In dankbare herinnering aan Georg Huntemann (1929-2014)

MINOLTA DIGITAL CAMERA

 Later dan ik van plan was, geef ik aandacht aan het overlijden van prof. dr. Georg Huntemann uit Bremen. Waarom ik dat doe over een man die voor velen onder u een onbekende zal zijn, hoop ik met mijn volgende uiteenzetting duidelijk te maken.  Niet alle onderdelen van mijn verhaal over Huntemann zijn gemakkelijk te begrijpen. U kunt ze overslaan en onder het volgende kopje verder lezen.

Ik zeg bij voorbaat dat ik over Huntemann schrijf vanuit  de kerkelijke situatie waarin wij als gereformeerde kerken (vrijgemaakt) ons vandaag bevinden. Als ik dit ‘In Memoriam’ schrijf, wil ik mijn broeder en vriend Georg Huntemann eren, en tegelijk laten zien dat hij ons in onze huidige kerkelijke omstandigheden iets te vertellen heeft.

 De student Huntemann

 Eerst maar enkele biografische gegevens. Georg Huntemann werd op 10 juni 1929 geboren in Bremen en stierf in dezelfde plaats op 13 februari 2014. Dat hij een strijder binnen de kerk zou worden, lag niet in de lijn van zijn afkomst. Zijn ouders waren liberaal van opvatting en hebben aan de godsdienstige vorming van hun zoon geen aandacht gegeven. Van vijandschap was geen sprake, maar zijn vader liet wel eens merken dat het hem wat verontrustte  dat zijn jonge zoon zo intensief bezig was de Bijbel te lezen. Was dat wel normaal?!
Wat zijn ouders voor de wetenschappelijke vorming van hun enig kind Georg gedaan hebben, is respectvol. Zij lieten hem studeren op zes plaatsen in Duitsland en Zwitserland: Hamburg, Erlangen, Zürich, Tübingen, Göttingen en Bern. De jongeman had grote gaven en zijn vader, een rijke fabrikant, stelde hem in de gelegenheid op veel plaatsen de colleges van beroemde filosofen en theologen te volgen. Dat hij daarvoor veel kosten heeft moeten maken, is niet zo opvallend. Verbazingwekkend is wel dat hij begin 1957, op nog geen 28-jarige leeftijd,  al voor de tweede maal de doctorstitel verkreeg. En nog opvallender is het dat hij voor beide promoties met de hoogste lof slaagde. Eerst te Erlangen in de filosofie en vier jaar later te Bern in de theologie.
Vroeger hoorde ik dat je in Duitsland toch wel gemakkelijker kon promoveren dan in Nederland. Nu ik kennisgenomen heb van de beide dissertaties van Huntemann, zeg ik over hem wat anders. Met name in zijn tweede promotie heeft hij bewezen een wetenschapper pur sang te zijn. De titel van zijn tweede dissertatie luidt: Die dialektische Theologie und der spekulative Idealismus Hegels, met als ondertitel ‘ein Beitrag zur Geschichte des Kampfes um das finitum capax finiti in der neueren Theologie’. Ik kan er niet aan denken op deze website ook maar een poging te wagen om aan mijn lezers duidelijk te maken wat Huntemann in deze studie heeft verteld.
Voor de meeste mensen zal zelfs de titel van zijn dissertatie raadselachtig zijn. Wat mij betreft, ik heb deze dissertatie pas enkele weken geleden voor het eerst gelezen. Na Huntemanns begrafenis bezochten mijn vrouw en ik enkele weken later Huntemanns echtgenote Hella, die met hart en ziel vanaf haar zeventiende jaar aan Georg verbonden is geweest. Van haar kreeg ik Georgs tweede dissertatie cadeau. Ondanks een operatie waarvan de naweeën mij toen nog dagelijks kwelden, kon ik deze dissertatie niet op een stapeltje leggen om er later in te gaan lezen. Ik ben er onmiddellijk aan begonnen en beleefde een paar boeiende dagen.
De tijd van mijn Kamper studie en vooral van de twee jaren die ik aan Universiteit van Amsterdam had doorgebracht, kwamen mij weer voor de geest. Met Karl Barth, Paul Tillich, Rudolf Bultmann en Martin Heidegger had ik mij daar beziggehouden. Maar terwijl ik in Amsterdam aan de filosofie geroken heb, is Huntemann in de jaren daarvoor er doorheen gekropen. En in nog geen 140 bladzijden plus 860 noten geeft hij een uitnemend verslag van zijn reis door een stuk filosofie. We merken hoe heftig hij geleefd heeft om antwoorden te vinden die zijn hart en hoofd als christen konden bevredigen.

