit onderwerp nog verder uit te spitten.’ Helaas heeft de laatste synode geen aandacht gegeven aan het feit dat de opdracht van haar voorgangster niet werd uitgevoerd. Het punt van binding aan de belijdenis komt in de besluiten van Ede 2014 niet meer voor. Maar hoe zit het nu met onderwerpen die op vroegere synodes als voorwaarden voor vereniging werden gesteld, zoals een verplicht ondertekeningsformulier en het volgen van de kerkelijke weg in geval van bezwaren die iemand tegen de belijdenis kreeg? Telkens werd er op synodaal niveau op gewezen dat een duidelijke binding aan de leer van de kerk in de NGK nog steeds ontbrak. Er werden opvattingen getolereerd die van de belijdenis afweken. Deze tolerantie is binnen de NGK niet merkbaar minder geworden. Zo heeft bv. de NGK-predikant J.M. Mudde in het recente verleden (o.a.in het blad De Reformatie) nog een pleidooi gehouden voor het accepteren in de kerk van een dubbele dooppraktijk. Naast de kinderdoop zou er ook ruimte moeten zijn deze doop tot latere leeftijd uit te stellen. Hij schrijft dat als illustratie bij een pleidooi voor het hanteren van het onderscheid tussen Christus als het fundament van de kerk en zaken uit de belijdenis die het fundament niet zouden raken. Een onderscheid dat door onze synodes altijd veroordeeld is.
Ook is te wijzen op de opvattingen over de Heilige Schrift van drs. H. De Jong, die strijdig zijn met wat we in art. 5 NGB belijden over het gezag van de Heilige Schrift. Hij heeft herhaaldelijk bepleit om wat het Schriftgezag betreft ‘een stapje terug’ te doen. Nog in 2010 legde hij verantwoording daarvan af in zijn boekje De weg, tien stellingen over de bijbel. Daarin bepleit hij meer ruimte voor Schriftkritiek. Hij stelt weliswaar dat de bijbel voor hem het Woord van God blijft, maar daarbij denkt hij ‘vooral aan de hoofdlijn zoals die door heel de bijbel heen gemakkelijk te herkennen is’ (49). Hij ziet ruimte om Gen. 1-11 op te vatten als een ‘historische werkelijkheidsbeschrijving (… ) op de wijze van de profetie: geestelijk, symbolisch, met gebruikmaking van eigentijdse beelden en sterk samenvattend…’ (13). Het verhaal van de zondeval is door de Geest vormgegeven ‘oud traditiegoed’. ‘Dat bijvoorbeeld de figuur van Adapa uit de oude Babylonische mythe misschien model gestaan heeft voor de bijbelse Adam vind ik een bruikbaar vermoeden’ (12). De voorbeelden zouden te vermenigvuldigen zijn (bijv. met hoe De Jong omgaat met Paulus’ onderwijs over homoseksualiteit). Het is veelzeggend dat de NGK hem geëerd heeft door een leerstoel in te stellen die naar hem genoemd is en daarop een opvolger heeft benoemd (dr. J. Dekker) die nadrukkelijk in deze lijn verder wil werken.

 Wij menen dat de weg die onze vroegere synodes gewezen hebben, moet worden doorgetrokken. Zonder ondubbelzinnige wederzijdse binding aan de belijdenis van de kerk moet vereniging tussen GKv en NGK uitgesloten worden geacht.
Wij vragen daarom de kerkenraad alles in het werk te stellen om (eventueel via de classis) aan de eerstvolgende generale synode te verzoeken haar besluit om de weg naar eenheid met de NGK op te gaan, terug te nemen.
Tegelijk bedenken we dat de grote bereidheid in de GKv om tot eenheid te komen met de NGK erop wijst, dat ook in eigen kring de band aan de confessie, die de kerken aaneen heeft gesmeed, slapper is geworden dan in vroeger jaren het geval was. Uw antwoord als kerkenraad op ons bezwaar tegen de beoogde vereniging van beide kerken zal ook een toetssteen zijn om te weten hoe sterk of zwak wij hier plaatselijk ons aan de gereformeerde leer verbonden weten.

