Brief aan GS Ede 2014

Aan de Generale Synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland
bijeen te komen in 2014 te Ede
Postbus 770
3800 AT Amersfoort

  

APPEL OP DE GENERALE SYNODE 2014 

  

Geachte vergadering, eerwaarde en weleerwaarde broeders,

 U bent allen geroepen, en hebt daarvoor van uw zenders ‘last en volmacht’ ontvangen, om namens de gereformeerde kerken in uw ressort de zaken te bespreken en daarover besluiten te nemen die aan de generale synode zijn opgedragen vanuit de kerken. En dit ‘als waren de kerken zelf in haar geheel in de Generale Synode aanwezig’. Wij realiseren ons dat u uw opdracht moet uitvoeren terwijl de onderlinge verdeeldheid binnen het kerkverband steeds groter wordt. Die verdeeldheid raakt ook steeds vaker de grondslagen voor echt gereformeerd kerkelijk leven: het gezag van Gods Woord en de gebondenheid aan de drie formulieren van eenheid.

 Ondergetekenden hebben hierover veel zorg en verdriet en wenden zich tot uw vergadering om duidelijkheid te vragen in zaken die in de kerken verdeeldheid hebben gebracht. Er liggen vanuit de kerken en via deputatenrapporten diverse zaken op uw tafel, waarbij die verdeeldheid aan de oppervlakte komt. Concreet willen wij u de volgende vragen voorleggen: 

  1. Binding aan de gereformeerde belijdenisgeschriften

 Wij nemen aan dat alle gereformeerde kerken en al haar voorgangers, in welk verband zij voor de kerk (kerken) ook actief zijn, zich verenigd moeten weten door hun binding aan de gereformeerde belijdenisgeschriften. Het lijkt misschien of we een open deur intrappen, want de genoemde verplichting is immers schriftelijk duidelijk vastgelegd en werd, zolang als de Gereformeerde Kerken in Nederland bestaan, ook algemeen nagekomen. Maar dit is uiteraard nog geen garantie dat het in de praktijk van het kerkelijk leven vandaag nog zo beleefd wordt. Nu kan een predikant, ds. W. van der Schee, op zijn website schrijven dat ‘de tijd van het handhaven van belijdenissen en kerkordes onontkoombaar verleden tijd’ is. Had hij geschreven dat er meer is dan een formele verplichting, dan zou niemand bezwaar aantekenen. Maar dat schreef hij er niet bij.

Een ander signaal van verslappende interesse voor een strikte binding aan de confessie was de moeite rond de missionaire gemeente Stroom te Amsterdam. Zij had te kennen gegeven dat zij van haar ambtsdragers geen instemming met de belijdenisgeschriften vroeg. Toch wilde zij (aanvankelijk) wel een plaats binnen het verband van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Deze gemeente wilde ook de discussie afwachten die er binnen de classis Amsterdam-Leiden over het ondertekeningsformulier gevoerd werd. De hier vermelde situaties geven ons vrijmoedigheid om van u duidelijkheid te vragen: Zijn de gereformeerde kerken nog steeds kerken die herinnerd mogen en moeten worden aan het nakomen van de beloften die zij met betrekking tot hun gereformeerde grondslag (elkaar) hebben gegeven? 

2. Het gezag van de Heilige Schriften 

Binnen de kerken zijn er ook vragen gerezen over het gezag van de Heilige Schriften, met name over hun historische betrouwbaarheid. Van verschillende kanten werd bezwaar gemaakt tegen de benoeming van dr. S. Paas als docent aan de Theologische Universiteit te Kampen, op grond van uitspraken die hij o.a. in zijn dissertatie ‘Schepping en oordeel’ had gedaan. Geen van de bezwaarden heeft ooit een materieel antwoord ontvangen op de ingediende theologisch-exegetische bezwaren die zij tegen de opvattingen van dr. Paas hadden ingebracht. Wel is er door rector en secretaris van de Theologische Universiteit in De Reformatie van 28 april 2009 toegezegd dat er een verklaring zou komen die verband hield met genoemde bezwaren. Maar die verklaring is er niet gekomen. Er werden aan de Universiteit enkele studiedagen gehouden die de verwachting wekten dat docenten aan deze Universiteit op de bezwaren zouden ingaan. In de toespraken op deze studiedagen is van een gericht antwoord niets te vinden.