 De Huntemann van toen 

Als ik de jonge Huntemann lees, herken ik dan de man die ik vanaf de zeventiger jaren mocht ontmoeten, toen hij predikant in Bremen was? Ja en nee. Wat het ‘ja’ betreft: Ik herken hem in zijn dissertatie als een strijdvaardig man die het in een heel beslist betoog opneemt vóór Hegel en tégen Karl Barth e.a.
Ik herken ook de gelovige Huntemann in deze dissertatie. Misschien klinkt het vreemd om van iemand die in de theologie promoveert, te denken dat hij ook niet gelovig zou kunnen zijn. Maar zo is het niet. Wie Huntemanns dissertatie leest, moet concluderen dat er weinig theologie in staat. Het Bijbels getuigenis komt eigenlijk niet aan het woord. Het is duidelijk meer een filosofisch dan een theologisch betoog geworden. Toch zal iemand die Huntemanns dissertatie ook ‘tussen de regels door’ kan lezen, met mij voelen dat deze jonge theoloog hier reeds blijk van geeft dat hij geleden heeft onder de secularisatie in zijn eigen land en in de west- Europese wereld. Hij keert zich tegen  Karl Barth e.a. Waarom? Omdat zij met het poneren van een  onoverbrugbare kloof tussen God en de mens daardoor alles in onze geschiedenis ‘werelds’, ‘profaan’, maakten. Van Gods nabijheid in een continu contact tussen Hem en ons wilden ze niet meer spreken.
Huntemanns kritiek in zijn dissertatie deed mij geregeld aan K. Schilder denken, die eveneens Barth  bestreden heeft. Huntemann weet dat de latere Barth in zijn Kirchliche Dogmatik andere (betere) accenten gelegd heeft dan in zijn Römerbrief. Maar de breuk die Barth tussen ‘boven’ en ‘beneden’ eerst zo had verdedigd, kwam Barth volgens Huntemann ook in zijn latere geschriften niet te boven. Ik zie hier Huntemann als een worstelende leerling, die diepgaand  in gesprek is met filosofen en theologen. Hij heeft de Bijbel gelezen, zonder dat de Bijbelse boodschap uitdrukkelijk ter sprake komt en ook zonder dat hijzelf daarvan al een duidelijk beeld had. Hij kiest tegenover Barth c.s.  liever voor Hegel, voor wie  God en mens in principe één zijn en in de wereldgeschiedenis uiteindelijk een algehele eenheid zullen vormen.
Ik zei dat ik de latere Huntemann wel degelijk herken in de dissertatie waarover ik hierboven sprak. Maar aan dat ‘ja’ moet ik ook een ‘nee’ toevoegen. De Huntemann die ik leerde kennen in de zeventiger jaren was anders gaan denken over de Bijbel. In zijn dissertatie kwam hij niet uit boven een keus tussen bepaalde filosofen en theologen. Hij wees nog niet – zowel tegenover Hegel als tegenover Barth – op het Woord van God in de Bijbel, dat Hij onszelf gegeven heeft om Hem te kennen. Van God weten wij niets dan vanuit zijn openbaring. Maar in zijn genade heeft Hij zich aan ons duidelijk kenbaar gemaakt.
Ik  herken het persoonlijk geloof van Huntemann in zijn dissertatie. Ik herken ook zijn overtuiging dat wij van Gods genade afhankelijk zijn. Dat laatste heeft Huntemann in zijn dissertatie aan de orde gesteld door  uit te spreken dat niet wij eerst tot God opklimmen, maar Hij eerst tot ons komt. Maar daarbij steunt hij op Hegel en op de latere Heidegger. Barth en andere dialectische theologen zouden Hegel verkeerd hebben geïnterpreteerd. Zo zou Hegel wel degelijk hebben beseft dat niet wij denkend onze weg vinden tot God vinden, maar dat God eerst tot ons komt. Heidegger zou volgens Huntemann weer dichter bij Hegel staan door eveneens dat niet wij God vinden , maar Hij (als het ‘zijn’) ons overweldigt.