 In de tweede plaats bevreemdt het ons dat de synode van Ede 2014 in het openstellen van de ambten voor vrouwen, zoals dit een feit is geworden in de NGK, geen verhindering (meer) ziet tegen vereniging met deze kerken. De synode sprak uit dat, ondanks het verschil in praktische uitkomsten ten aanzien van de vrouw in het ambt’, gebleken is dat we ‘als kerken elkaar vertrouwen kunnen geven inzake de erkenning en aanvaarding van het gezag van de Heilige Schrift.’
Maar het openstellen van het ambt voor de vrouwen kan moeilijk alleen een praktisch verschil tussen twee kerkengroepen genoemd worden als de Schrift openstelling van het kerkelijk ambt voor vrouwen niet toestaat. Het debat en de besluitvorming op de synode van Ede 2014 om vrouwen (nog) niet tot de ambten toe te laten, heeft juist aan het licht gebracht dat er onenigheid in eigen kerken bestaat over het antwoord op de vraag of openstelling van het ambt voor vrouwen mogelijk is! Hoe kan een synode dan ruim een week later van ‘slechts’ een praktisch verschil tussen beide kerken spreken?
Wij zijn van mening dat het hier niet over een praktisch, maar een principieel verschil gaat. Denk aan wat Paulus over de verhouding man/vrouw zegt. Hij beroept zich niet (alleen) op zijn tijd, maar ook op de schepping en de zondeval van de mens (1 Tim. 2,11vv; 1 Kor. 11,8vv). Hij noemt Christus hoofd van de man en de man hoofd van de vrouw (1 Kor. 11,3; Ef. 5,23), niet omdat de maatschappij in zijn dagen de man boven de vrouw stelde, maar omdat dit voor Paulus voortvloeide uit zijn belijdenis van Jezus Christus.
Daarom dus de keuze van mannen en niet van vrouwen voor het ambt. Vrouwen konden in heidense religies priesteres zijn. Maar zij werden geen voorgangsters in de christelijke religie, ook al bouwden en bouwen zij mee aan de kerk, vanaf moeder Maria tot elke zuster in Christus.   
Met het oog op deze ordening van het kerkelijk leven verzoeken wij de kerkenraad onze ernstige bezwaren over te nemen. Wend u tot de classis en tot de eerstvolgende generale synode om vereniging met de NGK onder de huidige omstandigheden uit te sluiten. Het is immers duidelijk dat bereidheid om met de NGK te verenigen zonder meer ook tot het accepteren van vrouwen als ambtsdragers in de beoogde verenigde kerk zal leiden.
Ook uw antwoord op ons tweede argument om zo geen vereniging na te streven met de NGK, zal laten zien hoe wij hier plaatselijk onderling gereformeerde kerk willen blijven. Houden wij vast aan het getuigenis van de Schriften door een zeer lange kerkelijke traditie voort te zetten inzake de regering van de kerk? Of breken wij met wat ons in de Schriften wordt voorgehouden over de aanstelling van mannelijke ambtsdragers?

 In de derde plaats is het ons bekend dat binnen de NGK de homoseksuele leefwijze geaccepteerd is. Deze kerken bestuderen zelfs de mogelijkheid of homoseksuelen ook als ambtsdragers kunnen worden toegelaten.
Om te voorkomen dat wij slechts bezwaren aandragen tegen wat er in de NGK gebeurt, wijzen wij op het volgende. Op een eendaags Congres te Kampen in januari 2012 is voorgesteld om de oefening van tucht inzake homoseksueel samenlevende broeders en/of zusters voorlopig uit te stellen. Deze zaak die in de NGK reeds beslist is, wacht binnen de GKv al geruime tijd op een uitspraak. De generale synodes van Zwolle 2008 en van Harderwijk 2001 kregen te maken met enkele situaties waarover haar oordeel gevraagd werd. Dit oordeel hield duidelijk in dat toelating tot het heilig avondmaal niet te rijmen viel met een homoseksuele levensstijl.
Maar ieder kan weten dat ook in de GKv verschillende gemeenten dit kerkelijke en Schriftuurlijke oordeel inzake homoseksueel samenleven niet gevolgd wordt, mede op grond van wat er op het genoemde Congres werd voorgesteld. Men oefent geen tucht, en ieder moet vrezen dat uitstel van tucht gaat leiden tot afstel ervan.
Daarom verzoeken wij de kerkenraad om zich tot de classis en via de classis tot de eerstvolgende generale synode te wenden om opnieuw duidelijk uit te spreken dat  christelijk leven en homoseksueel verkeer niet samengaan.
Tegelijk is dit verzoek voor ons de derde reden waarom vereniging tussen GKv en NGK afwijzen.

 Wij beseffen dat we niet over onbelangrijke zaken een appel op u als kerkenraad doen. Het gaat ons om het behoud van het gereformeerde karakter van de kerken, die wij liefhadden en nog liefhebben. Maar boven alles uit gaat onze liefde tot Jezus Christus als Heer van de kerk, die van ons vraagt dat wij zijn geboden liefhebben.
Die liefde wordt niet getoond als voorgangers in de kerk geen ernst maken met het woord van trouw dat zij gegeven hebben, toen zij instemden met de gereformeerde leer door hun handtekening onder het ondertekeningsformulier. Ons ‘ja’ moet ‘ja’ en ons ‘nee’ ‘nee’ zijn (Matt. 5,37).  
Het kan evenmin bestaan dat wij de orde negeren zoals Jezus die heeft ingesteld door mannen als zijn leerlingen (discipelen) te roepen. De apostelen hebben die orde gerespecteerd door in de gemeenten mannen aan te stellen (Hand. 6,3; 14,23; 20,17; Tit. 1,5v, e.a.).
Het is evenzeer geboden dat wij op christelijke wijze leven, o.a. door het huwelijk te respecteren als afschaduwing van de verhouding tussen Christus en zijn gemeenten (Ef. 5,25vv). In overeenstemming met de schepping van man en vrouw is alleen binnen deze relatie seksuele eenwording geoorloofd en niet buiten het huwelijk (Gen. 1,27v; Lev. 18,22; Rom. 1,26v).
Al de moeiten die de hierboven aangegeven christelijke overtuigingen vandaag met zich meebrengen, moeten ons niet verhinderen de weg te volgen die ons in de Schriften gewezen wordt. Het lijden van deze tijd staat in geen verhouding tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard (Rom. 8,18)!

 Met hartelijke groet,

 Uw broeders en zusters in Jezus Christus,

 Volgt ondertekening  

Reacties zijn gesloten.