De situatie werd nog gecompliceerder toen in 2010 aan de Universiteit de dissertatie van Koert van Bekkum ‘From Conquest to Coexistence’ verdedigd werd. Volgens de schrijver hoeft het wonder uit Jozua 10 van de verlenging van een dag niet echt gebeurd te zijn. Maar die opvatting is nimmer onder de gereformeerde theologen verdedigd. Zij gingen allen uit van het feit van dit wonder, zoals bv. H. Bavinck stelt in zijn Gereformeerde Dogmatiek (II7,446). Het was opvallend dat na de promotieplechtigheid twee docenten aan de Universiteit de opvatting van Van Bekkum op exegetische gronden  publiek afwezen. 

Ze deden dit in een ‘Ingezonden’ in het Nederlands Dagblad van 9 april 2010, en in het artikel ‘De langste dag’, in De Reformatie van 9 april 2010. Des te teleurstellender was het hoe één van hen, dr. E.A. de Boer, later (in 2012) reageerde op een andere aanval op de historiciteit van wat de Schrift vertelt. G. van den Brink en C. van der Kooi hebben in hun Christelijke Dogmatiek een zeer aanvechtbaar beeld geschetst van de zondeval. Zij suggereren (op p. 278) een eerste mensensoort van zo’n 5000 á 10.000 mensen die zich bewust werden van hun goddelijke bestemming, waarbij de mogelijkheid ontstond ‘er willens en wetens van af te wijken’. Die eerste mensen moeten ‘een primitief moreel besef’ gehad hebben ‘waarbij ze zich (hoe vaag ook) bewust waren van goed en kwaad in het licht van Gods gebod’. De Boer reageert er zo op: “Adam en Eva kan je je indenken als clanhoofden van de eerste groep mensen. Ik vind dit een mooi voorbeeld van gesprek tussen theologie en natuurwetenschappen en van debat binnen de theologie om antwoorden te vinden op vragen van nu. Of je de oplossingsrichting aanvaardt of niet, het dogmatisch denken mag de ruimte krijgen” (De Reformatie van 28 dec. 2012, p. 127).

 Het moet ons iets zeggen dat zowel de zusterkerken in Australië alsook in Canada zich erover hebben beklaagd dat zij geen materieel antwoord hebben gekregen op de bezwaren die zij tegen de beide dissertaties hadden geformuleerd. Zo schrijft de Generale Synode van de Canadese Gereformeerde Kerken in haar Vermaanbrief (!) d.d. mei 2013, dat zij in de antwoorden van onze deputaten geen enkele aanwijzing hebben gezien dat hun zorgen herkend en inhoudelijk beantwoord zijn.

Wat wij u met betrekking tot dit tweede onderwerp willen vragen is het volgende: Bent u bereid, niet alleen op ons verzoek, maar evenzeer op dat van de buitenlandse zusterkerken te bevorderen dat er alsnog een duidelijk antwoord op de ingebrachte bezwaren wordt geformuleerd? U kunt toch niet volstaan met de mededeling dat deputaten en andere commissies serieus de ingebrachte bezwaren hebben getoetst en te licht bevonden? De kerken mogen om duidelijkheid vragen hoe er in Kampen geoordeeld wordt over belangrijke kwesties als de historiciteit van de uittocht uit Egypte, de intocht in Kanaän, de wonderbaarlijke val van Jericho en het wonder van de verlengde dag in Jozua’s dagen. Ook wij vragen u om een bevestiging van de betrouwbaarheid van de Heilige Schrift zoals onze confessie zich daarover uitspreekt in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 3-7. 