 Huntemann over de Bijbel in 1962 

Na zijn beide promoties wilde Huntemann predikant worden. Een wetenschappelijke carrière zonder het evangelie in een gemeente te verkondigen heeft hij nooit begeerd. Hij werd in 1957 predikant te Bremen, waar hij  predikant is gebleven tot aan zijn (vervroegd) emeritaat in 1988.
Binnen Bremen  is Huntemann ook nog predikant in twee andere kerken geweest voordat hij terugkeerde naar de Martinikirche waar hij als predikant begon en eindigde . Vanwaar dat switchen? Hij voelde zich al snel niet thuis in gemeenten waar collega’s  en gemeenteleden Jezus Christus niet centraal stelden als het ‘midden van hun geloof’ .
In de eerste tijd was hij nog geen uitgesproken reformatorisch theoloog-predikant.  Hij maakte een ontwikkeling door die hem steeds duidelijker in reformatorische richting dreef.
Zover was in het in 1962 nog niet, toen hij het boek Morgen wird man wieder Christ zijn publiceerde. We zien hier nog heel goed dat dr. Huntemann van zijn liberaal-theologische ideeën nog niet losgekomen was. We herkennen in Morgen wird man wieder Christ sein een gelovig man die zijn inmiddels grote kennis van zaken helemaal in dienst stelt om een appel te doen op de zoekers naar en de verlaters van de kerk. Onder de nogal optimistische titel van dit boek wil hij de twijfelaars op het hart binden het evangelie van Jezus Christus te aanvaarden. Zelfonderzoek doen en de armoede ontdekken die de wereld hun te bieden heeft, moet leiden tot het bevrijdend inzicht dat men zich aan God kan overgeven.
Huntemann schrijft hier sterk apologetisch. Als mensen eerlijk zijn en hun geweten laten spreken, wat ligt er dan meer voor de hand dan dat ze hun toevlucht bij God zoeken? Morgen zullen de mensen weer christen zijn!
In zijn oprechte poging mensen te overtuigen, zat toch een zwak punt. Dat valt vooral op als wij lezen wat Huntemann in zijn boek uit 1962 over de Bijbel zegt. De Bijbel kunnen wij  niet letterlijk nemen, zegt Huntemann. Nu is het waar dat wij in de Bijbel inderdaad uitspraken aantreffen die wij niet letterlijk moeten nemen. We vragen dan naar de bedoeling van die woorden. Maar moeten we daarom, zoals Huntemann in 1962 schijft, heel de inhoud van de Bijbel als beeld, gelijkenis en als symbolisch opvatten? Kunnen we met Huntemann zeggen dat het woord in de Bijbel allereerst helemaal menselijk is en niet de waarheid, maar slechts een teken van de waarheid is? De woorden die wij in de Bijbel vinden, zijn voor Huntemann in 1962 geen woorden die God zelf gesproken heeft, maar woorden van mensen. Ik citeer hier wat Huntemann destijds letterlijk op pag. 175 van zijn boek schreef.
In veel van wat Huntemann over de Bijbel zegt, herken ik meer Hegels opvatting dan wat de Bijbel zelf erover gezegd wil hebben. Er is geen geloof zonder gehoor en geen gehoor zonder prediker. De goede prediker laat zich uitzenden om het betrouwbare woord van God te brengen. Dat woord vindt hij in de Bijbel.

 Een opvallende wending: Diese Kirche muss anders werden (1979)

 We zijn zeventien jaar verder. De kerkelijke strijd in Duitsland is in volle hevigheid ontbrand. Er heeft zich een ‘Bekenntnisbewegung’ gevormd die scherp fulmineerde tegen alle vrijzinnigheid in de Duitse Kerken en ervan  getuigde dat de Bijbel Gods Woord is. Huntemann is intussen naast predikant ook docent geworden aan de Freie Evangelisch-Theologische Akademie in Basel. Daar maken ze hem attent op de Nederlandse theologie van Kuyper en Bavinck. Als ik hem voor het eerst ontmoet,  blijkt hij zeer goed op de hoogte van een stuk Nederlandse kerkgeschiedenis. Hij leest zonder moeite Kuyper en Bavinck in het Nederlands.
Intussen is hij binnen de Bekenntnisbewegung een van de meest strijdbare figuren geworden. Naast instemming valt hem ook veel kritiek ten deel. Wie zowel van het een als het ander kennis wil nemen, moet zijn boekje Diese Kirche muss anders werden uit 1979 lezen. Het heeft als ondertitel; ‘Ende der Volkskirche – Zukunft der Bekenntniskirche’. Ik vertel er even bij dat Huntemann dit boek heeft opgedragen aan ‘de gereformeerde broeders in Nederland’. Hij heeft in die tijd vrij intensieve contacten met gereformeerden in Nederland. Hij spreekt daar ook op verschillende plaatsen over de strijd die hem bezighoudt.
Wie het serene boek uit 1962 naast deze publicatie uit 1979 legt, treft op kardinale punten een heel andere Huntemann aan. Met de rust die er sprak uit Morgen wird man wieder Christ sein, is het gedaan. Met het (betrekkelijk) optimisme van destijds eveneens. In 1979 keert hij zich fel tegen de Duitse volkskerk. De dominee fungeert er, lezen we, als ceremoniemeester die bij de plechtigheden van doop, confirmatie, huwelijk en begrafenis, zich schikt naar de wensen van het publiek, en daardoor niet werkelijk meer een dienaar van het Woord is. De kerk is een democratie geworden, zij kent geen Christocratie meer. Zij is opgenomen in een oecumenische beweging die meent te handelen overeenkomstig Christus’ gebed om de eenheid van de kerk in Johannes 17, terwijl dat in werkelijkheid helemaal niet het geval is. De eenheid waarvoor Christus bidt, is geen eenheid als zij niet in Christus geworteld is. De geheiligde gemeente is niet de wereldse, oecumenische gemeente, maar de gemeente die in Gods verkiezing uit deze wereld uitgesneden is.
Dergelijke uitspraken was ik in de eerdere publicaties van Huntemann nog niet tegengekomen. Evenmin zijn kritiek op de volks-doop waardoor volgens hem het ja-woord van de mensen het provoceren van een leugen is.
Ook Huntemanns opvatting over het Schriftgezag is nu veel beslister. Dat blijkt als hij de strijd van de Bekennende Kirche tijdens het Hitler-bewind  vergelijkt met de strijd die hijzelf voert binnen de Bekenntnisbewegung in Duitsland. De eerste kerkstrijd, waarin Karl Barth een grote rol speelde, keerde zich tegen het Führer-principe. De tweede kerkstrijd keert zich tegen de vrijzinnigheid in de Duitse Evangelische Kirche. In de eerste kerkstrijd kwam men wel op voor de heerschappij van het woord van God, maar…. wat is het woord van God? Is het woord van God de hele heilige Schrift en is dit woord van God onfeilbaar? Dat was het – aldus Huntemann – destijds niet voor Barth en Bonhoeffer.
Huntemann kwalificeert daarom in 1979  de onhelderheid over de onfeilbaarheid van de heilige Schrift als ‘die Krankheid zum Tode’ binnen de Bekennende Kirche uit de jaren 1933 e.v.
Hiermee sloeg hij een andere weg in dan vroeger als het over de Bijbel gaat. Nu maakt hij er de Bekenntnisbewegung zelfs een verwijt van dat zij niet duidelijk genoeg is in haar belijdenis omtrent de Bijbel. De Bekenntnisbewegung, zegt Huntemann, heeft zich nooit helder voor de onfeilbaarheid van de Schrift uitgesproken. Het begon goed op een aantal conferenties (Wuppertal 1963, Sittensen 1968), schrijft Huntemann. Maar tegenstellingen binnen de Bekenntnisbewegung werden al gauw duidelijk. Schriftkritiek ontbrak niet in bv. het boek van Gerhard Bergmanns: Alarm um die Bibel.  Hier moet, zegt Huntemann, een keus gedaan worden: óf de Bijbel is Gods woord, maar dan is zij onfeilbaar, óf de mens bepaalt zelf de maatstaven om te beslissen wat in de Bijbel Gods woord is of niet. Dat laatste leidt echter onherroepelijk tot subjectivisme, en de ideologieën krijgen weer de kans om binnen te breken. Aldus Huntemann.