3. De vrouw in het ambt 

De vragen met betrekking tot het gezag van de Heilige Schriften zijn des te dringender geworden door de voorstellen die de meerderheid van de deputaten M/V aan uw vergadering hebben gedaan met betrekking tot de vrouw in het ambt.
De kerk heeft in overgrote meerderheid vanaf de eerste eeuwen tot heden, in sterk verschillende culturele contexten, op grond van het onderwijs van de Schrift steeds de mogelijkheid afgewezen vrouwen tot de kerkelijke ambten toe te laten. Nu moet uw vergadering overwegen deze katholieke consensus te breken. We noemen een aantal argumenten die ons ertoe brengen u te verzoeken hiertoe niet te besluiten: 

- Gereformeerden hebben terecht onderscheid gemaakt tussen de ‘tijdbetrokkenheid’ van bijvoorbeeld de aanwijzingen van de apostelen voor het kerkelijk leven en de ‘tijdbepaaldheid’ ervan. Dit onderscheid wordt niet meer verdisconteerd in het deputatenrapport.
- Deputaten kunnen er niet onderuit dat Paulus het kerkelijk ambt aan de vrouwen ontzegt. Het hoofdargument om desondanks vandaag vrouwen wel toe te laten tot de ambten berust bij deputaten voornamelijk op hun schets van de culturele achtergrond waartegen Paulus’ voorschriften zouden staan. Wat in de toenmalige cultuur dienstig was om het evangelie ingang te laten vinden, zou dat in onze huidige culturele omstandigheden niet meer zijn. Intussen zijn er terecht, ook in de minderheidsnota van br. D.A.C. Slump, veel vraagtekens gezet bij de houdbaarheid van de beweringen over de toenmalige cultuur, zoals de meerderheid van de deputaten daarover schrijft. Lopen wij zo niet het gevaar dat het gezag van het openbaringswoord van de HERE ondergeschikt gemaakt wordt aan onze beoordeling van de tijd waarin dit woord geschreven is?
- Wordt in het rapport het onderwijs van Paulus niet veel te veel geïsoleerd van het totale onderwijs van heel de Schrift over de man-vrouw verhouding zoals de HERE dat in verschillende verbanden gegeven heeft? Komt het niet daardoor dat in het rapport het onderscheid tussen enerzijds de gelijkwaardigheid van man en vrouw en anderzijds het ongelijk zijn van hun positie niet meer functioneert?
- Ernstige vragen roept het op als de deputaten Paulus’ beroep op de scheppingsgeschiedenis relativeren als niet meer dan ‘een herinnering aan een historisch gebeuren’. Kan deze geschiedenis dus niet meer functioneren als een ‘normatief beroep op Gods voorschriften’? Wat voor gevolgen zal dat hebben voor de man-vrouw verhouding? De Schrift beroept zich behalve in 1 Tim. 2 ook op andere plaatsen op de schepping als het gaat over de man-vrouw verhouding (1 Kor. 11: 8 e.v., of ook met betrekking tot echtscheiding Mat. 19: 4 e.v.).
- Wordt niet op flinterdunne gronden door deputaten benadrukt dat Paulus zich aansloot bij wat maatschappelijk gangbaar was? Komt hij in zijn onderwijs over de man-vrouw verhouding niet juist steeds op voor de heilzame bedoeling van de Schepper tegenover de cultuur van destijds? Het komt ons voor dat br. Slump in zijn nota zeer terecht de vraag stelt ‘of de bijbel over de verhouding M/V ook voor vandaag wellicht een boodschap heeft die in meer of mindere mate spanningen oproept met de geleidelijke ontwikkeling die zich heeft voorgedaan in Nederland. Die culturele ontwikkeling is niet waardenvrij’.
- Moet de synode zich geen rekenschap ervan geven welke gevolgen de door deputaten gekozen hermeneutische benadering heeft voor andere vragen, waarin de kerk tot nu toe tegenover de heersende maatschappelijke moraal positie koos? We noemen de belangrijke vraag inzake onze houding tegenover homoseksualiteit.
- Deputaten pleiten voor nadere kerkelijke bezinning. Maar ze vragen intussen al wel om de duidelijke uitspraak dat het pleiten voor vrouwen als ambtsdrager valt binnen de bandbreedte van wat Schriftuurlijk en gereformeerd mag heten. Of hun visie binnen de genoemde bandbreedte valt is nu juist precies het theologische verschil dat op dit moment aan de orde is!
- Is het daarom niet vreemd dat het functioneren van vrouwen als ambtsdrager geen belemmering zou zijn voor kerkelijke eenheid met de Nederlands Gereformeerde Kerken of bij het stichten van missionaire gemeenten?