 Vrouwen als predikant? 

Ik vestig de aandacht nog op één zaak die Huntemann aansnijdt in Diese Kirche muss anders werden, dus in het boekje dat hij – zoals reeds gezegd – opdroeg aan zijn gereformeerde broeders in Nederland. Met al de felheid die hem eigen was, heeft hij zich verzet tegen de vrouw op de preekstoel. Over dit thema had ook de Bekenntnisbewegung, althans in het begin van haar activiteiten, zich druk gemaakt, lezen we bij Huntemann. Maar al gauw bleek dat hierover geen eenstemmigheid was.
Dat hinderde Huntemann niet om frank en vrij voor zijn overtuiging uit te komen. Hij schroomt niet om de bekende Bijbelteksten tegen de vrouw in het ambt te citeren en beslissend te vinden. Ik deel zijn opvatting, al laat ik allerlei argumenten die Huntemann naast deze teksten aanvoert om aan het ‘feminisme’ een halt toe te roepen voor zijn rekening. Men kan ze vooral vinden in zijn omvangrijkste boek Biblisches Ethos uit 1995, waar hij o.a. over autoriteit en patriarchaat schrijft.
Beslissend voor Huntemann en voor mij is het getuigenis van de Schrift zelf. Ik argumenteer wat eenvoudiger dan hij het doet. Het is van belang de Schift en de geschiedenis te laten spreken. Het Oude Testament kent geen priesteressen, die er in die tijd bij de heidenen zeker te vinden waren. Het Nieuwe Testament kent vrouwen die wel volgelingen van hun Heer Jezus zijn, soms tot beschaming van de mannen, maar geen apostelen of predikers worden.
Vorstinnen zijn er in alle eeuwen geweest. Ook in onze eigen Nederlandse geschiedenis hebben vrouwen macht uitgeoefend over regio’s of over ons hele land. Regeren is niet alleen een taak en een kunst voor mannen, maar ook voor vrouwen.  Maar daarom blijven we wel luisteren naar wat met apostolisch gezag ons is verteld wie er in de kerk mag optreden voor de verkondiging van het evangelie. De teksten in 1 Cor. 11,2vv; Ef. 5,22vv e.a. geven de doorslag.