  4. Visie op de kerk van Jezus Christus 

Misschien is op geen enkel punt de omwenteling in de vrijgemaakt-gereformeerde wereld groter dan in de visie op de kerk van Jezus Christus. Vroeger was er een voortdurende en veel omvattende kritiek op ongeveer alle niet-vrijgemaakt-gereformeerde kerken. Tegenover de soms ongelimiteerde kritiek van vroeger doet zich thans het omgekeerde voor. Wie nog over vrijzinnigheid in de Protestantse Kerk Nederland begint, kan uit de mond van de voorzitter van onze Deputaten voor Kerkelijke eenheid (DKE) te horen krijgen dat de vrijzinnigheid in snel tempo terrein verliest. Met onze buitenlandse zusterkerken kunnen we inmiddels moeilijk converseren als het over geschilpunten gaat die (ook) zij hoog opnemen. Maar het lijkt er op dat er nog nauwelijks obstakels zijn om ook de PKN als ware kerk te begroeten.
We zijn aan een intensief contact met veel Nederlandse kerken begonnen binnen de zgn. ‘Nationale Synode van Dordrecht’. De geestelijke basis daarvoor werd gevonden in een smal geloofsgetuigenis, dat lijkt op een verkorte weergave van de Apostolische Geloofsbelijdenis. Maar hoe zit het met onze gereformeerde confessie, die een bewuste keuze vraagt vóór de ware en tégen de valse kerk? Hoe kunnen wij enthousiast zijn over de huidige ontwikkeling naar eenheid zonder dat duidelijk zichtbaar gemaakt wordt waarom wij gereformeerde kerken zijn en dat behoren te blijven?

Onze concrete vraag met betrekking tot de huidige waardering van de nieuwe oecumenische contacten is: Wilt u ons duidelijk maken dat deze waardering geen breuk betekent met ons kerkelijk verleden waarin wij – met al ons falen in het waarderen van Gods werk buiten onze eigen kerkgrenzen – toch gehoor wilden blijven geven aan de eis van de Heilige Schriften om te onderscheiden tussen wat kerk mag heten en wat niet?

 5. Kerkdiensten en catechismusprediking 

Op de kerkdiensten onder ons wordt veel kritiek geleverd, door de een omdat ze te ouderwets, door de ander omdat ze te modern worden gevonden. De vrijheid van de plaatselijke kerken om zelf de wensen van (een deel van) de gemeenteleden te volgen, is groot. Van een eenheid in eredienst in de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) is moeilijk meer te spreken. Bovendien is het ons allen bekend dat vrijwel overal het kerkbezoek afneemt, omdat velen menen met één dienst per zondag te kunnen volstaan. Ook zijn er al kerken die de tweede eredienst deels of geheel geschrapt hebben of dat overwegen te doen.

Hoewel hier een hele serie vragen te stellen zou zijn, willen we u één onderwerp voorleggen.
Al meer dan vier eeuwen hebben de gereformeerde kerken het onderwijs in de christelijke leer gekoppeld aan de uitleg van de Heidelbergse Catechismus. Naast verkondiging in de morgendienst vond het onderwijs in deze Catechismus tijdens de middagdienst plaats. Maar de laatste tijd ervaren velen dit onderwijs niet meer als een zegen. Catechismusprediking kan als ‘maar’ een vorm eventueel worden ingewisseld of zelfs afgeschaft. Anderen gaan zover niet, maar nemen wel de vrijheid om de geregelde Catechismusprediking te vervangen door vormen van leerdienst, waarbij het met name de voorgangers zijn die bepalen welke onderdelen van de leer aan de orde zullen worden gesteld.
Wij menen dat hier vergeten wordt, hoe in het Nieuwe Testament de missionaire verkondiging van het evangelie gevolgd wordt door een nadere ontvouwing van de heilsboodschap. Naast de opdracht om te verkondigen, is er ook een blijvende opdracht om te onderwijzen en aan de gemeente ‘al de raad Gods’ te verkondigen. De Heidelbergse Catechismus biedt ons daarvoor een kerkelijk geijkte en dus bovenpersoonlijke keuze van de hoofdzaken in het christelijke geloof, met verwijzingen naar de Schrift.

Wij willen u daarom de volgende vraag stellen: Wilt u zowel in de nieuwe Kerkorde als in uw besluitvorming ten aanzien van liturgische zaken, duidelijk laten uitkomen dat het onderwijs in de Schriften aan de hand van de Heidelbergse Catechismus (eventueel soms afgewisseld met thematische aandacht voor één van de beide andere formulieren van eenheid) een verplichting blijft voor de kerken en daarom niet kan worden overgelaten aan plaatselijke kerken? 

Daarvoor zal het ook nodig zijn dat de regel dat de gemeente twee keer op zondag voor een eredienst bij elkaar geroepen wordt, niet in de definitieve Kerkorde gerelativeerd zal worden door op te merken dat dit ‘als regel’ dient te gebeuren zoals nu in de Kerkorde –eerste lezing gebeurt. Met de tweede eredienst zal anders ook het onderricht in de leer uit de kerkdiensten verdwijnen! 

 6. Is binnen het christelijk leven een homoseksuele relatie mogelijk?   

Ook op het gebied van het christelijk leven heeft de kerk haar taak, zoals uit het derde kenmerk van de kerk duidelijk is: Zij oefent de tucht in de gemeente om de zonden te bestraffen (art. 29 Ned. Geloofsbelijdenis). Het is ons allen bekend wat het doel van deze tucht is. Zij bestraft de zonde en roept de zondaar op tot bekering. Geeft men aan die oproep gehoor, dan is de vreugde groot, omdat hij of zij door de kerk (weer) aangenomen mag worden als lid van Christus en van zijn gemeente (Heid. Catechismus, antw. 85).
Het is bekend dat deze tucht in allerlei zaken vaak gebrekkig is, maar soms ook nauwelijks of in het geheel niet geoefend wordt. Hoe meer de ‘wereld’ in de kerk binnendringt, hoe zwaarder het de kerk valt tucht te oefenen.