In mijn boek Grondslagen (1999,96v) heb ik mij verzet tegen de bewering van Kuitert dat het ‘culturele standpunt’ hier beslist. Tegen het culturele standpunt in moeten we ons aan de rangorde die de Bijbel aanbrengt tussen man en vrouw, met consequenties voor de uitoefening van het kerkelijk ambt. Ik had er nog bij kunnen zeggen, dat wij in de Bijbel allerlei dingen anders zouden hebben geschreven. Maar God sprak door Jezus Christus en zijn apostelen en wij zijn slechts luisteraars. Het aanvaarden van het Schriftgetuigenis is hier in geding, ook al zijn we zo ‘mondig’ geworden dat wij tegen de verhouding  man-vrouw vandaag heel anders aankijken.
Huntemann heeft het geweten wat het betekent uitgelachen en bespot te worden, toen hij krachtig protesteerde tegen de benoeming van Maria Jepsen in 1992 tot bisschop in de Evangelische Landeskirche in Hamburg en omgeving. Wereldwijd gezien was dit de eerste benoeming van een vrouw als bisschop in de Lutherse kerkelijke wereld. Huntemann wenste dat deze bisschop  zou worden geëxcommuniceerd. Hij vroeg aan de kerken haar het avondmaal te weigeren. Ik moet erbij zeggen dat heel het gedachtengoed van deze bisschop liberaal was, zodat zij  bv. het kerkelijk homohuwelijk met vreugde begroette.
Huntemann bereikte (natuurlijk) niet wat hij wenste. Het enige wat hem bespaard bleef was het feit dat tijdens zijn leven geen vrouw de kansel heeft bestegen in ‘zijn’ Martinikirche.
Ik noemde hier twee zaken samen: de vrouw in het ambt en het accepteren van homoseksuele relaties. Als Huntemann over allerlei onderwerpen schreef, zag hij verbanden. Ik ook. Zo vind ik het niet toevallig dat er met een beroep op het ‘culturele standpunt’ – tot en met in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) – niet alleen om vrouwelijke predikanten gevraagd wordt, maar om meer. Ook (homo)seksuele relaties, ons in de Schrift verboden, worden getolereerd in de kerk, of zelfs openlijk verdedigd. De tucht in de kerk, waarvoor Huntemann opnieuw aandacht vroeg , verslapt en verdwijnt. Grenzen verschuiven. We worden vriendelijker voor de wereld en voor alles wat kerk heet om ons heen.
Er is geen stilstand, noch in het leven van personen, noch in dat van de kerk. Huntemann zagen we opschuiven van liberaal naar reformatorisch. Vrijgemaakte  kerken zien we opschuiven van reformatorisch naar ‘algemeen christelijk’. Ik  merk dat het woord ‘gereformeerd’ niet graag meer gebruikt wordt, laat staan dat de zaak die erin besloten ligt, nog enthousiasme  uitlokt.