Wij leggen aan uw vergadering één zaak voor, die wij exemplarisch mogen noemen voor de huidige situatie. Tot voor kort was de Bijbelse norm voor de kerkenraden met betrekking tot huwelijk en seksualiteit helder. Een homoseksuele relatie werd afgewezen als strijdig met het huwelijk, dat God had ingesteld voor eenheidsbeleving van man en vrouw in lichamelijke en geestelijke zin. Homoseksualiteit komt niet overeen met Gods oorspronkelijk scheppingsdoel. Volgens de Bijbel is seksuele gemeenschap exclusief verbonden aan de relatie tussen man en vrouw binnen het huwelijk. De moeite die zich hier voordoet, is overigens niet beperkt tot homoseksueel verkeer, maar heeft ook betrekking op heteroseksueel verkeer vóór of buiten het huwelijk.
De laatste synodes wezen in gevallen die aan haar werden voorgelegd op de macht van satan en op de zuigkracht van de zonde. Een kerkenraad kan, aldus de synode, in zijn herderlijke zorg voor hen die gaan samenwonen niet anders dan met grote ernst waarschuwen voor de onderschatting van de zuigkracht van de verleiding en voor overschatting van de eigen weerbaarheid tegen die verleiding (Acta GS 2008 art. 52).
Ook de generale synode van Harderwijk 2011 sprak in dezelfde geest. Wie niet bereid is zich te onderwerpen aan de terechtwijzing die de kerkenraad liet uitgaan, kan niet worden toegelaten aan het heilig avondmaal. Elke avondmaalsviering, aldus deze synode, is voor de avondmaalsganger een herhaling en bekrachtiging van iemands geloofsbelijdenis. Het Avondmaalsformulier zegt toch o.a. dat zij die ‘getrouwd of ongetrouwd hun lichaam niet rein bewaren’ geen toegang hebben tot de viering van het avondmaal. Aldus ook de synode van Harderwijk (art.3 van de Handelingen van de GS 2011).
Nu is aan allen bekend dat via een congres over homoseksualiteit aan de Theologische Universiteit te Kampen in 2012 de gedachte heeft postgevat, dat tuchtoefening hier niet, of in elk geval tijdelijk niet (gedurende onze noodzakelijk geachte bezinning op deze problematiek) op haar plaats zou zijn (zie nu ook dr. A.L.Th. de Bruijne, Open en kwetsbaar, Barneveld 2012, p. 63v.).
Wat ons goed voor de geest staat, is de moeite die (ook) aan tuchtoefening in zaken als samenwonen voor en zonder huwelijk, of aan het samenwonen van homoseksuelen en lesbiennes verbonden is. Is er niet op gewezen dat we vaak mild zijn in geval van overspel en echtscheiding, terwijl we bij mensen die homoseksueel leven meteen weten dat er tucht geoefend moet worden? Toch is het niet de oplossing om dan mild in alle gevallen te zijn door géén kerkelijke censuur te oefenen.
Wij hebben met Gods gebod te maken dat in alle gevallen zowel barmhartigheid voor zondaars, als tegelijk ook eerlijkheid en beslistheid in het aanwijzen van de zonde vereist. En gehoorzaamheid aan het gebod van God heeft voorrang boven onze genegenheid voor zondaars die met hun zonde  niet wensen te breken. De Here Jezus is ons voorbeeld. Hij bestrafte de Farizeeën wegens hun koude en onbarmhartige opstelling tegenover de overspelige vrouw. Maar onze Heiland verzuimde niet ook tegen deze vrouw te zeggen: ‘Ga naar huis, en zondig vanaf nu niet meer’(Joh. 8,11).

Omdat met name het uitoefenen van tucht, of beter gezegd het niet-uitoefenen ervan, meer dan één gemeente in ernstige verdeeldheid heeft gebracht, vragen wij aan uw vergadering het volgende: Wilt u uitspreken dat er geen reden is van kerkelijke censuur af te zien in de hierboven genoemde gevallen, waarin broeders en zusters, getrouwd of ongetrouwd, hun lichaam niet rein bewaren?

 Nog twee opmerkingen

Aan onze vragen om duidelijkheid verbinden wij twee opmerkingen: 

- Het kan zijn dat onze vragen, met hun ondertekening vooral door broeders en zusters in plaats van kerkenraden en andere kerkelijke vergaderingen, voor nadere bestudering door uw vergadering niet in aanmerking komen. Wie argumenten zoekt om aan onze brief geen aandacht te geven, zal ze zeker vinden. Met onze brief stemmen velen in die met hun zorgen of bezwaren gepoogd hebben de kerkelijke weg te gaan – naar kerkenraden, classes of ook naar een synode. Zij kregen nauwelijks of geen gehoor. Hun ondertekening van deze brief aan uw vergadering om duidelijkheid is een uiterste poging alsnog gehoor te vinden. Maar zij vragen om duidelijkheid vanwege hun liefde tot Christus en uit dankbaarheid voor wat zij in de gereformeerde kerken soms een leven lang ontvangen hebben.

 – Wij beseffen dat uw vergadering een zware taak wacht. Wees ervan verzekerd dat wij en vele anderen voor u bidden om de kracht van de Geest van Jezus Christus! Onze brief is geboren uit grote verontrusting en diep verdriet over de gang van zaken in de kerken. Maar tegelijk is het onze hartelijke begeerte dat wij in het spoor van uw besluiten samen gereformeerde kerken mogen blijven!

 

In verbondenheid aan u allen, 

uw broeders en zusters in Christus, 

 

Reacties zijn gesloten.