 Altijd studie, altijd strijd

 Naast predikant in Bremen is Georg Huntemann docent geweest in Basel aan de Staatsunabhängige Theologische Hochschule (STH) vanaf 1970 tot 2004 en in Leuven aan de Evangelische Theologische Faculteit (ETF) van 1985 tot 1995. De studenten die hij daar had, kunnen vertellen hoe levendig zijn colleges waren. Hij was rijk in het formuleren van uitdagende stellingen, riep overal tegenspraak op, maar werd bewonderd en bemind.
Huntemann was niet humorloos en kon relativeren. Hij had niets van een rechtlijnig man die de wenkbrauwen fronst zodra men iets zegt dat van zijn opvattingen afweek. Hij  was strijdbaar, maar niet strijdlustig. Met zijn stem die zijn huis én de (college)zaal vulde waar hij sprak, kon hij je iets op het hart binden, zodat je de indruk kreeg een sukkel te zijn als je het niet met hem eens was. Maar wie hem kende, genoot van zijn discussie, ging vrijmoedig met hem in debat en kwam altijd verrijkt weer thuis. Huntemann wist wie hij voor zich had. Hij wist ook dat hij in Basel rekening moest houden met opvattingen die hij niet kon delen. Hoe kras hij zich ook kon uitlaten, een drijver was hij allerminst. Hij kon met anderen samenwerken en zich schikken.
Van de boeken die hij schreef noem ik nog even weer zijn Biblisches Ethos (1995). Hij hecht daarin grote waarde aan het Noachitisch verbond (Gen. 9) en aan de Tien Geboden. In dit boek komt duidelijk zijn kennis en liefde uit voor wat Joden erover geschreven hebben. Historisch is die belangstelling goed te verklaren. In zijn studentenjaren is hij een aantal jaren assistent geweest van de Joodse geleerde Hans-Joachim Schoeps. Daardoor is hij o.a. lang geïmponeerd geweest door diens antidemocratische ideeën en monarchistische opvattingen. Huntemann voelde zich verbonden aan de Joden en aan Israël. Hij had echter niets op met chiliastische ideeën over Gods volk als een apart volk naast de gemeenschap van de kerk.
In zijn Biblisches Ethos merken we trouwens duidelijk dat hij wars was van een piëtistische invulling van het christelijk geloof, met veel aandacht wel voor het eigen geloof, maar niet voor de boodschap die er is voor de wereld in al haar verbanden.
Ik vermeld verder alleen nog kort zijn studie over Bonhoeffer die hij in 1989 publiceerde onder de (weer duidelijk polemische ) titel Der andere Bonhoeffer. Bonhoeffer is voor Huntemann niet de kroongetuige voor het modernisme die men van deze Duitse theoloog gemaakt heeft. Huntemann  ziet Bonhoeffer als een christelijk denker die zich juist tegen het modernisme keert. Dat er over Bonhoeffer meer te vertellen is dan het modernisme graag hoort, heeft Huntemann overtuigend aangetoond. Soms vraag ik mij het lezen wel af: Heeft hij het hier nog over Bonhoeffer, of is het een Bonhoeffer die te veel op Huntemann zelf gaat lijken?

 Kämpfer für die rechtgläubige Kirche 

Ik sluit af. Studie en strijd gingen bij Huntemann samen. Ik eer hem als een denker van formaat, maar  vooral als een belijder van ons algemeen en christelijk geloof. Huntemanns leven en denken verdienen een dissertatie van de hand van een begaafde theoloog, die nog in staat is zich in het denken van de jeugdige student Huntemann in te leven en hem vandaar te volgen tot aan zijn dood. Iemand die zelf theologisch geschoold is, kan met goede kennis van de wijsbegeerte vanaf Hegel tot Heidegger en met inlevingsgevoel voor  een gecompliceerd man als Huntemann was, een mooie studie schrijven.
Ik sluit af met dank aan Huntemanns vrouw Hella. Zij heeft hem tijdens heel zijn studieweg begeleid en zowat alles getypt en op de computer gezet wat hij geschreven heeft. Zij was een van geest met hem, hoewel dat niet vanzelfsprekend was. Ook zij heeft de wending van liberaal naar orthodox  doorgemaakt. Haar steun en haar correctie is voor haar man van grote betekenis geweest. Haar steun ook in zijn depressieve momenten. Ik heb Huntemann gekend in al zijn uitbundigheid, maar ook in zulke neerslachtige ogenblikken. Wie heeft die niet als hij zich afvraagt  wat hij bereikt (heeft) met zijn spreken en schrijven?

Ik werd ontroerd toen mevrouw Huntemann ons per telefoon over zijn dood berichtte. Haar man stierf in haar armen. Boven de rouwbrief staan de woorden: ‘Der Herr hat seinen Kämpfer für die rechtgläubige Kirche zu sich gerufen’. Ja, zo is het. En de afkorting V.D.M. onder zijn naam geven terecht aan dat hij dienaar van het Woord geweest is.

 Jochem  Douma

 

Reacties zijn gesloten.